Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6601

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
4251841 CV EXPL 15-6143
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet wegens fraude. Werknemer vordert wedertewerkstelling en doorbetaling van loon. Door extern bureau is onderzoek verricht en zijn naast werknemer ook collega’s gehoord.

Collega’s hebben in dat onderzoek (ook) over werknemer zeer belastende verklaringen afgelegd, terwijl uit het dossier niet blijkt waarom zij hem zo zouden belastten, indien ze niet de waarheid zouden spreken. Werknemer heeft desgevraagd ter zitting ook nog geen verklaring kunnen geven voor het feit dat deze collega’s hem zo hebben (mede)beschuldigd. De kantonrechter gaat er voorlopig ook vanuit dat de onderzoekers in aanwezigheid van de directeur schriftelijk wel degelijk correct hebben neergelegd wat in elk geval de strekking van werknemers verklaring op 3 juni 2014 was, te weten dat hij over bepaalde zaken niet wilde praten omdat hij niet wilde dat zijn gezin iets nadeligs zou ondervinden doordat hij dingen zou vertellen…….

Werknemer betwist wel dat hij die verklaring heeft afgelegd, maar dat vindt de kantonrechter vooralsnog dus ongeloofwaardig. Al die verklaringen bij elkaar zijn, mede in het licht van het gehele onderzoek, zo belastend voor werknemer dat werkgever wat betreft de kantonrechter terecht het zeer sterke vermoeden kon hebben dat werknemer had gehandeld in strijd met de gedragsregels en met artikel 26 van de toepasselijke CAO en dat zij terecht is overgegaan tot ontslag op staande voet. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1538
AR-Updates.nl 2015-0779
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4251841 CV EXPL 15-6143

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 31 juli 2015

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend [adres] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.E.J. Beckers,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WELLCOLL HEERLEN B.V. ,

statutair gevestigd en kantoorhoudend Beersdalweg 84

te 6412 PE Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. L.G.T. Paulus.

Partijen zullen hierna [eiser] en WellColl genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling op 27 juli 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 januari 1991 in dienst getreden bij WellColl, laatstelijk werkzaam in de functie van chef-werkplaats. Op 27 mei 2015 is Interro Bedrijfsrecherche een onderzoek gestart naar mogelijke fraude gepleegd binnen het bedrijf van WellColl. Bij brief van 3 juni 2015 is [eiser] op staande voet ontslagen wegens -kort gezegd- strafbaar handelen, althans betrokkenheid bij strafbaar handelen binnen het bedrijf van WellColl.

2.2.

[eiser] heeft, bij schrijven van zijn gemachtigde van 19 juni 2015, de nietigheid van het gegeven ontslag op staande voet ingeroepen. Naar de mening van [eiser] is een ontslag op staande voet alleen geldig als de reden voldoende dringend is om dit ontslag te rechtvaardigen. Hiervan is geen sprake. [eiser] verwijst in dit verband naar hetgeen door hem nader in het exploot van dagvaarding nader is gesteld.

2.3.

WellColl is echter bij haar standpunt gebleven, hetgeen voor [eiser] tot gevolg heeft dat hij thans geen loon meer ontvangt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dan ook -beknopt samengevat- WellColl te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

-om hem tot zijn reguliere werkzaamheden toe te laten,

-om aan hem het loon door te betalen,

-vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, alsook

-in de kosten van deze procedure.

3.2.

Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling uitgebreid hun stellingen nader toegelicht. Kort samengevat komen deze op het volgende neer.

3.2.1.

[eiser] betwist dat door hem zo verklaard is zoals in het rapport van Interro is opgenomen. Tijdens het gesprek voelde hij zich in een hoek gedreven. Men wilde iets horen dat niet door hem is/werd gezegd. Wel heeft hij gesproken over het schuiven van geldstromen binnen de verschillende filialen van WellColl. Dit is echter niet in de verklaringen opgenomen. De verklaringen zijn door hem ook niet ondertekend.

[eiser] stelt voorts niet te weten waarom anderen (bedoeld worden [naam collega 1] en [naam collega 2] ) hem erbij hebben betrokken. De door hen afgelegde verklaringen zijn gebaseerd op veronderstellingen en aannames. Van [naam collega 2] heeft hij zelfs vernomen dat deze andere uitspraken zou hebben gedaan, dan nu staat verwoord. [eiser] was niet op de hoogte van de gepleegde fraude en heeft deze ook zelf niet gepleegd. Voor zover hij “gebeund” heeft, dan is dit gebeurd binnen de grenzen van de huisregels van WellColl.

3.2.2.

WellColl stelt dat naar aanleiding van een intern onderzoek naar de (verslechtering van de) financiële resultaten zij tot de conclusie kwam dat er binnen de organisatie onlogische en waarschijnlijk dubieuze zaken gebeurden. Reden voor haar om Interro onderzoek te laten verrichten. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat met name door [naam collega 2] , [naam collega 1] en [eiser] werd gefraudeerd. Zo werden materialen anders gefactureerd, buiten werktijd reparaties verricht zonder dat WellColl daar commercieel voordeel bij haalde en minder uren gedeclareerd. Er werden zelfs werkzaamheden elders verricht en door de klant contant afgerekend. Het geld werd gedeeld tussen [naam collega 2] en [eiser] . WellColl staat haar werknemers toe om te “beunen”, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarden en binnen de kaders van het handboek. Rechtstreeks al dan niet concurrerende nevenwerkzaamheden verrichten is in strijd met art. 26 cao. Naar de mening van WellColl is het gegeven ontslag op staande voet onverwijld gegeven en voldoet het aan alle daaraan te stellen eisen.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat om een spoedeisende zaak in de zin van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De zaak leent zich dus voor een behandeling en een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

4.2.

De kantonrechter moet dan in kort geding beoordelen of de vordering in een toekomstige bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is om daarop door het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder formele bewijslevering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.

4.3.

Ter comparitie heeft de kantonrechter al uitgelegd waarom naar zijn inschatting de vordering niet een zodanige kans van slagen heeft. Volstaan kan daarom worden met een verkorte motivering.

4.4.

Niet het functioneren van [eiser] door de jaren heen, heeft de kantonrechter bij zijn beslissing betrokken. Dus ook niet het incident uit 1998/1999.

4.5.

Cruciaal zijn wél de gespreksverslagen bij het onderzoek van Interro en de inhoud van het tussentijds rapport van Interro.

4.6.

De collega’s [naam collega 2] en [naam collega 1] hebben in dat onderzoek (ook) over [eiser] zeer belastende verklaringen afgelegd, terwijl uit het dossier niet blijkt waarom zij hem zo zouden belastten, indien ze niet de waarheid zouden spreken. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting ook nog geen verklaring kunnen geven voor het feit dat [naam collega 2] en [naam collega 1] hem zo hebben (mede)beschuldigd.

4.7.

De kantonrechter gaat er voorlopig ook vanuit dat de onderzoekers in aanwezigheid van directeur [naam directeur] schriftelijk wel degelijk correct hebben neergelegd wat in elk geval de strekking van [eiser] verklaring op 3 juni 2014 was, te weten dat hij over bepaalde zaken niet wilde praten omdat hij niet wilde dat zijn gezin iets nadeligs zou ondervinden doordat hij dingen zou vertellen…….

4.8.

[eiser] betwist wel dat hij die verklaring heeft afgelegd, maar dat vindt de kantonrechter vooralsnog dus ongeloofwaardig.

4.9.

Al die verklaringen bij elkaar zijn, mede in het licht van het gehele onderzoek, zo belastend voor [eiser] dat Wellcoll wat betreft de kantonrechter terecht het zeer sterke vermoeden kon hebben dat [eiser] had gehandeld in strijd met de gedragsregels en met artikel 26 van de toepasselijke CAO en dat zij terecht is overgegaan tot ontslag op staande voet.

4.10.

De kantonrechter verwacht niet dat de bodemrechter op grond van het thans voorliggend dossier anders zal oordelen.

4.11.

[eiser] wordt dus in dit kort geding in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten van Wellcoll worden veroordeeld. Die kosten worden begroot op € 600,00 voor salaris van de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van WellColl tot op heden begroot op € 600,-,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.

type: JS