Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5999

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
C/03/206559 / JE RK 15-1201 en C/03/206665 / JE RK 15-1225 en C/03/206666 / JE RK 15-1226
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, artikel 6.1.4. Jeugdwet. Uitdrukkelijke aanwijzing welke jeugdhulpaanbieder de jeugdige opneemt en wie de bevoegd medewerker is tot het nemen van het besluit tot opname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens : C/03/206559 / JE RK 15-1201 & C/03/206665 / JE RK 15-1225 &

C/03/206666 / JE RK 15-1226

Datum uitspraak: 17 juni 2015

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp


in de zaak van

DE GECERTIFICEERDE INSTELLING STICHTING BUREAU JEUGDZORG

LIMBURG, hierna te noemen de GI, gevestigd te Roermond.

betreffende:

[minderjarige] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige],

advocaat: mr. N.R. Heilhof, kantoorhoudende te Maastricht.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende],

hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

hierna te noemen de raad, gevestigd te Maastricht.

1 Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de verzoekschriften met bijlagen van de GI, ingekomen bij de griffie op 26 mei 2015;

- de verklaring van 22 mei 2015 dat een voorziening nodig is op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder;

- de instemmende verklaring d.d. 10 juni 2015 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper;

- de aanvullende stukken van de GI, ingekomen op 10 juni 2015.

Op 17 juni 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige], bijgestaan door mr. N.R. Heilhof;

- een vertegenwoordiger van de raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de moeder.

2 De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] verblijft bij ‘De La Salle’ te Boxtel.

Bij beschikking van 8 juli 2014 van de kinderrechter van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 juli 2015 en is tevens een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 22 juli 2015.

3 Het verzoek en de standpunten van de belanghebbenden

De GI heeft op de daartoe aangevoerde gronden verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen van [minderjarige] voor de duur van één jaar (geregistreerd en in behandeling genomen onder zaaknummer C/03/206665 / JE RK 15-1225). Tevens heeft de GI, naar de kinderrechter uit de inhoud van de verzoekschriften en de toelichting daarop ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft begrepen, een voorwaardelijke machtiging verzocht om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling (geregistreerd en in behandeling genomen onder zaaknummer C/03/206666 / JE RK 15-1226) en aansluitend voor de periode van 22 juli 2015 tot 22 januari 2016 (geregistreerd en in behandeling genomen onder zaaknummer C/03/206559 / JE RK 15-1201). De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard de verzoeken te ondersteunen.

De moeder heeft geen verweer gevoerd. Volgens de GI, in het verzoekschrift, zou de moeder instemmen met het verzoek om een voorwaardelijke machtiging. [minderjarige] zelf zegt in te stemmen met de voorwaardelijke machtiging en de daaraan verbonden voorwaarden te zullen naleven.

4 De beoordeling

4.1.

De ondertoezichtstelling: zaaknummer C/03/206665 / JE RK 15-1225

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (verder BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling telkens verlengen mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255, lid 1 BW is voldaan. Uit artikel 1:255, lid 1 BW volgt dat een minderjarige onder toezicht kan worden gesteld indien deze zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Voorts dient de verwachting gerechtvaardigd te zijn dat de gezaghebbende ouders of ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.

Met de GI en op de daartoe door de GI in het verzoekschrift met bijlagen aangevoerde gronden, die de kinderrechter overneemt en tot de zijne maakt, is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW.

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige]:

  • -

    de opvoedingsonmacht van de moeder;

  • -

    de persoonlijke problematiek van de moeder;

  • -

    de gedragsproblemen van [minderjarige];

  • -

    de persoonlijke problematiek van [minderjarige].

De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van twaalf maanden, aangezien deze termijn, gelet op de hiervoor genoemde bedreigingen van [minderjarige], gerechtvaardigd wordt geacht.

4.2.

De voorwaardelijke machtiging om de minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven: zaaknummers C/03/206666 / JE RK 15-1226 en C/03/206559 / JE RK 15-1201

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.4, lid 1, van de Jeugdwet kan de kinderrechter op verzoek een voorwaardelijke machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 6.1.2, lid 3, in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2, lid 3, van de Jeugdwet slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

Gelet op artikel 6.1.4, lid 2, van de Jeugdwet staat ter beoordeling of:

a. de verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en

b. de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie kan worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.

Ingevolge artikel 6.1.4, lid 3, van de Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat de jeugdige een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig heeft.

Op grond van artikel 6.1.4, lid 4, van de Jeugdwet behoeft het verzoek voorts de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Ten slotte bepaalt artikel 6.1.4, lid 5, van de Jeugdwet dat de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een hulpverleningsplan wordt overgelegd dat voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6.1.4, lid 6, van de Jeugdwet te stellen eisen.

De kinderrechter is van oordeel dat voldaan is aan de formele vereisten van artikel 6.1.2, lid 3 en de artikelen 6.1.4, leden 3, 4, 5 en 6 van de Jeugdwet, waarbij de kinderrechter de brief van de jeugdhulpaanbieder van 5 juni 2015 beschouwt als het in artikel 6.1.4, lid 5,

van de Jeugdwet bedoelde hulpverleningsplan dat tevens de voorwaarden bevat waaraan [minderjarige] zich moet houden. Uit het hulpverleningsplan blijkt niet met zoveel woorden welke jeugdhulpaanbieder bereid is [minderjarige] op te nemen in een gesloten accommodatie als hij de voorwaarden niet naleeft of als de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft, onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de voorwaarden heeft willen leggen bij de jeugdhulpverlener die bereid is de jeugdige in voorkomend geval op te nemen. Die verantwoordelijkheid brengt mee dat alleen kan worden volstaan met een ondubbelzinnige aanwijzing in het hulpverleningsplan. De overweging dat ‘mocht een terugkeer toch nodig zijn dan willen we er op wijzen dat we ons best zullen doen om je weer bij Icarus te plaatsen, maar dat we dit niet kunnen garanderen’ kan niet als zodanig gelden. Derhalve zal de kinderrechter de stichting ‘Stichting Jeugdzorg St. Joseph’ te Cadier en Keer, waar ‘Icarus’ onder ressorteert uitdrukkelijk aanwijzen als de jeugdhulpaanbieder die [minderjarige] in voorkomend geval dient op te nemen.

Voorts vermeldt het plan welke medewerker van de jeugdhulpaanbieder bevoegd is tot het nemen van het besluit dat de jeugdige opgenomen wordt omdat hij zich niet houdt aan de vooraf overeengekomen voorwaarden of de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Nu het hulpverleningsplan is ondertekend door [X], pedagogisch directeur van Icarus, houdt de kinderrechter het ervoor dat hij ook de bevoegd medewerker is tot het nemen van het besluit tot opname.

Op grond van de overgelegde stukken en de toelichting daarop ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, is de kinderrechter, evenals de GI en op dezelfde gronden als de GI, die de kinderrechter na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat de verlening van jeugdhulp voor [minderjarige] noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren terwijl de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie kan worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. De kinderrechter voegt daaraan toe dat met name uit het door de GI onderschreven beeld dat uit de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper [Y] van 10 juni 2015 naar voren komt blijkt dat [minderjarige] de afgelopen periode de nodige stappen heeft gezet, overigens zonder dat die stappen meteen verinnerlijkt lijken. [minderjarige] doet zijn best, maar blijft behoefte houden aan structuur en een strakke aansturing met duidelijke grenzen. Dat past bij de conclusies van de gedragsdeskundige die stelt dat [minderjarige] gevoelig is voor de consequenties van zijn handelen en daarom zijn handelen daarop afstemt. [minderjarige] laat de ernst en de omvang van de consequenties kennelijk zijn handelen bepalen en heeft niet het innerlijke besef dat ‘iets’ beter voor hem is en dat dat de reden zou behoren te zijn voor zijn doen of laten. Juist in deze situatie acht de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging als stok achter de deur een goed middel om [minderjarige] te bewegen tot het andere gedrag. Dat geldt te meer omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat [minderjarige] – zoals hij zelf ook zegt – zich aan de met de jeugdhulpaanbieder overeengekomen voorwaarden zal gaan houden.

Uit het voorgaande volgt dat de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp zal verlenen, en wel voor de op grond van artikel 6.1.12, lid 2, van de Jeugdwet maximaal mogelijke periode van zes maanden, onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

Onder verwijzing naar artikel 6.1.12, lid 1, van de Jeugdwet wijst de kinderrechter ten slotte erop dat een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp, van rechtswege bij voorraad uitvoerbaar is.

5 De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 juli 2016;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verleent een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden, derhalve tot en met 17 december 2015, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld;

wijst de stichting ‘Stichting Jeugdzorg St. Joseph’ te Cadier en Keer, aan als de jeugdhulpaanbieder die [minderjarige] dient op te nemen in een gesloten accommodatie als hij de voorwaarden niet naleeft of als de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft, onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.L.M. Heijnens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch