Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5951

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3024u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft vanwege het exploiteren van een hondenpension verzocht om handhavend tegen de eigenaar van het buurperceel op te treden. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het gebruik van het perceel voor het houden of de opvang van honden gezien zijn aard, omvang en intensiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die zodanig is dat het planologisch gezien niet meer verenigbaar is met de woonbestemming. Evenmin is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van met de woonbestemming strijdige bedrijfsmatige activiteiten. Voorts is er geen sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd was handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 3024

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. B.H.G. Dautzenberg-Dieteren),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals, verweerder

(gemachtigden: mr. I.J.H. Lemmens en M.A.G. Andriolo).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2], te [woonplaats 1]

(gemachtigde: mr. drs. P. Cruts).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het exploiteren van een hondenpension op het perceel [adres 1] te [woonplaats 1] afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij is [belanghebbende 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het perceel [adres 2] te [woonplaats 1]. Op 9 juli 2012 heeft hij voor het eerst een verzoek om handhavend optreden tegen het exploiteren van een hondenpension op het naastgelegen perceel van de derde-partij aan de [adres 1] te [woonplaats 1] ingediend. Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat geen sprake is van het met het voormalige bestemmingsplan “Buitengebied” strijdig bedrijfsmatig exploiteren van een hondenpension. Vanwege het ontbreken van een overtreding is het verzoek van eiser afgewezen. Verweerder heeft bij besluit van 22 januari 2013 het tegen het besluit van 17 augustus 2012 door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.

2. Op 24 september 2013 heeft eiser vanwege het exploiteren van een hondenpension wederom bij verweerder verzocht om handhavend tegen de derde-partij op te treden. Omdat eiser zijn hernieuwde verzoek niet heeft onderbouwd en uit controles van de buitengewoon opsporingsambtenaren en de Landelijke Inspectiedienst vanaf september 2013 niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aantonen dat inmiddels wel sprake is van een bedrijfsmatige activiteit, heeft verweerder het verzoek bij het primaire besluit op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

3. In bezwaar heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het houden van een hondenpension, al dan niet bedrijfsmatig, strijdig is met het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” (het bestemmingsplan). Niet alleen is een hondenpension strijdig met de aldaar geldende bestemmingen (wonen en agrarisch met waarden – natuur en landschap), daarnaast voldoet het pension niet aan de geluidsnormen die gelden voor gebieden met de aanduiding “milieuzone – stiltegebied”. Voor zover slechts het bedrijfsmatig exploiteren strijdig zou zijn met het bestemmingsplan, is eiser van mening dat daarvan bij de derde-partij sprake is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser meerdere foto’s overgelegd. Volgens eiser blijkt hieruit dat over verschillende periodes minimaal tien verschillende honden zijn gebracht en op het perceel minimaal tien verschillende honden aanwezig zijn. Voorts is van belang dat de derde-partij structureel honden opvangt en houdt, activiteiten tegen betaling verricht en blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel op het perceel “[naam perceel]”, met als handelsactiviteit onder meer “dienstverlening voor het fokken en houden van dieren”, is gevestigd. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat op grond van het Honden- en Kattenbesluit sprake is van bedrijfsmatige activiteiten.

4. Verweerder is in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat het door eiser overgelegde fotomateriaal daterend van na het eerdere besluit van 22 januari 2013, kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft daarom het handhavingsverzoek van eiser in het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bedrijfsmatige exploitatie. Verweerder heeft hiertoe van belang geacht dat hij niet heeft kunnen vaststellen dat de op het perceel verblijvende honden voor overlast zorgen, niet zonder meer kan worden gezegd dat de opvang gericht is op winstoogmerk en geen sprake is van een professionele inrichting voor de opvang. Voorts is van belang dat structureel maximaal vijf honden, met af en toe een uitschieter naar zeven of acht honden, op het perceel verblijven. De derde-partij heeft zelf bij de gemeente aangegeven vijf honden te bezitten. De foto’s weerleggen dit niet. De enkele vermelding in het handelsregister betekent op zichzelf niet dat sprake is van een bedrijfsmatige activiteit. Het Honden- en Kattenbesluit is voor de vraag of in casu sprake is van bedrijfsmatige activiteiten niet relevant.

5. In beroep heeft eiser hetgeen hij in bezwaar naar voren heeft gebracht, gehandhaafd en in aanvulling hierop wederom foto’s overgelegd. Volgens eiser blijkt uit deze en de reeds eerder overgelegde foto’s dat minimaal twintig verschillende honden gedurende een jaar worden gebracht / op het perceel verblijven. Eiser heeft reeds in 2011 gesteld overlast te ondervinden, zodat het pension een structureel karakter heeft. Voorts is ook bij andere omwonenden sprake van hinder, zij hebben bij de gemeente in het verleden immers klachten ingediend. De derde-partij heeft bovendien een winstoogmerk. De gevraagde prijs voor dagopvang van € 8,= staat namelijk in verhouding tot het voorzieningenniveau (een oud gebouw zonder speciale voorzieningen) en de kosten die andere hondenpensions in rekening brengen.

6. De derde-partij heeft aangevoerd dat de door eiser overgelegde foto’s zonder toestemming zijn gemaakt en ingebracht. Het fotomateriaal dient daarom als onrechtmatig buiten de procedure te worden gehouden. Van bedrijfsmatige exploitatie is voorts geen sprake. Voor vrienden en kennissen die met vakantie gaan, verzorgen zij op kleine schaal tegen een onkostenvergoeding de opvang van hun honden. De inschrijving in het handelsregister ziet op het bedrijf van de zoon van de derde-partij. Hij richt zich op het onderhoud van groen en het verzorgen van dieren bij agrariërs en particulieren. Zijn bedrijfsactiviteiten staan los van de opvang van honden ter plaatse.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

9. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

10. Op grond van artikel 36.1 van het bestemmingsplan is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

11. De woning en binnenplaats op het perceel van de derde-partij is in het bestemmingsplan bestemd voor “wonen”. Het grasveld waar de honden los kunnen lopen, is bestemd voor “agrarisch met waarden – Natuur en landschap”.

12. Ingevolge artikel 14.1 van het bestemmingsplan zijn – voor zover van belang – voor “wonen” aangewezen gronden bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroep, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van die activiteiten maximaal 35m² bedraagt; de activiteiten door de bewoners van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend en op eigen terrein wordt geparkeerd.

13. Een aan huis gebonden beroep is op grond van artikel 1.4 van het bestemmingsplan de uitoefening van een beroep of praktijk op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning of daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Hieronder dienen in ieder geval niet te worden begrepen de uitoefening van ambachten en detailhandel (behoudens beperkte verkoop in het klein in het kader van het uitgeoefende beroep) alsmede prostitutie, seksinrichting en escortbedrijf. Hierbij kan de functie ook uitgeoefend worden door een ander dan de feitelijke bewoner van het pand.

14. Ingevolge artikel 14.5 van het bestemmingsplan wordt in ieder geval tot een met de bestemming strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 14.1, meer in het bijzonder voor bedrijfsmatige activiteiten.

15. Verweerder zoekt voor de invulling van het begrip “bedrijfsmatige activiteiten” aansluiting bij artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm). Voor zover van belang wordt een “inrichting” op grond van dit artikellid gedefinieerd als elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

16. In de jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4484) wordt voor de vraag of de exploitatie van een hondenpension bedrijfsmatig is, gekeken naar een aantal zaken. Het aantal dieren geeft een indruk, maar is alleen niet bepalend. Van belang zijn onder meer de continuïteit van de activiteit, het winstoogmerk van de activiteit, de hinder die de activiteit veroorzaakt, de omvang van de dierstapel, de huisvesting van de dieren, de commerciële doeleinden, het gebruik van de dieren, de perceelgrootte en de omgeving waar de dieren worden gehouden.

17. De rechtbank overweegt verder als volgt.

18. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het houden van een hondenpension, al dan niet bedrijfsmatig, strijdig is met het bestemmingsplan. De rechtbank overweegt ten eerste dat tussen partijen niet in geschil is dat een hondenpension niet kan worden begrepen onder een aan huis gebonden beroep zoals gedefinieerd in artikel 1.4 van het bestemmingsplan. Vervolgens dient, zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY6666), aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien aard, omvang en intensiteit heeft te worden beoordeeld of het gebruik ter plaatse in strijd is met de woonbestemming. Bepalend is of deze ruimtelijke uitstraling zodanig is, dat dat gebruik planologisch gezien niet meer verenigbaar is met de woonfunctie van het perceel. Daarbij is onder meer de ligging van het perceel bepalend (binnen of buiten de bebouwde kom) en de afstand van de woning tot andere woningen. Binnen dit kader kan eveneens van belang zijn – doch is niet doorslaggevend – of de activiteiten een beroepsmatig of hobbymatig karakter hebben (ECLI:NL:RVS:2000:AA5479).

19. De rechtbank overweegt dat het perceel buiten de bebouwde kom in landelijk gebied is gelegen. De woning van eiser grenst direct aan het perceel van de derde-partij. De honden verblijven gedurende de nachtelijke uren in een oud gebouw op het perceel van de derde-partij. Dit gebouw grenst aan de woonruimte van eiser. In dit gebouw zijn geen voorzieningen voor de opvang van honden aangebracht. Overdag kunnen de honden vrijelijk op het terrein op een grasveld en de binnenplaats, waarvan de poort doorgaans is gesloten, rondlopen. Tussen de woning van eiser en dit grasveld is de binnenplaats en het woonhuis van de derde-partij gelegen. Bij het halen en brengen van de honden door, zoals de derde-partij stelt, vrienden en bekenden wordt hun auto op de binnenplaats geparkeerd.

20. De rechtbank overweegt dat in opdracht van verweerder over de periode van 6 september 2013 tot en met 17 oktober 2014 door buitengewoon opsporingsambtenaren (van verweerders gemeente) ter plaatse in totaal zo’n 70 (niet aangekondigde) controles zijn uitgevoerd. De controles zijn, zoals naar voren komt uit de controlerapporten, uitgevoerd tijdens de dagperiode, zijnde de periode dat eiser stelt voornamelijk overlast te ondervinden, gedurende circa 10-15 minuten. De controles hebben plaatsgevonden op de voorliggende weg ([adres 3]), [adres 4], vanaf waar zicht bestaat op het grasveld, en op de binnenplaats. Daaruit volgt dat op de binnenplaats en het grasveld gemiddeld vijf honden en nimmer meer dan tien honden zijn waargenomen. Overlast door stank of hondengeblaf is ten tijde van de controles door de controleurs niet geconstateerd. Uit de aan het eerdere besluit van 22 januari 2013 ten grondslag gelegde controles komt geen ander dan voormeld beeld naar voren.

21. Eiser heeft zijn standpunt dat bij de derde-partij sprake is van een bedrijfsmatig geëxploiteerd hondenkennel met name gestaafd met fotomateriaal. Anders dan de derde-partij ziet de rechtbank geen grondslag om het fotomateriaal in het kader van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure als onrechtmatig buiten haar beoordeling te laten. De foto’s zijn genomen over de periodes 20 augustus 2013 tot en met 15 oktober 2013, 27 januari 2014 tot en met 29 maart 2014, 16 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 en 4 juni 2014 tot en met 21 juni 2014. Op de foto’s is te zien dat honden per auto op de binnenplaats worden afgeleverd / opgehaald. Voorts zijn op de foto’s op het grasveld loslopende honden te zien en parkerende auto’s.

22. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het gebruik van het perceel voor het houden of de opvang van honden gezien zijn aard, omvang en intensiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die zodanig is dat het planologisch gezien niet meer verenigbaar is met de woonbestemming. Daarbij betrekt de rechtbank dat het perceel is gelegen in landelijk gebied buiten de bebouwde kom van [plaats]. De vaak agrarische bebouwing is veelal verspreid over het gebied gelegen. Voorts is de rechtbank niet gebleken van activiteiten met een beroepsmatig karakter op het perceel. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de frequente door verweerder uitgevoerde controles, waaruit niet blijkt van overlast noch van de aanwezigheid van een groot aantal honden. Zoals aangegeven zijn er nooit meer dan tien honden waargenomen door de controleurs en ter zitting is namens de derde-partij aangegeven dat er vooral in vakantieperiodes 2 tot 3 honden worden gebracht. Bij het totale aantal honden dienen, naar het oordeel van de rechtbank, de vijf door de derde-partij bij de gemeente aangemelde honden voor de vraag of sprake is van een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit / exploitatie buiten beschouwing te blijven. Eisers stelling dat de derde-partij door het aanmelden van vijf honden bij de gemeente, die zij in werkelijkheid niet bezit, tracht te voorkomen dat zij als exploitant van een professioneel hondenkennel wordt aangemerkt, ontbeert een (voldoende) onderbouwing. De rechtbank ziet in dit verband voorts geen reden om de bevindingen van de controleurs in twijfel te trekken en is van oordeel dat, zou sprake zijn van de door eiser gestelde overlast, deze bij de controles op zijn minst in enige mate aan het licht moest zijn gekomen. Zoals blijkt uit de rapportages zijn de controles immers uitgevoerd tijdens de dagperiode vanuit meerdere plekken en bestonden de controles, anders dan eiser stelt, niet enkel uit het voorbijrijden met open autoraam. Op basis van de overgelegde foto’s kan niet zonder meer worden vastgesteld of de honden die daarop te zien zijn in eigendom van de derde-partij zijn of dat de honden worden gehaald dan wel gebracht door derden. Zelfs als dat laatste wordt aangenomen dan kan volgens de rechtbank in het overgelegde fotomateriaal onvoldoende onderbouwing worden gezien voor de beweerdelijke structurele aanwezigheid van meer honden dan waargenomen bij de controles door verweerder. Bovendien heeft eiser niet onderbouwd weerlegd dat, niettegenstaande de waarnemingen van de controleurs, wel sprake is van overlast door de aanwezigheid en het halen dan wel brengen van honden. Gelet op het vorenstaande heeft eiser, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aangetoond dat het gebruik van het perceel niet verenigbaar is met de woonbestemming.

23. Vorenstaande overwegingen, met name ten aanzien van het (totaal) aantal dieren en de hinder, leiden de rechtbank met toepassing van de onder rechtsoverweging 16 genoemde criteria voorts tot het oordeel dat geen sprake is van met de woonbestemming strijdige bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in artikel 14.5 van het bestemmingsplan. De rechtbank betrekt daarbij voorts dat, onder meer gezien het (beperkte) aantal honden en het ontbreken van reclame-uitingen voor de opvang, niet voldoende is aangetoond dat sprake is van een winstoogmerk bij de derde-partij en voor de huisvesting van de honden geen speciale voorzieningen zijn aangebracht. De inschrijving in het handelsregister, waarnaar eiser heeft verwezen, zegt daarbij niets over het feitelijk gebruik van het perceel en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden.

24. In het licht van het vorenstaande is de rechtbank voorts van oordeel dat er ten aanzien van het houden en de opvang van honden geen sprake is van een bedrijfsmatige of in een omvang als of zij bedrijfsmatig is aan te merken bedrijvigheid en derhalve niet gesproken kan worden van een inrichting in de zin van artikel 1.1., eerste lid, van de Wm. Van een overtreding van de deze wet en het daarop gebaseerde Activiteitenbesluit is derhalve geen sprake.

Ter zitting is van de zijde van eiser nog aangegeven dat het Honden- en Kattenbesluit hoofdzakelijk is aangevoerd om aan te tonen dat er sprake is van een bedrijvigheid bij 20 honden. Van dat aantal is de rechtbank niet gebleken en voorts merkt de rechtbank op dat dit besluit per 1 juli 2014 is vervallen en niet verweerder maar de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming bevoegd is om op grond hiervan handhavend op te treden. Overigens is gebleken dat ook door deze instantie is gecontroleerd. Het beroep van eiser op dit besluit in het kader van de onderhavige procedure faalt dan ook.

25. De rechtbank is eveneens niet gebleken dat het gebruik van het grasland, waarop de bestemming “agrarisch met waarden – Natuur en landschap” rust, als losloopplek voor de eigen honden en de honden van derden, mede gelet op de geconstateerde aantallen, strijdig is met de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels neergelegd in de artikelen 4.1 en 4.5 van het bestemmingsplan.

26. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de onderhavige activiteiten vallen onder de verbodsbepalingen ten aanzien van stiltegebieden van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (artikelen 4.6.1 e.v) nog daargelaten dat niet verweerder maar gedeputeerde staten van de provincie Limburg bevoegd zijn in dat verband handhavend op te treden.

27. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat hij niet bevoegd was handhavend op te treden.

28. Het beroep is ongegrond.

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

15 juli 2015.

w.g. Lechanteur

griffier

w.g. Seerden

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 juli 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.