Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6454

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
03/659532-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, zoals gevorderd door de officier van justitie, passend. Wel is zij van oordeel dat ter voorkoming dat de verdachte zich wederom schuldig maakt aan gevaarlijk rijgedrag, moet worden bepaald dat een gedeelte van deze gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk niet zal worden tenuitvoergelegd. Daarbij stelt zij de proeftijd vast op het maximum van drie jaren. Voorts zal zij ter bescherming van de verkeersveiligheid aan de verdachte tevens de bevoegdheid ontzeggen tot het besturen van motorrijtuigen voor de door de wet gegeven maximale duur van vijf jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/659532-13

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 juli 2015

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

[Geboortegegevens] ,

[Adresgegevens] .

Raadsman is mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat, kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1 : als bestuurder van een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander om het leven is gekomen (primair) dan wel als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt (subsidiair);

feit 2 : een personenauto opzettelijk heeft beschadigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten bewezen zijn. Met betrekking tot feit 1 is hij van mening dat het primair tenlastegelegde bewezen is, waarbij de schuld heeft bestaan in de roekeloosheid.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat feit 1 primair is bewezen. De schuld heeft echter niet bestaan uit roekeloosheid. De verdachte heeft zeer dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig gereden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

feit 1 primair

Op vrijdag 20 december 2013 omstreeks 14.35 uur kregen [Ambtenaar van politie 1] en [Ambtenaar van politie 2] , ambtenaren van politie, de melding dat zich een aanrijding had voorgedaan op de [Straatnaam 1] te [Plaatsnaam 1] De aanrijding had plaatsgevonden tussen een personenauto en een fietser, waarna de personenauto de plaats van het ongeval had verlaten. Kort daarna kwamen eerdergenoemde politieambtenaren tezelfdertijd met een ambulance aan op de plaats van het ongeval. Zij zagen dat de aanrijding had plaatsgevonden bij de T-kruising [Straatnaam 1] / [Straatnaam 2] te [Plaatsnaam 1] Zij zagen dat het slachtoffer ongeveer 40 à 50 meter van deze T-kruising op de openbare weg op de grond lag en dat een van de ambulancebroeders direct een wit laken over het slachtoffer heen legde. De fiets van het slachtoffer lag volledig vernield op het fietspad op een afstand van ongeveer 20 meter van de T-kruising [Straatnaam 1] / [Straatnaam 2] .2

Op 23 december 2013 heeft [Naam lijkschouwer] , lijkschouwer van de gemeente [Plaatsnaam 1] , het lichaam van het slachtoffer [Naam slachtoffer] geschouwd. [Naam lijkschouwer] heeft geen aanwijzing gevonden voor een andere doodsoorzaak dan niet-natuurlijk overlijden ten gevolge van een aanrijding door een auto.3

De verdachte heeft bij verhoor door de politie verklaard dat hij op 20 december 2013 in een witte personenauto, merk [Merk auto] , type [Type naam] , met een [Buitenlands] kenteken van [Plaatsnaam 2] over de [Straatnaam 1] in [Plaatsnaam 1] heeft gereden. Ter hoogte van een [Soort] café reed een fietsster op het rechts van de verdachte in de weg gelegen fietspad. Volgens de verdachte wilde de fietsster ter hoogte van het [Soort] café oversteken. Hij zag dat de vrouw stopte en dat ze afstapte. Ze had één voet op de grond. Vervolgens zag de verdachte dat ze weer opstapte en dat ze toch doorreed. Toen werd zij geraakt door de rechtervoorkant van de door hem bestuurde auto.4

Uit het proces-verbaal ‘VerkeersOngevallenAnalyse’ blijkt dat de verdachte reed in de richting van het [Straatnaam 3] te [Plaatsnaam 1] en dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid voor motorrijtuigen 50 km/u bedraagt. Op de foto’s, waarop het mogelijke uitzicht van de verdachte als bestuurder van de [Merk auto] [Type naam] vlak voor de plaats van de aanrijding zichtbaar is, is te zien dat de [Straatnaam 1] voor de plaats van de aanrijding een flauwe bocht naar rechts maakt en dat het zicht ter plaatse wordt beperkt en toen werd gehinderd door aan de rechterzijde van de weg geparkeerde voertuigen.5

Ter hoogte van het Veolia busstation aan de [Straatnaam 1] te [Plaatsnaam 1] bevindt zich een camera. De hiermee gemaakte beeldopnames zijn uitgelezen door een politieambtenaar. Bij het uitlezen van de beelden is het hiernavolgende gebleken.

Omstreeks 14.28 uur fietst het slachtoffer op de [Straatnaam 1] over het afgescheiden fietspad, gelegen langs de rijbaan. Ze fietst vanaf het station in de richting van de rotonde [Straatnaam 4] - [Straatnaam 5] - [Straatnaam 1] . Hierna is ze “uit beeld”.

Omstreeks 14.29 uur rijdt een witte personenauto merk [Merk auto] , type [Type naam] , over de [Straatnaam 1] . De auto rijdt in de richting van het station en rijdt de rotonde helemaal rond. Omstreeks 14.30 uur rijdt deze auto wederom over de [Straatnaam 1] in de richting van voornoemde rotonde. Voorts is te zien dat bij een oversteekplaats op de [Straatnaam 1] een voetganger oversteekt en dat de witte auto net tussen die voetganger en een eveneens overstekende fietser doorrijdt. Voor de witte auto rijden twee andere personenauto’s die, gezien de opnames, vermoedelijk rijden met een normale snelheid. De auto rijdt verder, verhoogt duidelijk zijn snelheid en (zo stelt de rechtbank vast op basis van de eigen waarneming) lijkt een voor hem rijdende personenauto links in te halen, in ieder geval rijdt de auto op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer. Hierna is de auto “uit beeld”. De plaats waar de aanrijding heeft plaatsgevonden bevindt zich op korte afstand hierna.6

Op 24 december 2013 heeft een politieambtenaar de camerabeelden bekeken die zijn opgenomen door een camera die zich bevindt op het adres [Straatnaam 1] 20 te [Plaatsnaam 1] De camerabeelden geven zicht op de [Straatnaam 1] . Het pand aan de [Straatnaam 1] 20 te [Plaatsnaam 1] is ongeveer 400 meter verwijderd van de plaats van de aanrijding. Bij het bekijken van de camerabeelden heeft de politieambtenaar het hiernavolgende waargenomen.

Op de camerabeelden zijn de datum 20 december 2013 en het tijdstip 14:23:29 uur zichtbaar op het moment dat een witte [Merk auto] [Type naam] op de [Straatnaam 1] ter hoogte van het pand aan de [Straatnaam 1] 20 te [Plaatsnaam 1] rijdt. De [Type naam] is voorzien van een witgekleurde kentekenplaat met [Kleur 2] letters en cijfers.

Om 14:24:21 uur rijdt de personenauto in de richting van de rotonde [Straatnaam 4] . De snelheid van de [Type naam] is dan veel hoger dan de snelheid van het overige verkeer. De politieambtenaar kan de snelheid vergelijken met de andere personenauto’s die hij op de camerabeelden ziet rijden.7

Op basis van de camerabeelden, die zijn opgenomen door de camera op het adres [Straatnaam 1] 20 te [Plaatsnaam 1] , heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoek verricht naar de snelheid waarmee de door de verdachte bestuurde [Merk auto] [Type naam] heeft gereden kort voordat de fatale aanrijding plaatsvond. Het NFI heeft geconcludeerd dat de snelheid, binnen een traject van 380 meter tot 368 meter tot het verkeersbord nabij de plaats van de aanrijding, minimaal 108 km/u en maximaal 112 km/u bedroeg. Verder heeft het NFI geconcludeerd dat de snelheid, binnen een traject van 305,5 ± 4,5 meter tot 269,2 ± 4,5 meter tot het verkeersbord in de directe nabijheid van de plaats van de aanrijding, minimaal 125 km/u en maximaal 139 km/u bedroeg.8

De getuigen [Getuige 1] , [Getuige 2] , [Getuige 3] en [Getuige 4] hebben bij verhoor door de politie het hiernavolgende verklaard over de snelheid die de door de verdachte bestuurde auto heeft gereden op de [Straatnaam 1] te [Plaatsnaam 1] kort vóórdat de fatale aanrijding plaatsvond.

De [Merk auto] [Type naam] reed echt super hard, minimaal 100 km/u. Ik denk zelfs harder: zo tussen de 140 en 150 km/u. ( [Getuige 1] )9

Ik durf te schatten dat deze [Merk auto] zeker 120 km/u reed. ( [Getuige 2] )10

Ik zag vanuit de richting van het station over de [Straatnaam 1] een auto aankomen met zeer hoge snelheid. Normaal gesproken herken ik de meeste automerken vrij snel, maar deze auto reed met zo’n hoge snelheid dat ik dat niet heb kunnen zien. De auto reed naar mijn gevoel minstens de dubbele snelheid. Ik heb nog nooit een auto zo hard zien rijden in een 50‑kilometerzone. Het kan niet anders dan dat het minimaal de dubbele snelheid betrof. Ik heb het niet over 20 kilometer te hard, maar over een rotvaart. ( [Getuige 3] )11

Deze auto kwam met minstens 120 km/u aanrijden en reed de rotonde voor het station op. Ik zag dat de auto de hele rotonde rond reed en vervolgens weer met een zeer hoge snelheid de [Straatnaam 1] op kwam rijden, in de richting Duitsland. De auto reed idioot hard. ( [Getuige 4] )12

Teneinde de snelheid op het moment van de aanrijding te kunnen onderzoeken heeft het NFI proeven laten verricht met botsingen tussen vergelijkbare voertuigen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de schade die aan de bij de proeven gebruikte [Merk auto] [Type naam] is ontstaan in verband te brengen is met snelheden van rond en boven 90 km/u.13

Gelet op de bovenomschreven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat door het rijgedrag van de verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [Naam slachtoffer] is overleden.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de schuld van de verdachte bestaat in roekeloosheid. Zij overweegt dat, om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zodanige feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

De rechtbank stelt op grond van de bovenomschreven bewijsmiddelen vast dat de verdachte vlak vóór de voor het slachtoffer fataal geworden aanrijding, binnen de bebouwde kom, bij een oversteekplaats op de [Straatnaam 1] de door hem bestuurde auto juist nog tussen een overstekende voetganger en een eveneens overstekende fietser door heeft gestuurd. Daarna heeft hij, niet ver van de plaats van de aanrijding, de snelheid van de auto verhoogd en een voor hem rijdende personenauto links ingehaald, althans is hij gaan rijden op de weghelft bestemd voor tegemoetkomend verkeer. Tevens stelt de rechtbank op grond van het rapport van het NFI van 17 juni 2014, bezien in samenhang met de bovenomschreven getuigenverklaringen, vast dat de snelheid van de door de verdachte bestuurde auto vlak vóór de aanrijding met het slachtoffer minimaal 125 km/u bedroeg. Gezien de ter plaatse geldende maximumsnelheid voor motorrijtuigen van 50 km/u is dit een excessieve overschrijding van de maximumsnelheid. De verdachte heeft die snelheid uiteindelijk niet verder teruggebracht dan rond of boven de 90 km/u ten tijde van de botsing. De omstandigheid dat het zicht ter plaatse door het wegverloop en door aan de rechterzijde van de weg geparkeerde voertuigen werd beperkt maakt de overschrijding van de maximumsnelheid, in combinatie met het door de verdachte getoonde rijgedrag in de vorm van het rijden op de andere weghelft en het tussen zich op de weg bevindende zwakke verkeersdeelnemers doorrijden, des te risicovoller.

Met de officier van justitie en anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het hierboven omschreven samenstel van gedragingen van de verdachte, dat zich heeft voorgedaan binnen de bebouwde kom en te midden van medeweggebruikers waaronder ook zwakkere verkeersdeelnemers als voetgangers en fietsers, moet worden aangemerkt als roekeloos in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Op grond van de hierboven omschreven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank feit 1 primair bewezen.

feit 2

[Getuige 5] heeft bij verhoor door de politie verklaard dat een man op 24 november 2013 te [Plaatsnaam 1] haar auto heeft beschadigd door met een sleutel tegen het raam van het bestuurdersportier te slaan en tegen het bestuurdersportier te schoppen. In het dossier bevinden zich foto’s waarop de schade aan het bestuurdersportier zichtbaar is.14 Eerdergenoemde man was de bestuurder van een witte [Merk auto] [Type naam] [Type aanduiding] voorzien van een [Buitenlands] kenteken beginnend met de letters [Letters woonplaats] . De bestuurder van de witte [Type naam] heeft geprobeerd [Getuige 5] en haar vriend, die als bestuurder van het voertuig optrad, in te halen, hetgeen niet is gelukt. Na deze mislukte inhaalmanoeuvre is een lichte aanrijding met [Getuige 5] ’ auto ontstaan, waarna de bestuurder van de witte [Type naam] [Getuige 5] en haar vriend heeft klemgereden door zijn auto diagonaal op de rijbaan te parkeren.

Door middel van recherche op Facebook is [Getuige 5] in het bezit gekomen van een foto waarop een man zichtbaar is die zij herkent als degene die op 24 november 2013 haar auto heeft beschadigd. Deze foto maakt deel uit van het procesdossier. Ook had [Getuige 5] van een familielid, aan wie zij had gevraagd of deze iemand kent met een witte [Merk auto] [Type naam] [Type aanduiding] voorzien van een [Buitenlands] kenteken beginnend met de letters [Letters woonplaats] , een foto ontvangen waarop een witte [Merk auto] [Type naam] [Type aanduiding] , voorzien van het Duitse kenteken [Gegevens kenteken] , zichtbaar is. Deze foto maakt eveneens deel uit van het procesdossier.15

Ter terechtzitting heeft de rechtbank aan de verdachte de op Facebook gevonden foto getoond, waarna hij heeft verklaard dat hij zichzelf herkent in de op de foto afgebeelde persoon.16 Een politieambtenaar, die de verdachte heeft verhoord ter zake van feit 1, heeft de man op de foto eveneens herkend als de verdachte.17 Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de witte [Merk auto] [Type naam] [Type aanduiding] met het Duitse kenteken [Gegevens kenteken] , zichtbaar op eerdergenoemde foto, overeenkomt met de auto die de verdachte heeft bestuurd ten tijde van de aanrijding als bedoeld in feit 1.

Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, acht de rechtbank redengevend voor het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde feit. De rechtbank heeft daarbij in de overwegingen betrokken dat de verdachte, zowel tijdens het verhoor door ambtenaren van de politie, als ter terechtzitting, geconfronteerd met voormelde feiten, gebruik heeft gemaakt van zijn recht om vragen onbeantwoord te laten. In het bijzonder heeft hij daarbij onbeantwoord gelaten de vraag of hij, dan wel een ander het voertuig op 24 november 2013 bestuurde en de beschadigingen aan het voertuig van [Getuige 5] heeft aangebracht. Gelet op de indicaties die in zijn richting wijzen dat hij het voertuig bestuurde en vervolgens de beschadigingen aanbracht aan het voertuig van [Getuige 5] , ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de verdachte mededeling te doen indien niet hij, maar een ander het voertuig bestuurde en die beschadigingen aan het voertuig van [Getuige 5] heeft aangebracht.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1. primair

op 20 december 2013 in de gemeente [Plaatsnaam 1] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de [Straatnaam 1] , (gaande in de richting van het [Straatnaam 3] ), door

roekeloos met een snelheid van rond of boven 90 kilometer per uur, direct na een, voor hem, flauwe bocht naar rechts,

terwijl het zicht ter plaatse werd beperkt en werd gehinderd door voor hem, verdachte, aan de rechterzijde van de weg geparkeerde voertuigen,

op het moment dat een fietser ter hoogte van de T-kruising van die weg en de [Straatnaam 2] , komende vanaf een vrij naast de rijbaan gelegen fiets/bromfietspad, via een aldaar gelegen aansluiting van dit fiets/bromfietspad met de [Straatnaam 1] , gezien zijn, verdachtes rijrichting van rechts naar links, doende was die [Straatnaam 1] over te steken, en vervolgens

niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen of niet voldoende uit te wijken, in elk geval onvoldoende te anticiperen op die wegsituatie zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, zodat een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die fietser, door welk verkeersongeval [Naam slachtoffer] , zijnde die fietser, werd gedood;

2.

op 24 november 2013 in de gemeente [Plaatsnaam 1] opzettelijk en wederrechtelijk een auto toebehorende aan [Getuige 5] heeft beschadigd door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk met een sleutel op het raam van het bestuurdersportier van voornoemde auto te slaan en tegen het bestuurdersportier van voornoemde auto te trappen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf van achttien maanden op te leggen. Daarnaast heeft hij een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien jaren gevorderd. Tot slot heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een fietser aangereden, die als gevolg van deze aanrijding is overleden. Voorafgaande aan de aanrijding, waarbij de door de verdachte bestuurde auto het slachtoffer met een snelheid van rond en wellicht boven 90 km/u heeft geraakt, heeft de verdachte als bestuurder van een auto, binnen de bebouwde kom en te midden van medeweggebruikers, waaronder ook zwakke verkeersdeelnemers als fietsers en voetgangers, buitengewoon risicovol gedrag vertoond dat heeft geleid tot de dood van het slachtoffer. De verdachte is net tussen een overstekende fietser en een eveneens overstekende voetganger doorgereden en heeft daarna een auto ingehaald. Vervolgens heeft hij de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u in ernstige mate overschreden op een plaats waar zijn zicht werd beperkt door het verloop van de weg en aan de rechterzijde van de weg geparkeerde voertuigen. Uiteindelijk heeft de verdachte zijn snelheid niet verder kunnen terugbrengen dan rond of wellicht nog boven 90 km/u ter plaatse van de botsing. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. In de zin van de Wegenverkeerswet 1994 is roekeloosheid de ernstigste vorm van schuld. De wetgever heeft deze schuldvorm om die reden bedreigd met een aanzienlijke gevangenisstraf, welke nog kan worden verhoogd in verband met het feit dat het feit mede is veroorzaakt doordat de verdachte de maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijflijk leed aangedaan, zoals ook is gebleken uit de zogenoemde slachtofferverklaringen.

Het bovenstaande levert een zeer ernstig strafbaar feit op waarvoor geen andere straf dan een gevangenisstraf van niet geringe duur de enig passende sanctie is.

De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de verdachte naar aanleiding van een verkeersovertreding op 21 november 2009 een geldboete van € 640,00 heeft betaald en dat hij vanwege een verkeersovertreding op 15 februari 2013 een geldboete van € 510,00 heeft voldaan.

Het bovenstaande duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat de verdachte kennelijk niet leert van zijn fouten en dat andere verkeersdeelnemers aan onnodige risico’s worden blootgesteld als gevolg van de mentaliteit waarmee hij deelneemt aan het verkeer. Met het gevolg van een dergelijke mentaliteit ziet de rechtbank zich thans in deze zaak geconfronteerd.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het beschadigen van een auto. Als bestuurder van een personenauto heeft hij geprobeerd een andere auto in te halen. Na de mislukte inhaalmanoeuvre heeft hij de auto, die hij wilde inhalen, aangereden. Vervolgens wilde hij bij de bestuurder van eerdergenoemde auto ‘verhaal gaan halen’. Daartoe heeft hij die auto klemgereden. Daarna heeft hij de auto, waarvan de bestuurder de portieren uit angst had afgesloten, beschadigd door met een sleutel tegen het raam van het bestuurdersportier te slaan en tegen het bestuurdersportier te schoppen. Ook dit getuigt van het bestaan van een mentaliteit bij de verdachte welke een duidelijke correctie behoeft.

De ernst van feit 1 (het dodelijke ongeval ten gevolge van roekeloosheid van de verdachte) in aanmerking nemende en gelet op de recidive en de aard van feit 2 en de omstandigheden waaronder dat feit werd gepleegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, zoals gevorderd door de officier van justitie, passend. Wel is zij van oordeel dat ter voorkoming dat de verdachte zich wederom schuldig maakt aan gevaarlijk rijgedrag, moet worden bepaald dat een gedeelte van deze gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk niet zal worden tenuitvoergelegd. Daarbij stelt zij de proeftijd vast op het maximum van 3 jaren. Voorts zal zij ter bescherming van de verkeersveiligheid aan de verdachte tevens de bevoegdheid ontzeggen tot het besturen van motorrijtuigen voor de door de wet gegeven maximale duur van vijf jaren.

7 Debenadeeldepartijenendeschadevergoedingsmaatregel

7.1.1 De vordering van de benadeelde partij [Naam benadeelde partij 1]

De benadeelde [Naam benadeelde partij 1] heeft zich door het vorderen van een vergoeding van zijn schade tot een bedrag van € 30.271,14, te vermeerderen met de wettelijke rente, inzake feit 1 gevoegd in het geding. Wegens materiële schade vordert [Benadeelde 1] € 18.271,14 en wegens immateriële schade € 12.000.

7.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering voor zover deze ziet op materiële schade en tot toewijzing van immateriële schade tot een bedrag van € 7.500.

7.1.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering niet betwist voor zover deze ziet op materiële schade. De raadsman heeft bepleit de vordering af te wijzen voor zover deze ziet op immateriële schade. Zijns inziens heeft [Benadeelde 1] wettelijk gezien geen recht op vergoeding van immateriële schade.

7.1.4 Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde

[Naam benadeelde partij 1] door het onder 1. bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat een beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade. Ten aanzien van dit deel van de vordering zal de rechtbank bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Voor het overige is de vordering niet betwist, zodat de rechtbank deze zal toewijzen, inclusief de wettelijke rente, te berekenen vanaf de datum van het ontstaan van de schade, welke datum de rechtbank zal stellen op 20 december 2013.

Omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de staat de vergoeding van de schade aan het slachtoffer bevordert, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7.2.1 De vordering van de benadeelde partij [Naam benadeelde partij 2]

De benadeelde [Naam benadeelde partij 2] heeft zich door het vorderen van vergoeding van zijn schade tot een bedrag van € 12.000, te vermeerderen met de wettelijke rente, inzake feit 1 gevoegd in het geding. De gevorderde vergoeding betreft immateriële schade.

7.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [Naam benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 7.500.

7.2.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van [Naam benadeelde partij 2] af te wijzen. Zijns inziens heeft [Benadeelde 1] wettelijk gezien geen recht op vergoeding van immateriële schade.

7.2.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat beoordeling van de vordering van [Naam benadeelde partij 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Zij zal derhalve bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

7.3.1 De vordering van de benadeelde partij [Naam benadeelde partij 3]

De benadeelde [Naam benadeelde partij 3] heeft zich door het vorderen van vergoeding van haar schade tot een bedrag van € 12.000, te vermeerderen met de wettelijke rente, inzake feit 1 gevoegd in het geding. De gevorderde vergoeding betreft immateriële schade.

7.3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van

[Naam benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 7.500.

7.3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van [Naam benadeelde partij 3] af te wijzen. Zijns inziens heeft [Benadeelde 1] wettelijk gezien geen recht op vergoeding van immateriële schade.

7.3.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat beoordeling van de vordering van [Naam benadeelde partij 3] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Zij zal derhalve bepalen dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1. primair en onder 2. aan de verdachte tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 4 zijn omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor feit 1 primair en feit 2 tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke wordt vastgesteld op een periode van 3 jaren, zich schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Bijkomende straf

  • -

    ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van deze ontzegging geheel in mindering wordt gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde [Naam benadeelde partij 1], wonende te [Plaatsnaam 1] , ten aanzien van feit 1 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 18.271,14, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 20 december 2013 tot aan

de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde [Naam benadeelde partij 1] ten aanzien van de post immateriële schade niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij dit gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding, waaronder mede te begrijpen de kosten van de tenuitvoerlegging van het vonnis, tegen [Naam benadeelde partij 1] en begroot deze kosten tot aan dit vonnis op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer, [Naam benadeelde partij 1], € 18.271,14, bij niet-betaling en verhaal te vervangen door 126 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 20 december 2013 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde [Naam benadeelde partij 2], wonende te [Plaatsnaam 1] , niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt [Naam benadeelde partij 2] in de kosten van het geding tegen de verdachte, tot aan dit vonnis begroot op nihil;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde [Naam benadeelde partij 3], wonende te [Woonplaats] , niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt [Naam benadeelde partij 3] in de kosten van het geding tegen de verdachte, tot aan dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.M. Engels, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. R. Robroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. Smeets, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 juli 2015.

Buiten staat

Mr. R. Robroek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 december 2013 in de gemeente [Plaatsnaam 1] als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmee rijdende over de weg, de [Straatnaam 1] , (gaande in

de richting van het [Straatnaam 3] )

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, door roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk

onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

met een snelheid van rond of boven 90 kilometer per uur, althans een hogere

snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per

uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie terplaatse te hoge snelheid

te rijden

direct na een, voor hem, flauwe bocht naar rechts,

terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd

door voor hem, verdachte, aan de rechterzijde van de weg geparkeerde

voertuigen,

op het moment dat een fietser ter hoogte van de T-kruising van die weg en de

[Straatnaam 2] , komende vanaf een (vrij) naast de rijbaan gelegen

fiets/bromfietspad, via een aldaar gelegen aansluiting van dit

fiets/bromfietspad met de [Straatnaam 1] , gezien zijn, verdachtes rijrichting

van rechts naar links, doende was die [Straatnaam 1] over te steken

en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig te verminderen en/of niet voldoende uit te

wijken, in elk geval onvoldoende te anticiperen op die wegsituatie

zodat een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig en die fietser, althans diens fiets,

door welk verkeersongeval [Naam slachtoffer] , zijnde die fietser, werd gedood;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 20 december 2013,

in de gemeente [Plaatsnaam 1] ,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de

weg, de [Straatnaam 1] ,

met een snelheid van rond of boven 90 kilometer per uur, althans een hogere

snelheid dan de voor hem aldaar geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per

uur, in elk geval met een voor de verkeerssituatie terplaatse te hoge snelheid

heeft gereden

direct na een, voor hem, flauwe bocht naar rechts,

terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd

door voor hem, verdachte, aan de rechterzijde van de weg geparkeerde

voertuigen,

op het moment dat een fietser ter hoogte van de T-kruising van die weg en de

[Straatnaam 2] , komende vanaf een (vrij) naast de rijbaan gelegen

fiets/bromfietspad, via een aldaar gelegen aansluiting van dit

fiets/bromfietspad met de [Straatnaam 1] , gezien zijn, verdachtes rijrichting

van rechts naar links, doende was die [Straatnaam 1] over te steken

en/of (vervolgens) niet, dan wel niet voldoende de snelheid van het door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft verminderd en/of niet voldoende is

uitgeweken, in elk geval onvoldoende heeft geanticipeerd op die wegsituatie

zodat een aanrijding of botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig en die fietser, althans diens fiets,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 24 november 2013 in de gemeente [Plaatsnaam 1] opzettelijk en

wederrechtelijk een auto toebehorende aan [Getuige 5] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd door toen

aldaar opzettelijk en wederrechtelijk meerdere malen met een sleutel op het

raam van het bestuurdersportier van voornoemde auto te slaan en/of meerdere

malen tegen het bestuurdersportier van voornoemde auto te trappen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2013113632 d.d. 8 juni 2015 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van bevindingen van [Ambtenaar van politie 1] en [Ambtenaar van politie 2] d.d. 20 december 2013, bladzijde 16, 17.

3 Het geschrift inhoudende een verslag betreffende een niet-natuurlijke dood van [Naam lijkschouwer] d.d. 23 december 2013.

4 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 20 december 2013, bladzijde 177.

5 Proces-verbaal ‘VerkeersOngevallenAnalyse’ [Analist 1] , [Analist 2] en [Analist 3] d.d. 21 mei 2015, bladzijde 4, 5, 6 en foto 51 t/m 58.

6 Proces-verbaal van bevindingen van [Politieambtenaar 1] d.d. 23 december 2013, bladzijde 240.

7 Proces-verbaal van bevindingen van [politieambtenaar 2] d.d. 24 december 2013, bladzijde 247.

8 Het NFI-rapport van ing. [Ingenieur 3] d.d. 17 juni 2014, bladzijde 19.

9 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [Getuige 1] d.d. 20 december 2013, bladzijde 103.

10 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [Getuige 2] d.d. 21 december 2013, bladzijde 109.

11 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [Getuige 3] d.d. 22 december 2013, bladzijde 143.

12 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [Getuige 4] d.d. 20 december 2013, bladzijde 107.

13 NFI-rapport van ing. [Ingenieur 2] d.d. 12 maart 2015, bladzijde 21.

14 Proces-verbaal van aangifte van [Aangever] d.d. 26 november 2013, bladzijde 268, 269.

15 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [Getuige 5] d.d. 10 december 2013, bladzijde 271 t/m 276.

16 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juli 2015.

17 Proces-verbaal van bevindingen van [Verbalisant 1] d.d. 24 december 2013, bladzijde 279.