Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6149

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 651u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het besluit tot herziening en terugvordering op grond van de WAO is een belastend besluit, waarbij het op de weg van verweerder ligt om hetgeen aan dat besluit ten grondslag is gelegd aannemelijk te maken. Het opleggen van een bestuurlijke boete is eveneens een belastend besluit en heeft bovendien een punitief karakter. De daaraan ten grondslag gelegde feiten moeten door verweerder niet slechts aannemelijk gemaakt, maar aangetoond worden. De bewijslast is in het kader van de boeteoplegging derhalve een zwaardere dan bij het herzienings- en terugvorderingsbesluit. In het onderhavige geval is door verweerder niet aangetoond dat sprake is geweest van een (eerdere) oogst in de bij eiser aangetroffen hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/651

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 tussen

[naam eiser] , te Venlo, eiser

(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder

(gemachtigde: J. Huijs).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 5.598,46.

Bij besluit van 24 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het bedrag van de boete verlaagd tot € 1.629,24.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015. Eiser heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt van verweerder vanaf 15 december 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 2 december 2013 heeft de politie op het woonadres van eiser, [woonadres eiser] Venlo, een hennepkwekerij aangetroffen. Op basis van de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het Rapport werknemersfraude van 31 maart 2014 (met bijlagen), heeft verweerder geconcludeerd dat eiser in de in geding zijnde periode van 9 september 2013 tot en met 1 december 2013 inkomsten heeft genoten uit een hennepkwekerij, die hij niet heeft gemeld bij verweerder.

2. Verweerder heeft dientengevolge de uitkering van eiser over de periode van 9 september 2013 tot en met 1 december 2013 herzien, omdat eiser geen recht heeft op een volledige WAO-uitkering aangezien hij in die periode voordeel heeft verkregen uit hennepteelt. De als gevolg daarvan ontstane terugvordering bedraagt volgens verweerder blijkens het besluit van 20 februari 2015 € 4.034,86 (bruto). Het beroep tegen dit besluit (AWB/ROE 14/2698) is bij uitspraak van 22 mei 2015 ongegrond verklaard.

3. Tevens heeft verweerder aanleiding gezien om eiser een boete op te leggen. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is verweerder bij het bestreden besluit uitgegaan van voormeld bedrag als zijnde het benadelingsbedrag. Volgens verweerder is in het geval van eiser sprake van opzet, omdat eiser bewust de exploitatie van de hennepkwekerij en de daaruit verkregen inkomsten heeft verzwegen. Daarom is in principe aanleiding voor het opleggen van een boete van 100% van het benadelingsbedrag. Verweerder heeft evenwel aanleiding gezien om de boete te verlagen vanwege de financiële omstandigheden van eiser. Uitgaande van een aflossingscapaciteit van € 135,77 per maand gedurende twaalf maanden, heeft verweerder het boetebedrag bij het bestreden besluit vastgesteld op € 1.629,24.

4. Eiser betwist niet dat hij een hennepkwekerij had en dat hij dat niet heeft gemeld bij verweerder. Eiser betwist dat sprake is geweest van inkomsten uit de exploitatie van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij. Volgens hem is de hennepkwekerij twee weken voor de ontdekking in werking getreden en is geen sprake van een eerdere oogst. In het door de politie uitgevoerde onderzoek is ook uitsluitend sprake van een vermoeden van een eerdere oogst. Daarom is er volgens eiser geen grond voor terugvordering en ook geen grond voor het opleggen van een boete. Daarbij komt dat zijn financiële positie geen ruimte laat om het boetebedrag van € 1.629,24 terug te betalen. Er zal een volstrekt onacceptabele situatie ontstaan. Eiser acht dit onaanvaardbaar en is van oordeel dat hij door alle ellende ingevolge de hennepplantage voldoende is gestraft.

5. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

6. De zogenoemde inlichtingenplicht is neergelegd in artikel 80, eerste lid, van de WAO. Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat degene die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht is aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald.

7. De wettelijke bepalingen en toepasselijke beleidsregels over de hoogte van een op te leggen boete wegens overtreding van de inlichtingenplicht van artikel 80, eerste lid, van de WAO luiden met ingang van 1 januari 2013 als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (de Wet aanscherping) als volgt :

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering:

Artikel 29a WAO

1. Het UWV legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 80. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.

2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 80 niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. (…)

8. Het UWV kan:

a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid; (…)

10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. (…)

12. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de werknemer wijzigen.

Boetebesluit socialezekerheidswetten:

Artikel 2

1. De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, en bij recidive van overtreding van de inlichtingenverplichting op 150 procent van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

2. De bestuurlijke boete wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.

3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijke waarschuwing, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op € 150,-. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

Artikel 2a Criteria verminderde verwijtbaarheid

1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

Beleidsregel boete werknemer 2013:

Artikel 4 Verminderde verwijtbaarheid

Bij de afstemming van de boete als bedoeld in artikel 5:46, tweede en derde lid, van de Awb hanteert het Uwv dit besluit. Bij de afstemming wordt de boete aangepast aan de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. Hierbij worden de criteria zoals genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in acht genomen. Daarnaast wordt ook nagegaan of sprake is van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Artikel 5 Percentages

1. De hoogte van de boete na afstemming wordt berekend door het basisboetebedrag te vermenigvuldigen met een percentage. Uitgangspunt zijn boetes van 25%, 50%, 75% of 100% van het basisboetebedrag.

2. Indien verwijtbaarheid geheel ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.

Beleid:

Volgens een bestendige gedragslijn van verweerder, neergelegd in punt 7 van een intern memo aan medewerkers bezwaar en beroep van het UWV van 10 december 2013, kan artikel 8 van de Beleidsregel boete werknemer 2010, indien een belanghebbende daarop een beroep doet, nog worden toegepast op overtredingen die zijn aangevangen voor 1 januari 2014, omdat de Beleidsregel boete werknemer 2013 pas op 9 december 2013 is gepubliceerd en de verlaging van de boete in verband met financiële omstandigheden daarin niet meer is opgenomen. Dit is een aanscherping ten opzichte van de Beleidsregel boete werknemer 2010. Redengevend voor het Uwv is volgens dit memo geweest dat het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat aanscherping van de uitvoeringspraktijk voorafgaand aan deze praktijk op een behoorlijke wijze bekendgemaakt moet worden en wel op een zodanig tijdstip dat de betrokkenen hiermee rekening hebben kunnen houden.

In vorenbedoeld artikel 8 van de Beleidsregel boete werknemer 2010 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de boete wordt verlaagd, indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het eventuele vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende.

Volgens een bestendige gedragslijn, neergelegd in punt 2 van een intern memo aan medewerkers bezwaar en beroep van het UWV van 4 augustus 2014, kunnen bij benadelingsbedragen lager dan € 150,- in geval van verminderde verwijtbaarheid de percentages van artikel 5, eerste lid, van de Beleidsregel boete werknemer 2013 op de minimumboete van € 150,- worden toegepast. Dat bedrag functioneert dan als basisboetebedrag zoals beschreven in artikel 3 van de Beleidsregel boete werknemer 2013. Aan de categorie zelfmelders binnen zes weken wordt bij een eerste overtreding een boete van € 40,- opgelegd. Met een waarschuwing in plaats van een boete wordt wegens het ontbreken van de ernst van de overtreding volstaan bij een benadelingsbedrag lager dan € 40,-. Dit per 1 augustus 2014 ingevoerde beleid wordt volgens dat memo op alle op 1 augustus 2014 lopende bezwaar- en (hoger)beroepszaken toegepast.

Wettelijk vastgestelde boete?

8. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in de uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) geoordeeld dat er geen toereikende basis is om te oordelen dat met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping sprake is van een wettelijk vastgestelde boete. Dat betekent dat ook onder de werking van de Wet aanscherping op te leggen boetes op het terrein van de sociale zekerheid volledig moeten worden getoetst met inachtneming van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.

Evenredigheid: algemeen

9. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de boete wordt voorop gesteld dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer een uitspraak van de Raad van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB: 2010:BM5914) het bestuursorgaan de hoogte van de boete moet afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en daarbij zo nodig rekening moet houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het bestuursorgaan kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Bij de toepassing van dat beleid dient het bestuursorgaan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de zojuist genoemde eisen en, zo dat niet het geval is, de boete in aanvulling of in afwijking van dat beleid vaststellen op een bedrag dat passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuursorgaan met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen, en dus leidt tot een evenredige sanctie.

10. Het vanaf 1 januari 2013 in het sociale zekerheidsrecht gecreëerde boeteregime vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de voor de hoogte van de boete aan het benadelingsbedrag te relateren percentages sterk zijn verhoogd en per die datum het tot dan geldende maximumboetebedrag van € 2.269,- is vervallen.

11. Volgens het oordeel van de Raad in de meergenoemde uitspraak van 24 november 2014 ligt het in de rede om alleen ten aanzien van overtreders, aan wie vanaf 1 januari 2013 opzettelijk handelen of opzettelijk nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting kan worden verweten, 100% van het benadelingsbedrag in artikel 2 van Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt te nemen bij de afstemming op het aspect van de verwijtbaarheid. Alleen indien opzet kan worden aangetoond is er sprake van een zo zware verwijtbaarheid, dat deze in het kader van de evenredigheidstoets het opleggen van het maximumbedrag in beginsel zou kunnen rechtvaardigen. Is er geen sprake van opzet maar wel van grove schuld bij overtreders, dan is de verwijtbaarheid minder groot en is 75% van dat bedrag een passend uitgangspunt. Is er geen sprake van opzet en ook niet van grove schuld, dan is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid van overtreders. In geval van recidive is nuancering op het aspect van de verwijtbaarheid evenzeer noodzakelijk. De dan verweten gedragingen zullen dan weer opnieuw op de aanwezigheid van opzet of grove schuld bij de overtreder moeten worden beoordeeld. Bij de afstemming op het aspect van verwijtbaarheid zal ten slotte moeten worden bezien of, op grond van een van de criteria genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten of om een andere reden sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dan is de mate van verwijtbaarheid beperkt en 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. Van de hiervoor genoemde uitgangspunten voor de afstemming op het aspect verwijtbaarheid, moet worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval dit nodig maken.

12. Voor de vraag of een boete in verband met de draagkracht van de overtreder moet worden gematigd zij verwezen naar de rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:685):

‘3.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat zowel ter beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als ter beoordeling van de mate waarin een boete de betrokkene treft, de financiële omstandigheden van belang kunnen zijn (vgl. HR 8 december 1982, nr. 21363, BNB 1983/50). In overeenstemming hiermee is in de memorie van toelichting bij artikel 5:46 van de Awb vermeld dat het bestuursorgaan zich zeker bij hogere boeten ervan zal moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 142).

3.4.2. Indien een bestuursorgaan een bestuurlijke boete oplegt en daarbij, gelet op het voorgaande, rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, moet het daarbij acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete.

3.4.3. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel dienaangaande te vormen met inachtneming van de te zijnen overstaan aannemelijk geworden omstandigheden waarin de belanghebbende op dat moment verkeert, waaronder diens draagkracht.’

Hierbij verdient aantekening dat de rechter alleen naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het ontbreken van draagkracht gehouden is om zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien.

13. Tevens verwijst de rechtbank, voor zover van toepassing, naar de hiervoor vermelde bestendige gedragslijn van het UWV van 10 december 2013 over verlaging van de boete wegens financiële omstandigheden.

14. Toegespitst op de onderhavig zaak komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.

15. Niet ter discussie staat dat eiser (de werkzaamheden voor) de hennepkwekerij niet heeft gemeld bij verweerder. Het exploiteren van een hennepkwekerij moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het een betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Ook in geval (nog) geen inkomsten zijn verworven met de hennepkwekerij, moet van de werkzaamheden die ten behoeve van de kwekerij worden verricht melding worden gemaakt. Door hiervan geen melding te maken heeft eiser dan ook de op hem rustende wettelijke inlichtingenplicht geschonden.

16. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de in artikel 29a, eerste lid, van de WAO neergelegde bevoegdheidsvoorwaarde voor het opleggen van een boete.

17. Verweerder heeft de boete gebaseerd op een benadelingsbedrag dat ervan uitgaat dat eiser in de periode in geding inkomsten uit hennepteelt heeft verkregen. Eiser heeft aangevoerd geen financieel voordeel te hebben genoten uit het kweken van hennep, omdat er nog niet was geoogst.

18. In de uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2015 inzake de herziening en terugvordering (AWB/ROE 14/2698) heeft de rechtbank overwogen dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden ieder voor zich noch in samenhang beschouwd voldoende zijn om het vermoeden dat sprake is geweest van een eerdere oogst te ontkrachten. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder er daarom op grond van het Rapport Werknemersfraude (met bijlagen) van uit is mogen gaan dat eiser uit de betrokkenheid bij hennepteelt, inkomsten heeft gehad. Verweerder is daarbij volgens de rechtbank op goede gronden uitgegaan van een bedrag van € 9.926,- aan geschatte inkomsten.

19. In het kader van het thans aan de orde zijnde boetebesluit geldt een afwijkend beoordelingskader. Het besluit tot herziening en terugvordering op grond van de WAO is een belastend besluit, waarbij het op de weg van verweerder ligt om hetgeen aan dat besluit ten grondslag is gelegd aannemelijk te maken. Het opleggen van een bestuurlijke boete is eveneens een voor eiser belastend besluit en heeft bovendien een punitief karakter. In (onder meer) zijn uitspraak van 30 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2799) heeft de Raad geoordeeld dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten door verweerder niet slechts aannemelijk gemaakt, maar aangetoond moeten worden. De bewijslast is in het kader van de boeteoplegging derhalve een zwaardere dan bij het herzienings- en terugvorderingsbesluit.

20. Naar het oordeel van de rechtbank is – gemeten naar de strengere bewijslast in het kader van de boeteoplegging – onvoldoende aangetoond dat eiser in de periode in geding inkomsten heeft verworven uit hennepteelt.

21. Uit het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 20 januari 2014 blijkt dat op 2 december 2013 121 hennepplanten van ongeveer 20 centimeter in de woning van eiser zijn aangetroffen. In het proces-verbaal zijn omstandigheden benoemd die volgens de politie duiden op een of meer eerdere opbrengsten of oogsten. Er zijn verdroogde hennepresten aangetroffen op de grond van de slaapkamer, aan de zijkanten van de grow tent en in de plantenpotten, er bevond zich kalkafzetting op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten, het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild en bij het verplaatsen van de bevestiging van het filter bleek dat het filterdoek een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van het overige filterdoek, er lag stof op de kappen van de lampen, op het stoffilter van de koolstofcilinder, het rotorblad van de ventilator en de kachel, de houten latten waaraan de lampen waren opgehangen waren verkleurd en er zijn knipschaartjes aangetroffen met daarop hennepgruis.

22. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat er geen eerdere oogst is geweest van de bij hem aangetroffen hennepkwekerij stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser op 11 oktober 2013 een hersenbloeding heeft gehad en van 24 oktober 2013 tot en met 28 oktober 2013 opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Aansluitend heeft eiser volgens informatie van het ziekenhuis en de huisarts thuiszorg gehad. Eiser heeft voorts een verklaring overgelegd van een buurtbewoner die verklaart eiser na zijn ontslag uit het ziekenhuis op 28 oktober 2013 eiser gedurende enkele weken regelmatig (thuis) te hebben bezocht en gedurende deze periode niets te hebben waargenomen dat op een hennepkwekerij duidde.

23. In het proces-verbaal is het aangetroffen hennepafval verder niet beschreven. Afgaande op de – overigens zeer slechte – kopieën van de foto’s van de kwekerij lijkt het te gaan om een (zeer) kleine hoeveelheid. Ook is niet duidelijk welke waarde gehecht kan worden aan de verkleuring van de latten en het filterdoek nu de hennepplanten werden gekweekt in een grow tent en eiser verklaard heeft dat het tweedehandsspullen betrof. Alleen de aangetroffen hennepkwekerij is beschreven in het proces-verbaal. Overigens heeft – voor zover bekend – geen nader onderzoek plaatsgevonden naar de vraag hoe lang de aangetroffen kwekerij reeds in bedrijf was.

24. De weergave van de in de woning van eiser aangetroffen hennepkwekerij is, mede gelet op het daartegen door eiser ingebrachte, onvoldoende om enkel op basis daarvan aangetoond te achten dat er een eerdere hennepoogst is geweest waaruit of in verband waarmee eiser inkomsten heeft genoten. De politierechter heeft ook in deze zin geoordeeld in de uitspraak van 14 januari 2015 op de door de officier van justitie ingediende ontnemingsvordering.

25. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder – in het kader van de boeteoplegging – er ten onrechte van is uitgegaan dat de schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag. Dit betekent dat het om die reden het beroep gegrond is en het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

26. Hiervoor is reeds overwogen dat het niet melden van de (werkzaamheden voor) de hennepkwekerij ook los van eventuele inkomsten een schending van de inlichtingenplicht oplevert. Er is derhalve wel sprake van een beboetbare overtreding. Gelet op artikel 8:72a van de Awb zal de rechtbank zelf de boete vaststellen.

27. Ingevolge het hiervoor reeds genoemde artikel 2, derde lid, van het Boetebesluit socialezekerheidsrechten 2013 wordt de boete vastgesteld op € 150,-, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

28. Nu het er in het kader van de boeteoplegging voor moet worden gehouden dat geen sprake is van een benadelingsbedrag, zal de rechtbank ingevolge voormeld artikellid de boete vaststellen op € 150,-. Voor verlaging van dat bedrag of het volstaan met een schriftelijke waarschuwing, ziet de rechtbank geen grond. Hiertoe overweegt zij dat zij met verweerder van oordeel is dat sprake is van opzet, nu ervan uitgegaan kan worden dat eiser bewust geen mededeling heeft gedaan aan verweerder dat sprake was van hennepteelt in zijn woning teneinde (onder andere) te voorkomen dat de uit de teelt te verkrijgen inkomsten zouden worden gekort op de WAO-uitkering. Eiser heeft immers verklaard geld te hebben willen verdienen met de hennepteelt. Gesteld noch gebleken is dat eiser zijn handelen in dezen niet heeft kunnen overzien en hem niet (volledig) is toe te rekenen. De persoonlijke omstandigheden van eiser – hij kampt met lichamelijke klachten en er is geen sprake van een reëel arbeidsperspectief – geven ook geen aanleiding om van een lager bedrag dan € 150,- uit te gaan. Het betoog van eiser dat hij hoe dan ook geen financiële ruimte heeft om de boete terug te betalen, faalt tot slot bij gebrek aan onderbouwing en geeft daarom evenmin aanleiding voor matiging.

29. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

30. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    legt eiser een boete op van € 150,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Wapenaar, voorzitter, en mr. T.M. Schelfhout en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

w.g. W. Bocken,

griffier

w.g. C. Wapenaar,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 juli 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.