Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6062

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
3883683 CV EXPL 15-1607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over opdrachten van beginnende onderneming aan professionele dienstverlener op gebied van accountancy en fiscaal advies.

Twee van de drie opdrachtfacturen blijven onbetaald. Ruim betalingsuitstel gegund (uit coulance).

Pas later (vlak voordat geprocedeerd ging worden) ‘bezwaren’ tegen wijze van in rekening brengen werkzaamheden.

Uiteindelijk moet opdrachtgever toch opkomen voor gehele openstaande hoofdsom.

Gebreken in procesvoering en in naleving pre-processuele formaliteiten maken dat schuldeiser nevenvorderingen niet toegewezen krijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3883683 CV EXPL 15-1607

Vonnis van de kantonrechter van 22 juli 2015

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACCON AVM GROEP B.V.

gevestigd te (6802 EB) Arnhem aan de Meander 752

en mede kantoorhoudend te (6466 NH) Kerkrade aan de Roda JC Ring 99

eisende partij

in rechte vertegenwoordigd door mr. E.J.C.F. Coumans te Kerkrade (ACCON AVM)

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRAPPS B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te (6301 JK) Valkenburg aan de Geul

aan de Van Caldenborghsweg 14

gedaagde partij

in rechte vertegenwoordigd door haar directeur-grootaandeelhouder [naam directeur]

Partijen zullen hierna als “ACCON” respectievelijk “Trapps” aangeduid worden.

De procedure

ACCON heeft Trapps bij dagvaarding van 9 februari 2015 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan Trapps vijf (deels meervoudige) producties in fotokopievorm betekend zijn.

Trapps heeft - na gevraagd en verkregen uitstel - ter rolzitting van 25 maart 2015 schriftelijk geantwoord en zich onder verwijzing naar vijf producties tegen de vordering verweerd.

Op 29 april 2015 heeft ACCON van repliek gediend en zij heeft bij die gelegenheid acht (deels meervoudige) producties aan het procesdossier doen toevoegen.

Ter rolzitting van 3 juni 2015 heeft Trapps hierop in een schriftelijke dupliek met één productie (een e-mailbericht dat in de loop van deze procedure verzonden is) gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

Het geschil

ACCON vordert de veroordeling van Trapps - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een ‘totaalbedrag’ van € 4 193,41 ‘met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening’.

ACCON baseert haar vorderingen - sterk samengevat - op een overeenkomst van opdracht tot het verrichten van accountants- en advieswerkzaamheden, na de uitvoering waarvan

Trapps twee aan haar gezonden facturen tot een totaalbedrag van € 3 588,86 onbetaald gelaten heeft in weerwil van eveneens aan haar ‘verstuurde’ herinneringen en sommaties (en in weerwil bovendien van herhaalde ‘beloftes’ tot betaling). Ook een ‘via’ Vesting Finance Incasso B.V. ‘verstuurde’ ingebrekestelling d.d. 17 september 2014 heeft niet tot het door ACCON gewenste resultaat geleid. Volgens ACCON is op grond van de (kennelijk) toepasselijk geachte algemene voorwaarden sprake van verzuim van de debiteur vanaf veertien dagen na factuurdatum. Bovenop de hoofdsom brengt ACCON Trapps bedragen van € 120,75 aan vervallen geachte ‘wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid’ en € 483,80 aan forfaitair bepaalde buitengerechtelijke invorderingskosten in rekening.

In voortgezet debat heeft ACCON uitvoerig gerefereerd aan mettertijd tussen partijen gevoerde correspondentie (vooral e-mailverkeer) en aan telefoonverkeer, die (dat) er volgens haar op wijst dat Trapps buiten rechte nooit (althans niet tot 12 januari of 12 februari 2015) de verrichte werkzaamheden ter discussie stelde, doch slechts een betalingsprobleem aanvoerde en op medewerking aan betalingsuitstel aandrong. ACCON beweert zich daarin ‘zeer coulant’ opgesteld te hebben en begrip getoond te hebben voor de situatie van Trapps. Het feit dat Trapps een ‘start up’-onderneming is, ontslaat haar niet van de verplichting om facturen te voldoen. Alleen de eerste factuur betaalde Trapps correct en volledig. Met het op 12 januari 2015 ontvangen e-mailbericht van Trapps (‘[naam directeur]’, achter welke naam directeur [naam directeur] schuilt) was voor ACCON ‘de maat vol’: er werd nog steeds niet betaald en Trapps kondigde plompverloren aan dat ‘een derde persoon (eventueel investeerder)’ de uitgevoerde werkzaamheden ‘toch even toetsen’ wilde. ACCON merkt dit aan als het zoeken van ‘uitvluchten’ door Trapps op een moment dat zij had laten blijken mogelijk tot gerechtelijke invordering over te zullen gaan. Om toch aan te tonen dat zij verantwoord gefactureerd heeft (en de beginnende onderneming zelfs € 324,00 plus btw minder dan mogelijk geweest zou zijn, in rekening bracht), legt ACCO als prod.8 bij repliek een urenverantwoording over. Nader verklaart ACCON bij repliek tevens dat concrete opdrachten van de zijde van Trapps steeds per telefoon of e-mail door haar ontvangen zijn.

Het verweer van Trapps strekt er - met verwijzing naar een op 12 januari 2015 verzonden e-mailbericht - toe te betogen dat ACCON onverantwoord gefactureerd heeft en met dagvaarden niet wilde wachten op de uitkomst van een nadere ‘toetsing van de uitgevoerde werkzaamheden’. Ook wenste Trapps via een bericht d.d. 13 februari 2015 alsnog ‘een kopie van de getekende opdrachtverstrekking’ te ontvangen van ACCON, alsmede een gespecificeerde urenverantwoording. Trapps rechtvaardigt haar opstelling met een beroep op beginnend ondernemerschap (‘start up’) en gebrek aan liquiditeit. Zij verwijt ACCON in relatie daarmee ‘een ongepaste facturatie drang, die meer opweegt dan het zorgvuldig behartigen van onze belangen’ (wat daar ook precies mee bedoeld moge zijn). Trapps zegt zich te beroepen op ‘onder meer de zorgplicht en zorgvuldigheid van eisende partij jegens klanten’, maar concludeert dat ‘deze eisende partij, die geacht wordt ons te behoeden en te begeleiden in deze financiële wereld, ons zo het moeras in trekt’. Volgens Trapps dient de vordering van ACCON afgewezen te worden, ook voor wat betreft de gerechtelijke kosten.

De beoordeling

De opstelling van Trapps zowel buiten rechte als in rechte getuigt van grote lacunes in zorgvuldig ondernemerschap aan haar kant, terwijl zij nota bene ACCON verwijt zich te weinig zorgvuldig, transparant en begripvol te gedragen. Uit alles (de in rechte van beide kanten gedane ontboezemingen en de vele aan de procestukken toegevoegde producties) komt voor wat betreft de periode die ligt tussen de eerste opdracht van Trapps aan ACCON (leidend tot de wel geheel betaalde factuur van 25 juni 2014) en de tot en met maart 2015 over de onderlinge rechtsrelatie gevoerde correspondentie komt een opmerkelijke dosis amateurisme naar voren. Vriendelijker uitgedrukt: een gebrek aan in normaal zakelijk verkeer in acht te nemen formaliteiten, maar dan wel van beide kanten en niet alleen van Trapps. Dat mag verklaard worden doordat hier advies op de terreinen accountancy en fiscaliteit gegeven is aan een beginnende onderneming, maar voor geen van beide partijen was dit een vrijbrief om dan maar de gebruikelijke standaarden en vormen te verwaarlozen.

Om te beginnen kan gewezen worden op de manier waarop de eisende partij in de aanvang haar contractuele positie ten opzichte van Trapps bepaald en nader uitgewerkt heeft en de wijze waarop zij thans de vordering jegens Trapps in rechte presenteert.

ACCON meent kennelijk dat de uiterst informele wijze waarop in deze rechtsrelatie tot driemaal toe opdrachten aan haar verstrekt zijn (nader is gebleken dat dit telefonisch of een enkele maal per e-mailbericht van Trapps-zijde geschiedde, maar zonder dat sprake is geweest van een daaropvolgende formele opdrachtbevestiging), er niet aan in de weg staat dat haar algemene voorwaarden van toepassing geacht mogen worden op de opdracht(en). Niets is echter minder waar, nu zelfs niet gesteld (laat staan te bewijzen aangeboden) is dat die toepasselijkheid uitdrukkelijk (eventueel telefonisch) bedongen is, laat staan dat ergens uit afgeleid kan worden dat een exemplaar van de voorwaarden voorafgaand aan het aangaan van de rechtsrelatie aan Trapps verstrekt is. Vermelding van voorwaarden onderaan een factuur is onvoldoende om het gebrek te helen dat juist bij het aangaan van de contractuele verhouding nagelaten is daaromtrent iets te bedingen. Het ontbreken van een schriftelijke opdracht (of een schriftelijke bevestiging van een mondelinge opdracht) maakt dan ook in dezen de bewijspositie van ACCON labiel en stelt hoge eisen aan de wijze waarop zij haar gemotiveerde stelplicht naleeft. Dat laatste doet zij met horten en stoten en in tal van opzichten te beperkt.

Weliswaar heeft de voorgaande overweging hier niet tot gevolg (zoals Trapps lijkt te menen) dat van drie tot facturering aanleiding gevende opdrachten geen sprake was, maar het ontbreken van vastgelegde condities maakt dat voor de honorering van de (op de valreep) met een urenverantwoording gemotiveerde werkzaamheden en voor betaling en eventueel verzuim slechts de wettelijke regels (art. 7:400 e.v. BW respectievelijk boek 6 BW en in het bijzonder art. 6:81 tot en met 6:87 BW) bepalend zijn. De door ACCON kennelijk bij andere opdrachten wel gehanteerde algemene voorwaarden ontberen in deze zaak iedere betekenis. Wel mag aangenomen worden dat zulke werkzaamheden in opdracht van Trapps door ACCON verricht zijn en dat twee van de drie facturen onbetaald bleven, nu dit aan de hand van de stellingen en stukken over en weer als voldoende gesteld en ongenoegzaam bestreden is komen vast te staan. Eerstens heeft Trapps tot het moment van het vagelijk ter discussie stellen van de werkzaamheden bij e-mailbericht van 12 januari 2015 de facturen van 22 juli 2014 en 25 augustus 2014 nimmer op de inhoud bestreden of er zelfs maar vragen bij gesteld. In de tweede plaats heeft Trapps nagelaten de alsnog bij repliek ingebrachte urenverantwoording te bestrijden of er zelfs maar een kanttekening bij te plaatsen. Ook heeft Trapps er geen enkele twijfel over laten bestaan dat zij met deze facturen gemoeide bedragen onbetaald gelaten heeft, ook nadat de zaak in rechte aanhangig gemaakt was. Dit maakt dat de met de facturen gemoeide hoofdsom van € 3 588,86 in volle omvang toewijsbaar is.

Het ‘argument’ van Trapps dat zij als beginnende onderneming een andere opstelling van ACCON verdient, snijdt geen hout. Factureren is nu eenmaal onderdeel van het handelsverkeer in de commerciële wereld waarin Trapps zich begeven heeft, en waar van liefdadigheid of vriendendiensten in beginsel geen sprake is. Als Trapps gemeend had dat het hier nu net gaat om de spreekwoordelijke witte raaf en de niet-commerciële uitzondering, had het op haar weg gelegen een daarop gerichte toezegging van ACCON, liefst met bescheiden, aan te tonen. Dat is echter niet gebeurd, zodat zelfs Trapps zich dient te onderwerpen aan de wetten van het handelsverkeer. Wel is relevant dat ACCON erkent dat zij lange tijd betalingsuitstel aan Trapps gegund heeft en dat zij daarin zelfs uiterst coulant geweest is. Mede omdat niet gebleken is dat op de twee transacties algemene voorwaarden toegepast mogen worden en omdat de facturen van juli en augustus 2014 wel een termijn vermelden, maar zonder dat uitdrukkelijk gestipuleerd is dat die termijn een fatale termijn in de zin van art. 6:83 aanhef en sub a. BW beoogt te zijn (de bewoordingen wijzen daar niet op), is ten aanzien van de op zichzelf opeisbare vordering van € 3 588,86 geruime tijd geen verzuim van Trapps ingetreden. Het beroep van ACCON op verzuim van rechtswege dat veertien dagen na factuurdatum (-data) ingetreden zou zijn, wordt dan ook verworpen en ACCON heeft zich niet subsidiair op andere verzuimdata beroepen. Ook niet als gevolg van inschakeling van Vesting Finance Incasso B.V. en de eenmalige actie van die zijde. Opmerking verdient in dit verband nog dat het exploot van dagvaarding een aanzegging bevat waarin Trapps een laatste kans op betaling van de hoofdsom zonder in rekening te brengen rente en incassokosten geboden werd, indien ‘uiterlijk drie werkdagen voor de zittingsdag’ (dat wil zeggen vrijdag 20 februari 2015) alsnog die hoofdsom plus een bedrag aan inmiddels gemaakte processuele kosten voldaan zou zijn. Dit impliceert dat de kantonrechter het intreden van betalingsverzuim aan de zijde van Trapps op maandag 23 februari 2015 situeert en wel als gevolg van de gecombineerde daad van dagvaarding en aanzegging die als ingebrekestelling aangemerkt dient te worden. Al hetgeen daaraan aan pogingen tot incasso met hieraan eventueel verbonden kosten voorafgegaan is, leent zich om die reden niet voor vergoeding als vermogensschade in de zin van art. 6:96 lid 2 BW.

De uit het voorgaande te maken gevolgtrekking is dat aan ACCON slechts de hoofdsom ten bedrage van € 3 588,86 toegewezen kan worden met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2015 (d.w.z. met ingang van 24 februari 2015). Tevens geeft het vertraagd en pas als gevolg van dagvaarding intreden van betalingsverzuim van Trapps - naast de gedeeltelijke afwijzing van de vordering op zichzelf - reden om de proceskosten in het geheel te compenseren, omdat dit betekent dat er in feite (per saldo) rauwelijks gedagvaard is.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel:

- Trapps wordt veroordeeld om aan ACCON tegen bewijs van kwijting € 3 588,86 te voldoen met de wettelijke rente met ingang van 24 februari 2015 tot de datum van volledige voldoening.

- De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat partijen de eigen kosten dragen.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS