Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5983

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
C/03/208104 / KG ZA 15-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Art. 1:253a BW. Vervangende toestemming voor vakantie van de moeder met de kinderen in Rusland; algemene maar geen bijzondere veiligheidsrisico’s voor Rusland; het feit dat de vrouw het geloof van de Jehova’s getuigen aanhangt, levert onvoldoende zwaarwegende argumenten op toestemming voor de vakantie te onthouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugdC/03/208104 / KG ZA 15-340

Datum uitspraak : 15 juli 2015

Zaaknummer : C/03/208104 / KG ZA 15-340

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[eiseres] [eiseres],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw;
advocaat mr. S. Mestrini, kantoorhoudend te [plaats 2] (toevoeging);

tegen:


[gedaagde] [gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Warnink, kantoorhoudend te [geboorteplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De vrouw heeft de man gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 8 juli 2015, heeft de vrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten.

1.2.

De man heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties en een eis in reconventie ingesteld.

1.3.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

1.4.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

In conventie en in reconventie

2.1.

Partijen zijn op 31 januari 2004 met elkaar gehuwd in [plaats 1] ( [land 1] ). Bij beschikking van de rechtbank Breda van 11 maart 2008, met zaaknummer 184818 FA RK 08-356, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage.

2.2.

De kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

2.3.

Partijen oefenen gezamenlijk gezag uit over de kinderen. Ingevolge het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant hebben de kinderen het hoofdverblijf bij de vrouw. Ter zake de omgang, thans verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zijn partijen overeengekomen dat de kinderen in principe om de veertien dagen twee dagen (48 uur) bij de man zullen verblijven, op een onderling te bepalen dag, waarbij de man de kinderen zal ophalen en weer terugbrengen. Hierbij geldt dat het woonadres van de kinderen niet verder dan 175 km verwijderd zal zijn van de postcode [xxxxxx] .

2.4.

De vrouw is voornemens gedurende de periode van 21 juli 2015 tot 7 augustus 2015 samen met de kinderen haar vakantie in [land 2] door te brengen. Zij heeft daartoe op 4 oktober 2014 drie elektronische retourvliegtickets [plaats 2] geboekt.

De vrouw is geboren in [land 1] , een land dat tot 1991 tot de [land 3] heeft behoord, en zij wenst thans met de kinderen, net als in 2013, haar familie in [plaats 2] en [plaats 1] te bezoeken. De man weigert toestemming te geven voor deze vakantie.

2.5.

De vrouw wenst voorts te verhuizen van [woonplaats 1] naar [plaats 2] , naar zij stelt omdat haar sociaal netwerk zich in [plaats 2] bevindt. Zij heeft met ingang van 1 juni 2015 een woning gehuurd aan de [adres] . De afstand tussen die woning en de postcode [xxxxxx] bedraagt 134 kilometers. De voorgenomen verhuizing brengt met zich dat de kinderen niet meer naar de basisschool in [woonplaats 1] kunnen. De vrouw wil de kinderen inschrijven bij de openbare basisschool [naam 1] te [plaats 2] .

2.6.

De man weigert zowel toestemming te verlenen voor de verhuizing, als voor de voorgenomen wijziging van basisschool van de kinderen.

3 Het geschil

In conventie en in reconventie

3.1.

De vrouw stelt aanvankelijk ervan te zijn uitgegaan dat de man, net als in 2013, zijn toestemming voor de vakantie met de kinderen in [land 2] zou verlenen. Zij heeft tot op het laatste moment tevergeefs geprobeerd in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Dat is niet gelukt, waardoor de vrouw genoodzaakt is geweest het onderhavige kort geding te starten. De argumenten die de man naar voren heeft gebracht zijn naar de mening van de vrouw niet valide. De vrouw wil haar zus in [plaats 2] en haar moeder in [plaats 1] bezoeken. De kinderen verheugen zich op de reis. De vrouw is zich ervan bewust dat er spanningen zijn tussen [land 4] en [land 2] . Zij is niet bekend met een eventueel negatief reisadvies voor de plaatsen die zij wil bezoeken. Haar moeder heeft op geen enkele wijze last van de spanningen tussen [land 2] en de [land 3] . De vrouw is niet van plan openlijk haar geloof als Jehovah’s getuige te belijden in [land 2] . De vrouw betwist ook dat sprake is van een burn-out. De vrouw heeft in 2007 een psychose gehad, maar dat heeft niet belet dat zij sinds 2007/2008 onafgebroken zelf voor de kinderen heeft gezorgd. Het gaat al jaren goed met haar en alleen als zij onder druk wordt gezet, bestaat het gevaar dat zij een psychose ontwikkelt. De laatste psychose is ontstaan omdat zij erg bang was dat de kinderen van haar zouden worden afgenomen. Het traject bij [naam 2] is bijna afgerond en zij is in behandeling bij een psycholoog. Deze verwacht geen problemen met betrekking tot de reis naar [land 2] , niet wat betreft de zorg voor de kinderen, noch wat betreft de terugkeer naar [land 4] . De vrouw is zeker niet van plan om in [land 2] te blijven.

Met betrekking tot de verhuizing naar [plaats 2] is de vrouw van mening dat zij binnen de verplichtingen van het echtscheidingsconvenant blijft. De afstand tussen de woning in [plaats 2] en de postcode [xxxxxx] bedraagt immers 134 km. De vrouw wil graag verhuizen omdat haar sociale netwerk zich in [plaats 2] bevindt en omdat de woning in [plaats 2] groter en zelfs goedkoper is dan de woning in [woonplaats 1] . Bijkomend voordeel is dat zich in de nabijheid van haar woning de [naam 3] van de Jehovah’s getuigen bevindt.

Tevens stelt de vrouw dat de kinderen niet op hun plek zijn op de basisschool in [woonplaats 1] . Zij worden niet in de groep opgenomen en gepest. Zij is ervan overtuigd dat de kinderen beter zullen aarden op de basisschool [naam 2] in [plaats 2] . Wijziging van woonplaats en basisschool is naar de mening van de vrouw in het belang van de kinderen.

3.2.

De vrouw heeft op grond van het vorenstaande gevorderd haar op grond van artikel 1:253a BW vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen gedurende de periode van 21 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015 af te reizen naar [land 2] , om te verhuizen naar het adres [adres] [plaats 2] en om de kinderen in te schrijven bij de basisschool [naam 1] aan de [adres] te [plaats 2] , het een en ander met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

3.3.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De man betwist allereerst het spoedeisend belang bij de vorderingen van de vrouw. Volgens de man heeft hij reeds in het najaar van 2014 kenbaar gemaakt niet te kunnen instemmen met een reis van de vrouw met de kinderen naar [land 2] . Ook heeft de man de vrouw al in april 2015 laten weten niet in te kunnen stemmen met haar voorgenomen verhuizing naar [plaats 2] en met een wijziging van de basisschool. De vrouw heeft derhalve voldoende gelegenheid gehad om een bodemprocedure te entameren. Er was geen enkele reden om het op een kort geding te laten aankomen. De man vindt het bovendien onverantwoord dat de vrouw naar [land 2] wil gaan, gezien de spanningen tussen [land 4] en [land 2] . De man is militair, werkzaam bij de luchtmacht en als zodanig betrokken geweest bij de afhandeling van de ramp met de [xxxx] . Die betrokkenheid maakt de reis extra riskant. Daarnaast bergt ook nog het feit dat de vrouw Jehovah’s getuige is een extra risico in zich. Jehovah’s getuigen zijn immers niet veilig in [land 2] . Sinds kort is de man ervan op de hoogte dat de vrouw een burn-out heeft en al jarenlang intensief onder controle is bij Mondriaan met regelmatige bezoeken aan huis. De vrouw slikt zware medicijnen om een nieuwe psychose tegen te gaan. De man maakt zich zorgen voor het geval de vrouw in [land 2] opnieuw in een psychose of depressie zal geraken. [land 2] heeft het Haags kinderontvoeringsverdrag niet ondertekend. Indien de vrouw vrijwillig dan wel onvrijwillig zou besluiten niet naar [land 4] terug te keren, heeft de man geen juridische mogelijkheden om de kinderen terug naar [land 4] te halen. Daarbij komt ook nog dat de man vreest dat als er iets ernstigs zou gebeuren met de kinderen en zij een bloedstransfusie nodig zouden hebben de vrouw daar vanwege haar geloof geen toestemming voor zal geven. De man staat dan machteloos. De man betwist dat pas sinds een paar maanden de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verloopt zoals in het convenant is overeengekomen. Hij is steeds zeer betrokken geweest op de kinderen. Enkel in de periode 2009/2010 is de tweewekelijkse contactregeling niet uitgevoerd, omdat de man toen in [land 5] was.

3.4.

De man vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de vrouw te verbieden om de kinderen een reis naar [land 2] te laten maken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de vrouw geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

  2. te bepalen dat de kinderen van vrijdag 18 juli 2015 direct na school tot zondag
    9 augustus 2015 2015 15.00 uur aan de man worden toevertrouwd.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat de vrouw reeds op 4 oktober 2014 voor haar en de kinderen drie elektronische vliegtickets [plaats 1] – [plaats 2] heeft gekocht. De heenvlucht vanaf [plaats 1] vindt op 21 juli 2015 plaats, de retourvlucht vanuit [plaats 2] op 7 augustus 2015. De vrouw heeft voorts onweersproken gesteld te hebben geprobeerd na 4 oktober 2014 (alsnog) met de man tot overeenstemming te komen over de vakantie in [land 2] . Nu die inspanningen tevergeefs zijn geweest, brengt de snel naderende vertrekdatum mee dat de vrouw geen andere mogelijkheid heeft dan via het onderhavige kort geding alsnog toestemming van de man, dan wel vervangende toestemming van de voorzieningenrechter te verkrijgen. Het spoedeisend belang bij de vordering betreffende de vervangende toestemming voor de vakantie in [land 2] is daarmee gegeven.

4.2.

Bij de beoordeling van de onderhavige zaak stelt de voorzieningenrechter voorop dat aanleiding bestaat de door de vrouw benodigde toestemming voor een vakantie met de kinderen naar [land 2] te vervangen door de toestemming van de voorzieningenrechter, wanneer de man door vast te blijven houden aan zijn weigering misbruik zou maken van zijn bevoegdheid. Daarvan zou sprake zijn indien de man geen enkel te respecteren belang nastreeft of wanneer hij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door hem gestelde belang en het belang van de kinderen bij een vakantie in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht heeft kunnen komen.

4.3.

Niet in geschil is dat de vrouw met de kinderen op familiebezoek gaat in [plaats 2] en [plaats 1] , een plaats op ongeveer 50 kilometer van de [plaats 3] grens. De vrouw heeft voorts onweersproken gesteld dat de kinderen de [land 5] taal spreken en dat zij zich verheugen op het bezoek aan [land 2] en de lange treinreis van [plaats 2] naar [plaats 1] . De kinderen zijn eerder met hun moeder op familiebezoek in [land 2] geweest en het is in hun belang dat zij de familie van hun moeder leren kennen. De vrouw stelt bovendien dat zij geen enkele intentie heeft om in [land 2] te blijven, nu zij haar (sociale) leven in [plaats 2] heeft en zij het daarenboven niet in het belang van de kinderen acht om in [land 2] te blijven.

4.4.

De door de man hier tegenover aangevoerde argumenten zijn onvoldoende zwaarwegend om de kinderen een vakantie in [land 2] te ontzeggen. Er zijn zeker bepaalde algemene veiligheidsrisico’s in [land 2] en die veiligheidsrisico’s brengen mee dat van de vrouw als ieder ander die naar [land 2] reist een zekere mate van alertheid mag worden verwacht, maar anderzijds staat ook vast dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in deze algemene veiligheidsrisico’s tot dusver, behoudens [land 5] en overige gebieden van de [land 5] , zoals [land 5] en [land 5] , geen aanleiding heeft gezien een negatief reisadvies voor [land 2] uit te vaardigen, ook niet voor de stad [plaats 1] , die zich op ongeveer 50 kilometer van de [land 5] grens bevindt.

4.5.

Niet gebleken is voorts dat er voor de vrouw en de kinderen in [land 2] in het bijzonder veiligheidsrisico’s bestaan. De enkele stelling dat de vrouw en de kinderen zich volgens de man in [plaats 1] begeven in het gebied van waaruit [land 5] separatisten worden bevoorraad en waarvandaan het [xx] lanceerplatform is gereden naar de plek waar vlucht [xxxx] is neergehaald, is daarvoor onvoldoende. Een extra dimensie is het werk van de man bij Defensie en in dat verband zijn betrokkenheid bij de afhandeling van de ramp met de [xxxx] maar ook hier geldt dat onduidelijk is gebleven of, en zo ja op welke wijze, die betrokkenheid van de man een extra gevaar oplevert voor het verblijf van de kinderen en de vrouw in [land 2] . De stellingen daarover heeft de man niet nader toegelicht.

4.6.

De man heeft voorts onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de vrouw vanwege het geloof dat zij aanhangt of anderszins een bijzonder veiligheidsrisico in [land 2] loopt. Uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan worden afgeleid dat in [land 2] de afgelopen jaren regelmatig sprake is van racistisch geweld tegen buitenlanders, vooral mensen met een niet-blanke huidskleur, dat daarom demonstraties en bijeenkomsten van grote groepen (vooral jongeren) zoveel mogelijk dient te worden vermeden, maar niet dat Jehovah’s getuigen in het bijzonder gevaar lopen. Weliswaar heeft de vrouw erkend dat de Jehovah’s getuigen in [land 2] als sekte worden gezien en dat de aanhangers ervan blootstaan aan vervolging, maar dat besef brengt mee, zo heeft de vrouw verklaard, dat zij in [land 2] op geen enkele wijze openlijk uiting zal geven aan haar geloof. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding geen geloof te hechten aan de toezeggingen van de vrouw daaromtrent. De man heeft nog gesteld dat in [land 2] strenge controle bestaat op dataverkeer maar niet gesteld of gebleken is dat de vrouw in het bijzonder, bijvoorbeeld vanwege haar geloof, hiervoor moet vrezen.

4.7.

De vrees van de man dat de vrouw in [land 2] in een psychose zal geraken, omdat zij in [land 2] verstoken is van de begeleiding die zij in [land 4] krijgt, acht de voorzieningenrechter voorbarig en onvoldoende concreet om de vrouw en de kinderen de reis naar [land 2] te onthouden. Vaststaat dat de vrouw acht jaar geleden een psychose heeft doorgemaakt. Zij gebruikt thans medicatie en functioneert sindsdien - met begeleiding - naar behoren. De doorgemaakte psychose heeft in ieder geval niet eraan in de weg gestaan dat zij sinds 2007/2008 zelf voor de kinderen heeft gezorgd. Dat de vrouw in november 2014 en februari 2015 een burn-out heeft gehad, en wellicht zelfs een begin van een psychose, zoals de man stelt, is tegenover de betwisting daarvan door de vrouw niet aannemelijk geworden. Bovendien geldt dat de vrouw in [land 2] niet op zichzelf is aangewezen. Dat de vrouw gedurende de geplande vakantie de zorg voor de kinderen niet aan zal kunnen acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk.

4.8.

Het argument dat (een van) de kind(eren) mogelijk levensbedreigend letsel oploopt en dan vanwege de geloofsovertuiging van de vrouw verstoken, zal blijven van een levensreddende bloedstransfusie, geldt vooralsnog niet alleen voor [land 2] en heeft derhalve als argument om de reis naar [land 2] tegen te houden onvoldoende betekenis. Daar komt in het licht van hetgeen in overweging 4.6 is aangehaald bij dat het nog maar zeer de vraag is of in [land 2] rekening zal worden gehouden met de aan haar geloof ontleende bezwaren van de vrouw tegen een noodzakelijke bloedstransfusie.

4.9.

Ten slotte heeft de man de vrees dat de vrouw niet met de kinderen zal terugkeren naar [land 4] niet onderbouwd. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw de man heeft gedreigd na ommekomst van de vakantie niet met de kinderen naar [land 4] terug te zullen keren of dat zij anderszins uitlatingen in die richting heeft gedaan. Vaststaat voorts dat de vrouw beschikt over drie retourtickets [plaats 1] – [plaats 2] en dat zij per 1 juni 2015 een nieuwe, ruimere woning in [plaats 2] heeft gehuurd met ruimere kamers voor de kinderen. Hoewel de man daarvoor nog geen toestemming heeft verleend, wil zij de kinderen vanaf de start van het nieuwe schooljaar onderbrengen op een nieuwe school in [plaats 2] . De vrouw heeft steeds, ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, benadrukt dat het haar uitsluitend erom is te doen haar familie in [land 2] te kunnen bezoeken en dat zij daarna weer terugkeert naar [land 4] , waar haar sociale leven en dat van de kinderen zich afspeelt. Bij die stand van zaken kan de omstandigheid dat in de [land 5] verhoudingen het Haags Kinderontvoeringsverdrag niet van kracht is geen ander licht op de zaak werpen.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de man, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door hem gestelde belang en het belang van de kinderen bij een vakantie in [land 2] , in redelijkheid niet kan blijven vasthouden aan zijn weigering de vrouw toestemming te verlenen voor een vakantie met de kinderen in [land 2] gedurende de periode 21 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015. Door dat toch te blijven doen, maakt de man naar het oordeel van de voorzieningenrechter misbruik van zijn bevoegdheid en bestaat er aanleiding zijn toestemming te vervangen door die van de voorzieningenrechter. Dit impliceert dat de vorderingen in reconventie van de man dienen te worden afgewezen.

4.11.

Met betrekking tot de gevorderde voorlopige voorzieningen betreffende de verhuizing en de inschrijving van de kinderen op de [naam 1] te [plaats 2] overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.11.1.

Het verlenen van toestemming tot verhuizing en tot het inschrijven van de kinderen op een andere basisschool heeft het karakter van een constitutieve beslissing. Dergelijke beslissingen kunnen niet in een kort geding procedure worden gegeven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voor beantwoording van de vraag of de voorgenomen verhuizing en wijziging van basisschool in het belang van de kinderen is bovendien een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden én de in dat kader af te wegen belangen vereist waarvoor in het kader van dit kort geding evenmin plaats is. Dit is bij uitstek een taak voor de bodemrechter. De betreffende vorderingen van de vrouw zullen dan ook worden afgewezen.

4.12.

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

5.1.

verleent aan de vrouw, ter vervanging van de toestemming van de man, toestemming om met de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [land 2] te gaan in de periode van 21 juli 2015 tot en met 7 augustus 2015;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;

In reconventie

5.5.

wijst de gevorderde voorzieningen af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L.G. Geisel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MK