Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:6004

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 550u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BeZaVa). Vangnetter zonder werkgever. Eerstejaars Ziektewet-beoordeling. Artikel 19aa/ab Ziektewet.

Eiser werkte als commercieel arbeidsbemiddelaar. Op 12 maart 2013 is hij uitgevallen voor zijn werk en is hij uiteindelijk na afloop van het contract, dat liep tot 1 juni 2014, ziek uit dienst gegaan. Eiser heeft een medische vragenlijst in het kader van de Ziektewet ingevuld, ontvangen bij verweerder 11 juni 2014. Op 1 juli 2014 is eiser medisch onderzocht in het kader van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling. Op 11 maart 2014 kan eiser meer dan 65% van zijn maatmanuurloon verdienen zodat ziekengeld vanaf 2 juni 2014 wordt geweigerd.

Niet in geschil is dat de gezondheidstoestand van eiser is beoordeeld op 11 maart 2014, de datum die rechtstreeks volgt uit de tekst van artikel 19aa, van de ZW.

De rechtbank is van oordeel dat eiser zowel ten tijde van zijn ziekmelding, 12 maart 2013, alsmede ten tijde van het toetsmoment, 11 maart 2014, geen vangnetter is als bedoeld in de Wet BeZaVa. Eiser ontvangt loon van zijn werkgever en geen ziekengeld op grond van de ZW. Beroep gegrond vanwege een onjuiste wettelijke grondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Urmond, eiser,

(gemachtigde: mr. J.P. Geertsema),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: A.M.C. Crombach).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij vanaf 2 juni 2014 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 19 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2015. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser werkte als commercieel arbeidsbemiddelaar bij [naam werkgever] Op 12 maart 2013 is eiser uitgevallen voor zijn werk en is hij uiteindelijk na afloop van het contract, dat liep tot 1 juni 2014, ziek uit dienst gegaan. Desgevraagd heeft eiser een medische vragenlijst in het kader van de ZW ingevuld, ontvangen bij verweerder 11 juni 2014.

Op 1 juli 2014 is eiser medisch onderzocht in het kader van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling, waarna verweerder de hierboven aangehaalde besluiten heeft genomen.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 11 maart 2014 meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen zodat eiser vanaf 2 juni 2014, de eerste uitkerings-/beoordelingsdag na datum uitdiensttreding, geen recht heeft op een ZW-uitkering.

3. In beroep voert eiser onder meer aan dat de besluitvorming en het medisch/ arbeidskundig onderzoek van verweerder niet zorgvuldig is. Lichamelijk onderzoek heeft niet of nauwelijks plaatsgevonden en dat de nadruk wordt gelegd op de psychische component betreurt eiser. Eiser acht zich gelet op gestelde diagnose en zijn ervaren pijnklachten meer beperkt dan verweerder in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft aangenomen. Eiser verwijst hiervoor naar medische informatie van anaesthesioloog M. Sommer, gedateerd 8 december 2014 en van chirurg R. Roumen, gedateerd 10 december 2014. De door verweerder opgestelde FML acht eiser in strijd met artikel 4, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De geduide functies zijn niet passend omdat naast de problemen met de statische en dynamische houding niet blijkt of ook rekening is gehouden met het medicatiegebruik. Voorts vraagt eiser zich af welke toetsdatum in acht genomen dient te worden. Toegelicht wordt dat hij vanaf 2 juni 2014 geen recht zou hebben op een ZW-uitkering terwijl artikel 19aa van de ZW ook bepaalt dat de verzekerde, zoals bedoeld in het eerste lid, recht heeft op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Op 1 januari 2013 is de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BeZaVa) in werking getreden (Staatsblad 2012, 464). De Wet BeZaVa richt zich op zogeheten vangnetters zonder werkgever.

Voor werknemers met een vast dienstverband is bij ziekte sprake van een loondoorbetalingsplicht voor de werkgever. Beroep op de ZW staat open voor werknemers die:

1) geen werkgever (meer) hebben, zoals zieke WW-gerechtigden, zieke uitzendkrachten en zieke werknemers van wie hun dienstverband afloopt tijdens ziekte.

2) een werkgever hebben maar een -gepercipieerd- hoog ziekterisico hebben (no-riskpolis, orgaandonoren en zwangere vrouwen).

Omdat deze groepen onder de werkingssfeer vallen van het vangnet ZW worden zij ook wel vangnetters genoemd. Hiermee worden dus werknemers bedoeld, die tijdens ziekte geen recht hebben op loondoorbetaling ex artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek.

6. Voor de vangnetter zonder werkgever kan sprake zijn van twee beoordelingsmomenten.

1) Het arbeidsongeschiktheidsbegrip gedurende de eerste 52 weken van ongeschiktheid.

Gedurende deze eerste 52 weken van ongeschiktheid geldt voor de vangnetter zonder werkgever het arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals dat is neergelegd in artikel 19 van de ZW met een specifieke uitwerking in het vijfde lid van dat artikel. Specifieke aspecten van de laatst verrichte arbeid worden bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing gelaten. Indien de verzekerde (weer) geschikt wordt verklaard voor het verrichten van ‘zijn arbeid’ wordt het ziekengeld beëindigd met ingang van dag waarop de verzekerde dit schriftelijk kenbaar is gemaakt.

2) Het arbeidsongeschiktheidsbegrip na een tijdvak van 52 weken ongeschiktheid.

Met de inwerkingtreding van artikel 19aa ZW met ingang van 1 januari 2013 wordt een vangnetter zonder werkgever na 52 weken ongeschiktheid geconfronteerd met een nieuwe ongeschiktheidstoetsing. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, onderdeel a, wordt primair eerst beoordeeld of nog steeds sprake is van ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van de ZW. Als dit het geval is, wordt getoetst of de verzekerde slechts in staat is om ten hoogste 65% van zijn maatmaninkomen per uur te verdienen. Indien de verzekerde meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur kan verdienen, verliest de verzekerde het recht op

ziekengeld een maand en een dag na deze beoordeling.

Zowel in situatie 1) als in 2) ontvangt de verzekerde ziekengeld op grond van de ZW.

7. Het wettelijk kader is blijkens het bestreden besluit gebaseerd op de artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Met het bestreden besluit wordt ziekengeld vanaf 2 juni 2014 geweigerd.

8. Op grond van artikel 19aa van de ZW heeft de verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, in afwijking van artikel 19, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:

a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en

b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In artikel 19ab, eerste lid, van de ZW is bepaald dat het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa, wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Van een arbeidskundig onderzoek kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden worden afgezien.

Uit de Memorie van Toelichting behorende bij de Wet BeZaVa blijkt dat het nieuwe ZW-criterium na het eerste ziektejaar gaat gelden. Voor de beoordeling na het eerste ziektejaar wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige (uitvoerings)systematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit. Ook wat betreft de gehanteerde begrippen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de al geldende terminologie van de Wet WIA.

9. Niet in geschil is dat eiser op 12 maart 2013 tijdens zijn dienstverband ziek is geworden, het dienstverband is geëindigd op 1 juni 2014 en eiser op dat moment ziek uit dienst is gegaan. Eiser ontvangt na zijn dienstverband een WW-uitkering.

Ook is niet in geschil dat de gezondheidstoestand van eiser is beoordeeld op 11 maart 2014, de datum die in het onderhavige geval rechtstreeks volgt uit de tekst van artikel 19aa, van de ZW en die verweerders arbeidsdeskundigen ook hebben gehanteerd voor de beantwoording van de vraag of eiser meer dan 65% van het maatmanuurloon kan verdienen voordat hij ziek is geworden, zodat het recht op ziekengeld op grond van artikel 19aa, tweede lid, eindigt een maand en een dag na de datum waarop de verzekerde meer dan 65% van het maatmanuurloon kan verdienen.

10. Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat eiser zowel ten tijde van zijn ziekmelding, 12 maart 2013, alsmede ten tijde van het toetsmoment, 11 maart 2014, geen vangnetter is als bedoeld in de Wet BeZaVa. Eiser ontvangt loon van zijn werkgever en geen ziekengeld op grond van de ZW. Ter zitting is (ook) door de vertegenwoordiger van verweerder erkend dat eiser “strikt genomen” geen vangnetter is.

11. Aan een materiële beoordeling van de vraag of eiser op het beoordelingsmoment

11 maart 2014 met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmanloon per uur kan verdienen, zodat ziekengeld een maand na de dag kan worden beëindigd, in casu zou dat zijn 12 april 2014, komt de rechtbank niet toe. Op 11 maart 2014 heeft eiser aanspraak op loon van zijn werkgever en is hij geen vangnetter in de zin van de Wet BeZaVa.

12. Verweerders toelichting in zijn schrijven van 12 juni 2015 -naar aanleiding van vragen van de rechtbank- slaagt niet. De Wet BeZaVa is geschreven voor ‘de vangnetter’ en voor gevallen waarin sprake is van het ontvangen van ziekengeld. Dit recht op ziekengeld wordt beëindigd dan wel wordt voortgezet tot maximaal 104 weken. De Wet BeZaVa kent het begrip ‘weigering per einde wachttijd’ zoals de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet.

13. Gelet hierop stelt de rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag.

14. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank ziet geen meer geschikte wijze van finale geschillenbeslechting binnen haar bereik nu de aard van het te nemen besluit op bezwaar nog ongewis is.

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 490,-. (1 punt voor het verschijnen ter zitting). Voor zover uit het door eiser ingediende formulier opgave proceskosten moet worden afgeleid dat vergoeding wordt gevorderd van 3 uur verletkosten van zijn partner overweegt de rechtbank dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel 1 onder d, van het Bpb voorziet slechts in de mogelijkheid van vergoeding van verletkosten van een partij. In dit geval gaat het echter om verletkosten van de partner.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze

uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 490,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van E.S.J.M. Naebers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2015.

w.g. E.S.J.M. Naebers,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 juli 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.