Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6522

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
03/866088-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valkenburgse zedenzaak. Verdachte wordt veroordeeld voor het plegen van ontucht met een zestienjarige meisje dat zich beschikbaar had gesteld tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Taakstraf van 210 uren (subs. 105 dagen) en onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866088-15

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens] .

Raadsman is mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juli 2015, waarbij de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat een persoon tegen betaling seksuele handelingen heeft verricht met verdachte terwijl die persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet die van achttien jaren had bereikt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie achten het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In het kader van de vermissing van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] werd verbalisant [verbalisant] op 14 oktober 2014 tweemaal telefonisch benaderd door [naam vader] , de vader van [slachtoffer] . In het tweede gesprek deelde de vader mede dat zijn dochter mogelijk in hotel [hotel 1] of [hotel 2] te Valkenburg zou verblijven en dat er foto’s van haar op een internetsite stonden genaamd [naam website] . [naam website] is een site waar prostitutiediensten worden aangeboden.

Verbalisant [verbalisant] bezocht de site [naam website] en trof foto’s aan van een vrouwelijk persoon die adverteerde onder de naam “ [alias 1] . De vader van [slachtoffer] bevestigde dat op deze foto’s inderdaad zijn dochter te zien was.

Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 14 oktober 2014 observeert een observatieteam het appartementencomplex behorende bij het hotel “ [hotel 1] ” te Valkenburg aan de Geul. Gezien wordt dat een jongeman, die wordt herkend als [betrokkene] , op verschillende tijdstippen verschillende mannen de toegang biedt via de algemene toegangsdeur van het appartementencomplex. Verder wordt gezien dat op de derde verdieping van het complex een blonde jonge vrouw, die herkend wordt als [slachtoffer] [slachtoffer]2, even door een raam kijkt. Op 14 oktober 2014 wordt [betrokkene] in de badkamer van het appartement aangehouden. In de wasbak van het appartement ligt een witte Iphone 4. [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] )3 en een andere man worden tevens in hetzelfde appartement aangehouden.4 [slachtoffer] verklaart dat ze gemiddeld 4 à 5 klanten per dag heeft gehad in de periode van 29 september 2014 tot en met 14 oktober 2014.5 Zij verklaart verder dat de witte I-phone haar werktelefoon was.6 De inbeslaggenomen werktelefoon wordt door de politie onderzocht. In de telefoon zijn meerdere telefoonnummers opgeslagen. Uit een CIOT bevraging7 blijkt een van die telefoonnummers op naam te zijn gesteld van het bedrijf van verdachte. Verdachte bevestigt tijdens zijn verhoor bij de politie dat het telefoonnummer zijn telefoonnummer betreft.8Uit het onderzoek naar het nummer van verdachte wordt opgemaakt dat op 30 september 2014 het nummer van verdachte binnenkomt op een zendmast welke direct valt onder de locatie van hotel / appartementencomplex [hotel 1] te Valkenburg.9

Verdachte heeft verklaard10 kort zakelijk weergegeven:

Ik had eind september 2014 een afspraak in een appartement bij hotel [hotel 1] te Valkenburg. Het meisje heette [alias 2] of [alias 3] . Zij heeft mij afgetrokken en met haar mond aan mijn piemel gezeten. Zij deed mij een condoom om en ging op mij zitten en toen was het gebeurd. Ik dacht dat ik € 75,- had betaald.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op de wijze als vermeld onder 3.4.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 30 september 2014, te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes penis door die [slachtoffer] en

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet van achttien jaren heeft bereikt

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Afwezigheid van alle schuld?

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald met betrekking tot de leeftijd van het slachtoffer. De verdediging heeft daarmee een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat de strekking van artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht ziet op het tegengaan van kinderprostitutie, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt. Dit bestanddeel is bewezen als objectief komt vast te staan dat de minderjarige tussen de 16 en 18 jaar oud was. De leeftijd is als geobjectiveerd bestanddeel in dit wetsartikel (en in andere wetsartikelen betreffende de zeden) opgenomen ter bescherming van minderjarigen. De wetgever geeft hiermee het grote belang aan dat hij hecht aan de bescherming van minderjarigen in zedenzaken. De wetenschap bij verdachte van de leeftijd van het meisje is voor een bewezenverklaring niet van belang. Dat laat onverlet dat verdachte een verweer kan voeren daar waar het zijn strafbaarheid betreft. Een beroep op afwezigheid van alle schuld, dat wil zeggen op het ontbreken van alle strafrechtelijke relevante verwijtbaarheid, zal, naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen. Op grond daarvan had verdachte de verplichting om zeer gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd van het slachtoffer. Dat verdachte heeft gereageerd op een advertentie op een legale website maakt niet dat verdachte zomaar van de juistheid van de informatie op die website mag afgaan. Het ontslaat hem er in elk geval niet van gedegen onderzoek naar de leeftijd te verrichten. Nu niet is gebleken dat verdachte zich op enigerlei wijze heeft ingespannen om zekerheid te krijgen over de precieze leeftijd van de minderjarige en uitsluitend genoegen nam met de eenzijdige mededeling van het meisje dat ze 21 jaar was, is er reeds daarom geen sprake van afwezigheid van alle schuld en wordt het verweer verworpen.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft hiertoe gewezen op de impact van jeugdprostitutie voor het individuele slachtoffer en de massaliteit van dit verschijnsel. Uit informatie van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Misbruik tegen Kinderen blijkt er in 2014 sprake van 300 mogelijke slachtoffers van jeugdprostitutie met de Nederlandse nationaliteit. Op 1 juni 2015 is een Richtlijn van Strafvordering art 248b SR in werking getreden, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen 2 categorieën. Categorie 1 betreft ontucht zonder seksueel binnendringen van het lichaam, categorie 2 ontucht met seksueel binnendringen van het lichaam. Voor categorie 1 geldt een bandbreedte van 1 tot 6 maanden gevangenisstraf; voor categorie 2 van 6 tot 15 maanden gevangenisstraf.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat het opleggen van een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie vormt. Subsidiair zou een voorwaardelijke gevangenisstraf (eventueel in combinatie met een geldboete) een passende sanctie vormen. De raadsman heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie ter zake van artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht, waarin (met één uitzondering) geen of een zeer korte (1 of 2 dagen) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en met een taakstraf is opgelegd. De uitzondering betrof – verkort gezegd - een zaak waarin een leraar werd veroordeeld voor ontucht met een minderjarige gedurende een langere periode.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte maakt deel uit van de groep jeugdprostitutieklanten die terecht staat in de zogenaamde ‘Valkenburgse zedenzaak’. De rechtbank realiseert zich dat deze zaak een grote impact heeft op de levens van àlle betrokkenen. In de eerste en voornaamste plaats op dat van het minderjarige slachtoffer en haar naasten. Dat verwoordt zij ook in haar slachtofferverklaring. Daarnaast heeft de zaak van begin af aan kunnen rekenen op bijzonder veel publiciteit. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit ook belastend is voor verdachten en hun directe omgeving, althans voor zover die door verdachten op de hoogte is gebracht.

Het hebben van seks met een minderjarige prostituee is strafbaar gesteld in artikel 248b van het Wetboek van Strafrecht. Hierin staat de bescherming van minderjarigen centraal. Zij moeten kunnen opgroeien in een omgeving waar zij zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Gezien hun jeugdige leeftijd kan van hen niet worden verwacht dat zij zelf voldoende in staat zijn hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

Jeugdprostitutie is een ernstig zedendelict. De grote hoeveelheid mannen (enkele tientallen) die in een relatief korte periode van tien dagen in een hotelkamer tegen betaling seks hadden met een meisje van 16 jaar heeft de maatschappij extra geschokt. De rechtbank benadrukt in dit verband echter dat zij bij het bepalen van de straf bij iedere verdachte afzonderlijk moet beoordelen welk verwijt hem individueel kan worden gemaakt.

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik maken van de diensten van een minderjarige prostituee. Daarbij is tevens sprake geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam van de minderjarige. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit en de psychische staat van de minderjarige in ernstige mate geschonden en bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie.

Bij jeugdprostitutie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt. De rechtbank vindt die in elk geval op haar plaats als de verdachte bewust ontucht met een minderjarige wilde plegen. De rechtbank houdt er echter rekening mee dat uit het strafdossier niet kan worden afgeleid dat verdachte bewust op zoek was naar een seksafspraak met een meisje dat jonger was dan 18 jaar. Hij reageerde op een advertentie op een website waar bij het profiel van het meisje de leeftijd van 18 jaar stond vermeld en volgens zijn verklaring zag het meisje er volwassen uit en was zij naar zijn mening 19 jaar oud. Daarvan had verdachte zich echter moeten vergewissen. Dat heeft hij nagelaten en zo is hij in werkelijkheid terechtgekomen bij het minderjarige slachtoffer en daarvoor draagt hij verantwoordelijkheid. Zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor het slachtoffer, is het verwijt dat deze verdachte kan worden gemaakt minder groot dan in het geval dat iemand welbewust op zoek is gegaan naar een minderjarige of wist dat zij minderjarig was. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat de reclassering het recidiverisico inschat als laag.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank anders dan de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware strafmodaliteit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf het meest passend zou zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht is deze strafmodaliteit voor jeugdprostitutie echter niet meer mogelijk. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht sluit immers uit dat de rechtbank (onder meer) voor dit feit niet kan volstaan met het opleggen van een enkele taakstraf. Daarom zal de rechtbank kiezen voor een in haar ogen minder bevredigende oplossing, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van één dag in combinatie met een taakstraf. Tegen een dergelijk gecombineerde straf verzet artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht zich niet.

Bij het bepalen van de hoogte van de taakstraf betrekt de rechtbank in strafverzwarende zin dat verdachte bij zijn bezoek aan het slachtoffer tegen haar heeft gezegd dat hij politieman was, terwijl hij in werkelijkheid in de bouw werkt. De rechtbank rekent dit verdachte aan omdat een dergelijk misplaatste opmerking het slachtoffer onterecht angst of ontzag kan aanjagen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn opmerking als grap was bedoeld, maar gezien de verklaring van het slachtoffer is het bij haar als waarachtige mededeling overgekomen.

Wat betreft de hoogte van de taakstraf zal de rechtbank niet meegaan met het verzoek van de raadsman om in strafverminderende zin rekening te houden met de grote mate van publiciteit over de Valkenburgse zedenzaak. De rechtbank doet dit niet omdat in dit geval niet is gebleken dat de naam of persoon van verdachte in het nieuws is geweest op een wijze waardoor hij concreet schade heeft opgelopen.

Dit alles brengt mee dat de rechtbank een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van één dag in combinatie met een taakstraf van 210 uur.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert primair een bedrag aan immateriële schade van

€ 5000,00 terzake van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. Subsidiair vordert de benadeelde partij dat alle verdachten - die zich dienen te verantwoorden voor hun gedrag ten opzichte van het slachtoffer - moeten opkomen voor één en hetzelfde bedrag te weten een bedrag van € 25.000,00. Meer subsidiair verzoekt de benadeelde partij dat de rechtbank een smartengeld bedrag naar redelijkheid en billijkheid vaststelt.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een bedrag van € 5000,00 dient te

worden toegewezen, zoals primair gevorderd. Tevens dient de schadevergoedingsmaatregel

te worden opgelegd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat hij in een civiele procedure meer instrumenten ter beschikking heeft om de vordering van de benadeelde partij op een deugdelijke manier te betwisten. Deze instrumenten (vrijwaring, beroep op eigen schuld in civielrechtelijke zin, etc.) kan hij nu niet inroepen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding. Het is niet onwaarschijnlijk dat er voor de verdediging in het kader van een civiele procedure in een zaak als deze meer juridische instrumenten beschikbaar zijn om op een adequate wijze de vordering te betwisten. Die mogelijkheden heeft de verdediging nu niet. Dat artikel 361 Wetboek van Strafvordering voor de benadeelde partij ruimere mogelijkheden biedt om sneller (dan via een civiele procedure) een beslissing te krijgen op haar vordering, maakt nog niet dat dit ten nadele van verdachte moet gaan werken en ten koste moet gaan van de mogelijkheden die de verdediging tegen de vordering kan inbrengen tijdens een civiele procedure.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 248b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte voor het feit tot een gevangenisstraf van 1 dag;

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het feit tot een taakstraf voor de duur van 210 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 105 dagen;

Benadeelde partij

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en

mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 juli 2015.

Buiten staat

Mr. L. Feuth is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 september 2014, in elk geval in de periode van 29 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- het doen aanraken van en/of doen wrijven over en/of doen trekken aan zijn, verdachtes penis door die [slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2014119064 d.d. 13 april 2015 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van observatie d.d. 16 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina's 31 t/m 33.

3 Proces-verbaal van het informatief gesprek mensenhandel d.d. 14 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 35(verificatie personalia).

4 Proces-verbaal van bevindingen betreden [adres] te Valkenburg d.d. 15 oktober 2015, doorgenummerdedossierpagina's 71 en 72.

5 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] d.d. 11 maart 2015, doorgenummerde dossierpagina 64-65.

6 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] d.d. 4 december 2014, doorgenummerde dossierpagina 51.

7 Proces-verbaal van bevindingen artikel 27 WvSv verdenking [verdachte] d.d. 19 januari 2015, doorgenummerdedossierpagina 315.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 februari 2015, doorgenummerde dossierpagina 326.

9 Proces-verbaal van bevindingen artikel 27 WvSv verdenking [verdachte] d.d. 19 januari 2015, doorgenummerdedossierpagina 314.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 februari 2015, doorgenummerde dossierpagina's 328-331.