Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5825

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
03/866215-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2157, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens zware mishandeling, begaan tegen haar zoontje van 4,5 maanden oud. Verdachte heeft het kind zodanig hard aangepakt, dat het een schuine breuk in het opperarmbeen heeft opgelopen. Onderzoek heeft aangetoond dat geen andere oorzaak voor deze breuk kan worden vastgesteld. Aan verdachte is een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd. Bij de bepaling van deze straf is rekening gehouden met het feit dat het zoontje onmiddellijk na het gebeuren, eind september 2012, uit huis is geplaatst en verdachte sindsdien niet alleen met hem mag zijn, dat jeugdzorg bij het gezin betrokken is, met het tijdsverloop sinds de datum van de tenlastelegging en met het blanco strafblad van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866215-13

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. M.W.M. van Doorn, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 30 september 2012 in de gemeente Heerlen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]), zijnde het kind van verdachte, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schuine breuk van de rechter bovenarm), heeft toegebracht, door opzettelijk (meermalen) (krachtig) die [slachtoffer] hard op/tegen diens arm(en) te slaan en/of te stompen en/of met kracht aan diens arm(en) te trekken althans met zodanige kracht (bij) diens arm(en) te grijpen/omvatten en/of zodanige druk op een van die armen uit te oefenen dat die arm brak;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 30 september 2012 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]), zijnde het kind van verdachte, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet (meermalen) (krachtig) die [slachtoffer] hard op/tegen diens arm(en) heeft geslagen en/of gestompt en/of met kracht aan diens arm(en) heeft getrokken en/of (bij) diens arm(en) heeft gegrepen/omvat en/of zodanige druk op een van die armen heeft uitgeoefend dat die arm brak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 30 september 2012 in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]),

(meermalen) (krachtig) die [slachtoffer] hard op/tegen diens arm(en) heeft geslagen en/of gestompt en/of met kracht aan diens arm(en) heeft getrokken en/of (bij) diens arm(en) heeft gegrepen/omvat en/of zodanige druk op een van die armen heeft uitgeoefend dat die arm brak, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 30 september 2012 in de gemeente Heerlen, zich zeer, althans aanmerkelijk, in elk geval zodanig onvoorzichtig/onoordeelkundig/onachtzaam/onoplettend

heeft gedragen, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten: een schuine breuk van de rechter bovenarm, heeft bekomen, bestaande dat onvoorzichtig/onoordeelkundig/onachtzaam/onoplettend gedrag van verdachte daaruit dat verdachte toen en daar die [slachtoffer] (meermalen) (krachtig) hard op/tegen diens arm(en) heeft geslagen en/of gestompt en/of met kracht aan diens arm(en) heeft getrokken en/of (bij) diens arm(en) heeft gegrepen/omvat en/of zodanige druk op een van die armen heeft uitgeoefend dat die arm brak.

3 De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft zijn mening gebaseerd op de bevindingen van professor doctor S. Robben, inhoudende dat het type fractuur dat het slachtoffer [slachtoffer] heeft aan het opperarmbeen, zijnde een schuine schachtfractuur, niet door het kind zelf kan zijn toegebracht. Er moet derhalve sprake zijn geweest van geweld van buitenaf. De bevindingen van dr. Robben worden onderschreven door de overige geconsulteerde medici.

De ouders hebben geen plausibele verklaring gegeven voor het ontstaan van de breuk en bij onderzoek is vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn gevonden waaruit is gebleken dat [slachtoffer] lijdt aan een ziekte waardoor zijn botten makkelijker zouden breken, zoals osteogenesis imperfecta.

Voorts heeft de officier van justitie zijn oordeel gebaseerd op het rapport van de kinderarts, dr. Visser, die heeft vermeld dat een botbreuk zeer pijnlijk is en dat een kind doorgaans direct na het ontstaan daarvan zal gaan huilen. Uit de verklaring van [betrokkene], vader van [slachtoffer], blijkt volgens de officier van justitie dat [slachtoffer] in de namiddag van 30 september 2013 minimaal ongeveer veertig minuten heeft gehuild voordat [slachtoffer] thuiskwam. Op het moment dat de ouders op 30 september 2012 de schreeuw van [slachtoffer] hebben gehoord, moet hij de breuk gezien zijn langdurig huilgedrag dus al hebben gehad. Hij moet deze breuk die dag hebben opgelopen tussen 11.30 uur en 17.30 uur. Ook indien [slachtoffer] niet gedurende veertig minuten heeft gehuild, moet hij, gezien de schreeuw en gezien hetgeen dr. Visser heeft vermeld, de breuk al hebben gehad op het moment dat [slachtoffer] naar boven ging.

Nu uit het dossier is gebleken dat verdachte op 30 september 2012 van 11.30 uur tot ongeveer 17.30 uur alleen met [slachtoffer] in huis was en [slachtoffer] om 11.30 uur nog niets mankeerde blijkens de verklaring van vader, is er volgens de officier van justitie geen andere mogelijkheid dan dat verdachte het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Voor het toebrengen van dergelijk letsel heeft verdachte, gezien de dikte van het bot, grote kracht moeten uitoefenen. Zij had moeten beseffen dat een dergelijke krachtinwerking ernstig letsel zou kunnen opleveren bij [slachtoffer].

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het forensisch rapport genoeg ruimte laat om andere oorzaken, anders dan dat verdachte deze breuk met geweld aan [slachtoffer] zou hebben toegebracht, aan te wijzen voor het ontstaan van de botbreuk bij [slachtoffer]. De raadsman heeft ter onderschrijving daarvan naar voren gebracht dat niet volledig is uit te sluiten dat [slachtoffer] aan een botziekte lijdt, nu in de conclusie bij het DNA-onderzoek wordt aangegeven dat andere botpathologie (dan osteogenesis imperfecta) niet kan worden uitgesloten. Bovendien is een derde gen dat de ziekte osteogenesis imperfecta kan veroorzaken niet onderzocht.

Daarnaast is de raadsman er niet van overtuigd dat het letsel niet door [slachtoffer] zelf kan zijn toegebracht. In het rapport van dr. Robben is weliswaar vermeld dat het bij een botbreuk, zoals bij [slachtoffer] is geconstateerd, bij kinderen onder de drie jaar veel waarschijnlijker is dat een dergelijke breuk niet accidenteel is, maar niet is vermeld dat dit onmogelijk is.

De raadsman concludeert dat uit het dossier niet kan worden opgemaakt dat er geweld van buitenaf heeft plaatsgevonden en als hiervan al sprake zou zijn geweest dat dit eventuele geweld door verdachte is toegepast.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs kan worden geleverd voor het bestaan van opzet van het tenlastegelegde en evenmin dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. Verdachte dient volgens de raadsman dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder alle varianten.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 27 november 2012 deed Bergs, teamleider bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) namens [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], aangifte van vermoedelijke kindermishandeling/zware mishandeling. Hij deed aangifte omdat het AMK op 1 oktober 2012 een melding had ontvangen van kinderarts dr. J. Visser van het Atrium Medisch Centrum te Heerlen, inhoudende dat op 30 september 2012 de ouders van [slachtoffer] zich met hun zoontje [slachtoffer] bij de Nightcare (huisartsenpost) te Heerlen hadden gemeld. Het rechterarmpje van [slachtoffer] hing slap en het kind huilde veel. De huisarts heeft [slachtoffer] doorgestuurd naar de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Atriumziekenhuis te Heerlen. Daar werd een schuine breuk in de bovenarm van het kind geconstateerd. De ouders hadden geen verklaring omtrent het ontstaan van de breuk. Zij dachten dat het kind het letsel had opgelopen doordat hij met zijn armpje was blijven hangen achter de spijlen van het ledikantje. Dr. Visser heeft gemeld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een kind van deze leeftijd bij zichzelf een dergelijke armbreuk kan toebrengen.

Gezien deze informatie ging het AMK ervan uit dat de breuk door geweld van buitenaf moet zijn ontstaan. Het letsel moet als verdacht van kindermishandeling worden beschouwd.2

Bij binnenkomst van [slachtoffer] op 30 september 2012 in het Atrium Medisch Centrum Parkstad is op de opnamestatus vermeld dat er sprake is van een humerusfractuur rechts (fractuur van het opperarmbeen).3

Op 22 oktober 2012 heeft S.G.F. Robben, kinderradioloog, een brief gezonden aan

dr. J. Visser, kinderarts. In deze brief is vermeld dat op de foto’s d.d. 2 oktober 2012, inhoudende een skeletoverzicht van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], een complete schuine schachtfractuur zichtbaar is in het rechter opperarmbeen.

Robben concludeert dat een schachtfractuur op een leeftijd jonger dan 1 jaar altijd verdacht is voor ‘non-accidental injury’ en dat dit ook geldt voor een fractuur van het opperarmbeen. Een schuine fractuur wordt wel gezien bij buiging en compressie. Dat [slachtoffer] zijn arm zelf heeft gebroken, bijvoorbeeld door omrollen, is volgens Robben onwaarschijnlijk, gezien de leeftijd van het kind, het werkingsmechanisme en het type fractuur. Op genoemde foto’s zijn geen aanwijzingen voor een aangeboren botstofwisselingsziekte.

Voorts heeft Robben vermeld dat de fractuur ten tijde van de presentatie van [slachtoffer] bij de Nightcare waarschijnlijk vers was, hetgeen door Robben wordt afgeleid uit het feit dat twee dagen na het skeletoverzicht een controlefoto van het opperarmbeen is gemaakt, waarop nog geen callus zichtbaar was.4

Uit DNA-onderzoek is gebleken dat het onwaarschijnlijk is dat het klinische beeld bij [slachtoffer] wordt veroorzaakt door een mutatie in het COL1A1 gen. Ook bij het COL1A2 gen werden geen afwijkingen aangetroffen. Osteogenesis imperfecta op grond van een afwijking in de collageen genen is dus onwaarschijnlijk.5

F.J.A. Poettgens, forensisch geneeskundige, heeft de medische stukken betreffende [slachtoffer], geboren op [geboortedatum slachtoffer], bestudeerd. Ook heeft hij literatuur bestudeerd uit het boek “Forensische aspecten van fracturen op de kinderleeftijd” (2009) van Bilo en anderen. Daarin is op pagina 123 vermeld “Schachtfracturen bij niet lopende kinderen is zeer waarschijnlijk kindermishandeling”.

De verklaring die de ouders hebben gegeven over de ontstaanswijze van de bovenarmbreuk, zijnde dat [slachtoffer] mogelijk bij het bewegen in bed achter een spijl of iets anders is blijven haken met zijn rechterarm, is zeer onwaarschijnlijk gezien de zeer jeugdige leeftijd van het kind op het tijdstip van het voorval.

Poettgens concludeert dat er zeer sterke aanwijzingen zijn in de richting van kindermishandeling (Non Accidental Injury). Andere oorzaken voor het letsel, zoals botstofwisselingsstoornissen of botafwijkingen, zijn door de behandelend specialisten niet gevonden en dus uitgesloten.6

Door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is onderzoek gedaan naar het letsel en de ontstaanswijzen ervan. Het radiologisch beeldmateriaal van 30 september 2012 is door het NFI herbeoordeeld. Op grond van de stukken in het dossier heeft dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG, geconstateerd dat op 30 september 2012 als letsel bij [slachtoffer] een recente, schuin verlopende botbreuk aan de rechterbovenarm is geconstateerd.

Een accidentele oorzaak is niet gemeld. Eigen motorische activiteit van het kind kan op basis van literatuurgegevens uitgesloten worden beschouwd als oorzaak voor het ontstaan van de breuk in de rechterbovenarm. Ook het blijven haken achter een bedspijl kan als oorzaak van de breuk als uitgesloten worden beschouwd.

Dr. Nijs heeft verder gerapporteerd dat het vermoedelijk een tamelijk recente breuk betrof ten tijde van de aanbieding van het kind bij de Nightcare, in de ordergrootte van uren, vanwege radiologisch zichtbare vochtophoping in de omgevende onderhuidse weke delen in combinatie met het door de ouders gemelde normale functioneren van het kind tot en met de ochtend van 30 september 2012, alsmede van het plots opvallend huilen korte tijd voordat de ouders met het kind naar het ziekenhuis zijn gegaan.

Een dergelijke botbreuk zal veelal restloos en volledig functioneel genezen binnen een termijn van vier tot zes weken.7

[betrokkene], echtgenoot van verdachte, heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op 30 september 2012 rond 08.00 uur de fles heeft gegeven. Daarna is hij terug naar bed gegaan en [slachtoffer] ook. [verdachte] lag nog in bed. Rond 11.30 uur is [betrokkene] opgestaan. In de tussentijd heeft hij [slachtoffer] niet meer gehoord. Hij is gaan werken tot ongeveer 17.00 uur. Hij is omstreeks 17.30 uur thuisgekomen. Verder heeft [betrokkene] verklaard dat [verdachte] en hij tussen 12.00 uur en 17.00 uur ongeveer vijf keer telefonisch contact hebben gehad. Het ging vooral over [slachtoffer] en dat hij om 16.00 uur de slaap niet kon vatten. [verdachte] is viermaal terug naar boven gegaan voordat [slachtoffer] sliep.

Nadat [betrokkene] thuis is gekomen heeft hij met [verdachte] op de bank gezeten en hebben zij een sigaret gerookt. Opeens hoorden zij een harde gil van [slachtoffer], zo hard als zij nog nooit hadden gehoord. [betrokkene] is naar boven gegaan en vond [slachtoffer] in bed, liggend op zijn rechterzij/rechterarm. Toen [betrokkene] hem op zijn buik wilde leggen, begon [slachtoffer] hard te huilen. Hij heeft [slachtoffer] opgepakt en zag dat het rechterarmpje naast zijn lichaam bungelde. Hij is met [slachtoffer] naar beneden gegaan, waar zij hem zijn jasje hebben aangedaan. Daarna zijn zij naar de Nightcare gereden. Daar is geconstateerd dat het armpje van [slachtoffer] was gebroken.

[verdachte] heeft gezegd dat zij het niet heeft gedaan. [slachtoffer] is in het ziekenhuis opgenomen. [betrokkene] en [verdachte] zijn om 00.30 uur naar huis gegaan en de volgende ochtend rond 11.00 uur waren zij weer in het ziekenhuis. Zij zijn niet eerder naar het ziekenhuis teruggekeerd omdat [verdachte] wilde uitslapen.

De middag van 30 september 2012 is er niemand anders in de woning geweest dan [slachtoffer] en [verdachte].8

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij [slachtoffer] niet heeft mishandeld. Zij denkt dat hij het zelf heeft gedaan.9

Omtrent de gebeurtenissen die op 30 september 2012 hebben plaatsgevonden, heeft zij verklaard dat zij [slachtoffer] omstreeks 16.30 uur naar bed heeft gebracht. Hij bleef huilen, zodat zij wel drie keer naar boven is moeten gaan. Zij denkt dat hij in totaal 30 à 40 minuten heeft gehuild. Toen [betrokkene] rond 17.30 uur van zijn werk thuiskwam, sliep [slachtoffer]. Verdachte en [betrokkene] zijn op de bank een sigaret gaan roken. Na tien minuten hoorden zij een heel harde, hoge schreeuw. De schreeuw was te horen via de babyfoon en via het plafond, zo hard was deze. [betrokkene] is naar boven gegaan. Hij kwam met [slachtoffer] naar beneden gestormd en zei dat het armpje van [slachtoffer] er slap bij hing. [slachtoffer] gebruikte het armpje ook niet meer. Verdachte heeft het armpje voorzichtig aangeraakt en toen zij bij zijn elleboogje kwam, begon [slachtoffer] het uit te schreeuwen van de pijn. Toen hebben zij de Nightcare gebeld. Bij onderzoek is gebleken dat het rechter bovenarmpje gebroken was. Dr. Visser vertelde de ouders dat zij de breuk moest melden bij het AMK, omdat zij geen verklaring voor het ontstaan ervan konden geven. [slachtoffer] moest in het ziekenhuis blijven. Verdachte en [betrokkene] zijn rond 23.00 uur naar huis gegaan. Toen zij de volgende morgen in het ziekenhuis aankwamen, was [slachtoffer] al twee tot drie uur wakker.

Verdachte heeft verklaard dat de schreeuw zo hard was dat zij denkt dat de breuk toen is ontstaan.10

Tijdens het verhoor van verdachte geven verbalisanten aan dat de breuk ook eerder kan zijn ontstaan dan op het moment dat [slachtoffer] schreeuwde. Verdachte heeft daarop geantwoord dat zij het dan ook onbewust kan hebben gedaan.11

Tijdens het vierde verhoor heeft verdachte bij de politie verklaard dat zij in de middag van 30 september 2012 geen bezoek heeft gehad.12

Door de raadsman is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] aan een botziekte lijdt, nu slechts onderzoek is gedaan naar twee genen die osteogenesis imperfecta kunnen veroorzaken, terwijl hiervoor ook nog een derde gen verantwoordelijk kan zijn en voorts andere botpathologie niet kan worden uitgesloten volgens het DNA-onderzoek.

De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het DNA-onderzoek genoegzaam is gebleken dat [slachtoffer] niet lijdend is aan een botziekte, gezien de conclusie zoals deze in dit rapport is vermeld.13

Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat het niet onmogelijk is dat het letsel van [slachtoffer] door hemzelf is toegebracht, zonder dat er sprake is geweest van geweld van buitenaf.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Door verdachte is verklaard dat zij van mening is dat [slachtoffer] mogelijk zichzelf het letsel heeft toegebracht doordat hij zich omdraaide en dat bij deze beweging zijn armpje bekneld is komen te zitten tussen de spijlen van het ledikantje.

Verder heeft zij ter terechtzitting verklaard dat de spijlen van het bedje ongeveer vijftien centimeter uit elkaar stonden. De spijlen van het ledikant van [slachtoffer] dat reeds in de familie was stonden verder uit elkaar dan de spijlen van de huidige, nieuwe ledikantjes.

Gezien deze afstand tussen de spijlen acht de rechtbank het onmogelijk dat een kind van nog geen vijf maanden met zijn armpje hiertussen zodanig bekneld kan raken, dat hij zijn opperarmbeen kan breken. Er is immers voldoende ruimte tussen de spijlen om het armpje, als een kind dat al tussen de spijlen door steekt, er zonder letsel weer tussenuit te halen. De rechtbank acht deze verklaring dus onaannemelijk.

Ook uit de hiervoren aangehaalde deskundigenrapporten, onder meer gebaseerd op literatuur, is gebleken dat een kind van deze jonge leeftijd zichzelf geen ernstig letsel als het onderhavige kan toebrengen. Het blijven haken achter een bedspijl kan volgens het NFI, als oorzaak van de breuk, als uitgesloten worden beschouwd.

Nu er geen aangeboren botafwijking als verklaring voor de botbreuken is geconstateerd, het letsel niet door [slachtoffer] zelf kan zijn veroorzaakt en het naar het oordeel van de rechtbank is uitgesloten dat de botbreuken het gevolg zijn van gebruikelijke verzorgingshandelingen, kan het niet anders dan dat de armbreuk aan [slachtoffer] is toegebracht door geweld van buitenaf. Het gevolg van dit geweld moet meteen na het toebrengen hiervan zichtbaar zijn geweest in de vorm van een slappe arm.

Voor het ontstaan van een armfractuur bij jonge kinderen is veel kracht nodig. Bij kinderen onder de leeftijd van twee jaar, die geen aangeboren botafwijking hebben, vindt men zelden een andere oorzaak dan kindermishandeling. Daar komt bij dat de ouders geen acceptabele verklaring voor de breuk hebben kunnen geven zoals een direct accidenteel trauma op de arm. Een complete schuine schachtbreuk is altijd verdacht voor ‘non-accidental injury’.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is, door wie dit geweld dan op [slachtoffer] is toegepast.

Uit de stukken van het dossier is gebleken dat [slachtoffer] om 11.30 uur, toen de vader van [slachtoffer] het huis verliet, nog geen letsel aan zijn arm had. Verdachte is in de middag van 30 september 2012 alleen met [slachtoffer] in huis geweest. Toen de vader van [slachtoffer] thuis kwam en hij na een harde schreeuw van [slachtoffer] naar het kind ging kijken, had [slachtoffer] een slappe rechterarm en huilde hij hard wanneer de arm werd aangeraakt. Hij gebruikte zijn armpje niet meer. Uit het huilgedrag van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat de fractuur al aanwezig was op het moment dat zijn vader naar boven ging.

Verdachte heeft verklaard dat zij die middag geen bezoek heeft gehad. Zij heeft [slachtoffer] rond half vijf naar bed gebracht en zij is ongeveer viermaal terug naar boven moeten gaan omdat hij bleef huilen.

Op basis van de röntgenfoto’s heeft dr. Robben geconstateerd dat de fractuur vers was, nu twee dagen na het skeletoverzicht een controlefoto van het opperarmbeen is gemaakt, waarop nog geen callus zichtbaar was. Verder was er vochtophoping waarneembaar.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de armfractuur van [slachtoffer] moet zijn ontstaan in de middag van 30 september tussen 11.30 uur en 17.30 uur.

Nu niet is gebleken dat die middag anderen dan verdachte in de woning zijn geweest, kan het niet anders dan dat verdachte het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht.

Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende belastend bewijs is ten aanzien van de verdachte, nu zij geen opzet had op het mishandelen van haar zoontje [slachtoffer].

De rechtbank overweegt hiertoe:

Verdachte heeft ontkend aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel te hebben toegebracht. Gezien het feit dat volgens dr. Robben veel kracht nodig is om een opperarmbeenarmfractuur te veroorzaken, kan het niet anders dan dat verdachte haar zoontje met een dusdanige kracht heeft aangepakt, dat zij moet hebben geweten dat daardoor letsel bij hem zou kunnen ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans dat haar handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben, bewust heeft aanvaard. Zij acht bewezen dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het letsel het volgende.

Blijkens de letselrapportage zou er bij [slachtoffer] volledig en restloos herstel optreden binnen vier tot zes weken. Hoewel het letsel dat door verdachte aan [slachtoffer] is toegebracht niet valt onder de opsomming van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank toch van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van zwaar lichamelijk letsel, door [slachtoffer] opgelopen door toedoen van zijn moeder. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht ziet volgens de rechtbank op het toebrengen van letsel aan volwassen personen, bij wie letselherstel langere tijd in beslag neemt dan bij zeer jonge en daardoor zeer kwetsbare kinderen zoals de ten tijde van het voorval slechts ongeveer 4,5 maand oude, hulpeloze, [slachtoffer]. De rechtbank acht genoemd artikel dan ook niet van toepassing ten aanzien van jonge kinderen, bij wie een herstelperiode van vier tot zes weken als een lange termijn kan worden beschouwd.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

op 30 september 2012 in de gemeente Heerlen aan een persoon genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]), zijnde het kind van verdachte, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schuine breuk van de rechter bovenarm) heeft toegebracht, door opzettelijk krachtig die [slachtoffer] hard op/tegen diens arm te slaan of te stompen of met kracht aan diens arm te trekken, althans met zodanige kracht bij diens arm te grijpen/omvatten of zodanige druk op die arm uit te oefenen dat die arm brak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

met betrekking tot primair:

zware mishandeling, terwijl het misdrijf is begaan tegen haar kind.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een meldplicht en het ondergaan van een ambulante behandeling bij Radix. Hij heeft bij zijn strafeis ten nadele van verdachte rekening gehouden met de ernst van het feit, en ten voordele van verdachte met het feit dat [slachtoffer] sinds het voorval uit huis is geplaatst en met de tijd, die is verstreken tussen de datum van het tenlastegelegde en de zittingsdatum.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Voor het geval de rechtbank anders zal oordelen heeft hij verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met het grote tijdsverloop sinds de datum van de tenlastelegging. Voorts heeft hij aangevoerd dat beide ouders genoeg zijn gestraft door de civielrechtelijke maatregel van uithuisplaatsing van [slachtoffer]. Hij verzoekt verdachte strafbaar te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft haar zoontje van nog geen vijf maanden oud met dusdanige kracht aan de rechterarm geraakt, dat hij daardoor een schuine breuk aan het opperarmbeen heeft opgelopen. Gezien de leeftijd van het kind en de kwetsbaarheid die daarmee gepaard gaat en de hersteltermijn, kan dit letsel worden bestempeld als zware mishandeling. Verdachte heeft hiermee een ernstig feit gepleegd. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. De rechtbank overweegt hierbij dat het slachtoffertje een baby was die volledig hulpeloos was en geheel afhankelijk van anderen, in het bijzonder van zijn ouders. Verdachte was ten tijde van de mishandeling alleen met de baby in huis, een omgeving waarin een kind zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte opmerkelijk heeft gereageerd op de situatie, nu zij nadat zij onder meer via het plafond de extreme schreeuw van [slachtoffer] hoorde, niet met haar man mee naar boven is gegaan om te kijken wat haar zoontje mankeerde. Evenmin heeft verdachte grote betrokkenheid bij het kind getoond nadat hij in het ziekenhuis was opgenomen, nu zij het aanbod om in het ziekenhuis te overnachten om in de nabijheid van haar zieke kind te zijn, heeft afgeslagen en de volgende morgen eerst wilde uitslapen alvorens zij naar het ziekenhuis terug wilde keren.

De rechtbank rekent het verdachte voorts aan dat zij geen openheid van zaken heeft gegeven en tot op de dag van vandaag heeft ontkend dat zij [slachtoffer] -bewust of onbewust- letsel heeft toegebracht. Zij heeft er door deze ontkenning blijk van gegeven dat zij geen verantwoording neemt voor haar daden. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening houden.

Verder heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte in ogenschouw genomen, zoals deze blijken uit de inhoud van de reclasseringsrapportage, alsmede uit hetgeen ter terechtzitting aan de orde is geweest. Verdachte is niet eerder veroordeeld. Haar zoontje [slachtoffer] is sinds het moment dat hij het ziekenhuis kon verlaten in 2012 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst en wordt opgevoed door de schoonouders van verdachte. Verdachte mag [slachtoffer] op maandag ophalen, hij mag op die dag bij haar in huis verblijven, maar steeds onder toezicht van de moeder van verdachte. Zij mag niet alleen in de woning zijn met haar zoontje. Verder is de jeugdzorg bij het gezin betrokken. Dit alles heeft een behoorlijke wissel getrokken op het leven van verdachte en haar gezin. De rechtbank zal hiermee bij de strafoplegging ten voordele van verdachte rekening houden.

Ten slotte zal de rechtbank ten voordele van verdachte rekening houden met het grote tijdsverloop sinds de datum van de tenlastelegging.

Hoewel de ernst van het bewezen verklaarde feit het rechtvaardigt, zal de rechtbank vanwege het lange tijdsverloop en gezien de uithuisplaatsing van [slachtoffer], waardoor verdachte veel van zijn eerste levensjaren heeft moeten missen, geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf meer opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, bij eventuele tenuitvoerlegging met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze om reclasseringstoezicht op te leggen, nu er rond het gezin reeds begeleiding bestaat.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. M.T.A.C. Russel en

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 juli 2015.

Buiten staat

Mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte eindproces-verbaal, genummerd 2012120545 d.d. 21 juni 2013, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 106 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, ongenummerd opgenomen in het dossier, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 11 tot en met 13 van de doornummering.

3 De opnamestatus van [slachtoffer] d.d. 30 september 2012, pagina 28 en 29 van de doornummering.

4 De brief van S.G.F. Robben, kinderradioloog, aan dr. J. Visser, kinderarts, d.d. 22 oktober 2012, pagina 23 en 24 van de doornummering.

5 De brief van dr. A. Maugeri, laboratoriumspecialist klinische genetica, d.d. 14 december 2012 aan dr. Visser, pagina 30 en 31 van de doornummering.

6 De brief van F.J.A. Poettgens, forensisch deskundige, aan de Politie Limburg Zuid d.d. 27-05-2013, pagina 22 tot en met 22B van de doornummering.

7 Het rapport van het NFI betreffende het medisch forensisch onderzoek van een bijna 5 maanden oud jongetje met een botbreuk aan de rechterbovenarm d.d. 28 februari 2014, ongenummerd opgenomen in het dossier, pagina 11 en 12 van heet rapport.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene], pagina 63 tot en met 79, pagina 68 tot en met 75.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 80 tot en met 88, pagina 81.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 89 tot en met 99 van de doornummering, pagina 95, 96 en 98.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 93 van de doornummering.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 mei 2014, ongenummerd opgenomen in het dossier.

13 De brief van dr. A. Maugeri, laboratoriumspecialist klinische genetica, d.d. 14 december 2012 aan dr. Visser, pagina 30 en 31 van de doornummering.