Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5875

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
03/207195 / HA RK 15-132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Procesbeslissing. Eisen van een partij aan de inhoudelijke behandeling door de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Wrakingskamer

Datum beslissing: 1 juli 2015

zaaknummer: 03/207195 / HA RK 15-132

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingsverzoeken

in de zaak van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker)

indiener van een verzoek dat strekt tot wraking van:

mr. E.J. Govaers, rechter in deze rechtbank (hierna ook: de rechter).

1 Procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft bij de rechtbank Limburg, sector bestuursrecht, beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van 9 september 2014 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond inzake schuldhulpverlening. De rechtbank heeft dat beroep in behandeling genomen en op 19 mei 2015 zijn de kennisgevingen van behandeling van het beroep op zitting (van 11 juni 2015) verstuurd. Daarbij is meegedeeld dat mr. Govaers de beroepszaak van verzoeker behandelt. Op 5 juni 2015 heeft verzoeker via de mailbox van de rechtbank een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Op 18 en 19 juni 2015 heeft verzoeker aanvullende correspondentie ingestuurd.

1.2.

De rechter heeft de wrakingskamer laten weten dat hij niet in het wrakingsverzoek berust.

2. De grond van het wrakingsverzoek

2.1.

Als grond voor het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter van de wederpartij in de beroepszaak geen bewijzen heeft gevraagd en stukken van verweerder heeft geaccepteerd die niet zijn ondertekend. Voorts verwijt verzoeker de rechter dat de beroepszaak te lang duurt, waardoor verzoeker schade heeft geleden, terwijl medewerkers van het bestuursorgaan, als ook de rechter en de griffier, vrijuit gaan.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter stelt in zijn schriftelijke reactie van 10 juni 2015 dat het verzoekschrift geen concrete aanknopingspunten bevat die de stelling van verzoeker onderbouwen dat de rechter partijdig zou zijn. Verder geeft de rechter aan dat de vraag wie wat moet bewijzen in de beroepszaak van verzoeker, en aan de hand van welke documenten, ter zitting aan de orde kan worden gesteld. De stelling van verzoeker dat er sprake is van onnodige vertraging ontbeert naar de mening van de rechter feitelijke grondslag.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

De wrakingskamer is van oordeel dat het onderhavige verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid buiten behandeling moet worden gesteld en dat om die reden geen mondelinge behandeling nodig wordt geacht. De wrakingskamer verwijst in dat verband naar artikel 9.1 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg, vastgesteld door het bestuur van de rechtbank bij besluit van 5 februari 2014. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.

4.2.

De door verzoeker aangevoerde gronden voor het wrakingsverzoek zien in feite op procesbeslissingen, die in beginsel geen feiten of omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dat kan anders zijn indien een aangevochten procesbeslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven en een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Feitelijk heeft slechts een toewijzing van de zaak van verzoeker aan de rechter plaatsgevonden, en heeft op het moment dat verzoeker de rechter heeft gewraakt nog geen processuele of inhoudelijke bemoeienis van de (persoon van de) rechter met de zaak van verzoeker plaatsgevonden. In die omstandigheden kan niet worden gesproken van handelingen of gedragingen die de rechter raken en die een partij grond geven te vrezen dat de behandelend rechter niet onpartijdig is.

Voor zover verzoeker in het kader van het wrakingsverzoek voorwaarden stelt aan de inhoudelijke behandeling en aan de benodigde stukken, is de wrakingskamer van oordeel dat, wat hier ook van zij, dit geen wrakingsgrond oplevert. Bovendien is de regie in de beroepszaak in handen van de behandelend rechter, terwijl, zoals de rechter in zijn reactie ook heeft aangegeven, de zitting juist het moment is om de vraag aan de orde te stellen wie wat moet bewijzen in de beroepszaak van verzoeker, en aan de hand van welke documenten.

De wrakingskamer is tot slot van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden als gevolg waarvan de tijdspanne die de beroepszaak van verzoeker in beslag neemt aan de persoon van de rechter moet worden toegerekend, zodat ook hierin geen wrakingsgrond is gelegen.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet tot toewijzing van het verzoek kan leiden en het verzoek voor kennelijk niet-ontvankelijk dient te worden gehouden. Op die grond zal de wrakingskamer het wrakingsverzoek buiten behandeling stellen.

4.4.

De wrakingskamer oordeelt daarnaast dat verzoeker door het indienen van wrakingsverzoeken, die zijn gebaseerd op gronden die in strijd komen met de bedoeling van de wrakingsprocedure, misbruik maakt van de bevoegdheid tot wraking. De wrakingskamer zal daarom bepalen, dat een volgend verzoek tot wraking op de hier bedoelde gronden niet in behandeling wordt genomen.

5 Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:

- stelt het verzoek tot wraking van mr. Govaers buiten behandeling;

- bepaalt, dat een volgend verzoek, gebaseerd op gronden die in strijd komen met de bedoeling van de wrakingsprocedure, niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J.W. Rijksen en

mr. F. Oelmeijer, leden, bijgestaan door J.N. Buddeke als griffier en uitgesproken op

1 juli 2015.

Tegen de beslissing van de wrakingskamer staat geen rechtsmiddel open.