Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5914

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-07-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
C-03-207413 - KG ZA 15-306
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffen conservatoir (derden)beslag. Klemmend/vexatoir. Afweging van belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/207413 / KG ZA 15-306

Vonnis in kort geding van 13 juli 2015

in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. [naam bedrijf],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. K.G.J. Verbong,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. A. Kara.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 juni 2015,

  • -

    de brief van 25 juni 2015 van [eiser] met producties,

  • -

    de brief van 29 juni 2015 van [gedaagde] met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 2 juli 2015, waarbij [gedaagde] een reconventionele vordering heeft ingesteld waarvan de voorzieningenrechter heeft aangegeven daarop bij vonnis te beslissen,

  • -

    de pleitnota van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]) overgenomen van zijn vader uit een faillissement en heeft met dit bedrijf als eenmanszaak een doorstart gemaakt. [naam bedrijf] treedt op als intermediair in het werven, selecteren, uitzenden en detacheren en payrollen op de arbeidsmarkt. [naam bedrijf] is met name actief in de vervoers- c.q. logistieke sector.

[naam bedrijf] maakt gebruik van een back-office, te weten PSC Backoffices (hierna: PSC). PSC is de juridische werkgever. [naam bedrijf] ontvangt als intermediair bruto winst van haar opdrachten van PSC. De betaling van de werknemers die worden geplaatst bij opdrachtgevers vindt plaats door PSC. Er zijn zo’n 50 werknemers geplaatst en maandelijks levert dit [naam bedrijf] een betaling op van PSC tussen de € 1.000,00 en circa € 2.000,00.

2.2.

[naam bedrijf] en [gedaagde] zijn op 16 april 2014, althans in mei 2014, een overeenkomst van opdracht aangegaan voor de duur van een jaar. [gedaagde] wierf voor [naam bedrijf] nieuwe klanten en legde en onderhield klantcontacten. [gedaagde] gaf ook ondersteuning bij werving en selectie van geschikte kandidaten voor opdrachtgevers.

Voor zijn werkzaamheden ontving [gedaagde] 50% volgens de overeenkomst van april, althans 70% volgens de overeenkomst van mei, van de betaalde brutowinst uit de door hem aangebrachte klanten, verminderd met € 25,00 per week aan overheadkosten, zoals een kantoorruimte/werkplek. Afrekening vond plaats op weekbasis aan de hand van omzetoverzichten. [gedaagde] stuurde daartoe een factuur, die binnen veertien dagen door [naam bedrijf] werd betaald.

2.3.

[gedaagde] heeft [naam bedrijf] in juli 2014 laten weten ook andere opdrachtgevers te willen aannemen naast [naam bedrijf]. [naam bedrijf] was daarmee akkoord, mits de kwaliteit van het werk voor [naam bedrijf] er niet onder zou lijden. [gedaagde] heeft in oktober 2014 daadwerkelijk een nieuwe opdrachtgever naast [naam bedrijf] gevonden. Het werk zou de omvang van 2 à 3 dagen per twee weken hebben.

[gedaagde] heeft op 5 december 2014 aan [naam bedrijf] gemeld dat hij vanaf 8 december 2014 tot maart 2015 niet beschikbaar zou zijn voor [naam bedrijf] door werkzaamheden van derden.

2.4.

Tot medio november 2014 is door [gedaagde] op basis van 70% gefactureerd en betaald door [naam bedrijf]. [gedaagde] is in november voorts akkoord gegaan met een verlaging van zijn honorarium naar 50%. [naam bedrijf] heeft evenwel in die periode de overzichten op basis waarvan [gedaagde] kon factureren niet meer toegezonden en de betalingen gestaakt.

[gedaagde] stuurt sindsdien schattingsfacturen.

2.5.

[naam bedrijf] en [gedaagde] hebben gesproken over beëindiging van de overeenkomst, maar zij zijn niet tot een vergelijk gekomen.

2.6.

Op 13 maart 2015 heeft [gedaagde] [naam bedrijf] voor de eerste maal gemaand te betalen. Omdat betaling ondanks herhaald verzoek geheel uitblijft, heeft [gedaagde] [eiser] ([naam bedrijf]) gedagvaard. In de bodemprocedure wordt € 16.495,66 gevorderd, met rente en kosten. In dat kader is door [gedaagde] op 6 mei 2015 verlof verkregen tot leggen van conservatoir (derden)beslag tot een bedrag van € 21.444,00. Het beslag heeft doel getroffen en omvat bij ING € 6.676,51. Tevens is beslag gelegd onder PSC op de vorderingen van [naam bedrijf], waardoor ook een bedrag van ongeveer € 15.000,00 van [naam bedrijf] onder PSC blijft.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert de opheffing van de op 8 mei 2015 gelegde en 16 mei 2015 aan hem overbetekende beslagen onder ING en PSC en [gedaagde] te verbieden ten laste van [eiser] nader conservatoir beslag te leggen inzake de in de hoofdzaak door [gedaagde] ingestelde vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij door de gelegde beslagen belemmerd wordt in zijn bedrijfsvoering en dat faillissement dreigt, terwijl het beslag onder ING en PSC tezamen inmiddels het door [gedaagde] in de bodemzaak gevorderde bedrag benadert. Rameackers stelt daarom spoedeisend belang bij en recht op de gevorderde voorziening te hebben.

3.3.

[eiser] erkent dat € 3.218,20 tot 20 februari 2015 – de dag waartegen hij de overeenkomst heeft opgezegd – onbetaald is gelaten, maar stelt dat [naam bedrijf] een vordering op [gedaagde] heeft op grond van verbeurde boetes, omdat hij zich niet aan de overeengekomen geheimhoudingsplicht zou hebben gehouden. [eiser] stelt dat een deel van de vordering van [gedaagde] gebaseerd is op een mogelijke schadevergoeding die voormalig klant [naam klant] verschuldigd is, terwijl [gedaagde] alleen op grond van omzet kon declareren. Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde] geen aanspraak meer kan maken op betalingen na einde contract, althans na 1 april 2015.

3.4.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat het gebruikelijk is in de branche waarin hij en [eiser] opereren dat de aanbrenger van een klant recht heeft op een deel van de gegenereerde omzet bij die klant en dat dit ook na beëindiging van de opdracht het geval kan zijn. [gedaagde] betwist overigens dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd. [gedaagde] is derhalve van mening dat hij terecht heeft gefactureerd en dat hij nu betaling is uitgebleven [eiser] ([naam bedrijf]) terecht in rechte heeft betrokken en beslag heeft laten leggen.

[gedaagde] zegt voorts dat hij bereid is het beslag op het heffen, als [eiser] enige vorm van zekerheid verschaft, bijvoorbeeld een bedrag op de derdenrekening van een van de advocaten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisendheid

4.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.

Ten aanzien van het opheffen van de beslagen

4.2.

Artikel 705 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat de vordering van [gedaagde] summierlijk ondeugdelijk is gebleken, hij [eiser] daarin niet kan volgen. Hij stelt vast dat [eiser] de vordering deels erkent en voorts de vordering op verschillende gronden betwist en dat [eiser] stelt dat er grond is voor verrekening. Hetgeen [eiser] aanvoert noopt echter, gelet op het verweer van [gedaagde], niet op voorhand tot de conclusie dat de vordering van [gedaagde] ongegrond is, zodat de beslagen op die grond niet kunnen worden opgeheven.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beslag onder PSC zodanig knellend is dat hij aanleiding ziet het beslag te beperken. Hij overweegt daartoe het volgende.

4.5.

De hoogte van de vordering van [gedaagde] is blijkens de overgelegde dagvaarding in de bodemprocedure € 16.495,66, vermeerderd met rente en kosten. Het beslag onder ING treft doel voor € 6.676,51 en het beslag onder PSC trof direct € 3.500,00 (productie 12 bij dagvaarding) en loopt, desgevraagd, volgens [eiser] maandelijks op met bedragen tot
€ 2.000,00 en het beslagen bedrag in totaal (ING en PSC) was op de datum van behandeling in kort geding circa € 15.000,00. Hoewel volgens [gedaagde] nog geen opgave van PSC is ontvangen, heeft hij de door [eiser] genoemde maandelijkse (omzet)bedragen als zodanig niet betwist.

4.6.

Erkend door [gedaagde] is dat [eiser] voor zijn bedrijfsvoering volledig afhankelijk is van de betalingen door PSC en onweersproken door hem is dat [eiser], gelet op het feit dat [naam bedrijf] recent uit een faillissement is doorgestart, geen relevant eigen vermogen heeft of de mogelijkheid om een bankgarantie te stellen. Door het beslag onder PSC en het gebrek aan andere inkomstenbronnen kan [naam bedrijf] de werknemers en andere crediteuren ook niet meer betalen, hetgeen de continuïteit van de bedrijfsvoering onbetwist in ernstige problemen brengt.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, omdat niet is geklaagd over het beslag onder ING, maar de inkomsten van PSC cruciaal zijn voor de bedrijfsvoering, het beslag onder PSC onnodig knellend wordt als volledige uitwinning van het beslag volgt. [eiser] heeft er belang bij dat [naam bedrijf] de inkomsten van PSC op korte termijn weer zal gaan ontvangen, terwijl ook [gedaagde] er belang bij heeft dat [naam bedrijf] blijft draaien, omdat uit niets blijkt dat zijn vordering op [eiser] preferent is of anderszins voorrang zou kunnen hebben op andere schuldeisers van [eiser] ([naam bedrijf]). Op grond hiervan is er aanleiding het beslag onder PSC te beperken tot een bedrag van € 9.500,00, hetgeen in juli 2015, gelet op de stellingen van [eiser] bereikt zal worden. Tezamen met het beslag onder ING is zo de primaire vordering van [gedaagde] ad € 16.495,66 immers nagenoeg gedekt. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat hem met name de claim van [gedaagde] op een aandeel in de schadevergoeding van [naam klant] op voorhand niet zeer kansrijk voorkomt, zodat het ontbreken van volledige zekerheid niet bezwaarlijk is, althans dat het belang van [eiser] bij een spoedige hervatting van zijn normale bedrijfsvoering opweegt tegen het belang van [gedaagde] bij volledige zekerheid.

De reconventionele vordering

4.8.

Los van het antwoord op de vraag of de door [gedaagde] ingestelde reconventionele vordering – betaling van het erkende bedrag ad € 3.218,20 – op procestechnische gronden moet worden afgewezen, zoals door [eiser] is betoogd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat, omdat [eiser] ([naam bedrijf]) zich beroept op verrekening, de vordering thans niet eenvoudig is te beoordelen, althans dat gelet op de hoogte van de vordering en de betrokken belangen de uitkomst van een beslissing in de hoofdzaak kan worden afgewacht, zodat deze vordering reeds om die reden afgewezen wordt.

Proceskosten

4.9.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding in het feit dat [eiser] noch [gedaagde] volledig in het gelijk zijn gesteld de kosten van de procedure te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft het op 8 mei 2015 gelegde conservatoir (derden)beslag onder PSC op voor zover door dit beslag meer dan een bedrag van € 9.500,00 wordt getroffen,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat [eiser] en [gedaagde] elk de eigen kosten dragen,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvBcoll: