Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6120

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
03/204267 / HA RK 15-65
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Procesbeslissingen en beslissingen ten aanzien van de regie ter zitting leveren geen gronden voor wraking op.

De schijn van partijdigheid kan daaruit niet worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

3396912 \ CV EXPL 14-9572Wrakingskamer

Zittingslocatie Roermond

ContradictoirConventie

Datum beslissing: 21 mei 2015

Zaaknummer: 03/204267 / HA RK 15-65

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker], [adres verzoeker] (hierna: verzoeker),

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. R.M.M. Kleijkers, rechter in deze rechtbank (hierna ook: de rechter).

1 Procesverloop

1.1.

Op 30 maart 2015 is ter zitting van de bestuursrechter van deze rechtbank, locatie Roermond, de zaak van verzoeker versus het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren (procedurenummer ROE AWB 14/2657), behandeld. Ter zitting heeft verzoeker de rechter gewraakt. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechter heeft de wrakingskamer bij e-mailbericht van 20 april 2015 bericht niet in het verzoek tot wraking te berusten.

1.3.

Verzoeker is in de gelegenheid gesteld de wrakingsgronden aan te vullen. Verzoeker heeft daarop bij brief van respectievelijk 15 april 2015, 16 april 2015, 22 april 2015 en 27 april 2015 (telkens met bijlagen) aanvullende stukken ingediend.

1.4.

De behandeling van het verzoek heeft ter zitting van de wrakingskamer plaatsgevonden op 7 mei 2015, waar verzoeker alsook de rechter is verschenen.

1.5.

Verzoeker heeft ter zitting stukken overgelegd die betrekking hebben op een met de hoofdzaak in deze vergelijkbare procedure die verzoeker bij de Raad van State voert, eveneens tegen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren.

1.6.

Verzoeker heeft tevens ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.7.

De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2. De gronden van het wrakingsverzoek

2.1.

Als gronden voor het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter geheel ten onrechte in de onderliggende bestuurszaak een zitting heeft gepland, zulks terwijl hij zich terstond onbevoegd had moeten verklaren. Nu de rechter is overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak en zich ook ter zitting niet onbevoegd heeft verklaard, heeft verzoeker – teneinde zijn belangen te sauveren – zich genoodzaakt gezien “aan de noodrem te trekken”.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter stelt in een schriftelijke reactie d.d. 20 april 2015 niet te berusten in het wrakingsverzoek. Voorts geeft de rechter aan dat hij de mening van verzoeker, dat de bestuursrechter niet bevoegd is om van de op 30 maart 2015 behandelde zaak kennis te nemen, voorshands niet deelt.

3.2.

Ter zitting heeft de rechter aangegeven dat de bevoegdheidskwestie ter zitting aan de orde had kunnen komen. Daarvoor is evenwel geen gelegenheid geweest, nu verzoeker hem min of meer rauwelijks heeft gewraakt. De rechter heeft voor het overige gepersisteerd bij de eerder gegeven schriftelijke reactie.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

De wrakingskamer beoordeelt louter of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een rechter, dat door een verzoeker de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een bij een verzoeker bestaande, objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij de rechter ontbreekt, waarbij ook de schijn van partijdigheid van belang is.

4.2.

Ten aanzien van het subjectieve criterium oordeelt de wrakingskamer dat er in het onderhavige verzoek tot wraking door verzoekster geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake is van subjectieve partijdigheid. De wrakingskamer zal dan ook enkel beoordelen of er sprake geweest kan zijn van objectieve partijdigheid.

4.3.

Ten aanzien van het objectieve criterium wordt het navolgende overwogen.

4.4.

De door verzoeker aangevoerde gronden die tot het wrakingsverzoek hebben geleid zien alle op procesbeslissingen, die in beginsel geen feiten of omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat kan anders zijn indien een aangevochten procesbeslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. In de beslissing van de rechter om de onderliggende bestuurszaak op zitting te behandelen en zich op voorhand én tijdens de mondelinge behandeling niet onbevoegd te verklaren, ziet de wrakingskamer geen aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.

4.5.

Daartegenover staat dat verzoeker bij gelegenheid van de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek heeft aangegeven er niets op tegen te hebben dat rechter

mr. R.M.M. Kleijkers de behandeling van de onderliggende bestuurszaak zal voortzetten. Deze opvatting strookt niet met de stelling van verzoeker dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid bij de rechter.

4.6.

De wrakingskamer overweegt voorts dat het de rechter is die de procedurele regie voert over de zaken die aan hem worden voorgelegd en dat hij geheel vrij is in de beslissingsbevoegdheid die aan hem in dat verband wordt toegekend. Het is niet aan verzoeker om te bepalen of een zaak al dan niet op zitting wordt aangebracht en evenmin kan verzoeker de rechter opleggen om (op voorhand) te beslissen op bevoegdheidskwesties.

4.7.

Voor het overige heeft verzoeker geen feiten of omstandigheden gesteld die zouden moeten leiden tot de conclusie dat er gronden zijn voor het aannemen van objectiveerbare partijdigheid of een objectiveerbare schijn van partijdigheid bij de rechter. Op grond van het bovenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van mr. R.M.M. Kleijkers af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.B.T.G. Steeghs, voorzitter, P. Hoekstra en J.H. Klifman, leden, bijgestaan door P.J.C. Hendriks als griffier en uitgesproken op 21 mei 2015.