Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6565

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3703u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid.

Bemoeienis van een bankdirecteur met fiscaal onbekend geld van een cliënt levert, mede ook gelet op de intern aangescherpte regels hieromtrent, een dringende reden voor ontslag op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/3703

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2015 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J.C. Brouwer),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: mr. R.M.C. Vangangelt en J. Huys).

Procesverloop

Bij primair besluit van 25 juli 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiser per

6 juni 2011 recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, maar dit recht niet tot uitbetaling laten komen in verband met verwijtbare werkloosheid.

Bij primair besluit van 25 juli 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder besloten dat het recht op voortzetting van de per 6 juni 2011 toegekende WW-uitkering met ingang van

25 november 2011 niet uitbetaald wordt in verband met verwijtbare werkloosheid. Eiser heeft ook geen recht op een nieuwe WW-uitkering omdat hij niet aan de wekeneis voldoet.

Bij primair besluit van 25 juli 2014 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de

WW-uitkering herzien over de periode van 6 juni 2011 tot en met 29 juni 2014 en de aan eiser betaalde voorschotten van in totaal € 103.434,42 teruggevorderd.

Bij besluit van 5 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen voornoemde besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst. Het na de zitting aan het dossier toegevoegde stuk is in kopie aan verweerder gezonden. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft, nu partijen daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 19 juni 2015.

Overwegingen

1. Eiser is op 1 oktober 1996 in dienst getreden bij [naam bank] als directeur van het kantoor van de vestiging Venlo. Bij een reorganisatie in 2009 heeft [naam bank] besloten tot sluiting van het kantoor te Venlo en is aan eiser de functie aangeboden van commercieel directeur regio Zuid-Oost Nederland met als standplaats Eindhoven. Vervolgens is tussen partijen een discussie ontstaan over de vraag of dat een passende functie was. Eiser is lange tijd ziek uitgevallen en was op 24 april 2011 weer volledig hersteld. Op 3 mei 2011 heeft een cliënte van [naam bank] , mevrouw [naam cliënt] ( [naam cliënt] ) telefonisch contact gezocht met de heer [naam medewerker] , medewerker bij [naam bank] , omdat zij zich zorgen maakte over eiser, die volgens haar op “non-actief” zou zijn gezet. Naar aanleiding van verdere mededelingen van [naam cliënt] over een rol van eiser bij het beheer van haar vermogen besluit [naam bank] om door medewerkers van haar afdeling Compliance een onderzoek in te stellen naar werkzaamheden die eiser zou hebben uitgevoerd ten behoeve van [naam cliënt] . Eiser is hierover gehoord op 11 mei 2011 en [naam cliënt] op 10 mei 2011 en op 18 mei 2011. Het onderzoek leidt tot een concept-rapport van

30 mei 2011, dat op 6 juni 2011 met eiser is besproken. Eiser is op dezelfde dag op staande voet ontslagen vanwege bekendheid van en betrokkenheid bij fiscaal ongekend geld op een Zwitserse bankrekening van [naam cliënt] . De gespreksbevestiging is schriftelijk weergegeven door [naam bank] op 8 juni 2011. Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd op 10 juni 2011 en de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen.

2. Op 7 juni 2011 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd. Bij het primaire besluit van 30 juni 2011 is aan eiser met ingang van 6 juni 2011 een voorschot toegekend op een eventuele werkloosheidsuitkering in het kader van de WW.

3. Op 4 juli 2011 is een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter. Bij beschikking van 26 september 2011 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst, voor zover mocht blijken dat die nog zou bestaan, per 1 november 2011 ontbonden vanwege een wijziging van omstandigheden onder toekenning van een vergoeding ten bedrage van € 110.000,- bruto aan eiser, waarbij hij in acht heeft genomen dat eiser zicht had op een andere functie, zij het met minder goede arbeidsvoorwaarden.

4. Eiser heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst nietig is en deze heeft voortbestaan tot 1 november 2011, met veroordeling van [naam bank] tot loondoorbetaling. Vervolgens is in deze procedure vonnis gewezen op 26 juli 2012. De kantonrechter overweegt dat niet geoordeeld kan worden dat [naam bank] te weinig of te oppervlakkig onderzoek heeft verricht. Beoordeeld is vervolgens door de kantonrechter of de hieronder door [naam bank] in haar brief van 8 juni 2011 genoemde gronden voor het ontslag een dringende reden opleveren:

  1. betrokkenheid bij fiscaal niet gekend geld en het faciliteren van een cliënt ten aanzien van dergelijke gelden;

  2. een ongeoorloofde vermenging van zakelijke en privé-belangen;

  3. het nalaten van een melding van nevenactiviteiten of geconstateerde bevindingen;

  4. handelen in strijd met binnen de bank geldende regels, meer in het bijzonder de Gedragscode, het beleid belangenconflicten, Integriteit en Compliance beleid, de arbeidsovereenkomst en daarop toepasselijke CAO, het Beleid Fiscaal Onoorbaar Gedrag, de Gedragscode voor Persoonlijke Transacties;

  5. het in strijd met de waarheid invullen van de Verklaring Gedragscode Persoonlijke Transacties;

  6. het in strijd met een uitdrukkelijke instructie van [naam bank] contact zoeken met mevrouw [naam cliënt] .

Hierbij heeft [naam bank] betrokken dat eiser eerder een formele berisping heeft ontvangen voor belangenverstrengeling en fiscaal onoorbaar gedrag. De kantonrechter oordeelt dat de onder a. t/m d. genoemde verwijten terecht worden gemaakt, behoudens wellicht eisers betrokkenheid bij zwart geld maar stelt dat in dit geval aangaande de ernst van de verwijtbaarheid zo veel twijfel bestaat dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat [naam bank] in voldoende mate het bestaan van een dringende reden heeft aangetoond. De kern van het verwijt dat resteert is dat eiser heeft verzuimd kennis te geven aan [naam bank] van zijn werkzaamheden voor en de mate van betrokkenheid bij mevrouw [naam cliënt] . Grovelijke veronachtzaming (art. 7:678, tweede lid, aanhef en onder k, van het Burgerlijk Wetboek; (BW)) acht de kantonrechter niet aanwezig. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en dat door eiser terecht een beroep is gedaan op de vernietigbaarheid van dit ontslag vanwege het afwezig zijn van een dringende reden. [naam bank] is in hoger beroep gegaan.

5. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft op 27 augustus 2013 arrest gewezen en heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd. Het Gerechtshof heeft als volgt overwogen:

“4.7.3. De door [eiser] niet betwiste feiten en omstandigheden leiden tot de constatering dat hij vanaf in ieder geval 2007 actieve bemoeienis heeft gehad met fiscaal onbekend geld van een cliënte, zonder dat [naam bank] hiervan op de hoogte was. [eiser] was op de betreffende buitenlandse rekening gemachtigd, onderhield contacten met de betreffende bank (Credit Suisse) en was betrokken bij het (deels) contant opnemen van de gelden bij de betreffende bank ondergebrachte gelden. Dat fiscaal onbekend geld behoorde toe aan een oudere dame, die daarnaast ook cliënte was bij [naam bank] (filiaal Venlo) waarvan [eiser] directeur was. [eiser] heeft zich voorts in 2009 laten machtigen op de rekening van deze cliënte bij [naam bank] om desgewenst gelden op te kunnen nemen en heeft van die machtiging ook gebruik gemaakt. Voornoemde cliënte beschouwde [eiser] als haar steun en toeverlaat, zeker na het overlijden van haar echtgenoot.

Zelfs indien moet worden aangenomen dat [eiser] bij het verlenen van die steun aan deze oudere cliënte van [naam bank] uitsluitend werd gedreven door onbaatzuchtige motieven, dan nog kan worden vastgesteld dat [eiser] geen of onvoldoende oog heeft gehad voor de eveneens te beschermen belangen van [naam bank] bestaande uit het vermijden van risico’s in de relatie met cliënten en het voorkomen van reputatieschade. Een werknemer van een bank in de positie van [eiser] diende ook zeker vanaf 2007 niet meer geassocieerd te worden met het beheren van zwart geld voor cliënten. Het hof onderkent weliswaar de historisch gegroeide en moreel lastige positie waarin [eiser] met name na het overlijden van de echtgenoot van [naam cliënt] in 2006 was komen te verkeren, maar heeft evenzeer begrip voor de noodzaak van [naam bank] om vanaf enig moment de interne discipline in de omgang met fiscaal onbekend geld en aangaande het beheer van rekeningen aan te scherpen.

Die boodschap is [naam bank] in ieder geval vanaf 2005 ook intern nadrukkelijk(er) gaan uitdragen en dat had voor [eiser] aanleiding moeten zijn om zijn bemoeienis (in financiële zin) met [naam cliënt] , ook nog eens een cliënte van [naam bank] , op enigerlei wijze voor te leggen aan de bank dan wel in goed overleg te beëindigen. [eiser] heeft er niettemin om hem moverende redenen voor gekozen (daarover) richting zijn werkgever te zwijgen daar waar spreken plicht werd en al evenmin die activiteiten te beëindigen. Het beroep van [eiser] op een eerder door [naam bank] ingenomen opstelling met betrekking tot een financieel beleid, dat (mogelijk) gekarakteriseerd kan worden als “horen, zien en zwijgen” kan hem – wat daar verder ook van zij – daarbij in het licht van de ook voor hem kenbare omslag van de bank in het denken over de omgang met fiscaal onbekend geld en met de rekeningen van cliënten, dan ook niet (meer) baten. Het zijn deze omstandigheden die naar het oordeel van het hof de kern van de aan [eiser] gemaakte verwijten betreffen en die omstandigheden kunnen een ontslag met directe ingang rechtvaardigen. Dat klemt te meer nu [eiser] reeds eerder in zijn relatie met de bank een gedrag had tentoongespreid dat formeel door de bank als minst genomen onduidelijk dan wel onzorgvuldig was bestempeld. Dat gedrag had immers al tot een officiële waarschuwing geleid. Dat gedrag mag uiteraard meewegen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een dringende reden. Het gaat daarbij dan niet zozeer om de waarschuwing, want die is in tijd gelegen na het thans verweten gedrag, maar om het gedrag zelf. [eiser] draagt verder door zijn handelen ook het risico van de “ruis” die door de opstelling en verklaringen van [naam cliënt] worden veroorzaakt. Dat is weliswaar als zodanig geen reden voor een ontslag op staande voet, maar geeft wel aan hoezeer de beduchtheid van [naam bank] voor de risico’s van verstrengeling van belangen tussen bank en cliënt gegrond is.

4.7.4. Hoewel gelet op het bovenstaande bepaald niet gezegd kan worden dat [naam bank] in de motivering van alle omstandigheden, die voor haar aanleiding waren om [eiser] op staande voet te ontslaan, de vereiste nuancering heeft aangebracht, en een aantal van de opgevoerde redenen zelfs onvoldoende is komen vast te staan, is het hof van oordeel dat de hiervoor in rov. 4.7.3. geschetste kern van de verwijten aan [eiser] overeind blijft en waar die in essentie het gedrag van [eiser] als strijdig met de regelgeving van [naam bank] bestrijkt, vormt deze een voldoende rechtvaardiging voor een opzegging met onmiddellijke ingang. De door [eiser] geschetste gang van zaken tijdens het re-integratietraject en de door hem ervaren opstelling van [naam bank] in dat verband maken, zelfs indien moet worden uitgegaan van de juistheid van alle stellingen van [eiser] dienaangaande – kort gezegd inhoudend dat het uiterst moeizame verloop van het traject uitsluitend aan [naam bank] te wijten zou zijn – doen aan het gerechtvaardigd zijn van de opzegging waarvan de gronden met het door [eiser] gestelde aangaande het re-integratietraject geen enkele relatie hebben, niets af. Derhalve kan evenmin worden betoogd dat vanwege de gang van zaken tijdens het re-integratietraject [naam bank] niet tot het opzeggingsbesluit had kunnen komen. Hetzelfde geldt voor de evidente persoonlijke gevolgen van het ontslag voor [eiser] : daardoor hoefde [naam bank] zich in de gegeven omstandigheden, mede gezien de aard van de aan [eiser] gemaakte verwijten, niet te laten weerhouden. Het aan [naam bank] na het ontslag door [eiser] verweten gedrag, ter zake waarvan [eiser] klaarblijkelijk inmiddels een aparte bodemprocedure is gestart, vervult – wat daar verder van zij – bij de beoordeling in deze zaak in die zin geen rol, dat daaraan niet met terugwerkende kracht betekenis kan toekomen ter beoordeling van het ontslagbesluit als zodanig.”

6. Eiser heeft tussentijds gesolliciteerd bij [bank 2] . In verband met deze sollicitatie heeft de [bank 2] , nadat zij van eiser toestemming had, bij brief van 13 juli 2011 aan [naam bank] informatie over het functioneren van eiser gevraagd. Tussen eiser en de [bank 2] is op of omstreeks 9 augustus 2011 een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten, ingaande 1 oktober 2011, met een proeftijd van twee maanden. [bank 2] heeft op 29 september 2011 telefonisch nadere referenties opgevraagd bij [naam bank] . [naam bank] heeft daarop, middels overlegging van de beschikking op het voorwaardelijke ontbindingsverzoek, op 30 september 2011 gereageerd. Naar aanleiding van deze informatie heeft [bank 2] Nederland geadviseerd afscheid van eiser te nemen. Bij brief van 24 november 2011 heeft [bank 2] aan eiser onder verwijzing naar het in de arbeidsovereenkomst opgenomen proeftijdbeding, de opzegging van de arbeidsovereenkomst met eiser met ingang van 25 september 2011, bevestigd. In een vaststellingsovereenkomst is uiteindelijk de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd waarbij aan eiser een vergoeding van € 55.000,- is toegekend. Eiser heeft in verband met deze gang van zaken nog een schadevergoedingsprocedure lopen tegen [naam bank] . Eiser heeft

op 25 november 2011 opnieuw een WW-uitkering aangevraagd bij verweerder.

7. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder meegedeeld dat eiser wel recht heeft op een WW-uitkering maar dat deze niet wordt uitbetaald. De reden daarvoor is dat volgens hem sprake is van verwijtbare werkloosheid. Aangegeven wordt dat uit een compliance onderzoek van [naam bank] is gebleken dat eiser kennis had van niet gekend financieel geld in het buitenland van een cliënt en dat hij zijn werkgever daarover niet ingelicht had. Eiser had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag was.

8. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 25 november 2011 recht heeft op voortzetting van zijn WW-uitkering maar dat deze eveneens niet uitbetaald wordt vanwege de eerdere verwijtbare werkloosheid. Tevens is er geen nieuw recht op uitkering ontstaan per laatstgenoemde datum.

9. Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder het bedrag dat van 6 juni 2011 tot en met 29 juni 2014 ontvangen is aan voorschotten terug gevorderd. Dit bedraagt in het totaal

€ 103.434,42 inclusief vakantietoeslag.

10. Eiser heeft tegen voornoemde drie besluiten op 21 augustus 2014 bezwaar gemaakt. Kort samengevat wordt aangevoerd dat verweerder zelfstandig dient te toetsen en niet gebonden is aan het oordeel van de civiele rechter. Aangegeven wordt dat van een wijziging van het beleid in 2005 in de praktijk niets waarneembaar was. In de praktijk was er nauwelijks aandacht voor compliance. Verder wordt eraan voorbij gegaan dat eiser [naam bank] steeds heeft geïnformeerd over zijn betrokkenheid bij [naam cliënt] . Hoewel [naam bank] op de hoogte was, wordt het eiser kwalijk genomen dat hij dit niet formeel gemeld heeft; eiser heeft zijn leidinggevende informeel op de hoogte gehouden. Dit nalaten vormt geen dringende reden, vanwege het ontbreken van enige schadelijke of zelfverrijkende intentie van eiser. Door [naam bank] is de situatie met [naam cliënt] uit z’n verband getrokken vanwege een arbeidsconflict. Er is voorts geen sprake van verwijtbaarheid. Eiser voelde de morele verplichting om [naam cliënt] , ook na het overlijden van haar echtgenoot, te ondersteunen bij financiële zaken. Er is geen sprake van verwijtbaarheid nu [naam bank] op de hoogte was van alles en het dus voor eiser niet voorzienbaar was dat zijn gedragingen zouden leiden tot ontslag op staande voet. Dit wordt gestaafd door twee kantonrechters. Daar komt bij dat eiser bij een ander voorval ‘slechts’ een berisping heeft gehad.

Ten aanzien van de nieuwe dienstbetrekking bij [bank 2] kan bezwaarlijk worden gesteld dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid nu hij door toedoen van [naam bank] bij [bank 2] werkloos is geworden. Blijkens de getuigenverklaringen zou eiser met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot nu een baan bij de [bank 2] hebben gehad vanaf

1 oktober 2011 indien [naam bank] niet onrechtmatig zou hebben ingegrepen. Tot slot meent eiser dat er een dringende reden is om van terugvordering af te zien. Hierbij dient meegenomen te worden het feit dat eiser door toedoen van [naam bank] ook zijn nieuwe baan bij de [bank 2] niet heeft kunnen behouden. Voorts dient hierbij meegewogen te worden het feit dat het Gerechtshof op basis van onjuiste feiten tot het oordeel is gekomen van een dringende reden. Daarnaast wordt verwezen naar de zeer twijfelachtige rol van [naam bank] in het geheel. Eiser zal bij terugbetaling van het volledige voorschot in grote financiële problemen komen.

11. Verweerder heeft zijn standpunt na heroverweging in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerder heeft gewezen op het actief integriteitsbeleid van [naam bank] , waaronder de gedragscode, het beleid belangenconflicten en de Richtlijn integriteit en compliance beleid, waarvan alle medewerkers bij brief van 19 november 2007 in kennis zijn gesteld. Daarnaast wordt verwezen naar een clausule in de arbeidsovereenkomst van eiser: “Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming onzerzijds c.q. nader overleg is het u niet toegestaan nevenfuncties, hetzij bezoldigd, hetzij onbezoldigd uit te oefenen of diensten voor derden te verrichten of in eigen beheer danwel door middel van anderen een bedrijf uit te oefenen.” Verweerder acht de werkzaamheden die eiser verrichte voor de betreffende cliënte van dien aard dat deze kunnen worden aangemerkt als het verrichten van diensten voor derden, als bedoeld in voornoemde clausule. De werkzaamheden waren onder andere het leggen van contacten met [naam bank] Zwitserland, het adviseren tot het gebruik maken van de inkeerregeling en het geregeld opnemen van contante bedragen voor zijn cliënte met gebruikmaking van een daartoe afgegeven machtiging. De werkzaamheden waren structureel van karakter en hebben over een langere periode plaatsgevonden. Dat [naam bank] op de hoogte zou zijn geweest van het fiscaal ongekend geld van de cliënte en eisers betrokkenheid daarbij is niet gebleken.

Verweerder meent aldus dat eiser zich niet gehouden heeft aan de diverse richtlijnen en procedures bij zijn werkgever en dat hij als leidinggevende van een bank een voorbeeldfunctie had als het gaat om integriteit. Eiser heeft door zijn eigen handelswijze aanleiding gegeven tot een vertrouwensbreuk waardoor het ontslag aan hemzelf te wijten is.

Gelet op het voorgaande meent verweerder dat eveneens op juiste gronden het besluit over de voortzetting van de WW-uitkering genomen is. Tot slot wordt ten aanzien van de terugvordering gesteld dat de redenen die door eiser worden aangevoerd in zijn bezwaar geen dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien. Verder is in dit verband opgemerkt dat met eiser een betalingsregeling is getroffen.

12. Eiser heeft in beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft zich geen zelfstandig oordeel gevormd over de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid maar heeft met name naar het arrest van het Gerechtshof gekeken. Dat [naam bank] een actief integriteitsbeleid voerde is onjuist. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser hiervan op de hoogte was. Verweerder heeft evenmin gemotiveerd welke regels eiser heeft overtreden. Onjuist is dat eiser [naam cliënt] heeft vergezeld naar Zwitserland om aldaar geld op te nemen. Verder had eiser geen andere effectendepots dan dat hij heeft opgegeven bij [naam bank] . Dat eiser tijdelijk mederekeninghouder van [naam cliënt] was betekent niet dat hij medegerechtigde was tot een effectendepot. Zodoende kan de brief van 19 november 2007, waarnaar verweerder verwijst, geen rol spelen. Verder had de assistentie van eiser aan [naam cliënt] een privékarakter. Dit staat los van enig commerciële, zakelijke of concurrerende activiteit. Het verbod op nevenwerkzaamheden, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, draagt een zakelijk karakter. Verder was [naam bank] casu quo de leidinggevende van eiser volledig op de hoogte van (de aard van) de door eiser aan [naam cliënt] geboden hulp. Verweerder neemt in dit verband de door het Gerechtshof onjuiste vaststelling dat [naam bank] hiervan niet op de hoogte was, zonder enige motivering, over. Er is geen mogelijkheid geweest om de leidinggevende(n) als getuigen te horen. Beide leidinggevende(n) kunnen alsnog gehoord worden. Voorts heeft het fiscaal ongekend vermogen van [naam cliënt] jarenlang in de boeken van [naam bank] gestaan en was het [naam bank] die heeft geadviseerd het onder te brengen bij haar Zwitserse vestiging. [naam bank] heeft bij het Gerechtshof ook erkend te hebben ‘weggekeken’. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de nieuwe baan bij [bank 2] die eiser door toedoen van [naam bank] is verloren en op de procedure die daarover loopt. Overgelegd wordt het (tussen)vonnis van 26 november 2014. Evenmin is verweerder ingegaan op de dringende redenen om af te zien van terugvordering.

Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij mogelijk een tweetal getuigen nog zou willen oproepen om deze te horen.

13. De rechtbank heeft, gelet op eisers verzoek tot het horen van getuigen, het onderzoek ter zitting geschorst en eiser gevraagd de rechtbank op korte termijn te informeren daaromtrent. Eiser heeft bij brief van 6 mei 2015 de rechtbank geïnformeerd dat hij van de mogelijkheid van het horen van getuigen dan wel het overleggen van schriftelijke verklaringen van deze geen gebruik maakt.

14. Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat er geen aanleiding is te twijfelen aan het feitencomplex zoals geschetst in het arrest van het Gerechtshof, waarbij verweerder van belang acht dat er sprake is geweest van een bodemprocedure en geen ontbindingsprocedure of kort geding. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om terughoudend met de vastgestelde feiten en conclusies die het Gerechtshof hieraan verbindt om te gaan. Eisers standpunten worden niet met feitelijke gegevens onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat de leidinggevende van eiser op de hoogte was van de bemoeienissen met het fiscaal ongekende geld. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden en dat hem dit volledig kan worden verweten. Verweerder betwist verder niet dat de arbeidsovereenkomst met de [bank 2] beëindigd is door onrechtmatig handelen door [naam bank] . Verweerder blijft bij zijn standpunt dat de beëindiging van het dienstverband bij [bank 2] per 1 oktober 2011 of per een latere datum geen aanleiding geeft af te zien van de opgelegde maatregel, welke een blijvend gehele weigering van de uitkering inhoudt.

Tot slot acht verweerder een dringende reden om af te zien van terugvordering niet aanwezig. Het feit dat eisers dienstverband tijdens de proeftijd bij de [bank 2] is beëindigd is onvoldoende voor het aannemen van een dringende reden omdat dit los staat van de gedraging die heeft geleid tot het blijvend geheel weigeren van de uitkering en het terugvorderen van het voorschot. Ook anderszins is niet gebleken van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Daarnaast acht verweerder van belang dat het van meet af aan duidelijk is geweest voor eiser dat het een voorschot betrof en daarmee kon eiser ook weten dat de reële mogelijkheid bestond dat hij dit bedrag moest terugbetalen.

15. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangevoerde gronden, de rechterlijke toets kan doorstaan. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Verwijtbare werkloosheid

16. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW weigert het UWV de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan of zou zijn geëindigd, ter zake van het niet nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering niet over de volledige duur van de uitkering, doch over ten hoogste een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan.

17. Voor het oordeel of aan de werkloosheid al dan niet een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt waaraan op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW de conclusie kan worden verbonden dat sprake is van verwijtbare werkloosheid is niet bepalend de wijze waarop het dienstverband is geëindigd. Er dient een materiële beoordeling plaats te vinden. Daarbij zijn in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad over de arbeidsrechtelijke dringende reden naast de aard en de ernst van de gedraging van de werknemer van belang de reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer en andere relevante aspecten van de dienstbetrekking, zoals de aard en duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zal hebben (zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387 en 2 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1153).

18. Aan het in rechtsoverweging 5. weergegeven oordeel van het Gerechtshof komt bijzondere betekenis toe. Dit doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van verweerder voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden en van verwijtbare werkloosheid en zijn verplichting om na vergaring van de nodige kennis over de relevante feiten zijn beslissing op bezwaar deugdelijk te motiveren (ECLI:NL:CRVB:2015:193). De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:825). (zie ook zie ook ECLI:NL:CRVB:2009:BK2128 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9107). Zeker in gevallen waarin de belanghebbende zich baseert op stukken uit een ontbindingsprocedure is er aanleiding om terughoudendheid te betrachten bij de aanname dat de feiten volledig zijn, nu uit de aard van de ontbindingsprocedure volgt dat de daarin opgenomen gegevens niet uitputtend behoeven te zijn. Die procedure is immers gericht op snelheid, een beperkte wisseling van stukken en - in beginsel - geen verhoor van getuigen. De rechtbank meent dat in geval van eiser die terughoudendheid niet geboden is nu er een oordeel van het Gerechtshof ligt waarin sprake is van een zeer uitvoerige feitenvaststelling. De rechtbank maakt de overwegingen van het Gerechtshof, zoals weergegeven in rechtsoverweging 5. tot de hare. Eiser stelt dat het Gerechtshof uitgegaan is van onjuiste feiten, maar onderbouwt dit verder niet waardoor deze grief niet slaagt.

19. Ook door de rechtbank wordt aldus, kort samengevat, geconstateerd dat eiser vanaf in ieder geval 2007 actieve bemoeienis heeft gehad met fiscaal onbekend geld van [naam cliënt] , zonder dat [naam bank] hiervan op de hoogte was. Eiser was op de betreffende buitenlandse rekening gemachtigd, onderhield contacten met de betreffende bank (Credit Suisse) en was betrokken bij het (deels) contant opnemen van de gelden bij de betreffende bank ondergebrachte gelden. Eiser heeft daarbij onvoldoende oog gehad voor de belangen van [naam bank] . [naam bank] heeft op enig moment (in ieder geval vanaf 2005) de interne discipline in de omgang met fiscaal onbekend geld en aangaande het beheer van rekeningen aangescherpt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat eiser [naam bank] in verband hiermee geïnformeerd heeft. Dit gedrag van eiser heeft verweerder terecht aangemerkt als een objectief dringende reden voor ontslag. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er tevens terecht sprake is van een subjectief dringende reden voor ontslag. Deze is gelegen in de voorbeeldfunctie die eiser bij [naam bank] had.

20. De rechtbank concludeert dat er sprake is van zowel een objectief als een subjectief dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW. Het opkomen van de dringende reden is eiser te verwijten. Dit betekent dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat eiser met ingang van 6 juni 2011 verwijtbaar werkloos is geworden. Daarom is ook terecht per die datum de WW-uitkering geweigerd.

Doorwerking verwijtbaarheid

21. In artikel 21, eerste lid, van de WW is onder meer bepaald dat het recht op uitkering, dat in verband met werkhervatting is geëindigd, kan herleven als geen nieuw recht op uitkering is ontstaan. Ook is van toepassing artikel 28 van de WW. Daarin is bepaald dat, indien het Uwv een maatregel als bedoeld in artikel 27 heeft opgelegd, in het geval van een herleving van het recht op uitkering als bedoeld in artikel 21 het Uwv een weigering van de uitkering voortzet.

22. Niet bestreden is dat er op 1 oktober 2011 geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan.

23. Zoals overwogen in rechtsoverweging 15. t/m 19. heeft verweerder terecht met ingang van 6 juni 2011 een WW-uitkering geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Dit brengt met zich dat ingevolge artikel 28 van de WW op 1 oktober 2011 deze weigering van een WW-uitkering op goede gronden is voortgezet.

Terugvordering

24. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt hetgeen onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid van artikel 36 van de WW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

25. Niet in geschil is dat het Uwv over de periode van 6 juni 2011 tot en met 29 juni 2014 onverschuldigd voorschotten heeft betaald aan eiser. De rechtbank is van oordeel dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien niet is gebleken. Zoals verweerder terecht heeft overwogen kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale en financiële gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat de wijze waarop het dienstverband bij de [bank 2] is geëindigd in dit verband geen rol kan spelen. Omdat bij de invordering van de schuld rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet is de stelling van eiser dat hij ten gevolge van de terugvordering mogelijk niet aan zijn financiële verplichtingen zal kunnen voldoen onvoldoende om te oordelen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 36, vijfde lid, van de WW.

26 Het beroep is ongegrond.

27 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen (voorzitter), en

mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van

mr. T.M. Horsten-Kuijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 juli 2015.

w.g. T.M. Horsten-Kuijpers,

griffier

w.g. M.A. Teeuwissen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 juli 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.