Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5934

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
C-03-207064 - KG ZA 15-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffen executoriaal beslag. Vexatoir. Nalatenschap. Belangenafweging.

Herstelvonnis ECLI:NL:RBLIM:2015:7535

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/207064 / KG ZA 15-288

Vonnis in kort geding van 14 juli 2015

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. Y.G.M.J. Breukers,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 3] ,

advocaat mr. J.P. Geertsema.

2. [gedaagde sub 2],

wonend te [woonplaats 3] ,

advocaat mr. K.A.M.G. Swinkels

gedaagden,

Partijen zullen hierna eisers, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 juni 2015, met producties,

  • -

    akte houdende aanvulling van eis, met productie,

  • -

    de brief van 24 juni 2015 van [gedaagde sub 2] , met productie,

  • -

    de brief van25 juni 2015 van [gedaagde sub 1] , met productie

  • -

    de mondelinge behandeling van 29 juni 2015, waarvan aantekening is gehouden door de griffier,

  • -

    de pleitnota van eisers,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 2] , waaraan gehecht een productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vier kinderen [familienaam] – eisers, [gedaagde sub 1] en een zus die om haar moverende reden niet deelneemt in het geding, zijn de erfgenamen van wijlen [naam moeder] , hun moeder, die sinds 1972 weduwe was van hun vader, [naam vader] , met wie zij in gemeenschap van goederen gehuwd was. Moeder is overleden in januari 2013.

2.2.

Vader heeft niet beschikt met testament over zijn nalatenschap, zodat moeder en de vier kinderen elk voor 1/5de deelden in de helft van de door het overlijden ontbonden huwelijkse gemeenschap. Tot de nalatenschap behoorde de ouderlijke woning te Nieuwstadt, zodat elk van de kinderen, zogezegd, voor 10% eigenaar is geworden van het onroerend goed. [gedaagde sub 1] heeft bij leven van moeder zijn erfdeel niet opgeëist.

2.3.

Moeder heeft een testament opgemaakt waarin zij haar kleinkinderen elk een bedrag in contanten legateert en voorts heeft zij haar vier kinderen tot haar erfgenamen benoemd, elk voor een gelijk deel.

2.4.

De erfgenamen hebben besloten tot verkoop van de ouderlijke woning, waar zij elk voor 10% eigenaar van zijn en waarin zij voor het overige onverdeelde aandeel van moeder, te weten haar nalatenschap, voor een gelijk deel gerechtigd zijn.

2.5.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] sinds 2010 uit de echt gescheiden en onderdeel van het afwikkelen van de bijzondere gemeenschap en verrekening dan wel ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, is bij rechterlijke beschikking van 6 april 2011 finale kwijting overeengekomen. Onderdeel van het in de beschikking vastgelegde convenant is de afspraak dat de betalingen inzake een verzekeringspolis, het Aegon Fundplan, door [gedaagde sub 1] zou worden gecontinueerd tot het einde van de looptijd van die polis en dat [gedaagde sub 1] daarna de opbrengst aan [gedaagde sub 2] zou doen toekomen. [gedaagde sub 2] zou de opbrengst vervolgens volgens het convenant moeten gebruiken voor studiekosten van hun beide zoons en over de besteding van het geld aan [gedaagde sub 1] rekening en verantwoording afleggen.

2.6.

[gedaagde sub 1] heeft in april 2012, toen de polis afliep, de opbrengst ad € 14.758,34 niet aan [gedaagde sub 2] uitbetaald. [gedaagde sub 2] heeft thans in het kader van haar vordering op [gedaagde sub 1] , die blijkt uit de beschikking van de rechtbank Maastricht van 6 april 2011, een tweetal beslagen executoriale beslagen gelegd: een beslag ligt op het onroerend goed (de ouderlijke woning) dat [gedaagde sub 1] in eigendom heeft, namelijk 10% daarvan, en een beslag ligt (na opheffing van een eerder min of meer vergelijkbaar beslag) op het onbekend aandeel van [gedaagde sub 1] in de gehele onverdeelde gemeenschap, waaronder 60% van het onroerend goed (de ouderlijke woning).

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen na wijziging van eis – samengevat – primair

[gedaagde sub 1] te veroordelen te gehengen en gedogen dat hetgeen [gedaagde sub 2] toekomt op basis van de beschikking van 6 april 2011 van de rechtbank Maastricht, dan wel 10% van de koopsom bij gelegenheid van de levering van de woning door de notaris wordt uitbetaald aan [gedaagde sub 2] en het beslag op de zaak op te heffen,

en subsidiair

te bepalen dat de notaris namens [gedaagde sub 2] bevoegd is het beslag door te halen en onder uitbetaling van hetgeen [gedaagde sub 2] toekomt op basis van de beschikking van 6 april 2011 van de rechtbank Maastricht, dan wel van 10% van de koopsom,

en meer subsidiair

[gedaagde sub 2] te veroordelen het beslag op de zaak op te heffen en te bepalen dat de notaris bevoegd is tot uitbetaling aan [gedaagde sub 2] van hetgeen [gedaagde sub 2] toekomt op basis van de beschikking van 6 april 2011 van de rechtbank Maastricht, dan wel van 10% van de koopsom, een en ander op straffe van een dwangsom voor [gedaagde sub 2] ,

met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de (na)kosten van het geding.

3.2.

Eisers leggen aan de vordering ten grondslag dat de door [gedaagde sub 2] gelegde beslagen jegens hen onrechtmatig zijn, omdat zij de verkoop van de ouderlijke woning frustreren. Eisers stellen spoedeisend belang bij en recht op de gevraagde voorziening te hebben.

3.3.

[gedaagde sub 1] erkent dat hij de opbrengst van de polis niet heeft uitgekeerd aan [gedaagde sub 2] , omdat hij dat geld reeds heeft gebruikt voor opleidingskosten van de kinderen. Hij stelt dat ter oplossing van het conflict met [gedaagde sub 2] het in depot stellen van zijn aandeel in de koopsom bij de notaris [gedaagde sub 2] voldoende zekerheid biedt.

3.4.

[gedaagde sub 2] stelt dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de afspraak bij convenant inzake de polis en dat zij daardoor gedwongen is executoriaal beslag te leggen op zijn eigendom en aandeel in de nalatenschap. [gedaagde sub 2] stelt dat [gedaagde sub 1] niets te verrekenen heeft inzake opleidingskosten, zodat stellen van zekerheid noodzakelijk is.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De spoedeisendheid

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.

Het executoriale beslag

4.2.

Bij een vordering tot opheffing van een executoriaal beslag heeft de voorzieningenrechter slechts een beperkte taak. Hij zal slechts in de executie mogen ingrijpen, indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid.

Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn, indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Een vexatoir beslag zou tot een dergelijke noodsituatie kunnen leiden.

De vraag of het leggen van executoriaal beslag als vexatoir en daarom onrechtmatig moet worden aangemerkt (de beslaglegger oefent zijn bevoegdheid tot beslaglegging uit op eigen risico), dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

4.3.

De voorzieningenrechter merkt op dat in wezen sprake is van een geding in dit kort geding, namelijk de kwestie van de niet door [gedaagde sub 1] aan [gedaagde sub 2] uitbetaalde polis, die door de beslaglegging door [gedaagde sub 2] op de eigendom en het aandeel in de nalatenschap van [gedaagde sub 1] , tot gevolg heeft dat de ouderlijke woning voor een deel bezwaard is en daardoor niet verkoopbaar is gebleken.

4.4.

Zonder een oordeel te vellen over het geschil tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is voor de beoordeling of het executoriaal beslag opgeheven moet worden het volgende van belang.

[gedaagde sub 1] erkent dat hij het convenant, zoals bij beschikking van 6 april 2011, is vastgelegd niet nakomt en het bedrag uit de polis in 2012 niet aan [gedaagde sub 2] heeft uitgekeerd. [gedaagde sub 1] beroept zich echter op (volledige) verrekening met door hem gemaakte kosten van opleiding van de kinderen, waar de opbrengst van de polis immers voor was bestemd.

[gedaagde sub 2] heeft sinds het vrijvallen van de polisopbrengst en het niet uitbetalen daarvan aan haar geen (voor de voorzieningenrechter kenbare) andere actie in rechte ondernomen dan het onderhavige executoriale beslag, om hetgeen dat [gedaagde sub 1] op basis van het convenant in de beschikking van 6 april 2011 verschuldigd is, van hem te daadwerkelijk te vorderen.

4.5.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting moeten concluderen dat de kern van het geschil tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gelegen is in het feit dat er tussen geen enkele overeenstemming (meer) bestaat over de vraag was onder ‘kosten van opleiding’ moet worden verstaan en dat beide partijen tot op heden hebben nagelaten elkaar nader te informeren over de bedragen die zij menen aan de opleiding van hun zoons te hebben besteed en over de vraag of deze al dan niet als opleidingskosten moeten worden gekarakteriseerd en in wezen uit de opbrengst van de polis zouden moeten worden voldaan.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting in kort geding ook vastgesteld dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] niet bereid zijn om tot een oplossing te komen, althans dat [gedaagde sub 2] om haar moverende redenen geen andere (vorm van) zekerheid, bijvoorbeeld het aanbod het aandeel in de koopsom van [gedaagde sub 1] in depot bij de notaris te laten staan, aanvaardt.

Vast staat dat [gedaagde sub 2] evenmin, omdat zij een vordering op [gedaagde sub 1] heeft, een vordering tot verdeling van de gemeenschap heeft ingesteld (artikel 3:180 BW).

4.6.

Eisers stellen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de overige erfgenamen ‘gevangen houden in hun persoonlijke geschil’ en dat de beslagen de verkoop ernstig belemmeren, terwijl het onwaarschijnlijk is, gelet op de omvang van het eerste beslag en de aard van het beslagen goed en gelet op de verhouding tussen kosten en opbrengsten van executie, dat [gedaagde sub 2] daadwerkelijk tot executie zal overgaan. Het beslag op het onverdeelde aandeel heeft eveneens door de praktische uitwerking – aanhechting in de openbare registers – een belemmerende uitwerking op de verkoop.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beslag weliswaar ligt op de eigendom van 10% en op het aandeel van [gedaagde sub 1] in de onverdeeldheid, maar dat het met name de gemeenschap is die wordt getroffen door het beslag. Hoewel formeel juist is dat genoemde beslagen een eventuele verkoop van de ouderlijke woning niet per se in de weg staan, is het een algemeen ervaringsfeit dat een verkoper ‘last’ heeft van beslagen, omdat een bezwaard object nu eenmaal potentiële kopers afschrikt.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gedrag van [gedaagde sub 1] inzake de polis – het stilzitten – veroorzaakt dat [gedaagde sub 2] zich gedwongen ziet zekerheid te zoeken voor haar vordering. Het nemen van rechtsmaatregelen kan [gedaagde sub 2] in beginsel niet verweten worden. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat een executoriaal beslag vexatoir kan worden door verloop van tijd (stilzitten van [gedaagde sub 2] ) en door het feit dat de [gedaagde sub 2] geen redelijk alternatief als zekerheid aanvaardt, dan wel geen geëigende en noodzakelijke vorderingen instelt jegens [gedaagde sub 1] en/of de gemeenschap.

4.9.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] volhardend in hun standpunten, gezamenlijk of elk voor zich, niet bereid zijn om alternatieve maatregelen te treffen die niet of minder belastend zijn voor de gemeenschap, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich jegens de gemeenschap, althans jegens eisers opstellen op een wijze die niet overeenkomt met hetgeen van een deelgenoot, wat betreft [gedaagde sub 1] , mag worden verwacht, of met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het executoriaal beslag op de 10% eigendom van [gedaagde sub 1] vexatoir is, omdat het de verkoop van het onroerend goed lam legt en onnodig belemmert, terwijl er geen enkele daad van executie wordt verricht, of verricht zal gaan worden.

Het executoriale beslag op het onverdeelde aandeel van [gedaagde sub 1] in de gemeenschap schrikt door de aanhechting eveneens potentiële kopers af. De voorzieningenrechter merkt op dat het afhaken van potentiële kopers niet in het belang is van de gemeenschap, waar [gedaagde sub 1] deel van uitmaakt, maar óók niet in het belang van [gedaagde sub 2] . Uit de proceshouding van [gedaagde sub 2] concludeert de voorzieningenrechter immers dat [gedaagde sub 2] geen executie in de vorm van een verdeling van de gemeenschap vóór de verkoop van de ouderlijke woning beoogt, althans dat is nergens uit gebleken, maar betaling van haar vordering op [gedaagde sub 1] uit de koopsom. [gedaagde sub 2] verzet zich weliswaar tegen de vordering van eisers, omdat de door hen aangedragen oplossing(en) haar beweerdelijk geen of onvoldoende zekerheid bieden, maar [gedaagde sub 2] verliest daarbij uit het oog dat niet eisers, of de onverdeelde gemeenschap, maar [gedaagde sub 1] , als haar directe wederpartij in het geschil omtrent de polis, de vereiste zekerheid zou moeten bieden. De gevolgen van de impasse waarin [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zich wat dat aangaat bevinden, mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet afgewenteld worden op de gemeenschap, zodat daarom ook het beslag op het aandeel vexatoir is.

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat hij zich met toewijzing van hetgeen wordt gevorderd ter zake het uitbetalen door de notaris van een deel van de koopsom aan [gedaagde sub 2] alsnog mengt in het geschil tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , hetgeen juist niet aan de orde dient te zijn, zodat de vordering zal worden afgewezen op die punten.

4.12.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat de gelegde executoriale beslagen worden opgeheven, omdat zij onrechtmatig jegens de gemeenschap en derhalve jegens eisers zijn. Omdat [gedaagde sub 2] nog allerlei andere rechtsmaatregelen ten dienste staan, waaronder beslag op de koopsom, weegt het nadeel dat zijn ondervindt niet op tegen het nadeel van eisers, die thans geconfronteerd worden met een onverkoopbaar onroerende zaak.

De proceskosten

4.13.

Eisers hebben hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevorderd. De voorzieningenrechter ziet, omdat beide gedaagde partijen in het ongelijk worden gesteld en beiden een aandeel hebben in de redenen waarom, geen beletsel daartoe over te gaan.

De kosten worden aan de zijde van eisers tot op heden betgroot op:

  • -

    exploot van dagvaarding € 102,07

  • -

    griffierecht € 285,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

totaal € 1.203,07.

De rente en de nakosten zullen worden toegewezen, zoals in het dictum.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het op 17 september 2014 gelegde executoriaal beslag op het 1/10de deel van [gedaagde sub 1] in de eigendom van de woning en toebehoren, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 3] ,

5.2.

heft op het executoriaal beslag – van onbekende datum en dat, zoals omschreven ter zitting van 29 juni 2015, is gelegd ter vervanging van het beslag van 12 juni 2015 – op het onbekend aandeel van [gedaagde sub 1] in de gehele onverdeelde gemeenschap, waaronder de 60% van de woning en toebehoren, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 3] ,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in de zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding aan de zijde van eisers begroot op € 1.203,07, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele betaling, alsmede vermeerderd met de nakosten, begroot op € 131,00 en verhoogd met € 68,00 betekeningskosten, indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis hebben daaraan hebben voldaan,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst anders is gevorderd af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: