Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6379

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
4211484 AZ VERZ 15-123
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Wwz is niet van toepassing. Geen dringende reden. Wel verandering in omstandigheden, veroorzaakt door onterechte verwijten van werkgever aan werkneemster. (Voorwaardelijke) ontbinding met toewijzing van vergoeding aan werkneemster ten laste van werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0829
AR 2015/1607

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 4211484 AZ VERZ 15-123

Beschikking van de kantonrechter van 24 juli 2015

in de zaak van

[naam] verhuizingen b.v.

gevestigd en kantoorhoudend te Hoensbroek (gemeente Heerlen)

verzoekende partij

gemachtigde: mr. Ph.W.A.M van Roy, advocaat te Beek

tegen

[verweerster] ,

wonend te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde: mr. M.M. van Tol, advocaat te Sittard-Geleen.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift (ingediend bij brief van 12 juni 2015) met vier bijlagen

  • -

    het verweerschrift met negen bijlagen

  • -

    de drie door [verzoekster] nagezonden bijlagen en de door [verweerster] nagezonden bijlage

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 14 juli 2015, waarbij aan het slot van de zitting is afgesproken dat mr. Van Roy uiterlijk op 18 juli 2015 aan de kantonrechter zou laten weten of partijen een minnelijke regeling getroffen hebben.

1.2.

Omdat niets van mr Van Roy is vernomen, is vervolgens beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] verricht verhuisdiensten voor particuliere en zakelijke klanten.

De directie van [verzoekster] wordt gevormd door [naam directielid 1] en [naam directielid 2] .

2.2.

[verweerster] , geboren op [geboortedag] 1974, is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst d.d. 1 juni 2013 met ingang van 4 juni 2013 voor de duur van twaalf maanden in dienst van [verzoekster] getreden in de functie van commercieel medewerker binnendienst voor 32 uur per week. De arbeidsovereenkomst is daaropvolgend voortgezet voor de duur van twaalf maanden. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst met ingang van 4 juni 2015 nogmaals verlengd, dit keer voor de duur van een halfjaar.

2.3.

Het overeengekomen brutoloon bedraagt laatstelijk € 2.055,36 per vier weken en derhalve € 2.226,64 per maand exclusief 8% vakantiebijslag.

2.4.

Op donderdag 11 juni 2015 heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen [naam directielid 2] en [verweerster] .

2.5.

Op vrijdag 12 juni 2015 had [verweerster] verlof. Diezelfde dag is per fax het thans aanhangige verzoekschrift ter griffie van de rechtbank ingekomen. Ook op maandag 15 juni 2015 had [verweerster] verlof.

2.6.

Op dinsdag 16 juni 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerster] , de directie van [verzoekster] en mr. Van Roy, waarbij [verweerster] is medegedeeld dat zij op non-actief gesteld werd en dat zij “niet meer hoefde terug te komen”.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] zo spoedig mogelijk te ontbinden zonder toekenning van een vergoeding. Primair stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden op grond van omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW voor onverwijlde opzegging opgeleverd zouden hebben en subsidiair op grond van veranderingen in de omstandigheden.

3.2.

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoekster] in het verzoekschrift het volgende aangevoerd.

[verweerster] neemt een ‘obstructieve’ houding aan. Zij schoffeert/beledigt regelmatig de directie, zet andere werknemers tegen de directie op, heeft geen respect voor de gezagsverhouding, weigert haar werkzaamheden naar behoren uit te voeren en creëert een verschrikkelijke sfeer op de werkvloer. Andere werknemers hebben aan [verzoekster] medegedeeld dat de houding van [verweerster] een onaangename druk bij hen ‘neerlegt’ en dat zij niet meer met [verzoekster] willen samenwerken. Door het gedrag van [verzoekster] raken andere werknemers van slag waardoor er niet productief gewerkt kan worden. Ook stelt [verweerster] zich niet professioneel op in haar contacten met klanten van [verzoekster] . Volgens [verzoekster] vertoont [verweerster] reeds geruime tijd voornoemd gedrag. [verzoekster] stelt met [verweerster] overleg gevoerd te hebben. [verzoekster] verwijst in dat verband naar twee ‘gespreksverslagen’ van 16 juni 2014 en 26 maart 2015. Desondanks is het gedrag van [verweerster] niet verbeterd, aldus [verzoekster] . De primaire grondslag van haar verzoek motiveert [verzoekster] met de stelling dat de gedragingen van [verweerster] een dringende reden opleveren als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 sub d, sub j en sub k BW. De subsidiaire grondslag van het verzoek is gebaseerd op de stelling dat er door toedoen van [verweerster] een ernstige vertrouwensbreuk is ontstaan, zodat zij geen recht heeft op een vergoeding.

3.3.

Het verweer van [verweerster] strekt tot afwijzing van het primaire onderdeel van het verzoek. In dat kader heeft zij alle door [verzoekster] aan haar gerichte verwijten gemotiveerd betwist. [verweerster] heeft ook verweer gevoerd tegen het subsidiaire onderdeel van het verzoek. Dit verweer komt er op neer dat zij weliswaar erkent dat er sprake is van een vertrouwensbreuk, maar dat deze niet door haar maar geheel door toedoen van [verzoekster] is ontstaan door de onterechte verwijten die [verzoekster] haar maakt sedert 16 juni 2015. Om die reden verzoekt [verweerster] aan haar een billijke vergoeding van € 9.619,08 bruto toe te kennen. Voorts verzoekt zij haar te ontheffen van het in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding alsmede van het in artikel 14 opgenomen relatiebeding. Tot slot verzoekt zij om een vergoeding van € 1.250,00 exclusief btw voor door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt aangezien de in Duitsland wonende [verweerster] haar werkzaamheden gewoonlijk in Nederland verricht heeft. Voorts stelt de kantonrechter ambtshalve vast dat voor de beoordeling van dit geschil uitgegaan dient te worden van de relevante artikelen in het Burgerlijk Wetboek zoals die luiden voordat deze ingevolge de Wwz zijn gewijzigd per

1 juli 2015. Het verzoek is immers ingediend vóór die datum en de laatste verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft ook vóór die datum plaatsgevonden.

4.2.

Dat er, zoals door [verzoekster] gesteld, reeds lange tijd sprake was van disfunctioneren van [verweerster] , is in het geheel niet aannemelijk geworden. [verweerster] heeft dat namelijk gemotiveerd betwist en [verzoekster] heeft verder geen concrete feiten/omstandigheden/gebeurtenissen kunnen benoemen waaruit van het gestelde ‘wangedrag’ van [verweerster] heeft kunnen blijken.

Bovendien heeft [verzoekster] geen verklaring kunnen geven voor het feit dat, ondanks dit gestelde disfunctioneren, bij herhaling de arbeidsovereenkomst met [verweerster] is verlengd en dat bij beide verlengingen het loon van [verweerster] is verhoogd. De laatste verlenging (en loonsverhoging) dateert van 4 juni 2015 en is derhalve zeer recent. Het ligt, gelet op de ernst van de door [verzoekster] aan het adres van [verweerster] gemaakte verwijten niet voor de hand dat een arbeidsovereenkomst (nogmaals) wordt verlengd en dat het loon verhoogd wordt.

4.3.

Voor zover [verzoekster] het gestelde structurele disfunctioneren heeft willen onderbouwen met de ‘gespreksverslagen’ van 16 juni 2014 en 6 maart 2015 (bijlage 4 bij het verzoekschrift), is de kantonrechter van oordeel dat dit volstrekt onvoldoende is. Bijlage 4 bestaat uit twee kopieën van e-mailberichten van [naam directielid 2] , gericht aan [naam directielid 1] . In de aanhef van de e-mailberichten wordt vermeld dat deze zijn verzonden op respectievelijk ‘maandag 16 juni 2014’ en ‘maandag 26 maart 2015’. [verweerster] heeft gesteld dat zij twijfelt aan de authenticiteit van die berichten, nu de layout van totaal afwijkt van hetgeen binnen de onderneming van [verzoekster] gebruikelijk is. Voorts heeft zij erop gewezen dat 26 maart 2015 geen maandag, maar een donderdag was. Omdat [verzoekster] dit betoog van [verweerster] niet heeft betwist, is de kantonrechter van oordeel dat de overgelegde (kopieën van de) berichten valselijk zijn opgemaakt. Hierdoor is tevens, nu van de zijde van [verzoekster] geen andere stukken zijn overgelegd en evenmin nadere stellingen dienaangaande zijn ingenomen, niet aannemelijk geworden dat [verweerster] tijdens haar dienstverband door [verzoekster] is aangesproken op het (gestelde maar niet aannemelijk geworden) feit dat zij niet goed functioneerde. Overigens vermeldt [naam directielid 2] in de twee kennelijk achteraf opgemaakte stukken niet eens dat zij [verweerster] heeft aangesproken op (vermeend) onwenselijk gedrag.

4.4.

De kantonrechter kan niet nalaten hier op te merken dat hij [verzoekster] deze vervalsing van processuele bescheiden ernstig aanrekent.

4.5.

Waar het in deze zaak uiteindelijk om blijkt te draaien, is de woordenwisseling tussen [naam directielid 2] en [verweerster] op 11 juni 2015. Wat dan als eerste opvalt, is dat in het verzoekschrift van 12 juni 2015 met geen woord over het voorval op 11 juni 2015 wordt gerept. Het verzoekschrift somt enkel in zeer algemene bewoordingen en zonder concreet te worden, een aantal verwijten op zoals die in rechtsoverweging 3.2. aangehaald zijn. In de nagezonden bijlage 5 wordt wel van het voorval melding gemaakt, zonder dat daar verder door [verzoekster] een toelichting op gegeven is. Eerst ter zitting is van de zijde van [verzoekster] verklaard dat er op 11 juni 2015 een woordenwisseling tussen [naam directielid 2] en [verweerster] heeft plaatsgevonden. [verzoekster] stelt dat [verweerster] bij die gelegenheid [naam directielid 2] in het bijzijn van anderen heeft verweten veel fouten te maken terwijl [verweerster] wist dat [naam directielid 2] gespannen was wegens een ophanden zijnde operatie aan haar arm/schouder. Volgens [verzoekster] is de zaak toen zodanig geëscaleerd dat [naam directielid 2] het bedrijfsgebouw heeft verlaten. De niet (direct) bij de onderneming betrokken [vader directielid 1] heeft toen nog tevergeefs gepoogd te bemiddelen, zo stelt [verzoekster] .

[verweerster] betwist niet dat er die dag tussen haar en [naam directielid 2] een woordenwisseling heeft plaatsgevonden, maar zij betwist wel dat zij [naam directielid 2] iets heeft verweten. [naam directielid 2] raakte wel overstuur, maar [verweerster] schrijft dat toe aan de (pijn)klachten die [naam directielid 2] toen ondervond. Zij stelt verder die dag gewoon te zijn blijven werken. Uit niets bleek dat er meer aan de hand was geweest dan dat zij een planningsfout gemaakt had. Er is met haar niet gesproken over haar (dis)functioneren en er is haar ook geen waarschuwing gegeven. [verweerster] stelt voorts dat er maar één collega bij het gesprek geweest is en dat deze collega in haar verklaring niet de lezing van [verzoekster] bevestigt. De kantonrechter overweegt dat gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, wel vaststaat dat er op 11 juni 2015 een gesprek is geweest tussen [naam directielid 2] en [verweerster] en dat [naam directielid 2] tijdens dit gesprek overstuur geraakt is. Niet aannemelijk is geworden dat [naam directielid 2] overstuur geraakt is doordat [verweerster] haar in het bijzijn van collega’s verwijten heeft gemaakt. Uit de door [verzoekster] zelf (als bijlage 5) overgelegde verklaringen blijkt dat enkel [getuige] bij het gesprek aanwezig was, maar uit de door deze persoon ondertekende verklaring blijkt niet dat [verweerster] bij die gelegenheid [naam directielid 2] iets heeft verweten. Aan de overige verklaringen hecht de kantonrechter niet of nauwelijks waarde nu die (behoudens de verklaring van [naam directielid 2] ) afkomstig zijn van personen die niet bij het gesprek aanwezig waren. Gezien vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [verweerster] ook maar enig verwijt gemaakt kan worden van het feit dat [naam directielid 2] op 11 juni 2015 overstuur geraakt is. In ieder geval is niet aannemelijk geworden dat [verweerster] bij die gelegenheid op ontoelaatbare wijze [naam directielid 2] verwijten heeft gemaakt.

4.6.

Ter zitting zijn voorts nog de door [verzoekster] overgelegde bijlagen 6 en 7 besproken. Uit deze bijlagen komt naar voren dat [verzoekster] [verweerster] verwijt dat zij een eigen winkel heeft. Volgens [verzoekster] is dit in strijd met de arbeidsovereenkomst. Zij verwijt [verweerster] dat zij tijdens werktijd met verhuizers communiceert over deze privé-werkzaamheden. Ook deze verwijten aan het adres van [verweerster] zijn naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte (nader) aan het verzoek ten grondslag gelegd. Allereerst moet worden vastgesteld dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst [verweerster] op zichzelf genomen niet verbiedt een eigen winkel te exploiteren. Artikel 12 verbiedt [verweerster] om (zonder toestemming van [verzoekster] ) nevenwerkzaamheden te verrichten voor zover die de belangen van [verzoekster] kunnen raken. [verzoekster] heeft evenwel niet gesteld dat de (gestelde) werkzaamheden haar belangen raken. [verweerster] heeft bovendien gemotiveerd maar tevens gedocumenteerd - en volgens de kantonrechter zelfs uitermate overtuigend - betwist dat zij een eigen winkel exploiteert en daarover met een collega gecommuniceerd heeft. Omdat van de zijde van [verzoekster] op dit verweer niet meer is gereageerd, staat thans wel vast dat [verweerster] geen winkel exploiteert, zodat ook in dit verband volstrekt ten onrechte aan haar verwijten zijn gemaakt door [verzoekster] .

4.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] vreemd genoeg ook opgemerkt dat zij [verweerster] geen verwijten maakt, maar dat - gezien het feit dat er sprake is van een kleine onderneming met een gering aantal werknemers - [verweerster] niet meer kan terugkeren vanwege de onwerkbare situatie die is ontstaan tussen [verweerster] en [naam directielid 2] . Gelet op dit standpunt acht de kantonrechter het overbodig om ook de andere in ingebrachte documentatie min of meer zijdelings vermelde verwijten aan het adres van [verweerster] te bespreken, temeer daar die verwijten door [verzoekster] niet aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd.

4.8.

Feitelijk is [verzoekster] ter zitting teruggekomen van haar primaire standpunt dat de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden op grond van omstandigheden die een dringende reden opgeleverd zouden hebben in het geval van onverwijlde opzegging. Omdat [verzoekster] formeel in het midden heeft gelaten of zij die grondslag handhaaft, oordeelt de kantonrechter thans volledigheidshalve dat er in het licht van de overwegingen 4.2. tot en met 4.7. geen grond is om de arbeidsovereenkomst op die primaire grondslag te ontbinden.

4.9.

Partijen zijn het er over eens dat de arbeidsovereenkomst wegens de onwerkbare situatie ontbonden dient te worden op grond van veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter zal derhalve de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 september 2015.

4.10.

Ten aanzien van de vraag of [verweerster] een vergoeding naar billijkheid toekomt, wordt als volgt overwogen. [verweerster] is zonder duidelijke aanleiding, althans zonder dat aannemelijk is geworden dat haar iets valt te verwijten, op 16 juni 2015 op non-actief gesteld met de mededeling dat zij niet meer hoefde terug te komen. Vervolgens heeft [verzoekster] in de aanloop naar de mondelinge behandeling diverse stukken overgelegd die de indruk moeten wekken dat zij [verweerster] serieus iets te verwijten heeft. Ter zitting blijkt vervolgens dat [verzoekster] geen weerwoord heeft op de uitgebreide gemotiveerde betwisting van [verweerster] en dat van geen van de verwijten aannemelijk is geworden dat die terecht zijn gemaakt. Onder die omstandigheden is de verstoorde relatie die het voor [verweerster] onmogelijk maakt om nog met [verzoekster] (althans [naam directielid 2] ) samen te werken, veroorzaakt door toedoen van en volledig te wijten aan [verzoekster] . [verzoekster] heeft in dat kader nog gesteld dat zij als goed werkgever heeft gehandeld door [vader directielid 1] (de kantonrechter begrijpt dat dit de vader van [naam directielid 1] is) als bemiddelaar in te schakelen. Diens bemiddelingspoging is evenwel niet aan te merken als een serieus te nemen poging om tot een oplossing van het conflict te komen, al was het maar omdat hij (schoon)familie is van de directie Van [verzoekster] en daarmee onvoldoende onafhankelijk is om als bemiddelaar boven de partijen te staan. Bovendien blijkt uit het door [vader directielid 1] op 2 juli 2015 verzonden gespreksverslag (dat hijzelf heeft gedateerd op 12 juni 2015) dat er niet eens een poging is ondernomen om [verweerster] en [naam directielid 2] tot een gesprek te bewegen. Nu de ontstane onwerkbare situatie is ontstaan door toedoen van [verzoekster] , acht de kantonrechter de door [verweerster] in haar verweer bepleite vergoeding naar billijkheid van € 9.619,08 op haar plaats.

4.11.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat binnen het bestek van deze verzoekschriftprocedure [verweerster] niet kan worden ontheven van de verplichtingen krachtens de artikelen 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst. De onderhavige procedure is aanhangig gemaakt vóór 1 juli 2015 zodat art. 7:686a BW niet van toepassing is. [verweerster] had dit dus bij dagvaarding moeten vorderen. Er is voorts geen grond om de wisselbepaling van art. 69 Rv toe te passen aangezien [verweerster] uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat zij in deze procedure geen (tegen)verzoek ingediend heeft. Ten overvloede overweegt de kantonrechter wel dat hij het voorshands zeer aannemelijk acht dat, indien de arbeidsovereenkomst op grond van deze beschikking zal worden ontbonden, een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [verzoekster] in de gegeven situatie aan de artikelen 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst geen rechten kan ontlenen nu de ingrijpende verstoring van de arbeidsrelatie [verzoekster] is te verwijten.

4.12.

[verzoekster] zal in de gelegenheid gesteld worden haar verzoek in te trekken.

Mocht [verzoekster] daartoe overgaan, dan zal zij verwezen worden in de aan de zijde van [verweerster] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 400,00 salaris gemachtigde. Er is geen grond om, zoals kennelijk door [verweerster] gewenst maar door haar verder niet gemotiveerd, van dit gebruikelijke liquidatietarief af te wijken.

4.13.

Als [verzoekster] het verzoek niet intrekt, zullen de proceskosten in die zin worden gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

voor het geval [verzoekster] haar verzoek uiterlijk 7 augustus 2015 niet intrekt:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [verweerster] en [verzoekster] per 1 september 2015;

5.2.

kent aan [verweerster] een ten laste van [verzoekster] komende vergoeding toe van € 9.619,08 bruto en veroordeelt [verzoekster] zo nodig tot betaling van dit bedrag aan [verweerster] ;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval [verzoekster] haar verzoek uiterlijk 7 augustus 2015 intrekt:

5.4.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 400,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.