Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6353

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
03/702648-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Flessentrekkerij. Verdachte heeft, samen met een ander en alleen, bij ondernemingen veelal duurdere goederen gekocht met de bedoeling daarvoor niet te betalen. De slachtoffers zijn financieel ernstig benadeeld. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest. Ook moet hij schadevergoeding aan een slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/702648-14

Datum uitspraak : 27 juli 2015

Tegenspraak overeenkomstig artikel 279 Wetboek van Strafvordering

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum 1] ,

ter terechtzitting is gebleken dat verdachte woont te 6224 TR Maastricht,

Czaar Peterstraat 90.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 juli 2015. De rechtbank heeft op deze zitting gehoord: de officier van justitie en de gemachtigde raadsman van de verdachte, mr. H.P. Ruysink, advocaat te Bunde. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte samen met (een) ander(en) dan wel alleen goederen heeft gekocht met de bedoeling daarvoor niet te betalen (flessentrekkerij).

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe heeft hij verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Aan verdachte wordt verweten dat hij, samen met medeverdachte [medeverdachte] , goederen heeft gekocht bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met de bedoeling daarvoor niet te betalen.

Met betrekking tot [slachtoffer 1]:

Ten laste is gelegd dat verdachte samen met een ander dan wel alleen in de periode van 10 juli 2014 tot en met 13 augustus 2014 goederen heeft gekocht met de bedoeling daarvoor niet te betalen.

De rechtbank stelt op basis van de aangifte van [betrokkene 1] namens [slachtoffer 1] en de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd, vast dat verdachte op 16 augustus 2014 - dus buiten de ten laste gelegde periode - met medeverdachte [medeverdachte] de winkel binnenkwam en een bed heeft meegenomen. Zij zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde flessentrekkerij bij [slachtoffer 1] .

Met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]:

[betrokkene 2] heeft namens [slachtoffer 2] , gevestigd aan [adres 2] , aangifte gedaan. Hij verklaarde dat op 10 juli 2014 een man, die zich legitimeerde als [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] , de zaak in kwam. [medeverdachte] wilde een nieuwe zitmaaier en enkele nieuwe tuinmachines kopen. [betrokkene 2] zoon leende een zitmaaier aan [medeverdachte] , omdat deze aangaf dat hij meteen een zitmaaier nodig had. De leenmaaier werd op 15 juli 2014 opgehaald. Op 16 juli 2015 zei [betrokkene 2] zoon tegen [medeverdachte] dat er nog niet was betaald voor de bestelde producten. [medeverdachte] zei toen dat de betaling was teruggeboekt. Op 29 juli 2014 belde [medeverdachte] opnieuw met [betrokkene 2] zoon. Hij gaf toen aan dat hij nog enkele tuinmachines nodig had. Later die dag werden deze tuinmachines - een kettingzaagmachine, een heggenschaar, een bosmaaier, een bladblazer, twee accu’s en een acculader - opgehaald door een man die zich als [verdachte] voorstelde. Het verschuldigde bedrag werd nooit betaald.2

[betrokkene 3] heeft namens [slachtoffer 3] , gevestigd aan [adres 3] , aangifte gedaan. Hij verklaarde dat op 31 juli 2014 twee mannen de winkel binnenkwamen. Een van deze mannen legitimeerde zich als [medeverdachte] , geboren op 20 april 1966. [medeverdachte] zei dat hij dat hij een renfiets zocht. Na een testrit te hebben gemaakt op een renfiets, bestelde [medeverdachte] twee renfietsen. Ook zei [medeverdachte] dat hij een paar dagen op vakantie zou gaan en graag een fiets mee wilde op vakantie. [betrokkene 3] heeft hem toen een fiets geleend die [medeverdachte] op vakantie kon meenemen. [medeverdachte] zei dat hij een kinderfiets van het merk Mercedes had zien staan. Hij wilde deze fiets, samen met een daarbij horende kinderhelm, alsmede een damesfiets van het merk Gazelle hebben en heeft deze goederen ook meegenomen. Op 1 augustus 2014 kwam [medeverdachte] weer de winkel binnen samen met de man die de vorige dag ook al in de winkel was. [medeverdachte] zei dat hij de fiets kwam ophalen die hij voor de vakantie zou lenen. Geurts heeft hem toen een mountainbike meegegeven. Ook heeft [medeverdachte] fietskleding, masseerspullen, twee binnenbanden en twee bidons meegenomen. De andere man zei dat hij een elektrische fiets wilde kopen die hij in de zaak had zien staan. [medeverdachte] zei dat die fiets wel bij hem op de rekening kon. Deze fiets hebben [medeverdachte] en de andere man ook meegenomen. Het verschuldigde bedrag werd nooit betaald.3

Verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] tuingereedschappen is gaan ophalen bij [slachtoffer 2] . Ook heeft [medeverdachte] verdachte gevraagd mee te gaan naar een fietsenwinkel in [gemeente] om een fiets op te gaan halen. [medeverdachte] had daar namelijk een renfiets gekocht. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar deze winkel gegaan en zij hebben een renfiets, fietskleding en schoenen meegenomen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte] al jarenlang kent.4 Het moet verdachte dan ook bekend zijn geweest dat [medeverdachte] , die dakloos was, geen financiële verplichtingen kon aangaan en zeker niet in de orde van grootte als waar het hier om ging. Verdachte moest daarom weten dat de goederen die hij, soms samen met [medeverdachte] , ging ophalen, niet betaald waren en ook niet betaald zouden worden.


De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat verdachte, samen met [medeverdachte] , een zitmaaier en tuingereedschap bij [slachtoffer 2] , en bij [slachtoffer 3] fietsen, een mountainbike en fietsaccessoires heeft gekocht met de bedoeling daarvoor niets te betalen.

Het bewezenverklaarde kan echter slechts als flessentrekkerij worden gekwalificeerd, indien kan worden bewezen dat verdachte een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met de bedoeling daarvoor niet te betalen. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “een beroep of een gewoonte maakt” is volgens de Hoge Raad een meervoud van handelingen vereist waartussen verband bestaat.

Hoewel de rechtbank bewezen acht dat verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte] , bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] goederen heeft gekocht met de bedoeling daarvoor niet te betalen, is zij van oordeel dat er sprake is van een meervoud van handelingen waartussen verband bestaat. Verdachte heeft in een periode van vijf weken tot drie keer toe samen met medeverdachte [medeverdachte] goederen gekocht met de bedoeling daarvoor niet te betalen. Dat verdachte in het geval van [slachtoffer 1] vanwege een beperkte periode in de tenlastelegging moet worden vrijgesproken, doet niet af aan het feit dat verdachte en [medeverdachte] ook in dat geval op dezelfde manier te werk gingen. Het ging telkens om goederen die een aanzienlijke geldelijke waarde vertegenwoordigden. Ook de manier waarop de goederen werden verkregen was telkens hetzelfde. [medeverdachte] voerde het woord en plaatste een bestelling bij de verkoper die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde. Vervolgens ontvingen [medeverdachte] en [verdachte] (alvast) enkele goederen, waarbij de verkoper in het voortuitzicht werd gesteld dat de hele bestelling zou worden betaald, hetgeen uiteindelijk nooit gebeurde. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met de bedoeling daarvoor niet te betalen.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 10 juli 2014 tot en met

13 augustus 2014 een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het samen met een ander kopen van goederen met de bedoeling daarvoor niet te betalen. Hij heeft zich dus schuldig gemaakt aan het medeplegen van flessentrekkerij.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 10 juli 2014 tot en met 13 augustus 2014 op na te noemen plaatsen, tezamen en in vereniging met een ander, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt

van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader, telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

  • -

    een zitgrasmaaier en een kettingzaagmachine en een heggenschaar en een bosmaaier en een bladblazer en twee accu’s en een acculader, gepleegd tussen 10 juli 2014 en 29 juli 2014 bij [slachtoffer 2] , gevestigd [adres 2] en

  • -

    een damesfiets (merk Gazelle) en een kinderfiets (merk Mercedes) en een fietshelm en een mountainbike en fietskleding (meerdere stuks) en masseerspullen en twee binnenbanden en twee bidons en een elektrische fiets, gepleegd tussen 31 juli 2014 en 1 augustus 2014 bij [slachtoffer 3] , gevestigd op de [adres 3] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich in een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan flessentrekkerij bij verschillende ondernemers. Deze ondernemers zijn overgegaan tot afgifte van veelal duurdere goederen, zoals: (elektrische) fietsen en (elektrische) tuingereedschappen. Voor geen van deze goederen is betaald. De ondernemers zijn hierdoor financieel ernstig benadeeld. Wellicht zijn de slachtoffers uit naïviteit dan wel met het idee snel geld kunnen verdienen, overgegaan tot afgifte van goederen zonder waarborg voor. Dat maakt echter niet dat verdachte minder strafbaar is.

Door zijn handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen zoals dat gebruikelijk is in het maatschappelijk en financieel-economisch verkeer. Hij heeft zich moeite getroost om op een zeer geraffineerde, strafbare wijze aan goederen te komen en daarbij slechts oog gehad voor zijn eigen belang.

Flessentrekkerij is een ernstig strafbaar feit. In het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is geen oriëntatiepunt vastgesteld voor dit feit. De rechtbank is al met al van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde dermate groot is dat zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met het feit dat de goederen die door de ondernemers werden afgegeven een hoge waarde vertegenwoordigden. Kennelijk werden de spullen daar op uitgezocht. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde in de eis van de officier van justitie onvoldoende tot uitdrukking komt. De duur van de op te leggen gevangenisstraf zal dan ook langer zijn dan door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van zijn strafblad. Hoewel verdachte in het verleden meermalen voor vermogensfeiten is veroordeeld, heeft dit hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daar dan ook ten nadele van verdachte rekening mee houden. Verdachte is recent nog, op 1 mei 2015, veroordeeld ter zake van gewoonteheling. Hij heeft toen een forse gevangenisstraf gekregen. Dit betekent dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, omdat deze zaak toen ook behandeld en afgedaan had kunnen worden. De rechtbank zal hier echter - nu zij bewezen heeft verklaard dat verdachte zich in een korte tijdspanne meermalen schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten - slechts in beperkte mate in strafverminderende zin rekening mee houden.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

7 De benadeelde partijen

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]:

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 12.524,- ter zake van het bewezenverklaarde. Dit betreft geleden materiële schade.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 5.571,48 ter zake van het bewezenverklaarde. Dit betreft geleden materiële schade.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde]:

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat verdachte partieel is vrijgesproken van de ten laste gelegde flessentrekkerij bij [slachtoffer 1] .

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is als volgt opgebouwd:

  1. Husqvarna 130 BT bladblazer € 379,34

  2. Husqvarna 445 triobrake kettingzaag € 536,36

  3. Husqvarna 536LIH60X akku heggenschaar € 329,75

  4. Accu 3.0AH € 164,46

  5. Lader QC330 € 98,35

  6. Husqvarna 536 LIL bosmaaier/-trimmer zonder accu’s € 296,69

  7. Mc Culloch M155-107TC zitmaaier € 2.313,22

  8. Castel Garden Zitmaaier € 1.750,00

Totaal € 5.571,48

Uit de facturen die bij het voegingsformulier zijn gevoegd, blijkt dat de gevorderde posten exclusief BTW zijn.

De rechtbank overweegt dat artikel 361, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een benadeelde partij slechts ontvankelijk is in haar vordering als aan haar rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Met andere woorden: de schade moet het gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit.

Bewezen is verklaard dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan flessentrekkerij bij [slachtoffer 2] en dat deze benadeelde partij een zitgrasmaaier, een kettingzaagmachine, een heggenschaar, een bosmaaier, een bladblazer, twee accu’s en een acculader aan verdachte en zijn medeverdachte heeft afgegeven. Uit de aangifte van de benadeelde partij blijkt dat de onder 7. genoemde zitmaaier niet aan hen is afgegeven, omdat deze besteld moest worden. Deze gevorderde schade is dus geen rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De benadeelde partij wordt daarom ten aanzien van de onder 7. gevorderde zitmaaier niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voor het overige toewijsbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op - in totaal - € 3.554,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 29 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Nu verdachte ter zake van het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld en hij, samen met zijn medeverdachte, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, zal de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk worden toegewezen. Tevens heeft de rechtbank besloten tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal verdachte eveneens in de proceskosten van de benadeelde partij veroordelen, tot op heden begroot op nihil.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen omdat deze niet zijn onderbouwd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 63 en 326a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar.

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen:

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] [benadeelde]

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 3.554,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 29 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk met betrekking tot de gevorderde schade voor zover deze betrekking heeft op de post “Mc Culloch M155-107TC zitmaaier”, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk is verklaard slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst af de overige gevorderde schade;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd van een bedrag van € 3.554,95, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 29 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte en/of een van zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.554,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 29 juli 2014 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmee de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of een van haar mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    wijst af de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juli 2015.

Buiten staat:

mr. Wouters en mr. Holthuis zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2014 tot en met 13 augustus 2014 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:

  • -

    twee bedden en/of bedtextiel/beddengoed, gepleegd op 13 augustus 2014 bij [slachtoffer 1] , gevestigd [adres 4] en/of

  • -

    een (zit)grasmaaier en/of een (ketting)zaagmachine en/of een heggenschaar en/of een bosmaaier en/of een bladblazer en/of twee accu’s en/of een acculader, gepleegd tussen 10 juli 2014 en 29 juli 2014 bij [slachtoffer 2] , gevestigd [adres 2] en/of

  • -

    een (dames)fiets (merk Gazelle) en/of een kinderfiets (merk Mercedes) en/of een fietshelm en/of een mountainbike en/of fietskleding (meerdere stuks) en/of masseerspullen en/of twee binnenbanden en/of twee bidons en/of een elektrische fiets, gepleegd tussen 31 juli 2014 en 1 augustus 2014 bij [slachtoffer 3] , gevestigd op de [adres 3] .

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2014101726 d.d. 17 oktober 2014, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 146 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal aangifte van aangever [betrokkene 2] namens [slachtoffer 2] d.d. 7 augustus 2014, als weergegeven op de pagina’s 76 tot en met 80 van de doornummering.

3 Proces-verbaal aangifte van aangever [betrokkene 3] namens [slachtoffer 3] d.d. 24 september 2014, als weergegeven op de pagina’s 139 tot en met 143 van de doornummering.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 30 september 2014, als weergegeven op de pagina’s 37 tot en met 39 van de doornummering.