Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6347

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
03/700301-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:647, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging, bedreiging, mishandeling en beschadiging. Verdachte heeft vijf personen belaagd. Hij heeft de slachtoffers allemaal om een bidprentje en/of een rouwkaart gevraagd van hun overleden dierbare. Op het moment dat zij dit weigerden, kwam verdachte aan de deur of stuurde hij hun kerstkaarten, brieven of e-mails, waarin het verzoek werd herhaald. Aanvankelijk werd dit op een neutrale of vaak vriendelijke toon gevraagd, maar als zijn verzoek werd geweigerd, uitte verdachte al snel beledigingen of bedreigingen aan het adres van zijn slachtoffers. Het handelen van verdachte heeft een grote emotionele impact op de slachtoffers gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen waarvan 141 dagen voorwaardelijk. Zij zal afzien van het opleggen van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsman is bepleit. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat verdachte weigert mee te werken aan het opstellen van een maatregelenrapport en zich niet zal houden aan de te stellen voorwaarden in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Dit zou betekenen dat er een zeer reële kans bestaat dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden op enig moment zal worden omgezet in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke vergaande maatregel echter niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700301-14

Datum uitspraak : 27 juli 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor de behandeling strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum en plaats] ,

thans gedetineerd [detentieadres] .

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 juli 2015. De rechtbank heeft op deze zitting gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 : [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] ,

[slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft belaagd.

Feit 2 : [slachtoffer 9] heeft bedreigd.

Feit 3 : [slachtoffer 9] heeft mishandeld.

Feit 4 : een auto heeft vernield of beschadigd.

Feit 5 : [slachtoffer 1] heeft beledigd.

Feit 6 : [slachtoffer 2] heeft beledigd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit van de feiten 2 en 6. Het enige bewijs met betrekking tot die feiten betreft namelijk de aangifte van respectievelijk [slachtoffer 9] en [slachtoffer 2] .

Dit is onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van deze ten laste gelegde feiten te komen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich wat betreft de bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 6] aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. De ten laste gelegde belaging van de andere personen acht hij niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman (primair) aangevoerd dat de aangiftes niet worden ondersteund door een ander bewijsmiddel en er dus onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen (voor wat betreft de verweten belaging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ). Subsidiair heeft hij betoogd dat de voor belaging vereiste stelselmatigheid ontbreekt (voor wat betreft de aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ).

Ook moet verdachte worden vrijgesproken van feit 2, omdat de aangifte van [slachtoffer 9] niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel en er dus onvoldoende wettig bewijs is. De raadsman heeft zich wat betreft een bewezenverklaring van feit 3 aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Van de onder feit 4 ten laste gelegde vernieling van de auto van [slachtoffer 9] heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het vernielen van deze auto. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft beledigd, zoals onder feit 5 ten laste is gelegd. Verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. De verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben afgelegd, zijn namelijk vrijwel identiek, zodat duidelijk is dat door de politie is geknipt en geplakt in de verklaringen. De “unus testis, nullus testis” regel is dan ook van toepassing, zodat niet gekomen kan worden tot een bewezenverklaring. Tot slot heeft de raadsman vrijspraak bepleit van de onder feit 6 ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 2] , omdat zijn aangifte niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel en er dus onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Met betrekking tot feit 1

De rechtbank stelt voorop dat uit de jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Partiële vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Hiertoe overweegt zij als volgt.

Met betrekking tot [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat haar broer, [betrokkene 1] , haar op 19 december 2012 belde. Hij zei toen tegen haar dat een man die zich als [verdachte] heeft voorgesteld op

17 december 2012 aan de deur om een bidprentje van hun moeder vroeg. De dag erna ontving [betrokkene 1] een kerstkaart met daarbij een brief waarin weer om een bidprentje van zijn moeder werd gevraagd. [betrokkene 1] ’ zus zei toen tegen haar broer dat dit de man was die haar belaagt.

Ten laste is gelegd dat verdachte [slachtoffer 1] heeft belaagd. Uit haar verklaring leidt de rechtbank echter af dat verdachte haar broer, [betrokkene 1] , in totaal twee keer om een bidprentje heeft gevraagd. Alleen al om die reden kan niet worden bewezen dat verdachte

[slachtoffer 1] heeft belaagd. De rechtbank spreekt verdachte daar dan ook van vrij.

Met betrekking tot [slachtoffer 2]

, de echtgenoot van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat hij van zijn buurman hoorde dat verdachte meermaals in de nachtelijke uren rond zijn woning sloop, waarna hij een beveiligingscamera heeft opgehangen. In het dossier bevindt zich een fotoprint van de beelden die met deze camera zijn gemaakt, waarop te zien is dat een man in de nacht van

13 augustus 2013 op 14 augustus 2013 bij de voordeur van [slachtoffer 2] stond. [slachtoffer 2] herkent verdachte op deze fotoprint. Van de overige door [slachtoffer 2] beschreven incidenten zijn geen camerabeelden beschikbaar.

De rechtbank kan op basis van de zich in het dossier bevindende fotoprint niet vaststellen dat verdachte degene is die in de nacht van 13 augustus 2013 op 14 augustus 2013 bij de voordeur van [slachtoffer 2] stond, terwijl van de overige door [slachtoffer 2] beschreven incidenten geen camerabeelden, noch ander steunbewijs beschikbaar is. De rechtbank kan op basis van de zich in het dossier bevindende stukken dus niet vaststellen dat verdachte zich meermaals in de omgeving van de woning van [slachtoffer 2] heeft opgehouden en daardoor stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] . Zij zal verdachte daarom vrijspreken van belaging van [slachtoffer 2] .

Met betrekking tot [slachtoffer 3]

heeft verklaard dat hij op 19 januari 2013 van zijn vrouw, [betrokkene 2] , hoorde dat er een onbekende man aan de deur stond die om een bidprentje van zijn moeder vroeg. [betrokkene 2] verklaarde dat zij tegen de man had gezegd dat zij niet meer in het bezit was van bidprentjes, maar dat ze er wel eens naar wilde zoeken. De man zei die week nog wel eens langs te zullen komen. Op 26 januari 2013 belde de onbekende man weer aan en vroeg [slachtoffer 3] opnieuw om een bidprentje. [slachtoffer 3] zei dat hij geen bidprentjes meer had en dat hij niet wilde dat de man nogmaals bij hem aan de deur kwam. Op 27 januari 2013 ontving [betrokkene 2] een brief waarin gerefereerd werd aan de twee eerdere ontmoetingen en opnieuw werd gevraagd om een bidprentje.

Ten laste is gelegd dat verdachte [slachtoffer 3] heeft belaagd. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] leidt de rechtbank af dat verdachte, nadat hij van [slachtoffer 3] te horen kreeg dat hij niet meer aan de deur mocht komen, één brief heeft gestuurd waarin nogmaals om een bidprentje werd gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank is het sturen van één brief niet aan te merken als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] . Verdachte moet dus worden vrijgesproken van belaging van [slachtoffer 3] .

De rechtbank acht de belaging van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] wel wettig en overtuigend bewezen. Hiertoe overweegt zij als volgt.

[slachtoffer 4] heeft aangifte en klacht gedaan. Zij verklaarde dat een man, [verdachte] genaamd, in november 2012 aan de huisdeur belde en toen vroeg om een bidprentje. [slachtoffer 4] weigerde dat, waarna zij met kerst 2012 een kerstkaart ontving van deze [verdachte] waarin hij wederom om een bidprentje vroeg. Op 16 juli 2013 is [verdachte] zonder toestemming haar woning binnengelopen. Hij moest en zou een bidprentje hebben van haar overleden echtgenoot [naam 1] .2 [verdachte] had een dubbelgevouwen krant in zijn hand en stond zo dicht voor [slachtoffer 4] dat zij de krant telkens bijna tegen haar gezicht kreeg. Hij zei met stemverheffing “ik zal en ik moet een bidprentje hebben” en “geef me een bidprentje”.3 [slachtoffer 4] heeft dat tot driemaal toe geweigerd en heeft [verdachte] samen met een vriendin weggejaagd. Die avond zag [slachtoffer 4] dat ze was gebeld door een bepaald telefoonnummer. Zij had dat nummer eerder gebeld en toen de moeder van [verdachte] aan de telefoon gekregen. Ook ontving [slachtoffer 4] die avond een brief waarin weer werd gevraagd om een bidprentje. Op 18, 19 en 29 augustus 2013 ontving [slachtoffer 4] vervolgens e-mails waarin ook werd gevraagd om bidprentjes. Deze e-mails zijn afkomstig van het e-mailadres [emailadres] en zijn verstuurd door [verdachte] . [slachtoffer 4] zoon ontvangt sinds 4 augustus 2013 ook e-mails waarin om een bidprentje wordt gevraagd. Sindsdien voelt [slachtoffer 4] zich erg angstig en onveilig en zij woont niet graag meer in haar woning. Ook maakt zij zich zorgen dat verdachte haar woning weer binnendringt.4 Toen de politie een foto van verdachte aan [slachtoffer 4] liet zien, herkende zij hem als degene die haar heeft belaagd en in haar woning is geweest.5

[slachtoffer 5] (naar de rechtbank begrijpt: de zoon van voornoemde [slachtoffer 4]), heeft ook aangifte en klacht gedaan. Hij verklaarde dat hij vanaf 4 augustus 2013 op zijn werk

e-mails ontving van een man, [verdachte] genaamd, waarin deze om een bidprentje vroeg. Uit de e-mails blijkt dat de verzender daarvan weet hoe [slachtoffer 5] eruit ziet, hoe laat hij begint met werken en dat hij kinderen heeft. Ook beledigde de verzender van de e-mails [slachtoffer 5] . [slachtoffer 5] ervaart dit als een inbreuk op zijn privacy. Op 15 augustus 2013 stuurde [slachtoffer 5] , een e-mail terug waarin hij aangaf de politie te zullen inschakelen als het e-mailen niet stopt. De ontvanger van deze e-mail, de familie [naam 2] , reageerde vervolgens met “beste kerel, lelijke, vieze, smerige hond, of mogelijke drugsverslaafde of andere crimineel”. Tot en met 18 augustus 2013 ontving [slachtoffer 5] nog diverse e-mails, afkomstig van het e-mailadres [emailadres] en verstuurd door [verdachte] .6

De stelling van de raadsman dat het overzicht van e-mails dat als bijlage bij de aangifte van [slachtoffer 5] is gevoegd, onbetrouwbaar is, deelt de rechtbank niet. Dat [slachtoffer 5] de e-mails van opmerkingen heeft voorzien, maakt niet dat deze minder authentiek of betrouwbaar zijn. Temeer nu [slachtoffer 5] zelf heeft aangegeven dat hij de e-mails van opmerkingen heeft voorzien.

Ook [slachtoffer 6] heeft aangifte en klacht gedaan. Hij verklaarde dat hij na het overlijden van zijn vader een rouwadvertentie in de krant heeft laten plaatsen waarin een

e-mailadres werd vermeld. Vanaf 3 augustus 2013 ontving [slachtoffer 6] e-mails afkomstig van het e-mailadres [emailadres] en verstuurd door [verdachte] of [verdachte] . In deze e-mails werd om een bidprentje gevraagd. Nadat de zus van [slachtoffer 6] op 5 augustus 2013 een e-mail had gestuurd met daarbij de gescande rouwkaart, ontving [slachtoffer 6] vanaf dat moment om de drie dagen een e-mail van [verdachte] met het verzoek om een originele rouwbrief en bidprentje. [slachtoffer 6] is naar de politie gegaan en deze adviseerde hem een e-mail te sturen waarin hij duidelijk aangeeft dat gestopt moet worden met het sturen van e-mails. Dit heeft [slachtoffer 6] op 8 september 2013 gedaan. Vanaf dat moment ontving [slachtoffer 6] elke minuut een e-mail van [verdachte] . Tussen 8 september 2013 en 6 oktober 2013 ontving [slachtoffer 6] om de vijf à 6 dagen gedurende een dag ongeveer 3 e-mails per minuut van [verdachte] . Het aantal kon oplopen tot 20 e-mails per dag. Op 7 oktober 2013 ontving [slachtoffer 6] een e-mail waarin [verdachte] hem bedreigde en [slachtoffer 6] onder andere een “vieze gore stinkende klootzak” noemt. Ook werd [slachtoffer 6] gecondoleerd met zijn eigen overlijden en dreigde [verdachte] “onze strotten door te snijden”.7 Na onderzoek bleek dat de e-mails werden verstuurd van een computer met het IP-adres dat op naam is gesteld van [naam 3] ,8 de vader van verdachte.9

[slachtoffer 7] heeft eveneens aangifte en klacht gedaan. Zij verklaarde dat zij op 29 augustus 2013 op een begrafenis werd aangesproken door [verdachte] . [slachtoffer 7] heeft tegen hem gezegd dat ze niets met hem te maken wilde hebben. Op 5 september 2013 ontving [slachtoffer 7] vervolgens een brief van de familie [verdachte] waarin om een bidprentje en een rouwbrief van haar overleden man werd gevraagd. Deze brief was niet met de post verzonden, maar was in haar brievenbus gestopt. Ongeveer twee weken later ontving ook haar schoonzus een brief in haar brievenbus, afkomstig van de familie [verdachte] , met het verzoek om een bidprentje en een rouwbrief van de overleden echtgenoot van [slachtoffer 7] . Ongeveer weer 2 weken later ontving [slachtoffer 7] weer een brief van de familie [verdachte] met het verzoek om een bidprentje en een rouwbrief van haar man. Nadat [slachtoffer 7] telefonisch contact opnam met de familie [verdachte] hoorde zij dat de brieven waarschijnlijk door [verdachte] waren verstuurd. Hierna, op 18 november 2013, ontving [slachtoffer 7] weer een brief in de bus van mevrouw [verdachte] , inhoudende dat zij moest uitkijken voor [naam 4] . Diezelfde dag ontving de schoonzus van [slachtoffer 7] ook een brief van de familie [verdachte] waarin opnieuw werd gevraagd om een rouwbrief en een bidprentje. De toon van deze brief was dreigender. Zo werd onder meer aangegeven dat de hele gang van zaken besproken was met [naam 4] en dat hij het helemaal zat was en maatregelen zou treffen indien niet binnen een week de overlijdensbrief en het doodsprentje zou worden ontvangen. Tevens werd er gevraagd waarom [slachtoffer 7] geen contact zocht en of zij ook aan het overlijden was.10 Toen de politie een foto van verdachte aan [slachtoffer 7] liet zien, herkende zij daarop verdachte, met de kanttekening dat dit een rare foto van verdachte is en dat verdachte op deze foto geen bril op heeft en minder haar. Zij kent verdachte van kleins af aan, want zij hebben in dezelfde straat gewoond.11

Tot slot heeft [slachtoffer 8] aangifte en klacht gedaan. Zij verklaarde dat een man, die zich [verdachte] noemde, in maart 2013 bij haar woning aanbelde. Eenmaal in de woning vroeg deze man om een bidprentje van haar overleden zoon. [slachtoffer 8] weigerde de man een bidprentje en een uitnodiging van de crematie te geven toen duidelijk werd dat de man, in tegenstelling tot wat hij zei, haar zoon niet gekend heeft. De dag erna lag een ongefrankeerde envelop in de brievenbus van [slachtoffer 8] die afkomstig was van de familie [naam 2] , [adres] . In deze brief werd verzocht om een bidprentje. Rond Pinksteren 2013 ontving [slachtoffer 8] weer meerdere brieven van dezelfde afzender. In deze brieven werd opnieuw gevraagd om een bidprentje en een rouwbrief. In totaal ging het om ongeveer 7 brieven in een periode van 3 maanden van dezelfde afzender en met hetzelfde verzoek. Omdat de brieven niet gefrankeerd zijn, gaat [slachtoffer 8] ervan uit dat de man deze in de brievenbus heeft gegooid.12 Toen de politie een foto van verdachte aan [slachtoffer 8] liet zien, verklaarde zij dat ze verdachte met bril en langer haar kent.13

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de aangevers:

  • -

    a) werden benaderd door een persoon die zich veelal als [verdachte] of [verdachte] , voorstelde en bij hen aan de deur kwam en daar om een bidprentje (en rouwbrief) van een overleden dierbare vroeg;

  • -

    b) een brief ontvingen van de familie [naam 2] , [adres] , met hetzelfde verzoek. Uit het dossier blijkt (pagina 133) dat de ouders van verdachte op dit adres wonen;

  • -

    c) een e-mail ontvingen van het e-mailadres [emailadres] waarin werd gevraagd om een bidprentje (en rouwbrief) van een overleden dierbare. De weergavenaam van de verzender van deze e-mails is [verdachte] of [verdachte] en deze e-mails waren ondertekend met familie [verdachte] . Een van de e-mails die vanuit het e-mailadres [emailadres] werd verzonden, is verstuurd vanaf de computer met het IP-adres dat op naam van de vader van verdachte, [naam 3] , staat (pagina 501 van de doornummering).

Voorts hebben de aangevers verklaard dat verdachte, op het moment dat zij weigerden een bidprentje of een rouwbrief te geven:

( d) hun veel brieven of e-mails stuurt en hen soms telefonisch benadert en blijft vragen om het afgeven van een bidprentje (en rouwbrief), waarbij verdachte op het moment dat hem dit wordt geweigerd beledigingen of bedreigingen uit.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte:

  • -

    meermalen bij meerdere aangevers ( [slachtoffer 4] en [slachtoffer 8] ) aan de deur is geweest;

  • -

    een brief en een kerstkaart gezonden heeft aan [slachtoffer 4] en meermalen brieven in de brievenbus heeft gestopt bij [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ;

  • -

    diverse e-mailberichten heeft verzonden aan [slachtoffer 5] en veelvuldig e-mailberichten heeft verzonden naar [slachtoffer 6] ;

  • -

    gebeld heeft naar [slachtoffer 4] .

Uit het voorgaande volgt dat verdachte via allerlei wegen, zowel persoonlijk (aan de deur), als via brieven, mails en telefonisch de aangevers bleef lastig vallen met zijn verzoek om bidprentjes en/of rouwbrieven. Gezien de aard ervan een verzoek dat hoe dan ook al een zeer grote inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, gelet op haar persoonlijke karakter. Ook nadat de betrokkenen verdachte te kennen hadden gegeven hiervan niet gediend te zijn, ging verdachte door. Hij was daarin zeer vasthoudend en bleef dit weken tot maanden volhouden. Bovendien werd verdachte dreigender naarmate de tijd verstreek en soms beledigend, daardoor de druk opvoerend bij de aangezochte slachtoffers. Dit alles, in onderlinge verband en samenhang bezien, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat door de gedragingen van verdachte, hij een dusdanig stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , dat sprake is van belaging in de zin van artikel 285b Sr .

Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4

[slachtoffer 9] heeft aangifte gedaan. Zij verklaarde dat zij op 24 april 2014 haar moeder, die in Maastricht woont, ging ophalen. Daar aangekomen zag [slachtoffer 9] dat een onbekende man op haar af kwam fietsen en voor haar stopte. De man vroeg of zij van [slachtoffer 9] of van [naam 5] was en gaf te kennen dat hij een bidprentje van de dochter van [naam 5] had gekregen. Toen [slachtoffer 9] vroeg of de man [verdachte] heette, antwoordde de man bevestigend. Zij wist dat deze man bij een vriendin aan de deur was geweest en daar had gevraagd om een bidprentje. [slachtoffer 9] heeft vervolgens tegen de man gezegd dat ze niet wilde dat hij een bidprentje aan haar moeder ging vragen. De man begon toen te schreeuwen, waarna [slachtoffer 9] de flat van haar moeder is binnengegaan. De man riep op dat moment: “ik bepaal zelf wat ik doe, kom maar eens hier, ik maak je kapot”. Toen [slachtoffer 9] haar moeder even later hielp met instappen in haar auto, zag ze dat de man die haar zojuist om het bidprentje had gevraagd en had bedreigd, hard in haar richting kwam fietsen. De man ging met zijn fiets tussen haar auto en de daarnaast geparkeerde auto staan en trok het portier van haar auto open. [slachtoffer 9] zag en voelde toen dat deze man haar met een vuist op haar gezicht en op haar schouder sloeg. Dit deed pijn. [slachtoffer 9] heeft vervolgens het portier dichtgetrokken en op slot gedaan. Nadat de man probeerde het portier nogmaals open te trekken, is hij weggefietst. [slachtoffer 9] zag, toen zij haar auto controleerde, dat er een flinke krans op het portier van haar auto zat.14 Toen de politie een foto van de verdachte aan [slachtoffer 9] liet zien, verklaarde zij dat zij hem herkent als degene die haar heeft bedreigd en mishandeld.15

De verbalisant constateert dat [slachtoffer 9] een dikke bovenlip heeft en dat de linker kant van haar gezicht licht gezwollen is.16

Getuige [getuige] heeft gelijkluidend verklaard. Zij verklaarde dat zij op 24 april 2014 door haar dochter werd opgehaald. Deze vertelde dat ze net de persoon had gesproken die een aantal weken geleden bij [getuige] aan de deur was geweest om een bidprentje van haar overleden man te vragen. Toen [getuige] met haar dochter in de auto stapte, zag zij dat de persoon die haar eerder om een bidprentje had gevraagd, met hoge snelheid kwam aanfietsen. Hij parkeerde zijn fiets tot bij het portier aan de bestuurderszijde van haar dochters auto. Hij trok vervolgens het portier open en sloeg minstens twee keer met een gebalde vuist tegen het gezicht van haar dochter. Haar dochter trok het portier vervolgens dicht, waarna de man wegfietste.17 Toen de politie een foto van de verdachte aan [getuige] liet zien, verklaarde zij dat zij hem herkent als degene die haar dochter heeft mishandeld en bedreigd.18

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 9] op 24 april 2014 heeft verklaard dat zij is bedreigd en mishandeld door verdachte. Hoewel haar moeder, [getuige] , aanvankelijk niets heeft verklaard over de bedreiging van [slachtoffer 9] , verklaart zij - als haar de foto van verdachte wordt getoond - dat zij verdachte herkent als degene die haar dochter heeft mishandeld en bedreigd. Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank de onder

feit 2 ten last gelegde bedreiging van [slachtoffer 9] dan ook wettig en overtuigend bewezen. Ook acht zij de mishandeling van [slachtoffer 9] (feit 3) en de beschadiging van haar auto

(feit 4) wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot feit 4 overweegt de rechtbank dat zowel [slachtoffer 9] als haar moeder hebben verklaard dat verdachte hard kwam aanfietsen, zijn fiets bij het portier van de auto van [slachtoffer 9] parkeerde en dat verdachte vervolgens het portier opentrok. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de auto van [slachtoffer 9] kon beschadigen, hetgeen vervolgens ook is gebeurd.

Met betrekking tot feit 5

Vrijspraakoverweging

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder feit 5 ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 1] . Hiertoe overweegt zij dat de aangifte van [slachtoffer 1] (d.d. 14 juni 2013 te 10:36 uur - pagina 217 van de doornummering) en het verhoor van de getuige [slachtoffer 2] (d.d. 14 juni 2013 te 11:53 uur - pagina 221 van de doornummering) wat betreft woordgebruik nagenoeg geheel identiek zijn. Hoewel de verhorend verbalisant, [verbalisant] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hetzelfde heeft verklaard als [slachtoffer 1] , is er volgens haar ook geknipt uit de verklaring van [slachtoffer 1] en is deze geknipte tekst in de verklaring van [slachtoffer 2] terecht gekomen.


De rechtbank is tegen deze achtergrond van oordeel dat er geen sprake is van twee afzonderlijk van elkaar afgelegde verklaringen. Kennelijk is door aangeefster [slachtoffer 1] aangifte gedaan en is deze aangifte vervolgens - woordelijk nagenoeg identiek - voorgelegd aan getuige [slachtoffer 2] ter ondertekening. Het gaat daarmee feitelijk om een en dezelfde verklaring, die door twee personen is ondertekend. Gelet op de regel dat het bewijs van een strafbaar feit niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van een verklaring, moet verdachte, bij gebreke van voldoende (betrouwbaar) steunbewijs worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 1] .

Met betrekking tot feit 6

Vrijspraakoverweging

Onder feit 6 wordt aan verdachte verweten dat hij [slachtoffer 2] heeft beledigd. De aangifte van [slachtoffer 2] wordt niet ondersteund door een ander bewijsmiddelen. Nu artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat een verdachte een strafbaar feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, moet verdachte - bij gebrek aan steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 2] - worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belediging van [slachtoffer 2] .

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Met betrekking tot feit 1:

in de periode van 1 november 2012 tot en met 24 april 2014 in Nederland, wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van

[slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en

[slachtoffer 8] , met het oogmerk die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en

[slachtoffer 8] , te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers:

- is hij, verdachte, veelvuldig bij een of meer van voornoemde personen aan de deur geweest

en

  • -

    heeft hij, verdachte meermalen een brief en eenmaal een kerstkaart gezonden naar een of meer van voornoemde personen danwel meermalen brieven en een kerstkaart in de brievenbussen van een of meer van deze personen gestopt en

  • -

    heeft hij, verdachte, diverse e-mailberichten verzonden aan een of meer van voornoemde personen en

  • -

    heeft hij, verdachte, een telefoontje gepleegd naar een of meer van voornoemde personen.

Met betrekking tot feit 2:

op 24 april 2014 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 9] dreigend

de woorden toegevoegd: “Ik bepaal zelf wat ik doe, kom maar eens hier, ik maak

je kapot.”

Met betrekking tot feit 3:

op 24 april 2014 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 9] , meermalen heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Met betrekking tot feit 4:

op 24 april 2014 in de gemeente Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, toebehorende aan [slachtoffer 9] , heeft beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Met betrekking tot feit 1:

belaging, meermalen gepleegd.

Met betrekking tot feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Met betrekking tot feit 3:

mishandeling.

Met betrekking tot feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

5 De strafbaarheid van verdachte

Door het Pieter Baan Centrum is een rapportage over verdachte uitgebracht. De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Desondanks hebben de psycholoog, P.E. Geurkink en de psychiater, H.T.J. Boerboom, op basis van eigen (onderzoeks)observaties en beschikbare aanvullende informatie, geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een obsessief-compulsieve stoornis en een autismespectrumstoornis (ASS). Hiervan was ook ten tijde van het hierboven bewezenverklaarde sprake. Verdachte lijkt eenzijdig gericht te zijn op het verzamelen van - onder meer - bidprentjes. Door zo te handelen creëert verdachte waarschijnlijk overzicht, voorspelbaarheid en zekerheid in een wereld die voor hem, vanuit zijn autismespectrumstoornis, maar moeilijk te begrijpen is. Verdachte is star in zijn denken en heeft nauwelijks alternatieve gedragspatronen of de mogelijkheid te veranderen van gedragspatroon. Bij onderbreking van patronen wordt ontregeling bij verdachte gezien, waarbij hij flink geïrriteerd kan raken. Op het moment van de bewezenverklaarde feiten ontbrak het verdachte ook aan de mogelijkheid zich in te leven in de positie van een ander. Het komt erop neer dat verdachte pas rust heeft, wanneer hij heeft toe kunnen geven aan zijn dwang om bidprentjes te verzamelen en te ordenen. De psycholoog en de psychiater concluderen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Met de conclusie van dit rapport dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze over en zal verdachte dus verminderd toerekeningsvatbaar achten voor het bewezenverklaarde.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is

geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Deze voorwaarden moeten nader worden bepaald. In ieder geval moet worden toegewerkt - zoals door de psycholoog en de psychiater is geadviseerd - naar het verblijf op een 24-uurs beschermde woonvorm waarbij verdachte een eigen appartement krijgt.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie. Hij is echter van mening dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet kan worden opgelegd zonder een door de reclassering opgesteld maatregelenrapport. De raadsman heeft verzocht het onderzoek te heropenen om een dergelijk rapport op te laten stellen, indien de rechtbank oplegging van deze maatregel mocht overwegen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] . Hij heeft de slachtoffers allemaal om een bidprentje en/of een rouwkaart gevraagd van hun overleden dierbare. Op het moment dat zij dit weigerden, kwam verdachte aan de deur of stuurde hij hun kerstkaarten, brieven of e-mails, waarin het verzoek werd herhaald. Aanvankelijk werd dit op een neutrale of vaak vriendelijke toon gevraagd, maar als zijn verzoek werd geweigerd, uitte verdachte al snel beledigingen of bedreiging aan het adres van zijn slachtoffers. In een brief aan [slachtoffer 7] vroeg verdachte zelfs of zij aan het overlijden was, omdat zij niet reageerde op zijn verzoek om een bidprentje. Daarnaast kon uit de berichten worden afgeleid dat verdachte zijn slachtoffers in de gaten hield. [slachtoffer 5] heeft in dit verband verklaard dat verdachte kon zeggen hoe hij eruit zag, waar hij werkte en dat hij kinderen had. Verdachte is ook in de woning van [slachtoffer 4] binnengedrongen en heeft toen, terwijl hij met een opgevouwen krant voor haar stond, tegen haar gezegd: “Ik zal en moet een bidprentje hebben” en “geef me een bidprentje”. [slachtoffer 4] voelde zich daardoor niet langer veilig in haar eigen woning, een plek waar zij zich juist veilig en op haar gemak zou moeten kunnen voelen. Ook [slachtoffer 8] heeft het als bedreigend ervaren dat verdachte wist waar zij woonde en vaker in de buurt van haar woning was om brieven in de bus te stoppen. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij zich niet meer vrij voelde om te gaan en staan waar hij wilde en heeft zelfs zijn werktijden aangepast om zijn kinderen naar school te brengen en van school te halen. Daarnaast werd hij niet alleen thuis, maar ook op het werk lastig gevallen door verdachte met het verzoek om een bidprentje. Het verzoek van [slachtoffer 5] aan verdachte om te stoppen met het versturen van e-mails werkte averechts. Niet alleen ging verdachte verder met e-mailen, maar de toon van de e-mails werd ook steeds beledigender. Bij [slachtoffer 6] heeft verdachte op dezelfde wijze gehandeld. Nadat [slachtoffer 6] had aangegeven dat hij geen e-mail van verdachte meer wilde ontvangen, ontving hij een stortvloed aan e-mails van verdachte. Ook beledigde verdachte [slachtoffer 6] in deze e-mails en bedreigde hem door te schrijven: “De beste [slachtoffer 6] is een dode [slachtoffer 6] ” en “Gecondoleerd alvast met het overlijden van [slachtoffer 6] ” en door te dreigen hun “strotten door te snijden”. Door zo te handelen heeft verdachte een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn slachtoffers en zijn slachtoffers veel angst aan gejaagd. Vele slachtoffers rouwden bovendien nog over het verlies van hun dierbaren en werden door het handelen van verdachte opnieuw pijnlijk aan hun verlies herinnerd.


Voorts heeft verdachte [slachtoffer 9] bedreigd en mishandeld en haar auto beschadigd. Ook dit is gebeurd omdat [slachtoffer 9] verdachte liet weten dat zij hem geen bidprentje zou geven. De mishandeling op straat vond plaats in het bijzijn van [slachtoffer 9] ’ hoogbejaarde moeder. Dit heeft niet alleen op haar een diepe indruk achtergelaten, maar ook andere passanten werden zo ongewild getuige van het gewelddadig handelen van verdachte. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten die een grote emotionele impact op de slachtoffers hebben gehad. Daarnaast heeft [slachtoffer 9] financiële schade geleden doordat verdachte haar auto heeft beschadigd. De ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en de impact die het handelen van verdachte voor zijn slachtoffers heeft gehad, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van een langere duur, ook als er rekening mee wordt gehouden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Temeer nu verdachte eerder tot gevangenisstraffen is veroordeeld ter zake belaging.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat verdachte een ernstige psychiatrische aandoening heeft en dat de kans dat een behandeling aanslaat beperkt is, omdat verdachte vanuit zijn stoornis moeilijk opgedane kennis kan toepassen in nieuwe situaties. Bovendien heeft verdachte maar beperkt inzicht in zijn stoornis en in zijn gewelddadige gedrag. Hoewel hij de noodzaak inziet om zich te laten behandelen/begeleiden, neemt verdachte niet zelf het initiatief om in behandeling te gaan. De kans dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt, wordt door de psycholoog en de psychiater als “hoog” ingeschat en kan alleen verminderen als verdachte op adequate wijze zal worden behandeld en begeleid voor zijn autismespectrumstoornis. Als dat niet gebeurt, blijft verdachte doorgaan met het verzamelen van voorwerpen, zodat de wereld overzichtelijker en te bevatten voor hem blijft. Verdachte zou gebaat zijn bij een langdurig traject dat uiteindelijk gericht is op een 24-uurs beschermde woonvorm waarin hij een eigen appartement moet krijgen. Om dit een kans van slagen te geven is het van belang dat verdachte klinisch op een op autismespectrumstoornissen gespecialiseerde afdeling wordt behandeld, van waaruit vervolgens een plan kan worden gemaakt voor verdere ambulante behandeling. Het kader waarin dit het beste kan plaatsvinden is een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De psycholoog en de psychiater adviseren dan ook deze maatregel aan verdachte op te leggen.

De rechtbank overweegt dat het voor haar, zonder een door de reclassering opgesteld maatregelenrapport, nagenoeg onmogelijk is om de voorwaarden te formuleren waaraan verdachte zich in het kader van de terbeschikkingstelling moet houden. Oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden zonder over een dergelijk rapport te beschikken, is

- in dat licht bezien - prematuur. De rechtbank zal daar thans dan ook niet toe overgaan.

De vraag is vervolgens of het onderzoek moet worden heropend, zoals de raadsman heeft bepleit, om alsnog een maatregelenrapport te laten opstellen. Ook daar zal de rechtbank niet toe overgaan. Het is namelijk bekend dat het opstellen van een dergelijk rapport enige tijd in beslag neemt. Daarnaast betwijfelt de rechtbank ten zeerste of verdachte - hoewel hij dat ter terechtzitting van 13 juli 2015 heeft toegezegd - zal meewerken aan het opstellen van een rapportage. Verdachte heeft namelijk in zowel de onderhavige zaak als de zaak waarvoor hij in 2012 is veroordeeld en waartegen hij hoger beroep heeft ingesteld, keer op keer aangegeven dat hij zou meewerken aan gedragsdeskundige onderzoeken. Op het moment dat puntje bij paaltje kwam, haakte verdachte echter af. Ook een opname in het Pieter Baan Centrum heeft daar geen verandering in aangebracht. Hoewel hij eerder medewerking toezegde, heeft verdachte daar evenmin willen meewerken aan het onderzoek. De rechtbank acht dus zeker niet ondenkbaar dat verdachte alsnog weigert om mee te werken aan het opstellen van het maatregelenrapport. In het verlengde daarvan schat de rechtbank de kans, dat verdachte zich niet zal houden aan de te stellen voorwaarden in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, hoog in. Dit zou betekenen dat er een zeer reële kans bestaat dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden op enig moment zal worden omgezet in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De ernst van de feiten rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke vergaande maatregel echter niet. Anderzijds heeft verdachte door zijn weigerachtige opstelling de weg naar een behandeltraject aanzienlijk bemoeilijkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit alles tot consequentie dat - hoewel het evident is dat verdachte ernstige psychiatrische klachten heeft, die het recidiverisico aanzienlijk verhogen - de rechtbank het onderzoek in deze zaak niet zal heropenen om alsnog een maatregelenrapportage te laten opstellen.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank dan ook van oordeel dat de enige optie die resteert het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is. De rechtbank wil met de op te leggen straf mede bereiken dat het hoge risico op herhaling van het plegen van strafbare feiten door verdachte ingeperkt wordt. Zij zal daarom een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht verbinden met een proeftijd van 3 jaar. Het is dan aan verdachte om alsnog te laten zien dat hij zich wil en kan houden aan de hem in dat licht te stellen voorwaarden van de reclassering.

De rechtbank stelt aan die deels voorwaardelijke gevangenisstraf voorts de bijzondere voorwaarde dat verdachte tijdens de genoemde proeftijd op geen enkele wijze, noch telefonisch, noch per post of e-mail - direct of indirect - contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] of hun families.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - gelet op zijn psychiatrische ziektebeeld - opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, de gestelde voorwaarden bovendien dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 600 dagen, waarvan 141 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

7 De benadeelde partijen

7.1

De vordering van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van in totaal € 1.542,70 ter zake van het bewezenverklaarde feit 1, te weten € 342,70 ter zake van materiële schade en

€ 1.200,- ter zake van immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert een schadevergoeding van in totaal € 875,76 ter zake van het bewezenverklaarde feit 3 en 4, te weten € 475,76 ter zake van materiële schade en € 400,- ter zake van immateriële schade.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij vordert een bedrag van in totaal € 342,70 ter zake van materiële schade. Dit betreft schade aan de voordeur die is ontstaan nadat deze deur met uitwerpselen is besmeurd. Deze schade is echter niet het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering ter zake van de gevorderde materiële schade.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat in gevallen waarbij geen sprake is van fysiek letsel, slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd, te weten in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit de vordering blijkt dat de belaging een behoorlijke impact heeft gehad op de benadeelde partij. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij deze negatieve gevoelens op de dader wil verhalen, stelt de wet echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk indien sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, machteloosheid en onrust vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Van eventuele ernstigere psychische schade is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal de vordering ter zake van de gevorderde immateriële schade dan ook afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 9] materiële schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling en de beschadiging van haar auto door verdachte. Nu het bedrag dat aan materiële schade is gevorderd van de zijde van verdachte niet is betwist, zal de rechtbank het verzoek om die schade te vergoeden toewijzen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot de dag der algehele voldoening.

Zoals hiervoor overwogen bestaat het recht op vergoeding van immateriële schade slechts voor zover de wet hierop een aanspraak geeft.

Gelet daarop en de feiten en omstandigheden zoals die uit het strafdossier naar voren komen, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 9] immateriële schade heeft geleden als gevolg van de mishandeling door verdachte. De rechtbank stelt het bedrag van die schade naar redelijkheid en billijkheid vast op € 250,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot de dag der algehele voldoening. De overige gevorderde immateriële schade wijst de rechtbank af.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57, 285, 285b, 300 en 350, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 5 en 6 tenlastegelegde feiten.

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar.

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 600 dagen, waarvan 141 dagen voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  1. zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

  2. tijdens de proeftijd op geen enkele wijze, noch telefonisch, noch per post of e-mail - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] ,

[slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] of hun families;

3. draagt deze reclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden (voorwaarde 1 en 2) en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te voeren toezicht (voorwaarde 3) dadelijk uitvoerbaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

De benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de gevorderde materiële schade;

  • -

    wijst af de gevorderde immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]:

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 9] , te betalen een bedrag van € 725,76, zijnde € 475,76 materiële schade en € 250,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 24 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    wijst af de overige gevorderde immateriële schade;

  • -

    legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd van een bedrag van € 725,76, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partij niet opheft;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 24 april 2014 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 725,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 24 april 2014 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemde benadeelde partij daarmee de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Voorlopige hechtenis

- heft op de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en

mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.J. Reuvers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juli 2015.

Buiten staat:

mr. Holthuis en mr. Wouters zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2012 tot en met 24 april 2014 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of

[slachtoffer 8] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers:

  • -

    is hij, verdachte, veelvuldig bij éen of meer van voornoemde perso(o)n(en) aan de deur geweest, althans heeft hij, verdachte zich veelvuldig in de nabijheid van de woning van één of meer van voornoemd(e) perso(o)n(en) opgehouden en/of

  • -

    heeft hij, verdachte (meermalen) (een) brie(f)(ven)(kerst)kaart(en) gezonden naar één of meer van genoemde perso(o)n(en), danwel (meermalen) (een) brief(ven)/(kerst)kaart(en) in de brievenbus(sen) van één of meer van deze perso(o)n(en) gestopt en/of

  • -

    heeft hij, verdachte, diverse e-mailberichten verzonden aan één of meer van voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of

  • -

    heeft hij, verdachte, vele telefoontjes gepleegd naar één of meer van voornoemde personen;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2014 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 9] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik bepaal zelf wat ik doe, kom maar eens hier, ik maak je kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 24 april 2014 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 9] ), (meermalen) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 24 april 2014 in de gemeente Maastricht opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

5.

hij op of omstreeks 11 juni 2013 in de gemeente Maastricht opzettelijk beledigend [slachtoffer 1] , in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “En jij vieze vuile rothoer” en/of “Hoer”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

6.

hij op of omstreeks 15 maart 2014 in de gemeente Maastricht opzettelijk beledigend

[slachtoffer 2] , in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Vieze kale pedo”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2410-2014045696 d.d. 9 juni 2014 doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 547 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal klacht/aangifte d.d. 3 september 2013, als weergegeven op pagina 275.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 februari 2014, als weergegeven op pagina 289.

4 Proces-verbaal klacht/aangifte d.d. 3 september 2013, als weergegeven op de pagina’s 275, 276 en de daarbij gevoegde bijlagen, als weergegeven op de pagina’s 279 tot en met 286.

5 Proces-verbaal van enkelvoudige fotobewijsconfrontatie d.d. 1 mei 2014, als weergegeven op de pagina’s 296 en 297.

6 Proces-verbaal aangifte d.d. 3 september 2013, als weergegeven op de pagina’s 312 en 313 van de doornummering en de als bijlage bij deze aangifte gevoegde e-mails als weergegeven op de pagina’s 314 tot en met 317.

7 Proces-verbaal aangifte d.d. 9 oktober 2013, als weergegeven op de pagina’s 331 tot en met 333 en de als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegde e-mailberichten, als weergegeven op de pagina’s 335 tot en met 460 van de doornummering.

8 Faxbericht d.d. 29 april 2014 van Ziggo, als weergegeven op pagina 501 van de doornummering.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2014, als weergegeven op pagina 133 van de doornummering.

10 Proces-verbaal aangifte d.d. 21 november 2013, als weergegeven op de pagina’s 511 en 512 van de doornummering en de daarbij gevoegde brieven, als weergegeven op de pagina’s 514 tot en met 521.

11 Proces-verbaal van enkelvoudige fotobewijsconfrontatie d.d. 1 mei 2014, als weergegeven op de pagina’s 522 en 523 van de doornummering.

12 Proces-verbaal aangifte d.d. 24 april 2014, als weergegeven op de pagina’s 531 tot en met 533 en de daarbij gevoegde brieven, als weergegeven op de pagina’s 535 en 536.

13 Proces-verbaal van enkelvoudige fotobewijsconfrontatie d.d. 1 mei 2014, als weergegeven op de pagina’s 537 en 538 van de doornummering.

14 Proces-verbaal aangifte d.d. 24 april 2014, als weergegeven op de pagina’s 112 en 113 van de doornummering.

15 Proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 24 april 2014, als weergegeven op pagina 116 van de doornummering.

16 Proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 24 april 2014, als weergegeven op pagina 114 van de doornummering.

17 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 24 april 2014, als weergegeven op de pagina’s 119 en 120 van de doornummering.

18 Proces-verbaal verhoor getuige d.d. 24 april 2014, als weergegeven op pagina 121 van de doornummering.