Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5788

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
04/800051-12, 03/661095-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weerter brandstichtingen. Hoofddader veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf voor het afsteken van lawinepijlen in twee woningen waarbij gevaar aanwezig was voor de aanwezige bewoners, brandstichtingen in tuinhuisjes en diverse auto’s en diefstallen van auto’s en van gereedschappen uit auto’s. Verdachte heeft de misdrijven tegen betaling uitgevoerd en om zelf buiten schot te blijven, schakelde hij daarbij bijna altijd anderen in, terwijl hij op een afstand toekeek. De rechtbank verwijt hem in het bijzonder dat hij alleen oog heeft gehad voor geldelijk gewin, dat hij zich niet om de gevolgen van zijn handelen heeft bekommerd en geen enkel respect heeft getoond voor andermans bezit en gevoelens.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het lange tijdsverloop en de meewerkende houding van verdachte, zonder welke een groot aantal zaken niet opgelost zou zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers: 04/800051-12, 03/661095-15

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te 6163 EX Geleen, Seringenlaan 28.

Raadsman is mr. F.A. Dronkers, advocaat, kantoorhoudende te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juni 2015. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De nader omschreven en gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte, al dan niet samen met een of meer anderen:

in de zaak met parketnummer 04/800051-12:

Feit 1: op 27 januari 2012 op het [adres 1] in de gemeente Weert een personenauto, merk Kia, in brand heeft gestoken, waardoor drie andere personenauto’s zijn verbrand;

Feit 2: op 10 augustus 2011 op de [adres 2] in de gemeente Weert een personenauto, merk Peugeot, in brand heeft gestoken;

Feit 3: op 26 juni 2009 op de [adres 3] in de gemeente Weert een bestelauto, merk Mercedes-Benz, in brand heeft gestoken;

Feit 4: in de periode van 01 januari 2009 tot en met 28 augustus 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

Feit 5: in de periode van 17 december 2011 tot en met 19 december 2011 in Echt een personenauto, merk Mazda, heeft gestolen;

Feit 6: op 5 mei 2012 in Wessem tuingereedschap heeft gestolen uit een bedrijfsauto van [slachtoffer 1];

Feit 7: op 1 juli 2012 in de gemeente Maastricht een personenauto, merk Mazda, heeft gestolen;

Feit 8: in de periode van 04 tot en met 05 juli 2012 in Heythuysen een personenauto, merk Mazda, heeft gestolen;

Feit 9: in de periode van 04 tot en met 05 juli 2012 in Leveroij gereedschap heeft gestolen uit een bedrijfsauto van [slachtoffer 2];

Feit 10: in de periode van 04 tot en met 05 juli 2012 in Wessem tuingereedschap heeft gestolen uit een bedrijfsauto van [slachtoffer 1];

Feit 11: in de periode van 09 tot en met 10 augustus 2011 in de gemeente Nederweert een personenauto, merk, Mazda, van [slachtoffer 3] heeft gestolen;

in de zaak met parketnummer 03/661095-15:

Feit 1: op 5 augustus 2007 bij een woning aan de [adres 4] in de gemeente Weert een personenauto van het merk BMW en een personenauto van het merk Fiat in brand heeft gestoken;

Feit 2: op 22 juni 2010 in de woning aan de [adres 5] in de gemeente Weert lawinepijlen tot ontploffing heeft gebracht;

Feit 3: in de periode van 28 tot en met 29 juni 2007 een tuinhuisje/chalet nabij een woning aan de [adres 6] in de gemeente Weert in brand heeft gestoken;

Feit 4: op 8 juli 2007 een tuinhuisje/chalet nabij een woning aan de [adres 6] in de gemeente Weert in brand heeft gestoken;

Feit 5: op 12 juli 2007 in de woning aan de [adres 7] in de gemeente Weert lawinepijlen tot ontploffing heeft gebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder parketnummer 04/800051-12 onder feit 11 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, maar niet dat daarbij sprake is geweest van braak.

Ten aanzien van de onder parketnummer 04/800051-12 onder feit 4 tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie heeft de officier van justitie aangevoerd dat de geconstateerde feitelijkheden niet voldoen aan de criteria van een criminele organisatie wat betreft duurzaamheid en structuur, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overige tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de onder parketnummer 04/800051-12 onder 1, 2, 3, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 en parketnummer 03/661095-15 onder 5 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder parketnummer 04/800051-12 onder feit 4 tenlastegelegde zijn er volgens de raadsman geen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de voorwaarden voor het bewijs van het bestaan van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, te weten de aanwezigheid van een duurzaam en structureel samenwerkingsverband. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

Van de onder 5 tenlastegelegde diefstal van een personenauto, merk Mazda, in Echt, heeft de raadsman betoogd dat verdachte dit feit ontkent. Voor dit feit is onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder parketnummer 03/661095-15 tenlastegelegde betoogd dat de tenlastelegging in hoofdzaak is gebaseerd op de verklaring van verdachte van 4 april 2013. Deze verklaring is op onderdelen vluchtig, waarbij een aangifte wordt gelegd langs een aanknopingspunt. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om de verklaring van verdachte te koppelen aan de onder 1 tenlastegelegde brandstichting op 5 augustus 2007 aan de [adres 4] te Weert en de onder 2 tenlastegelegde brandstichting in een woning aan de [adres 5] te Weert op 22 juni 2007. Verdachte moet van deze feiten worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 3 en 4 tenlastegelegde brandstichtingen aan een tuinhuisje/chalet aan de [adres 6] te Weert heeft de raadsman aangevoerd dat er louter gevaar is geweest voor het tuinhuisje. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Algemene overwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte]

[verdachte] heeft een groot aantal verklaringen over zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten afgelegd. De verklaringen van [verdachte] liggen in lijn met aangiftes die zijn gedaan (waarbij in enkele gevallen bij een verklaring van [verdachte] daarna pas de aangifte gezocht werd) en zijn voor het overige op onderdelen verifieerbaar met telefooncontacten en locatiegegevens van telefoon(s). Voorts komen de verklaringen van verschillende medeverdachten die bij de uitvoering met [verdachte] zijn betrokken, op wezenlijke onderdelen overeen met die van [verdachte]. Waar de verklaringen over hetgeen ieder van hen bij de uitvoering van de brandstichtingen of diefstallen exact heeft gedaan, niet overeenkomen, gaat het om ondergeschikte punten en is het, gelet op de voor het overige blijkende nauwe en bewuste samenwerking tussen de plegers, voor het bewijs van medeplegen niet van belang wie welke handeling heeft gepleegd. Tenslotte wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte] ondersteund doordat hetgeen hij tegenover de politie verklaart, hij kennelijk (op onderdelen) veel eerder al (toen hij nog niet als verdachte bekend stond) tegen zijn toenmalige partner [getuige 1] had verteld.

De rechtbank acht derhalve de verklaringen van [verdachte] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Algemene overweging over de medeverdachte [medeverdachte 1].

In zijn verklaringen spreekt [verdachte] zowel over [naam 2] [medeverdachte 1] als over [naam 1] [medeverdachte 1]. Uit de samenhang van de verklaringen van [verdachte] en de verklaringen van [medeverdachte 1] leidt de rechtbank af dat [verdachte] daarmee steeds dezelfde persoon heeft bedoeld. Uit onderzoek door de politiemensen en de verklaring van [medeverdachte 1] is gebleken dat de juiste naam van [medeverdachte 1] luidt: [medeverdachte 1] en de roepnaam [naam 1]. Waar in de verklaringen van [verdachte] [naam 2] is vermeld heeft de rechtbank deze verbeterd gelezen als [naam 1].2

Parketnummer 04/800051-12 onder 1

Op 27 januari 2012 omstreeks 02.22 uur kwam er bij de meldkamer van de politie regio Limburg-Noord een melding binnen van een autobrand op het [adres 1] te Weert. Toen politiemensen ter plaatse kwamen zagen zij dat de volgende personenauto’s in brand stonden en/of schade hadden opgelopen:

-een Kia Picanto, kenteken [kenteken 1], die was uitgebrand:

-een Peugeot 207, kenteken [kenteken 2], die was uitgebrand;

-een Citroën C4, kenteken [kenteken 3], die brandschade had;

-een Toyota Corolla, kenteken [kenteken 4], die brandschade had.3

Aangeefster [slachtoffer 4] heeft op 27 januari 2012 verklaard dat zij de personenauto, merk Kia, type Picanto, met het kenteken [kenteken 1], die eigendom is van haar en haar man, op 26 januari 2012 tussen 18.30 uur en 18.45 uur geparkeerd heeft in een parkeervak aan het [adres 1] te Weert. Op 27 januari 2012 omstreeks 08.15 uur zag zij dat haar auto niet meer op de parkeerplaats stond. Op de plek waar zij haar auto had geparkeerd zag zij twee zwarte plekken.4

Aangever [slachtoffer 6] heeft op 27 januari 2012 verklaard dat hij de eigenaar is van een personenauto, Peugeot 207, kenteken [kenteken 2]. Op 26 januari 2012 rond 22.00 uur heeft hij de auto geparkeerd in een parkeervak tegenover het perceel [adres 1] te Weert. Op 27 januari 2012, omstreeks 11.00 uur zag zij dat haar auto was verdwenen.5

Aangever [slachtoffer 7] heeft op 28 januari 2012 verklaard dat hij de eigenaar is van de personenauto, merk Toyota, kenteken [kenteken 4]. Op 26 januari 2012, omstreeks 17.00 uur had hij de auto geparkeerd in een parkeervak aan het [adres 1] te Weert. Op 27 januari 2012, omstreeks 02.15 uur werd er op de ramen van zijn woning geklopt door zijn schoonzus, die hem zei dat er brand was. Hij is naar zijn auto gegaan en heeft de autosleutel van zijn auto afgegeven aan een politieagent die zijn auto verplaatst heeft. De auto is beschadigd.6

Aangever [slachtoffer 8] heeft op 28 januari 2012 verklaard dat hij zijn personenauto, merk Citroën C4, kenteken [kenteken 3], op 26 januari 2012 omstreeks 18.00 uur had geparkeerd op de parkeerplaats tegenover perceel [adres 1] te Weert. Rond 02.30 uur op 27 januari 2012 werd er aangebeld en zag hij dat twee auto’s uitgebrand waren. Hij zag dat zijn auto beschadigd was. De auto is zijn eigendom.7

[medeverdachte 1] heeft op 29 augustus 2012 verklaard dat hij [verdachte] anderhalf jaar geleden heeft leren kennen. Op een gegeven moment vroeg [verdachte] hem of hij geld wilde verdienen en mee wilde gaan om een feestje te bouwen, want zo noemde hij dat. [verdachte] bedoelde daarmee op pad gaan. [verdachte] vroeg hem of hij meer mensen wist omdat het dan sneller en gemakkelijker ging. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] gevraagd. [medeverdachte 2] is met zijn auto vooruit gereden en [medeverdachte 1] is bij [verdachte] in de auto meegereden. [verdachte] wist van tevoren waar hij naartoe moest gaan. Op een gegeven moment zag [medeverdachte 1] het bordje Weert. Zij zijn die avond naar een woonwijk in Weert gereden. [medeverdachte 2] stond ergens te wachten op een parkeerplaats naast de autosnelweg en is achter hen aangereden. Zijn ergens gestopt en uitgestapt. Daar is besproken wat er gedaan moest worden. [verdachte] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij om de hoek benzine over een auto moest gooien. Hij moest er benzine over gooien en aansteken. De benzine had [verdachte] bij zich. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben om de hoek, vlak bij de auto, gewacht tot [medeverdachte 2] terug kwam. [medeverdachte 2] is in zijn auto gestapt en [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn in de auto van [verdachte] gestapt en weggereden. [medeverdachte 1] heeft later van [verdachte] 200 euro gekregen. Hiervan heeft hij [medeverdachte 2] 50 euro gegeven. Hij heeft het in opdracht van [verdachte] gedaan en [verdachte] heeft het in opdracht van iemand uit Weert gedaan.8

[verdachte] heeft op 11 september 2012 verklaard dat zijn moeder op 13 januari 2012 overleden is. Hij meent dat zij op 17 januari 2012 gecremeerd is. Een persoon van wie hij de naam niet wilde noemen was samen met zijn vader op de crematie van zijn moeder. Op de crematie werd gevraagd of [verdachte] aan het eind van de week een kopje koffie kwam drinken. Ze hadden niet gezegd wat zij bedoelden maar hij wist toen al hoe laat het was. hij is toen met [getuige 1] een kopje koffie gaan drinken bij die persoon thuis. Die persoon die hem op de crematie had aangesproken heeft tegen hem gezegd dat hij de dag daarna terug moest komen. De dag erna is hij terug gegaan om daar een kop koffie te drinken. Toen heeft hij de plaats aangewezen waar de auto van het volgende slachtoffer stond. Zij zijn met de auto van die persoon naar het [adres 1] gegaan. [verdachte] moest daar een auto in brand gaan steken. De persoon liet hem een Kia zien. Hij gaf hem 250 euro. [verdachte] is toen naar Maastricht gegaan en heeft [medeverdachte 1] gebeld en gevraagd of hij zin had om een feestje te bouwen. [medeverdachte 1] zei dat het goed was. ’s Nachts is hij rond 01.00 uur naar [medeverdachte 1] toe gereden. In de straat heeft hij bij [medeverdachte 1] de telefoon over laten gaan. Toen kreeg hij een sms’je met de tekst: 5 minuten. Toen kwamen [medeverdachte 1], de vriendin van [medeverdachte 1] genaamd [getuige 2] en een jongen, genaamd [medeverdachte 2], naar buiten. [medeverdachte 1] zei dat die jongen de auto in brand zou steken. Zij zijn in de auto van [verdachte] gestapt en naar een parkeerplaats in Rothem of Meerssen gereden, waar een auto stond. [medeverdachte 1] heeft die auto voor [medeverdachte 2] gestart en zij zijn daarna met [medeverdachte 2] achter hem aan naar het [adres 1] gereden. Daar zijn zij uitgestapt. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 2] gezegd welke auto het moest zijn. Daarop zijn [getuige 2], [medeverdachte 1] en hij in de auto gestapt en weggereden. [medeverdachte 2] is daar gebleven. [verdachte] heeft de lichten van zijn auto uitgedaan en toen zag hij [medeverdachte 2] lopen en even later zag hij een lichtflits. Daarna heeft hij de auto gestart en is weggereden. Hij heeft [medeverdachte 1] de volle 250 euro gegeven. De opdrachtgever heeft hem de dag erna betaald die persoon is volgens hem bij hem voor de deur geweest. Hij heeft [medeverdachte 1] dus de dag daarop betaald. Het kan zijn dat hij de benzine had geregeld.9

Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] op naam van [verdachte] blijkt het volgende:

26 januari 2012:

[verdachte] is om 17.32 uur in Maastricht.

[verdachte] belt om 17.34 uur naar een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3].

[verdachte] wordt om 18.46 uur gebeld en is op dat moment in Weert, in een geografisch gebied dat bereikt kan worden door de mast op de [adres 8] te Weert. In dat gebied is de woning van [medeverdachte 3] gelegen.

27 januari 2012:

[verdachte] belt om 01.02.32 uur naar een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1].

[verdachte] wordt om 01.25.33 uur gebeld door de gebruiker van een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1].

[verdachte] wordt om 01.27.20 uur gebeld en hij bevindt zich in Elsloo.

[verdachte] belt om 03.06.11 uur en hij bevindt zich dan in Maastricht.

[verdachte] heeft om 11.59.49 uur en 12.12.46 uur telefonisch contact met het telefoonnummer van [medeverdachte 1].

[verdachte] heeft om 13.05.51 uur en 13.07.40 uur telefonisch contact met het telefoonnummer van [medeverdachte 3].

[verdachte] heeft om 13.51.38 uur contact met het telefoonnummer van [medeverdachte 1].10

Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op naam van [medeverdachte 3] blijkt het volgende:

26 januari 2012:

[medeverdachte 3] belt om 16.08.28 uur naar het telefoonnummer dat in gebruik is van [verdachte].

[medeverdachte 3] wordt om 17.34.10 uur gebeld door het telefoonnummer van [verdachte]. Hij bevindt zich dan in Weert.

27 januari 2012:

[medeverdachte 3] heeft om 13.05.55 uur telefonisch contact met het telefoonnummer van [verdachte] en bevindt zich dan binnen het bereik van een cell id te Grevenbicht.

[medeverdachte 3] heeft om 13.07.40 uur telefonisch contact met het telefoonnummer van [verdachte] en bevindt zich binnen het bereik van een cell id te Geleen.

[medeverdachte 3] heeft om 14.10.51 uur telefonisch contact met het nummer [telefoonnummer 3] en hij bevindt zich dan binnen het bereik van een cell id te Urmond.

[medeverdachte 3] heeft om 14.48.07 uur telefonisch contact met het nummer [telefoonnummer 4] en hij bevindt zich dan binnen het bereik van een cell id in Weert.11

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het voorgaande het volgende af. [verdachte] is op 26 januari 2012 in de namiddag vanuit Maastricht naar Weert gegaan, waar hij om 18.46 uur was. Voordat hij vertrok heeft hij telefonisch contact gehad met [medeverdachte 3]. [verdachte] is daarna naar [medeverdachte 3] gegaan. Kort na middernacht op 27 januari 2012 heeft [verdachte] contact met [medeverdachte 1] gehad. [medeverdachte 1] was rond het tijdstip van de autobrand, om 02.22 uur, in de omgeving van het [adres 1]. Na 01.25 uur is [verdachte] teruggegaan naar Maastricht. Op 27 januari 2012 heeft [verdachte] twee telefonische contacten met [medeverdachte 3]. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebeld werd door de opdrachtgever en dat hij toen naar Weert is gegaan waar de opdrachtgever hem de auto heeft aangewezen die in brand gestoken moest worden. Dit wordt bevestigd door de telefoongegevens van [verdachte]. [verdachte] heeft verklaard dat hij meende dat dat de opdrachtgever de dag daarna bij hem voor de deur stond en [verdachte] heeft betaald. Dit komt overeen met de telefoongegevens van [medeverdachte 3]. Volgens die gegevens was [medeverdachte 3] immers op 27 januari 2012 om 13.07.40 uur onder het bereik van een cel lid te Geleen, om 14.10.51 uur onder het bereik van een cell id te Urmond en om 14.48.07 uur van een cell id te Weert. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 3] op 27 januari 2012 naar Zuid-Limburg is gegaan om [verdachte] te betalen voor de brandstichting.

Parketnummer 04/800051-12 onder 2

[slachtoffer 9] heeft op 10 augustus 2011 verklaard dat zij haar personenauto, een Peugeot 107, kenteken [kenteken 5], op 9 augustus 2011 om 22.45 uur voor de woning aan de [adres 2] te Weert had geparkeerd. De woning is gelegen op een industrieterrein. Op 10 augustus 2011 werd zij door de politie geïnformeerd dat er een autobrand was geweest en dat haar auto daarbij volledig uitgebrand was.12

[verdachte] heeft op 11 september 2012 verklaard dat tussen 7 en 10 augustus 2011 benaderd is voor de brand op de [adres 2] te Weert. Hij is toen gebeld door een persoon. Hij vroeg of [verdachte] naar Weert wilde komen. [verdachte] is toen in de auto gestapt en naar Weert gereden. Die persoon vertelde hem toen dat hij een klusje voor hem had en dat het een verzekeringskwestie was. Toen is hij met hem naar een adres gereden, maar dat was niet op de [adres 2]. Officieel woonde die persoon daar waar die auto van was. Toen heeft de man hem gezegd dat als de auto niet op dat adres zou staan die auto dan op de [adres 2] zou staan. Die man is toen met hem daar naartoe gereden en heeft hem dat laten zien. Nadat hij hem dat had laten zien had hij tegen hem gezegd dat hij daar 250 euro voor zou krijgen en dat hij wat van zijn schulden af zou trekken. [verdachte] is toen naar huis gereden. In Maastricht is hij naar [medeverdachte 1] gereden en heem hem gezegd wat hem was aangeboden. [medeverdachte 1] bood toen aan om mee te gaan. Hoe zij aan benzine zijn gekomen weet hij niet meer.

Vervolgens zijn zij met zijn auto daar naartoe gereden. Eerst zijn zij naar het officiële woonadres gereden, maar de auto stond daar niet. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn daarna naar de [adres 2] gereden en daar stond de auto wel. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] aangeboden om buiten het zicht van de camera’s op hem te wachten, maar [medeverdachte 1] vond dat te ver. Zij zijn naar Nederweert gegaan en [medeverdachte 1] heeft daar een auto gestolen, een Mazda 626. [medeverdachte 1] reed achter hem aan naar de [adres 2]. De auto was een klein wit autootje. Toen zij op de [adres 2] waren is [verdachte] omgedraaid. Toen [medeverdachte 1] het gedaan had heeft hij op de autobaan nog een sms gestuurd met de tekst: BBQ. De gestolen auto hebben ze achter gelaten te Ittervoort. [medeverdachte 1] is bij hem ingestapt en zij zijn naar Maastricht gereden. Hij heeft het geld gekregen van de persoon die hem gevraagd had dat te doen.13

[medeverdachte 1] heeft op 30 augustus 2012 over de brand op het industrieterrein te Weert verklaard dat [verdachte] en hij op initiatief van [verdachte] naar Weert zijn gegaan om daar een auto in brand te steken. [verdachte] belde hem of hij de beurs leeg had en wat wilde gaan doen. [verdachte] zei dat hij iets moest doen voor iemand. Zij zouden samen naar Weert gaan. [verdachte] is met zijn auto naar hem toegekomen en daarna zijn zij samen in de auto van [verdachte], een Mazda 626, naar Weert gereden. [verdachte] had alles tot in de puntjes verzorgd, het was voorbereid. Zij reden de snelweg af en vlak voor ze daar waren waar de brand gesticht moest worden stond een auto. [verdachte] stopte bij die auto en zei: “Die kunnen we gebruiken”. [medeverdachte 1] kon zo in die auto stappen en met die auto wegrijden. Vanaf die plek heeft [medeverdachte 1] met die auto achter [verdachte] aan gereden. Nadat hij de auto aan de kant van de weg had gezet hebben zij van auto gewisseld. [verdachte] had de benzine bij zich in een jerrycan gehad. Hij had iets uit de kofferbak gepakt, hij neemt aan dat het een jerrycan was of een flesachtig iets en zette die in de gestolen auto. [verdachte] reed een stuk door de straat uit en de hoek om. Opeens zag hij een grote lichtflits en meteen daarna zag hij dat [verdachte] om de hoek kwam gereden.14

Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] op naam van [verdachte] blijkt het volgende:

9 augustus 2011:

[verdachte] is tussen 21.11 uur en 22.42 uur in Maastricht.

[verdachte] krijgt om 22.42.11 uur en 22.53.02 uur een sms-bericht van [medeverdachte 3]

[verdachte] heeft om 22.54 uur telefonisch contact met [medeverdachte 3].

[verdachte] is tussen 22.53 uur en 10 augustus 2011 om 00.12 uur in Beek of directe omgeving.

10 augustus 2011:

[verdachte] krijgt om 00.11.51 uur een sms-bericht van [medeverdachte 1].

[verdachte] stuurt om 00.12.29 uur en 00.12.31 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 1].

[verdachte] probeert om 01.35.19 uur en 01.37.08 uur telefonisch contact op te nemen met [medeverdachte 3], hetgeen gezien de tijdsduur van 0 seconden niet gelukt is.

[verdachte] heeft tussen 02.50.12 en 03.53.13 uur telefonische contacten met [medeverdachte 1].

[verdachte] verstuurt om 08.40.01 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 3].

[verdachte] ontvangt om 09.09.23 uur een sms-bericht van [medeverdachte 3].15

Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op naam van [medeverdachte 3] blijkt het volgende:

8 augustus 2011:

[medeverdachte 3] wordt om 13.37.11 uur gebeld door [verdachte].

Na het telefoongesprek 13.37.11 uur is [verdachte] naar Weert gegaan. Kort na 15.00 uur heeft hij zich opgehouden in een geografisch gebied waarin de woning van [medeverdachte 3] is gelegen.

9 augustus 2011:

[medeverdachte 3] wordt om 15.40.53 uur gebeld door [verdachte].

[medeverdachte 3] stuurt om 22.42.08 uur en 22.52.58 uur een sms’je naar [verdachte].

[medeverdachte 3] wordt om 22.54.06 gebeld door [verdachte].

10 augustus 2011:

[medeverdachte 3] wordt om 01.32.10 uur, 01.35.18 uur en 01.37.07 uur gebeld door [verdachte], maar [medeverdachte 3] is niet bereikbaar.

[medeverdachte 3] stuurt om 09.09.19 uur en 16.30,41 uur een sms’je naar [verdachte].16

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte] voor de brandstichting enkele malen contact heeft gehad met [medeverdachte 3] en dat er na de brand sms-verkeer tussen beiden is geweest.

[verdachte] heeft verklaard dat hij voor de brand tussen 7 en 10 augustus was benaderd door de opdrachtgever en dat hij toen naar Weert is gegaan. In Weert is hij met deze opdrachtgever naar het adres gereden waar de auto zou moeten staan die in brand gestoken moest worden. Zou de auto niet op dat adres staan dan zou deze op de [adres 2] staan waar [verdachte] daarna nog naartoe is gereden met de opdrachtgever. Dit wordt bevestigd door het onderzoek van de historische verkeersgegevens van [verdachte].

[verdachte] is na een telefonisch contact met [medeverdachte 3] op 8 augustus 2011 naar Weert gegaan en was in het gebied waar de woning van [medeverdachte 3] is gelegen. In de periode van 10 augustus 2011 tussen 01.35 uur en 03.09 uur was [verdachte] in het gebied waar de woning van [medeverdachte 3] is gelegen en de toegangsweg dan wel vluchtweg naar of van de [adres 2] te Weert. Op de avond van de brand is er sms-contact tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] geweest en in de nacht kort voor de brand heeft [verdachte] enkele malen getracht [medeverdachte 3] te bereiken. In de vroege ochtend is er weer sms-verkeer tussen [medeverdachte 3] en [verdachte].

Parketnummer 04/800051-12 onder 3

Op 26 juni 2009, omstreeks 03.30 uur, ontvangt de politie een telefonische brandmelding van een busje van Eneco op de [adres 3] te Weert.17

Op 26 juni 2009 om 03.30 uur heeft [betrokkene 1] aangifte van brandstichting gedaan namens Eneco. Hij had de bus op de [adres 3] te Weert ter hoogte van nummer 23 geparkeerd. Toen hij wakker werd van gebonk op de deur van zijn woning en naar buiten was gelopen zag hij dat de bedrijfsbus in brand stond. In de bus lagen verschillende materialen.18

De verbalisant [verbalisant 1] relateert op 13 maart 2013 dat op 24 juni 2009 een hennepactie werd gehouden op de [adres 9] en de [adres 10] te Weert. De [adres 9] is een subwoonwagenkampje, waar in meerdere chalets een hennepkwekerij werd aangetroffen. Op de [adres 10] te Weert betrof het twee woningen, waarin voormalige woonwagenbewoners waren gehuisvest. In een van de woningen was [medeverdachte 3] woonachtig en in de andere woning de ouders van [medeverdachte 3].19

[verdachte] heeft op 19 november 2013 verklaard dat hij op de [adres 3] te Weert brand heeft gesticht in een auto van Enexis. De opdracht om de bedrijfsauto in brand te steken had hij van [medeverdachte 3] gekregen. Alle opdrachten gingen hetzelfde. [verdachte] werd uitgenodigd om koffie te komen drinken en dan vroeg [medeverdachte 3] hem om een rondje mee te gaan rijden. Dan reden zij er langs en dan zei [medeverdachte 3]: “die kun je in brand steken”, of woorden van dergelijke strekking. De bus moest in brand worden gestoken omdat ze hem de stroom hadden afgesloten op zijn privéadres in verband met het kweken van wiet. Hij is met [medeverdachte 3] maar een keer bij die bus gaan kijken. [verdachte] heeft met [medeverdachte 4] over de brandstichting van de Enexis-bus gesproken en met hem heeft hij het gedaan. Hij heeft [medeverdachte 4] verteld hoe hij het zou doen. Hij zou de benzine over de ruitenwissers gooien, de benzine zou dan bij de motor komen. Hij had dit van [medeverdachte 3] gehoord.20

[medeverdachte 4] heeft op 27 september 2012 verklaard dat hij op een maandag in 2009 samen met [verdachte] op stap is geweest en dat er een auto van een energiebedrijf in brand is gestoken. [verdachte] kwam bij hem en vroeg of hij een leeg oliekannetje had of zoiets. Hij heeft dat toen uit de garage gehaald. [verdachte] zei dat hij een klusje had. [medeverdachte 4] is toen bij [verdachte] in de auto gestapt en samen zijn zij naar Weert gereden. Onderweg zijn zij bij een tankstation gestopt. [verdachte] zei dat hij een klusje had om een auto in brand te steken. Dit was een busje van een energiebedrijf. Zij hebben de auto van [verdachte] om de hoek geparkeerd en zijn samen naar de bus gelopen. [verdachte] droeg de benzine. Toen is er benzine over de bus gegooid aan de voorzijde en daarna is een spoor getrokken. Aan de zijkant is de bus daarna aangestoken. [verdachte] noemde dit later een feestje. [medeverdachte 4] heeft op een kaart van Google aangetekend waar de auto heeft gestaan. Dit was op de [adres 3] te Weert.21 [medeverdachte 4] verklaart op 27 september 2012 voorts dat het zou kunnen dat de brandstichting in de [adres 3] in juni 2009 was, tussen 01.00 en 02.00 uur ’s nachts. [verdachte] had het voor geld gedaan. De reden om die auto in brand te steken was wraak, een meningsverschil met iemand. [verdachte] had hem verteld dat hij 250 of 500 euro per auto kreeg.22

Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op naam van [medeverdachte 3] blijkt het volgende:

25 juni 2009:

[medeverdachte 3] belt om 13.01.57 uur met [medeverdachte 4].

[medeverdachte 3] wordt om 13.08.55 uur gebeld door [verdachte].

[medeverdachte 3] belt om 16.23.05 uur en 18.19.39 uur met [verdachte].

26 juni 2009:

[medeverdachte 3] belt om 12.26.58 uur naar [medeverdachte 4].

[medeverdachte 3] wordt om 12.34.13 uur gebeld door [medeverdachte 4].

[medeverdachte 3] verplaatst zich tussen 17.36 uur en 20.48 uur naar Zuid-Limburg.

[medeverdachte 3] bevindt zich tussen 19.19 uur en 19.33 uur in een geografisch gebied in Born of Grevenbicht.

Uit onderzoek is bekend geworden dat [verdachte] ontmoetingen had met [medeverdachte 3] in Zuid-Limburg, onder andere bij het Van der Valk restaurant in Urmond. Na de brand op de [adres 3] is [medeverdachte 3] op 26 juni 2009 na 17.35 uur naar Born of in de directe omgeving daarvan gegaan.

Uit de factureringsgegevens van [medeverdachte 4] bleek:

[medeverdachte 4] belt op 25 juni 2009 om 12.49.17 uur naar [verdachte].

[medeverdachte 4] belt op 25 juni 2009 om 13.07.30 uur naar [verdachte].23

Overwegingen van de rechtbank

De analyse van de historische verkeersgegevens en factureringsgegevens geeft het volgende beeld:

25 juni 2009:

[medeverdachte 4] belt om 12.49.17 uur naar [verdachte].

[medeverdachte 3] belt om 13.01.57 uur naar [medeverdachte 4].

[medeverdachte 4] belt om 13.07.30 uur naar [verdachte]

[verdachte] belt om 13.08.55 uur [medeverdachte 3].

[medeverdachte 3] belt om 16.23.05 uur en 18.19.39 uur naar [verdachte].

26 juni 2009:

[medeverdachte 3] belt om 12.26.58 uur naar [medeverdachte 4].

[medeverdachte 4] belt [medeverdachte 3] om 12.34.13 uur.

[medeverdachte 3] verplaatst zich tussen 17.36 uur en 20.46 uur naar Zuid-Limburg en bevindt zich tussen 19.19 en 19.33 uur in Born/Grevenbicht.

Uit de historische verkeersgegevens en de factureringsgegevens blijkt dat [medeverdachte 4] voordat hij gebeld werd door [medeverdachte 3] zelf gebeld heeft naar [verdachte]. Nadat [medeverdachte 4] contact had met [medeverdachte 3] belde [medeverdachte 4] wederom naar [verdachte]. Na beëindiging van dit gesprek heeft [verdachte] nagenoeg meten gebeld naar [medeverdachte 3].

De hennepactie bij [medeverdachte 3] was op 24 juni 2009. De brandstichting van de Enexis-bus was twee dagen erna. Uit de verklaringen van [verdachte] (ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 4]) blijkt dat [medeverdachte 3] opdracht gaf tot het in brand steken van deze bus uit ongenoegen met het feit dat bij de hennepactie zijn stroom werd afgesloten. [verdachte] en [medeverdachte 4] hadden contact met [medeverdachte 3]. Na de hennepactie hebben zowel [medeverdachte 4] als [verdachte] op 25 juni 2009 telefonisch contact met [medeverdachte 3] gehad. [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben verklaard de brandstichting te hebben gepleegd. In de vroege avonduren op 26 juni 2009 is [medeverdachte 3] naar Zuid-Limburg gegaan.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 voorts:

[verdachte] heeft op 4 april 2013 verklaard dat hij de brandstichtingen deed voor [medeverdachte 3] omdat hij schulden had bij [medeverdachte 3]. Hij had 7000 euro schuld bij [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] zei altijd wanneer hij voor hem een autobrand moest doen. Hij had [medeverdachte 3] gezegd dat hij zelf niet meer kon rennen en daarom iemand meenam. [medeverdachte 3] is een zigeuner, zijn zigeunernaam is [bijnaam 1] en zijn echte naam is [medeverdachte 3]. De Enexis-bus bij de [adres 3] te Weert is in brand gestoken in opdracht van [medeverdachte 3] en het rode autootje dat [medeverdachte 1] in brand heeft gestoken is ook op opdracht van [medeverdachte 3] geweest.24

[getuige 1] heeft op 5 september 2012 verklaard dat zij in de zomer van 2011 in Weert koffie heeft gedronken met [verdachte] en een vrouw. Dat was de moeder van een kennis van [verdachte]. Deze man trilde met zijn hand en volgens haar had hij Parkinson. [verdachte] heeft € 100,-- van hem gekregen. Deze man en diens vader heeft zij ook gezien bij de crematie van de moeder van [verdachte] in januari 2012. [verdachte] had haar verteld dat dat zijn vriend uit Weert en zijn vader was. Hij noemde hem de ‘magere’. Het huis van die man lag langs de woning van de ouders van de man. [verdachte] had haar gezegd dat hij veel geld voor de autobranden had gekregen. [verdachte] had haar verteld dat een man uit Weert hem geld heeft gegeven voor het in brand steken van die auto’s. Dit was de man die trilde met zijn hand. De man waar [verdachte] het geld van kreeg noemde hij de ‘magere’. [verdachte] had gezegd dat de man een zigeuner was. Zij heeft de ‘magere’ twee keer gezien, een keer in 2005 en een keer in Weert. [verdachte] en zij hebben daar toen koffie gedronken.25

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 26 juni 2015 geconstateerd dat de medeverdachte [medeverdachte 3] een tremor in zijn linkerhand en -arm had en dat hij bij die vaststelling opmerkte de ziekte van Parkinson te hebben.

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten overweegt de rechtbank dat alleen [verdachte] heeft verklaard over de rol die [medeverdachte 3] bij de feiten heeft gespeeld. [medeverdachte 3] heeft zijn betrokkenheid bij de feiten ontkend. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [verdachte] over de rol van [medeverdachte 3] overweegt de rechtbank dat de verklaring van [verdachte] bevestiging vindt in telefonische contacten en uit de telefoon van [medeverdachte 3] blijkende locatiegegevens van die telefoon alsmede in de verklaring van [getuige 1] en de constatering van de rechtbank ter terechtzitting. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er telkens kort voor de uitvoering van de brandstichting telefonisch verkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden en dat [verdachte] zich naar Weert heeft begeven en dat er kort na de uitvoering van de misdrijven wederom telefonisch contact tussen beiden is geweest en [medeverdachte 3] zich naar Zuid-Limburg heeft begeven. Deze gegevens passen bij de verklaringen van [verdachte] daarover. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3] opdracht heeft gegeven tot de uitvoering van de brandstichtingen, dat hij actief aan [verdachte] heeft uitgelegd wat er gedaan moest worden en telkens de plaats en het in de brand te steken object heeft aangewezen en dat hij, nadat de feiten gepleegd waren, met [verdachte] heeft afgerekend, waarna [verdachte] zijn mededaders heeft betaald. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat er sprake is geweest van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte], [medeverdachte 3] en de andere betrokkenen, dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat [medeverdachte 3] de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft medegepleegd.

Parketnummer 04/800051-12 onder 4

Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 04/800051-12 onder 4 tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien de verdachte behoort tot een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] contacten had met [medeverdachte 3] en dat hij van [medeverdachte 3] opdrachten tot brandstichting heeft gekregen. Voorts blijkt dat [verdachte] met [medeverdachte 1] bij de uitvoering ervan hebben samengewerkt omdat [verdachte] zich fysiek niet in staat achtte om na de brandstichting snel van de plaats van de brandstichting te kunnen wegrennen. [medeverdachte 1] deed slechts mee om geld te verdienen om zijn verslavingsgebruik te kunnen financieren. Niet blijkt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] elkaar kenden. Ieder had een eigen motief bij de misdrijven. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van een organisatie waaraan de betrokkenen zich gebonden achtten. Voor het aannemen van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband ontbreekt derhalve het wettig en overtuigend bewijs.

Parketnummer 04/800051-12 onder 5

Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 04/800051-12 onder 5 tenlastegelegde diefstal van een personenauto in de periode van 17 tot en met 19 december 2011 in Echt heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij. Uit de telefoongegevens blijkt dat weliswaar de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] zich in de nacht van 19 december 2011 in Echt hebben bevonden. Volgens informatie van de politie is er slechts één aangifte bekend van diefstal van een witte Mazda in Zuid-Limburg in voormelde periode. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 4] in een telefoongesprek met [verdachte] spreekt over een Mazda die [verdachte] in Echt zou hebben gestolen. De periode waarin [verdachte] deze diefstal zou hebben gepleegd, is echter niet duidelijk geworden. [medeverdachte 4] geeft geen nadere gegevens over de identiteit van de kennis en voorts komt de beschrijving van de auto in het telefoongesprek niet overeen met de beschrijving van de auto door de aangever [betrokkene 2]. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is waaruit de conclusie getrokken kan worden dat de door verdachte gestolen auto de in de voormelde periode gestolen auto van [betrokkene 2] betreft.

Parketnummer 04/800051-12 onder 6

[slachtoffer 1] heeft op 22 mei 2012 namens [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal van goederen door middel van braak uit zijn bedrijfsbus, Iveco, die geparkeerd stond op de [adres 11] te Wessem, ter hoogte van nummer 4, gepleegd op 5 mei 2012 tussen 03.00 uur en 08.00 uur. De volgende gereedschappen waren weggenomen: drie motorzagen, merk Stihl, een motorheggeschaar, merk Stihl.26

Op 24 oktober 2012 verklaart [verdachte] dat hij op 5 mei 2012 de inbraak in de bedrijfsbus van [slachtoffer 1] in Wessem heeft gepleegd. Hij heeft die bus met een schroevendraaier aan de achterzijde opengebroken, het materiaal, tuingereedschap, merk Stihl, eruit gehaald en dit verkocht.27

Parketnummer 04/800051-12 onder 7

[slachtoffer 10] heeft op 1 juli 2012 aangifte gedaan van diefstal op 1 juli 2012 tussen 01.00 en 10.30 uur van zijn auto, een rode Mazda 323f, kenteken [kenteken 6], die geparkeerd stond op het [adres 12] te Maastricht.28

[verdachte] heeft op 24 oktober 2012 verklaard dat de auto, Mazda 323, op het [adres 12] te Maastricht is weggenomen door [medeverdachte 1]. Hij is met [medeverdachte 1] gaan rondrijden in Maastricht en toen zagen zij de auto staan. Rondrijden is hetzelfde als op zoek zijn. Het was een rode Mazda 323. [medeverdachte 1] haalde zijn gereedschap en nam de auto weg.29

Uit de bakengegevens blijkt dat de Mazda van [verdachte] zich op 1 juli 2012 tussen 02.52 uur en 03.04 uur op het Old [adres 12] te Maastricht bevond. Tussen 03.33 en 03.36 uur stond de auto van [verdachte] stil bij tankstation Swentibold te Sittard/Geleen. Uit camerabeelden van het tankstation blijkt dat omstreeks 03.45 uur twee auto’s, waaronder de gestolen auto, het terrein oprijden. De bestuurder van de donkerkleurige auto werd herkend als [verdachte], de bestuurder van de rode Mazda werd herkend als [medeverdachte 1]. De auto werd later aangetroffen in Eygelshoven, niet ver van de vroegere woonplaats van [medeverdachte 1].30

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij twee auto’s in Eygelshoven heeft achtergelaten, waaronder een rode. De rode auto zou uit Maastricht kunnen zijn. Hij weet dat hij met de auto gereden heeft omdat hij een foto van hemzelf met de auto bij het tankstation Swentibold te Sittard/Geleen gezien heeft. Hij heeft bij het tankstation voor een tientje getankt. Die rode Mazda heeft zeker een dag of drie, vier daar bij de Markt gestaan.31

Parketnummer 04/800051-12 onder 8

[slachtoffer 11] heeft op 5 juli 2012 aangifte gedaan van diefstal van zijn auto, Mazda 626, blauw, kenteken [kenteken 7], aan de [adres 13] te Heythuysen, tussen 4 juli 2012 om 23.00 uur en 5 juli 2012 om 07.00 uur.32

Naar aanleiding van de opmerking van verbalisanten dat op 7 juli 2012 nabij de markt te Eygelshoven twee gestolen personenauto’s zijn aangetroffen, waaronder een auto die in Heythuysen is gestolen, verklaart [verdachte] op 24 oktober 2012 dat [medeverdachte 1] die heeft gestolen. [verdachte] is met [medeverdachte 1] weggegaan om te kijken of er wat te verdienen viel. Ze zijn met de auto van [verdachte] bij de Mazda terecht gekomen. [medeverdachte 1] stapte uit de auto. [medeverdachte 1] had een blauwe en een rode tang bij zich, meestal een blauwe. [verdachte] wachtte verderop in de auto. Later kwam [medeverdachte 1] dan langs rijden. Hij reed dan achter [verdachte] aan omdat hij de weg niet wist. De tang was een tang met een schroef eraan. Hij verbrak daar het cilinderslot mee. Het portierslot verbrak hij met een schroevendraaier.33

[medeverdachte 1] heeft op 10 september 2012 verklaard dat hij en [verdachte] in de nacht van 5 juli 2011 in Heythuysen een auto hebben gestolen. De auto heeft hij een zijstraat bij de markt in Eygelshoven gezet.34

Parketnummer 04/800051-12 onder 9

[betrokkene 3] heeft op 19 juli 2012 namens [slachtoffer 2] te Leveroy, aangifte gedaan van diefstal van voorwerpen uit een bedrijfsauto, Iveco, tussen 4 juli 2012 om 22.00 uur en 5 juli 2012 om 07.00 uur. Weggenomen waren onder andere een laserinstrument en een boormachine.35

[verdachte] heeft op 24 oktober 2012 verklaard dat hij met [medeverdachte 1] is weggegaan om te kijken of er wat te verdienen viel. Toen zijn zij een Iveco bus tegengekomen. [verdachte] was samen met [medeverdachte 1] aan het rijden. Zij zagen in Leveroy een Iveco-bus op de oprit staan. Toen is [medeverdachte 1] uitgestapt met een schroevendraaier en een lampje. Na een paar minuten kwam hij terug. [medeverdachte 1] heeft hem verteld wat er in lag en dat het de moeite waard was. Zij zijn toen de Mazda in Heythuysen gaan halen om het gestolen spul te kunnen vervoeren. Toen zijn zij teruggegaan naar de Iveco-bus en toen heeft [medeverdachte 1] alles ingeladen. [medeverdachte 1] heeft gereedschap uit de auto weggenomen. [verdachte] heeft een paar straten verderop gewacht. Afspraak was: wat we stelen, dat delen we.36

Parketnummer 04/800051-12 onder 10

[slachtoffer 1] heeft op 5 juli 2012 aangifte gedaan van diefstal door middel van braak uit de bedrijfsbus, merk Iveco, van gereedschap, gepleegd in de [adres 11] te Wessem tussen 4 juli 2012, 20.00 uur en 5 juli 2012, 07.00 uur. Weggenomen zijn een bladblazer, heggenscharen en een kettingzaag.37

[verdachte] heeft op 24 oktober 2012 verklaard dat hij had bedacht dat hij in het verleden een bus met tuinmateriaal had leeggemaakt in Wessem. Hij heeft dat toen tegen [medeverdachte 1] gezegd. Voor de inbraak in Leveroy is hij daar met [medeverdachte 1] gaan kijken. Naderhand is hij er met Roland naartoe gereden. Zij reden met twee auto’s. [verdachte] heeft wat verderop gewacht. Hij zag dat [medeverdachte 1] over een muurtje klom. Hij heeft gezien dat [medeverdachte 1] het materiaal in de auto gooide. Hierna zijn zij richting Ospel gereden. Hij neemt aan dat [medeverdachte 1] het materiaal uit de bus heeft gehaald. Het was materiaal voor tuinonderhoud van het merk Stihl. Het materiaal is weggehaald uit een witte Iveco-bus. Ze hebben de goederen verkocht aan [betrokkene 4]. Het geld is door tweeën gedeeld tussen hem en [medeverdachte 1].38

Uit de bakengegevens blijkt dat de auto van [verdachte] zich op 5 juli 2012 tussen 00.50 uur en 01.10 uur in de directe omgeving van de [adres 11] te Wessem heeft bevonden.39

Parketnummer 04/800051-12 onder 11

[slachtoffer 3] heeft op 11 augustus 2011 aangifte gedaan van diefstal van zijn personenauto, Mazda 626, kleur groen, kenteken [kenteken 8], gepleegd op de [adres 14] te Nederweert tussen 9 augustus 2011 te 22.00 uur en 10 augustus 2011 te 10.45 uur.40

Het voertuig werd op 4 oktober 2011 aangetroffen op de [adres 15] te Ittervoort.41

[medeverdachte 1] heeft op 10 september 2012 over de personenauto die gebruikt is bij de brand op de [adres 2] te Weert verklaard dat zij naar die plek zijn gereden en dat zij, toen zij de snelweg afgingen, [verdachte] rechtstreeks naar een auto is toegereden. Hij wees die auto aan en zei: “daar, die”. Die auto hoefde niet te worden opengebroken. [verdachte] vroeg of [medeverdachte 1] iets had om te starten. [medeverdachte 1] kreeg een schroevendraaier van hem en kon hem zo starten. Hij heeft erin gereden, maar [verdachte] ook. Zij zijn de vluchtstrook afgereden en hebben de auto daar neergezet en zijn meteen weer de snelweg opgereden.42

[verdachte] heeft op 11 september 2012 verklaard dat hij met [medeverdachte 1] naar de [adres 2] te Weert is gereden. Hij heeft [medeverdachte 1] aangeboden om buiten het zicht van de camera’s op het industrieterrein aan de [adres 2] te wachten, maar dat was [medeverdachte 1] te ver lopen. [medeverdachte 1] heeft daarom een auto gestolen in Nederweert. Dat was hetzelfde type auto dat [verdachte] had, een Mazda 626. Toen zij de Mazda tegen kwamen stapte [medeverdachte 1] uit en [verdachte] reed naar het einde van de straat. Toen [medeverdachte 1] dan die auto klaar had kwam hij achter hem aan. Zij hebben de auto achtergelaten, hij gelooft op een parkeerplaats van de kerk in Ittervoort.43

Parketnummer 03/661095-15 onder 144

Aangever [slachtoffer 12] heeft op 5 augustus 2007 verklaard dat hij zijn auto, een grijze BMW, op 2 augustus 2007 om 16.00 uur voor de garagepoort van zijn woning, [adres 4] te Weert, had geparkeerd. Daar stond ook een Fiat Brava. Op 3 augustus 2007, omstreeks 03.30 uur werd hij wakker van een knal. Hij zag dat beide auto’s in brand stonden.45 [slachtoffer 12] verklaart voorts dat hij sinds 1982 op de [adres 4] te Weert woont en dat hij enkele jaren later de ramen op de eerste verdieping aan de voorzijde van zijn woning heeft laten voorzien van witte rolluiken. In augustus 2007 stonden aan de linkerzijde van de oprit groene hoge coniferen.46

[verdachte] heeft op 22 oktober 2013 verklaard dat twee auto’s op de oprit van dezelfde woning stonden. [naam 3] heeft het gedaan. [verdachte] stond er niet ver vanaf bij de buren, de haag was nogal hoog zodat ze de auto’s niet konden zien. [naam 3] heeft de brand gesticht met benzine. Hij moest ze allebei pakken. Het was een huis met witte rolluiken. Het was bij nummer 21. Hij heeft bij een hoog hek gestaan.47 [verdachte] verklaart op 4 april 2013 dat het op de [adres 16] moet zijn. Het was een huis, hij meent met witte rolluiken en 21. De verbalisant [verbalisant 2] relateert dat de [adres 16] en de [adres 4] te Weert beide gelegen zijn in de wijk [wijk]. Gezien vanuit de [straat] loopt de [adres 16] over in de [adres 4]. Het pand [adres 4] 21 komt overeen met de omschrijving die [verdachte] geeft en waar een brandstichting van twee auto’s op een oprit heeft plaatsgevonden. Op de [adres 16] hebben geen brandstichtingen van auto’s plaatsgevonden.48

Op 21 november 2013 verklaart [verdachte] dat hij de opdracht van [medeverdachte 3] heeft gekregen en dat hij de opdracht heeft doorgespeeld. De opdracht hield in de auto’s in brand te steken. Hij kreeg er tussen 250 en 350 euro voor betaald. [verdachte] vertelde [naam 3] wat [medeverdachte 3] hem had aangeboden en toen gingen zij erheen. Zij gingen met benzine. Hij wees [naam 3] aan waar het moest gebeuren. Het was een perceel met dennenbomen van de buren. Hij zag dat [naam 3] de auto’s aanstak. Toen hij kwam aanrijden stond [naam 3] bij die auto’s en in een keer was er brand.49

Parketnummer 03/661095-15 onder 2

[slachtoffer 13] heeft op 22 juni 2010 aangifte gedaan van brandstichting in zijn woning aan de [adres 5] te Weert. Op 22 juni 2010, omstreeks 01.55 uur, lag hij boven in bed. Zij hoorden beneden in de hal een harde klap. Beneden rook hij brandlucht. Hij zag dat diverse binnendeuren, grenzend aan de hal, kapot waren. Van de voordeur was het glas kapot. In de hal zag hij op de grond resten van vuurwerk liggen.50

[verdachte] heeft over een brandstichting in een woning in Weert verklaard dat de woning niet ver van een school af lag. Er is één pijl naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] en hij gingen rijden. [medeverdachte 3] wees de woning aan en dan wist [verdachte] wat hij moest doen. Zij zijn daarna terug gereden naar de woning van [medeverdachte 3] en toen heeft [medeverdachte 3] hem de pijl gegeven. Hij heeft [medeverdachte 1] benaderd. Tegen [medeverdachte 1] heeft hij gezegd dat er weer ergens een pijl naar binnen moest. Hij reed langs de woning en wees [bijnaam 2] de woning aan. Daarna is hij om het schooltje heengereden. Toen heeft [bijnaam 2] de pijl gepakt en is hij uitgestapt. [bijnaam 2] is toen naar dat huis gelopen. Toen hoorde [verdachte] een knal. [bijnaam 2] kwam terug rennen en is in de auto gestapt.51

[medeverdachte 1] heeft op 29 augustus 2012 verklaard dat hij ook [bijnaam 2] werd genoemd.52

De verbalisanten verklaren dat [verdachte] tijdens het rondrijden de huizen in de [adres 5] aanwees en zei dat het nummer 4 was.53

Overweging van de rechtbank ten aanzien van parketnummer 03/661095-15 feiten 1 en 2:

De raadsman heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [verdachte] voldoende feitelijk zijn en aansluiten bij de aangifte. Het verweer van de raadsman vindt dan ook zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

Parketnummer 03/661095-15 onder 3

[slachtoffer 14] doet op 4 juli 2007 aangifte van brandstichting in een tuinhuisje bij zijn woning [adres 6]. Op 28 juni 2007 zag hij dat de chalet nog intact was. Op 29 juni 2007 omstreeks 20.00 uur, kreeg hij van zijn vrouw te horen dat zij het vermoeden had dat de chalet in brand had gestaan. Hij heeft het vermoeden dat er opzettelijk brand is gesticht met de bedoeling de chalet in brand te steken.54

[verdachte] verklaart op 19 november 2013 dat het tuinhuisje op de hoek [adres 6] in de brand is gegaan. [medeverdachte 3] had hem gezegd dat het tuinhuisje in brand moest. [medeverdachte 3] is met hem langs dat tuinhuisje gereden en heeft het aangewezen. Hij heeft [naam 3] benaderd en [naam 3] nam [naam 4] mee. Hij reed langs de woning en wees het tuinhuisje aan. Zij zijn de alledrie gaan uitgestapt en gaan kijken. Toen zijn zij teruggelopen naar de auto en hebben zij [naam 4] de benzine meegegeven. [naam 4] is teruggelopen naar het tuinhuisje. [naam 4] kwam schreeuwend terug bij de auto. [naam 4] stapte in de auto, [verdachte] reed weg en zag toen dat er iemand aan het blussen was.55

Parketnummer 03/661095-15 onder 4

[slachtoffer 14] heeft op 8 juli 2007 aangifte gedaan van brandstichting aan zijn tuinhuisje op de Noorderlaan 40 te Weert, gepleegd op 8 juli 2007. Hij en zijn vrouw wonen op de hoek van de [adres 6]. Rechts naast de woning staat een schutting met daaraan vast een tuinhuisje. Zijn vrouw en hij lagen boven te slapen. Omstreeks 03.15 uur hoorde hij een grote knal. Hij zag dat het tuinhuisje in brand stond. zijn vrouw en hij hebben getracht het vuur uit te krijgen en dat is gelukt. Het vuur kwam telkens terug. De brandweer heeft nageblust. Bij het tuinhuisje stonden goederen.56

[verdachte] heeft op 19 november 2013 verklaard over de tweede brandstichting in het tuinhuisje dat [naam 4] en [naam 3] daar bij waren. [naam 4] is de zoon van [naam 3] en die heeft het tuinhuisje in brand gestoken. [verdachte] is naar [naam 3] gegaan en heeft gezegd dat het de eerste keer mislukt was en dat zij nog een keer terug moesten. Zij zijn met de auto van [verdachte] naar Weert gegaan. Zij hadden benzine meegenomen. [naam 3] was bij [verdachte] in de auto blijven zitten en [naam 4] heeft het tuinhuisje in brand gestoken. [verdachte] heeft [naam 3] zijn deel van de betaling voor de brandstichting gegeven.57

Parketnummer 03/661095-15 onder 5

[slachtoffer 15] heeft op 12 juli 2007 aangifte gedaan van brandstichting in de woning [adres 7] te Weert, gepleegd op 12 juli 2007. Omstreeks 02.15 uur was zij in de keuken en zag zij door de ruitjes in de binnendeur tussen keuken en hal dat er een vlam was. Zij hoorde een geluid dat je normaal bij vuurwerk hoort. De vuurbal ontplofte in de hal. Zij hoorde een harde knal. In de hal lag een koeien- of kalverenhuid, deze stond in brand. Haar man heeft de vlammen uitgetrapt.58

[verdachte] heeft op 19 november 2013 over een woning verklaard waar een lawinepijl naar binnen is gegaan. Dit was bij mensen waarmee [medeverdachte 3] ruzie had. [medeverdachte 3] heeft het perceel [adres 7] aangewezen.59 [verdachte] had het tegen [naam 3] gezegd en die is toen met hem meegegaan en die heeft toen ook die lawinepijl erin gegooid. Hij meent zelfs twee. [naam 3] heeft het gedaan. [verdachte] zat in de auto. [verdachte] had [naam 3] het huis laten zien. [naam 3] was uitgestapt, had de pijlen meegenomen en die in de brievenbus gestoken. Na de knal is [naam 3] komen aanrennen en zijn zij naar huis gegaan.60

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de zaak met parketnummer 04/8000051-12:

1.

op 27 januari 2012 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (merk Kia, type Picanto, kenteken [kenteken 1]), staande op het [adres 17], immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto en drie andere personenauto's (een personenauto merk Peugeot 207, kenteken [kenteken 2] en een personenauto merk Toyota, kenteken [kenteken 4] en een personenauto merk Citroën C4, kenteken [kenteken 3]) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto’s en zich in die personenauto's bevindende goederen te duchten was;

2.

op 10 augustus 2011 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto (merk Peugeot, type 207, kenteken [kenteken 5]),

staande aan de [adres 2], immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto en zich in die personenauto bevindende goederen te duchten was;

3.

op 26 juni 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht aan een bestelauto (merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 9]), staande aan de [adres 3], immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan voornoemde bestelauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde bestelauto en

zich in die bestelauto bevindende goederen te duchten was;

6.

op 05 mei 2012 te Wessem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsbus (Iveco) heeft weggenomen motorzagen (merk Stihl) en een motorheggenschaar (merk Stihl), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte

de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7.

op 01 juli 2012 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda, type 323F, kleur rood, kenteken [kenteken 10]), toebehorende aan [slachtoffer 10],

waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

8.

in de periode van 04 juli 2012 tot en met 05 juli 2012 te Heythuysen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda, type 626, kleur blauw, kenteken [kenteken 11]),

toebehorende aan [slachtoffer 11], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

9.

in de periode van 04 juli 2012 tot en met 05 juli 2012 te Leveroij, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsauto (merk Iveco) heeft weggenomen o.a. een laserinstrument en een boormachine, toebehorende aan [slachtoffer 2];

10.

In de periode van 04 juli 2012 tot en met 05 juli 2012 te Wessem, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsbus (merk Iveco) heeft weggenomen een bladblazer (merk Stihl), een heggenschaar (merk Stihl), een kettingzaag (merk Stihl) en een stokheggenschaar (merk Stihl), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

11.

in de periode van 09 augustus 2011 tot en met 10 augustus 2011 in de gemeente Nederweert tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda, type 626, kleur groen, kenteken

[kenteken 8]), toebehorende aan [slachtoffer 3];

in de zaak met parketnummer 03/661095-15:

1.

omstreeks 05 augustus 2007 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht aan op de oprit van de woning [adres 4] staande

personenauto's (merk BMW, type 320D Touring, kenteken [kenteken 12] en merk Fiat, type Brava, kenteken [kenteken 13]), immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto's geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto's en zich in die personenauto's bevindende goederen te duchten was;

2.

op 22 juni 2010 in de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander, in de woning [adres 5] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

een lawinepijl tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en zich in die woning bevindende goederen en levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende personen te duchten was;

3.

in de periode van 28 juni 2007 tot en met 29 juni 2007 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een nabij de woning

[adres 6] staand tuinhuisje/chalet, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan het dak van dat tuinhuisje/chalet geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat tuinhuisje/chalet en zich in dat tuinhuisje/chalet bevindende goederen te duchten was;

4.

op 08 juli 2007 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een nabij de woning [adres 6] staand tuinhuisje/chalet, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan dat tuinhuisje/chalet en die woning en in de nabijheid van dat tuinhuisje/chalet en die woning staande goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat tuinhuisje/chalet en voornoemde woning en zich in dat tuinhuisje/chalet en die woning bevindende goederen en

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in de woning

Noorderlaan 40 bevindende personen te duchten was;

5.

op 12 juli 2007 in de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander, in de woning

[adres 7], opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een lawinepijl tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en zich in die woning bevindende goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende personen te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van parketnummer 04/800051-12:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 6:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 7:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 8:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 9:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 10:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking;

feit 11:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van parketnummer 03/661095-15:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten is;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 4:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten is;

feit 5:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de gevorderde straf te hoog is. Het is niet juist dat de in de gemeente Weert ontstane onrust geheel bij verdachte wordt neergelegd. Bij de strafbepaling dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte schoon schip heeft gemaakt. Voorts heeft de afhandeling van de zaak onnodig lang geduurd, hetgeen niet aan verdachte verweten kan worden. Bovendien is in de eis niet meegenomen dat verdachte een eenzame, verslaafde man is die slechts als werktuig is gebruikt. Vergeleken met de eisen bij de mededaders is de straf onevenredig hoog.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met anderen ’s nachts een aantal auto’s in brand gestoken, ten gevolge waarvan deze auto’s geheel of gedeeltelijk zijn uitgebrand dan wel beschadigd raakten. Dat de schade beperkt is gebleven tot materiële schade is niet aan verdachte te danken nu hij met zijn mededaders na de brandstichtingen gewoon is weggereden.

Daarnaast heeft verdachte met anderen in de nachtelijke uren brand gesticht in twee woningen. Indien de in de woningen aanwezige bewoners niet wakker waren geworden dan wel reeds naar bed waren geweest, hadden zij waarschijnlijk groot gevaar gelopen en zou aan de woningen grote schade zijn toegebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij de branden alleen wilde plegen als niemand in de woningen aanwezig zou zijn, maar hij heeft zich daar zelf niet van vergewist.

Ook heeft verdachte met anderen twee keer een tuinhuisje in brand gestoken. Voorts heeft hij goederen uit bedrijfsauto’s gestolen en deze voorwerpen nog in de nacht van de diefstallen verkocht aan een heler.

Ten behoeve van de uitvoering van de brandstichtingen en het vervoer van de uit auto’s gestolen goederen heeft verdachte zich tot slot in enkele gevallen samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstallen van auto’s. Dergelijke feiten zijn relatief gemakkelijk te plegen en moeilijk op te sporen, hetgeen het handelen van verdachte extra laakbaar maakt.

Verdachte heeft bij het plegen van zijn daden alleen oog gehad voor geldelijk gewin en hij heeft zich in geen enkel geval om de gevolgen van zijn handelen bekommerd en geen enkel respect getoond voor andermans bezit en gevoelens. Verdachte vervulde bij de uitvoering van de feiten een wezenlijke rol, hij fungeerde als tussenpersoon bij de brandstichtingen, benaderde personen die samen met hem de uitvoering voor hun rekening namen en regelde het transport en de afrekening van de mededaders. De geraffineerde en doortrapte wijze waarop verdachte te werk ging, waarbij hij in het bijzonder door inzet van derden bij de branden zich buiten schot hield, valt verdachte bijzonder aan te rekenen

Door het strafbare gedrag van verdachte is grote overlast en materiële schade aan goederen van anderen ontstaan. Zijn handelen heeft ernstige gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de Weertse gemeenschap teweeg gebracht. Daaraan heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd, hetgeen hem te meer is kwalijk te nemen omdat hij ten tijde van het plegen van de onder parketnummer 04/8000051-12 onder 1 en 2 bewezenverklaarde brandstichtingen wist dat in Weert in een relatief korte periode een groot aantal autobranden had gewoed en dat die tot veel commotie hadden geleid. Verdachte en zijn mededaders wisten dat het effect van hun handelen groter zou zijn, omdat er al veel onrust in de omgeving van Weert was. Hun handelen was dan ook een gemakkelijke manier om extra onrust te zaaien.

De rechtbank is daarom van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn proceshouding. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij reeds meermalen is veroordeeld, onder meer voor een groot aantal vermogensdelicten, maar dat hij niet eerder voor brandstichtingen is veroordeeld.

De rechtbank neemt als uitgangspunt een gevangenisstraf van een jaar voor de brandstichtingen waarbij levensgevaar voor de bewoners te duchten was, van zes tot negen maanden voor elke andere brandstichting en een jaar voor de zes diefstallen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in beginsel in overeenstemming is met de aard en ernst van de feiten. De rechtbank houdt echter in het voordeel van verdachte rekening met het lange tijdsverloop en de meewerkende houding van verdachte, zonder welke een groot aantal zaken niet opgelost zou zijn. Gelet hierop acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar passend.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert een schadevergoeding van € 293,96 terzake van feit 2 onder parketnummer 04/80005112.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering geheel toewijsbaar geacht.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet gedocumenteerd is, maar dat de rechtbank de bevoegdheid heeft het gevorderde bedrag te matigen in die zin dat de vordering tot een bedrag van € 100,-- zal worden toegewezen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de vordering bestaat uit een onderdeel materiële kosten, te weten € 43,96 aan reiskosten en een bedrag van € 250,-- aan immateriële schade in verband met de psychische gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank acht de vordering ten aanzien van de reiskosten voldoende onderbouwd en die kosten zullen dan ook worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij enige psychische schade heeft geleden. Een schadebedrag tot de hoogte van € 500,-- acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Wel acht de rechtbank een schadebedrag van € 150, -- redelijk en billijk. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

7.5

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 600,-- terzake van parketnummer 03/800051-12 feit 10.

7.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.7

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet gedocumenteerd is, maar dat de rechtbank de bevoegdheid heeft het gevorderde bedrag te matigen in die zin dat de vordering tot een bedrag van € 100,-- zal worden toegewezen.

7.8

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de vordering bestaat uit een onderdeel materiële kosten, te weten € 100,-- aan voorwerpen die zijn gekocht om de schade aan de auto te repareren en een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat verdachte de materiële kosten voor de reparatie van zijn auto heeft gemaakt en zal die kosten dan ook toewijzen. Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij enige psychische schade heeft geleden. Het schadebedrag van € 500,-- is door de benadeelde partij niet onderbouwd. De rechtbank acht echter een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag € 100, -- redelijk en billijk. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

7.9

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 16]

De benadeelde partij [slachtoffer 16] vordert een schadevergoeding van € 13.836,11 terzake het bij parketnummer 03/661095-15 ad info gevoegde feit 1.

7.10

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat verdachte het feit niet heeft bekend en dit feit niet bij de strafbepaling kan worden meegenomen,

7.11

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat verdachte het ad informandum gevoegde feit niet bekent en er voorts ten tijde van het plegen van het feit geen wettelijke bepaling inhield dat slachtoffers zich als benadeelde partij in het geding kunnen voegen.

7.12

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat ten tijde van het plegen van het feit geen wettelijke bepaling de voeging als benadeelde partij in het strafgeding toestond en voorts verdachte het feit niet heeft erkend, zodat dit niet bij de strafbepaling kan worden betrokken.

7.13

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 17]

De benadeelde partij [slachtoffer 17] vordert een schadevergoeding van € 2.600,-- terzake van het bij parketnummer 03/661095-15 ad info gevoegde feit 2.

7.14

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat verdachte het feit niet heeft bekend en dit feit niet bij de strafbepaling kan worden meegenomen,

7.15

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat verdachte het ad informandum gevoegde feit niet bekent en er voorts ten tijde van het plegen van het feit geen wettelijke bepaling inhield dat slachtoffers zich als benadeelde partij in het geding kunnen voegen.

7.16

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren omdat ten tijde van het plegen van het feit geen wettelijke bepaling de voeging als benadeelde partij in het strafgeding toestond en voorts verdachte het feit niet heeft erkend, zodat dit niet bij de strafbepaling kan worden betrokken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 57, 63, 157 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder parketnummer 03/800051-12 onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ten aanzien van parketnummer 04/800051-12 onder feit 2 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 193,96,--;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] voor het overige af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ten aanzien van parketnummer 04/800051-12 onder feit 10 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 100,--;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door zijn mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 16] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 17] niet-ontvankelijk in haar vordering.

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. V.P. van Deventer en mr. C.C.W.M. Aretz, rechters, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 juli 2015.

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 04/8000051-12:

1.

hij op of omstreeks 27 januari 2012 in de gemeente Weert tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft

gesticht in/aan een personenauto (merk Kia, type Picanto, kenteken [kenteken 1]),

staande op het [adres 1], immers heeft/hebben verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met benzine, in elk geval met een brandbare (vloei)stof, ten gevolge

waarvan voornoemde personenauto en/of drie andere personenauto's (een

personenauto merk Peugeot 207, kenteken [kenteken 2] en/of een personenauto merk

Toyota, kenteken [kenteken 4] en/of een personenauto merk Citroën C4, kenteken

[kenteken 3]) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde personenauto('s) en/of

zich in die personenauto('s) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 10 augustus 2011 in de gemeente Weert tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft

gesticht in/aan een personenauto (merk Peugeot, type 207, kenteken [kenteken 5]),

staande op/aan de [adres 2], immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met benzine, in elk geval met een brandbare (vloei)stof, ten gevolge

waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde

personenauto en/of zich in die personenauto bevindende goederen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 26 juni 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht

in/aan een bestelauto (merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 9]), staande op/aan

de [adres 3], immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met

benzine, in elk geval met een brandbare (vloei)stof, ten gevolge waarvan

voornoemde bestelauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand

is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde bestelauto en/of

zich in die bestelauto bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen te duchten was;

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot en met 28 augustus 2012

in de gemeente Weert en/althans elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een

organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem,

verdachte en een of meer natuurlijke perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 1], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven, te weten brandstichtingen;

5.

hij in of omstreeks de periode van 17 december 2011 tot en met 19 december

2011 te Echt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda,

type 323, kleur wit, kenteken [kenteken 14]), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [betrokkene 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse

sleutel;

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

6.

hij op of omstreeks 05 mei 2012 te Wessem, in elk geval in de gemeente

Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfsbus

(Iveco) heeft weggenomen (een) motorza(a)g(en) (merk Stihl) en een

motorheggenschaar (merk Stihl), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

7.

hij op of omstreeks 01 juli 2012 in de gemeente Maastricht tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda,

type 323F, kleur rood, kenteken [kenteken 10]), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse

sleutel;

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

8.

hij in of omstreeks de periode van 04 juli 2012 tot en met 05 juli 2012 te

Heythuysen, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda, type 626, kleur

blauw, kenteken [kenteken 7]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel;

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

9.

hij in of omstreeks de periode van 04 juli 2012 tot en met 05 juli 2012 te

Leveroij, in elk geval in de gemeente Nederweert, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening uit een bedrijfsauto (merk Iveco) heeft weggenomen o.a. een

laserinstrument en een boormachine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

10.

hij op of omstreeks de periode van 04 juli 2012 tot en met 05 juli 2012 te

Wessem, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een bedrijfsbus (merk Iveco) heeft weggenomen een

bladblazer (merk Stihl), een heggenschaar (merk Stihl), een kettingzaag (merk

Stihl) en een stokheggenschaar (merk Stihl), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

11.

hij in of omstreeks de periode van 09 augustus 2011 tot en met 10 augustus

2011 in de gemeente Nederweert tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een personenauto (merk Mazda, type 626, kleur groen, kenteken

[kenteken 8], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak

en/of verbreking;

art. 311 Wetboek van Strafrecht;

in de zaak met parketnummer 03/661095-15:

1.

hij op of omstreeks 05 augustus 2007 in de gemeente Weert tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft

gesticht in/aan (een) op de oprit van de woning [adres 4] staande

personenauto('s) (merk BMW, type 320D Touring, kenteken [kenteken 12] en/of merk

Fiat, type Brava, kenteken [kenteken 13]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een

of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan voornoemde personenauto's en/of een dicht naast die

personenauto's gelegen woning, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk

geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde

personenauto's en/of voornoemde woning en/of zich in die personenauto('s)

en/of die woning bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in

de woning [adres 4] bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te

duchten was;

2.

hij op of omstreeks 22 juni 2010 in de gemeente Weert, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de woning

Van [adres 5], opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

(een) lawinepijl(en) althans vuurwerkpijl(en), in elk geval (een)

explosie(f)(ven), tot ontploffing heeft gebracht, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor die woning en/althans zich in die woning bevindende goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende personen, in elk

geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander

of anderen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2007 tot en met 29 juni 2007 in de

gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een nabij de woning

[adres 6] staand tuinhuisje/chalet, immers heeft/hebben verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan (het dak van) dat tuinhuisje/chalet geheel of gedeeltelijk is

verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

dat tuinhuisje/chalet en/of voornoemde woning en/of zich in dat

tuinhuisje/chalet en/of die woning bevindende goederen, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor zich in de woning [adres 6] bevindende personen, in elk geval

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen te duchten was;

4.

hij op of omstreeks 08 juli 2007 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht

in/aan een nabij de woning [adres 6] staand tuinhuisje/chalet, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat tuinhuisje/chalet en/of die

woning en/of in de nabijheid van dat tuinhuisje/chalet en/of die woning

staande goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand

is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat tuinhuisje/chalet en/of

voornoemde woning en/of zich in dat tuinhuisje/chalet en/of die woning

bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in de woning

[adres 6] bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

5.

hij op of omstreeks 12 juli 2007 in de gemeente Weert, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de woning

[adres 7], opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door

(een) lawinepijl(en) althans vuurwerkpijl(en), in elk geval (een)

explosie(f)(ven), tot ontploffing heeft gebracht, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor die woning en/althans zich in die woning bevindende goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor (een) zich in die woning bevindende

perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen – voor zover niet anders vermeld - naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2012008764 d.d. 11 juni 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL233R 2012008764-94, d.d. 28 augustus 2012, p. 599.

3 Proces-verbaal nr. 233R1209 d.d. 20 maart 2013, p. 1610.

4 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012008764-1, p.1685-1687.

5 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012009025-1, d.d. 28 januari 2012, p. 1697-1699.

6 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012009283-1, d.d. 28 januari 2012, p. 1704-1705.

7 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233R 2012009284-1, d.d. 28 januari 2012, p. 1706-1708.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr.PL233R 2012008764-102, p. 2450-2454.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012008764-142, d.d. 11 september 2012, p. 2525-2529.

10 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ([verdachte]), nr. 2011076031, d.d. 11 februari 2013, p. 1803-1806.

11 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ([medeverdachte 3]), nr. 2012008764, d.d. 13 maart 2013.

12 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233D 2011076031-1, d.d. 10 augustus 2011, p. 2975-2978.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012008764-141, d.d. 11 september 2012, p. 3563-3566.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL233R 2012008764-106, d.d. 30 augustus 2012, p. 3495-3503.

15 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ([verdachte]), nr. 2011076031, d.d. 24 juli 2012, p. 3024-3029.

16 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ([medeverdachte 3]), nr. 2012008764, d.d. 13 maart 2013, p. 3036-3043.

17 Proces-verbaal nr. 233R1209 d.d. 26 maart 2013, p. 3775.

18 Proces-verbaal aangifte, nr. 2009064546-1, d.d. 26 juni 2009.

19 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ([medeverdachte 3]), nr. 2012008764, d.d. 13 maart 2013, p. 3803-3810.

20 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300-2012008764-262, d.d. 19 november 2013, bijlage bij het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal “Doorstart branden, genummerd 233R1209 d.d. 11 juni 2014.

21 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012008764-177, d.d. 27 september 2012, p. 4019-4024.

22 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012008764-177, d.d. 27 september 2012, p. 4026-4031.

23 Proces-verbaal onderzoek Telecommunicatie ([medeverdachte 3]), nr. 2012008764, d.d. 13 maart 2013, p. 3803-3810.

24 Proces-verbaal correctie verhoor [verdachte], nr. 233R1209, d.d. 23 april 2013, p. 1623, 1631 en 1634, bijlage bij het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal “Doorstart branden, genummerd 233R1209 d.d. 11 juni 2014.

25 Proces-verbaal verhoor getuige, nr. PL2324 2012008764-125, d.d. 5 september 2012, p. 3134-3142.

26 Geschrift met het opschrift ‘Proces-verbaal aangifte’, nr. PL233R 2012048871-1, d.d. 23 mei 2013, p. 4209 en 4210.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012048871-2, d.d. 24 oktober 2012, p. 4224 en 4225.

28 Proces-verbaal aangifte, nr. PL2411 2012075601-1, d.d. 1 juli 2012, p. 4236-4238.

29 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012075601-2, d.d. 24 oktober 2012, p. 4305-4307.

30 Proces-verbaal van bevindingen, nr, PL2300 2012008764-151, p. 4256-4258 en proces-verbaal van bevindingen beelden Tankstation Shell Swentibold, nr. PL2300 2012008764-166, d.d. 18 juli 2012, p. 4261-4263.

31 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL233R 2012008764-135, p. 4300-4302.

32 Proces-verbaal aangifte, nr.PL2325 2012 064705-1, d.d. 5 juli 2012, p. 4320-4322.

33 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012064705-4, d.d. 24 oktober 2012, p. 4384-4386.

34 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. Pl233R 2012008764-134, d.d. 10 september 2012, p. 4377-4380.

35 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233F 2012069759-1, d.d. 19 juli 2012, p. 4323 en 4324.

36 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012064705-4, d.d. 24 oktober 2012 en proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012069759-3, d.d. 24 oktober 2012, p. 4384-4389.

37 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233C 2012064855-1, d.d. 5 juli 2012, p.4326-4329.

38 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012064855-2, d.d. 24 oktober 2012, p. 4390-4392

39 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2300 2012008764-150, d.d. 19 september 2012 met bijlage, p. 4371 en 4372.

40 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233D 2011076294-1, d.d. 11 augustus 2011, p. 4400-4403.

41 Proces-verbaal aantreffen gesignaleerd motorvoertuig, nr. PL233E 2011076294-4, p. 4404-4405.

42 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL233R 2012008764-137, d.d. 10 september 2012, p. 4406-4407.

43 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300 2012008764-141, d.d. 11 september 2012, p. 4416-4419.

44 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen – voor zover niet anders vermeld - naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd 233R1209 d.d. 11 juni 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

45 Proces-verbaal van aangifte, nr. PL2342/07-100932, d.d. 5 augustus 2007, p. 687-690.

46 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2300-2013089672-5, d.d. 8 oktober 2013, p. 673.

47 Proces-verbaal correctie verhoor [verdachte], nr. 233R1209, d.d. 22 oktober 2013, p. 667.

48 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2300-2013089672-4, d.d. 8 oktober 2013, p. 685-686

49 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300-2012008764-273, p. 727-730

50 Proces-verbaal aangifte, nr. PL233D 2010061081-1, d.d. 24 juni 2010, p. 998-1001.

51 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300-2012008764-261, d.d. 20 november 2013, p. 1037-1042.

52 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL233R 2012008764-98, d.d. 29 augustus 2012, p. 612.

53 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL2300-2012008764-275, d.d. 9 januari 2014, p. 1047-1048.

54 Proces-verbaal van aangifte, nr. PL2343/07-085373, d.d. 4 juli 2007, p. 1644-1646

55 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300-2012008764-264, d.d. 19 november 2013, p. 1685-1689.

56 Proces-verbaal van aangifte, nr. PL2343/07-088700, d.d. 8 juli 2007, p. 1824-1826-1824 en proces-verbaal van verhoor, nr. PL2332/07-088700, d.d. 27 augustus 2007, p. 1829-1831.

57 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300-2012008764-265, d.d. 19 november 2013, p. 1852-1855.

58 Proces-verbaal van verhoor, nr. PL2341/07-090647, d.d. 27 augustus 2007, p. 1996-2001.

59 Proces-verbaal verhoor verdachte, nr. PL2300-2012008764-266, d.d. 19 november 2013, p. 2043-2049.

60 Proces-verbaal correctie verhoor [verdachte], nr. 233R1209, d.d. 22 oktober 2013, p. 1628-1630.