Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5786

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
C/03/206836 KG ZA 15-275
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verblijf zonder recht of titel. Buitengerechtelijke ontbinding ex artikel 7:231, tweede lid BW. Verhouding tussen bestuursrechtelijk besluit tot oplegging van last onder bestuursdwang en het civielrechtelijke gevolg van ontbinding en ontruiming. Aansprakelijkheid voor gedragingen van derde ex artikel 7:219 BW. Geen sprake van misbruik van recht (artikel 3:13 BW jo. 8 EVRM jo. 3 IVRK). Ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (artikel 6:248, tweede lid BW). Proceskosten niet nodeloos veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/206836 KG ZA 15-275

Vonnis in kort geding van 9 juli 2015

in de zaak van:

stichting WONINGSTICHTING SERVATIUS,

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

advocaat mr. N. Kooistra,

tegen:

[gedaagde],

wonend [adres 1],

[woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S. Ikiz.

Partijen zullen hierna Servatius en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 juni 2015 met producties

  • -

    de akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 juli 2015, waar mr. Kooistra namens Servatius is verschenen en [gedaagde] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz en vergezeld van M. Bozaslan als tolk.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Servatius en [gedaagde] zijn, nadat [gedaagde] vanwege mishandelingen en bedreigingen aan haar dan wel haar dochters adres - uit hoofde van eerwraak - uit haar toenmalige woning is gevlucht, op 23 mei 2014 een huurovereenkomst aangegaan voor de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

In artikel 13.6 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen is, voor zover relevant, bepaald:

“Het is huurder niet toegestaan:

(…) c. hennep of soortgelijke gewassen in het gehuurde te (doen) kweken, drogen of knippen, verdovende middelen te hebben en/of daarin handel te drijven vanuit het gehuurde of enige andere activiteit te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. (…).

2.3.

Op 24 november 2014 heeft, naar aanleiding van meldingen over stankoverlast door buurtbewoners, een politieonderzoek plaatsgevonden in de woning. Hierbij is onder een keukenplint in totaal 3.346 gram hennep aangetroffen. Voorts zijn er in de kelder van de woning nieuwe ongebruikte seal-bags en grote gripzakken aangetroffen.

2.4.

In de periode voorafgaand aan het onderzoek verbleef [gedaagde] met haar toenmalige partner [naam ex-partner] (hierna: [naam ex-partner]), haar dochter [naam dochter], geboren op [geboortedatum 1], en haar zoon [naam zoon], geboren op [geboortedatum 2], in de woning.

2.5.

[gedaagde] staat sinds enkele jaren onder begeleiding van ‘Trajekt’ en het ‘Sociaal Team 6217/6218 Maastricht’ teneinde zelfstandig te kunnen functioneren in de maatschappij. De dochter van [gedaagde] wordt door ‘Bureau Voortijdig Schoolverlaten, jongeren@work van de gemeente Maastricht’ ondersteund op het gebied van scholing, werk en zorg. Daarnaast is [naam dochter] onder behandeling van een arts in verband met een posttraumatische stress- en angststoornis.

2.6.

Bij brief van 1 december 2014 heeft de burgemeester van de gemeente Maastricht (hierna: de burgemeester) aan [gedaagde] bericht voornemens te zijn om ex artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen in de vorm van een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

2.7.

Bij besluit van 5 januari 2015 heeft de burgemeester een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden, ingaande op 7 januari 2015 en eindigend op 7 april 2015. Aan dit besluit legt de burgemeester de in de woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs ten grondslag alsmede de door [naam ex-partner] afgelegde verklaring, inhoudende dat hij tegen betaling hennep in de woning heeft laten drogen.

2.8.

Bij aangetekende brief van 5 januari 2015 heeft Servatius de huurovereenkomst met [gedaagde], per de datum van feitelijke sluiting van de woning, buitengerechtelijk ontbonden.

2.9.

Op 6 januari 2015 heeft [gedaagde] een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd besluit van de burgemeester. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg, locatie Roermond verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.10.

Bij vonnis van 4 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Hierop heeft de burgemeester bij brief van 6 februari 2015 aan [gedaagde] te kennen gegeven de woning met ingang van 10 februari 2015 vanaf 14.00 uur te sluiten voor de duur van drie maanden.

2.11.

Bij beslissing op bezwaar van 9 april 2015 is het bezwaarschrift van [gedaagde] ongegrond verklaard, waarna [gedaagde] hiertegen beroep heeft ingesteld bij de Rechtbank Limburg, locatie Roermond.

2.12.

Na het eindigen van de last onder bestuursdwang op 10 mei 2015 heeft de gemeente de sleutels van de woning ter beschikking van Servatius gesteld. In reactie op een hiertoe gedaan verzoek heeft Servatius aan [gedaagde] te kennen gegeven de sleutels niet ter beschikking te willen stellen, vanwege de beëindigde huurrelatie.

2.13.

Bij ‘formulier melding overlast’ heeft een bewoner van de [adres 2] te [woonplaats] aan Servatius gemeld overlast te ervaren van “drugs gerelateerde activiteiten” vanuit de woning. Op het formulier is, voor zover relevant, vermeld: “Pand is 3 maanden dicht geweest en hij zit er weer in sinds 12 mei en de ellende is weer begonnen.”

2.14.

Bij schrijven van 1 juli 2015 hebben diverse buurtbewoners hun handtekening geplaatst onder de navolgende verklaring:

“Tot op heden heb ik nooit overlast gehad van de familie [gedaagde] wonende aan de [adres 1] te [woonplaats]. Het zijn prettige buren en ze zijn altijd heel vriendelijk.”

3 Het geschil

3.1.

Servatius vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen:

  1. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de woning met alle zich daarin aanwezige personen en zaken te ontruimen en verlaten, met machtiging van Servatius om, indien [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, de ontruiming zelf en voor rekening van [gedaagde] te bewerkstelligen door middel van een deurwaarder, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

  2. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien de proceskosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis worden voldaan;

  3. tot betaling van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis, indien de nakosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis worden voldaan.

3.2.

Aan haar vordering legt Servatius ten grondslag dat [gedaagde] en haar gezin, nadat zij zich na het beëindigen van de door de burgemeester opgelegde last onder bestuursdwang weer toegang tot de woning hebben verschaft, zonder recht of titel in de woning verblijven. Servatius heeft bij aangetekend schrijven van 5 januari 2015 de huurovereenkomst ex artikel 7:231, tweede lid BW - tegen de datum van feitelijke sluiting - buitengerechtelijk ontbonden. Met de sluiting van de woning door de burgemeester op 10 februari 2015 is derhalve een einde gekomen aan de huurovereenkomst, aldus Servatius. Vanwege de maatschappelijke verantwoordelijkheid die Servatius - als toegelaten instelling van volkshuisvesting in de zin van artikel 70 van de Woningwet - toekomt en de schaarste van sociale huurwoningen in Maastricht, is er een spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming, aldus Servatius.

3.3.

[gedaagde] heeft de vorderingen gemotiveerd betwist. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Servatius heeft een vordering ingesteld tot het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 254 Rv. Deze vordering is slechts toewijsbaar indien niet van eiseres kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht en voldoende aannemelijk is dat de rechter, die in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure geconfronteerd wordt met hetzelfde feitencomplex, de vordering zal toewijzen.

4.2.

Daar de gevraagde voorziening ertoe strekt een einde te maken aan een, als stelselmatige inbreuk op een subjectief recht aan te merken, handeling is de voorzieningen-rechter van oordeel dat Servatius - mede gelet op haar maatschappelijke taak als toegelaten instelling van volkshuisvesting in de zin van artikel 70 van de Woningwet en de schaarste van sociale huurwoningen als de onderhavige in Maastricht - een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming.

4.3.

Aan de hand van de door partijen gestelde feiten en omstandigheden dient voorts, zonder nader onderzoek, beoordeeld te worden of de vordering tot ontruiming in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het reeds nu gerechtvaardigd is hierop vooruit te lopen. In dit verband wordt als volgt overwogen.

4.4.

Niet in geschil is dat de burgemeester van de gemeente Maastricht bij besluit van

5 januari 2015, ex artikel 13b Opiumwet een last onder bestuursdwang heeft opgelegd tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. Artikel 7:231, tweede lid BW geeft de verhuurder, in casu Servatius, in dat geval de bevoegdheid om de huurovereenkomst middels een buitengerechtelijke verklaring te ontbinden. Nu door [gedaagde] niet bestreden is dat de door Servatius uitgebrachte verklaring tot buitengerechtelijke ontbinding van 5 januari 2015 haar heeft bereikt, dient er in dit kort geding dan ook in beginsel vanuit te worden gegaan dat de buitengerechtelijke ontbinding rechtsgevolg heeft.

4.5.

Ten aanzien van de stelling van Servatius, inhoudende dat [gedaagde] - gelet op het voorgaande - zonder recht of titel in de woning verblijft en derhalve de toewijzing van de vordering tot ontruiming in kort geding gerechtvaardigd is, heeft [gedaagde] allereerst opgeworpen dat zij een beroepschrift heeft ingediend tegen de beslissing op bezwaar ter zake het besluit van de burgemeester. Volgens [gedaagde] is het aannemelijk dat de beslissing op bezwaar in de bestuursrechtelijke procedure zal worden vernietigd, zodat - naar de voorzieningenrechter uit de stelling van [gedaagde] begrijpt - de rechtsgrond voor de buitengerechtelijke ontbinding zal komen te vervallen.

4.6.

Daargelaten de vraag of de grondslag aan een buitengerechtelijke ontbinding komt te ontvallen, indien het onderliggende besluit op bezwaar tot oplegging van een last onder bestuursdwang in de bestuursrechtelijke procedure wordt vernietigd, is de voorzieningen-rechter van oordeel dat de stelling van [gedaagde] onvoldoende steun vindt in hetgeen zij ter mondelinge behandeling heeft aangevoerd. [gedaagde] heeft het bij de rechtbank ingediende beroepschrift in de bestuursrechtelijke procedure overgelegd. [gedaagde] heeft echter nagelaten om de aan het beroepschrift ten grondslag liggende beslissing op bezwaar te overleggen, zodat niet beoordeeld kan worden of het aannemelijk is dat het besluit in de bestuursrechtelijke procedure al dan niet stand zal houden. Daarbij komt dat de procedure bij de bestuursrechter nog loopt en de voorzieningenrechter, ook indien de bestuursrechter wel reeds uitspraak had gedaan, gehouden is het geschil zelfstandig te beoordelen.

4.7.

In het licht van het voorgaande wenst de voorzieningenrechter ten overvloede op te merken dat aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat er een zekere mate van spanning bestaat tussen het bestuursrechtelijke besluit dat, ook als het in stand blijft, een tijdelijk karakter heeft, en het civielrechtelijke gevolg van ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde dat een verstrekkend en nagenoeg onomkeerbaar karakter heeft. Dit betreft evenwel een omstandigheid waarmee de wetgever rekening heeft gehouden. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 7:231, tweede lid BW blijkt immers dat het expliciet de bedoeling van de wetgever is geweest om verhuurder, in gevallen als het onderhavige, de mogelijkheid van buitengerechtelijke ontbinding te geven zonder dat er sprake dient te zijn van een tekortkoming aan huurderszijde of van rechterlijke tussenkomst, en ook zonder dat er sprake dient te zijn van een onherroepelijk bestuursrechtelijk besluit.

4.8.

[gedaagde] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat Servatius misbruik van recht maakt door op grond van de buitengerechtelijke ontbinding over te gaan tot ontruiming (artikel 3:13 BW jo. 8 EVRM jo. 3 IVRK), althans dat het beroep van Servatius op buiten-gerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248, tweede lid BW). De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

4.9.

Bij producties 3 en 4 bij de inleidende dagvaarding zijn het voornemen van de burgemeester en het daadwerkelijke besluit tot oplegging van de last onder bestuursdwang overgelegd. Uit deze stukken blijkt dat [naam ex-partner] - in het kader van het door de politie geënta-meerde onderzoek en de hierop volgende vondst van hennep in de woning - heeft verklaard, dat hij tegen betaling hennep in de woning heeft laten drogen. In tegenstelling tot hetgeen [gedaagde] in dit verband heeft gesteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en de op haar rustende verplichting van goed huurderschap. In strijd met het bepaalde in artikel 13.6 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene bepalingen, zijn in de woning immers activiteiten verricht die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Nu [gedaagde] - gelet op de onweersproken stelling dat het onderzoek in de woning ingegeven was door meldingen van stankoverlast door buurtbewoners - (in ieder geval nadat zij, na haar verblijf bij [naam 1], op

22 november 2014 terugkeerde in de woning) ernstig rekening diende te houden met de aanwezigheid van verdovende middelen en zij nagelaten heeft de in verband daarmee redelijkerwijs van haar te verlangen maatregelen te treffen, is zij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 7:219 BW aansprakelijk voor deze activiteiten (HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743).

4.10.

Gedragingen als die van [naam ex-partner] en het nalaten van [gedaagde] daartegen maatregelen te treffen, hebben een zeer nadelige invloed op de woon- en leefomgeving en leiden tot negatieve gevolgen voor het imago van de buurt waarin de woning is gelegen. Met de feitelijke beëindiging van het gebruik van de woning wordt er - doordat de woning niet langer bekend zal staan als ‘drugsadres’ en de loop van en naar de woning wordt beëindigd - dan ook voor gezorgd dat een einde wordt gemaakt aan het in of vanuit de woning verrichte maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag. In dit kader heeft Servatius een groot belang bij het eindigen van de negatieve invloeden op én op herstel van het woon- en leefklimaat van haar huurders. Daar komt bij dat Servatius de woning na ontruiming weer aan de woningvoor-raad kan toevoegen en zo tegemoet kan komen aan de schaarste op de sociale woningmarkt in Maastricht.

4.11.

De feitelijke beëindiging van het gebruik van de woning heeft echter eveneens tot gevolg dat het woonbelang van [gedaagde] wordt aangetast. Ontbinding en ontruiming van een woning vormen daarmee een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor de woning van een bewoner. Op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 8 EVRM is een inmenging toegestaan voor zover dit bij wet is voorzien en dit noodzakelijk is in een democratische samenleving.

4.12.

Dat er sprake is van disproportionaliteit tussen het belang van Servatius en de gevorderde voorziening tot ontruiming dan wel dat het beroep van Servatius op de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is - mede in het licht van de omstandigheid dat [gedaagde] zelf tekort is geschoten - niet aannemelijk geworden. De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden zijn daartoe, gelet op het navolgende, ontoereikend.

4.12.1.

Naar vaste rechtspraak vormt de omstandigheid dat er voor [gedaagde] en haar gezin thans geen vervangende woonruimte beschikbaar is, op zichzelf geen omstandigheid die van zo’n klemmende aard is dat een beroep op ontbinding en ontruiming disproportioneel dan wel onaanvaardbaar is. De bijkomende omstandigheid dat [gedaagde] sinds enkele jaren onder begeleiding van ‘Trajekt’ en het ‘Sociaal Team 6217/6218 Maastricht’ staat, kan een dergelijke conclusie evenmin rechtvaardigen. Hiertoe wordt van belang geacht dat in de brief van [naam 2] en de e-mail van [naam 3] (producties 4 en 8 bij de akte overlegging producties) weliswaar wordt aangegeven dat het wenselijk is dat [gedaagde] - in het kader van de begeleiding naar zelfstandig functioneren - in de huidige woning verblijft, zonder nadere toelichting, die niet gegeven is, valt echter niet in te zien waarom de begeleiding en ontwikkeling van het proces van zelfredzaamheid niet vanuit een andere woning plaats zou kunnen vinden, mede nu [gedaagde] nog niet zo lang in de huidige woning verblijft. Daarbij geldt tevens dat de gestelde onrust over een dreigende ontruiming, die niet onverwacht is in een situatie als deze, blijkens voornoemde brieven niet zo ernstig dat het medisch onverantwoord is om [gedaagde] te confronteren met een ontruiming. Overigens is ter mondelinge behandeling gebleken dat vanuit het maatschappelijk netwerk, binnen afzienbare tijd na de ontruiming, in (tijdelijke) opvang wordt voorzien.

4.12.2.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat [naam ex-partner] niet langer in de woning verblijft. Voor zover zij daarmee heeft willen stellen dat dit de ontbinding en ontruiming tot een disproportionele maatregel maakt, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het door Servatius overgelegde ‘formulier melding overlast’ blijkt dat de ex-partner van [gedaagde] na het beëindigen van de last onder bestuursdwang in ieder geval enige tijd in de woning heeft verbleven. In dit verband is het belang van Servatius bij herstel van de woon- en leefomgeving zo groot, dat het woonbelang van [gedaagde] daarvoor moet wijken. De sympathiebetuigingen uit de buurt wegen, mede nu zij in algemene bewoordingen zijn opgesteld, nopen niet tot een ander oordeel.

4.12.3.

Onder verwijzing naar de medische geschiedenis van haar dochter, waaruit blijkt dat [naam dochter] aan klachten van geestelijke aard lijdt, heeft [gedaagde] verder gesteld dat het belang van [naam dochter] met betrekking tot een stabiele thuissituatie zodanig groot is, dat de ontbinding met haar gevolgen in onderhavig geschil niet gerechtvaardigd is. Hoewel aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat aspecten van medische aard van belang kunnen zijn, kunnen deze in onderhavig geschil geen gewicht in de schaal leggen voor het woonbelang van [gedaagde]. Immers vormen zij, nu de dochter meerderjarig is en niet aangemerkt kan worden als medehuurder, geen omstandigheden die zich voordoen aan de zijde van [gedaagde]. Hier komt bovendien bij, dat - indien het belang van [naam dochter] al meegewogen dient te worden - Servatius onweersproken heeft gesteld dat [naam dochter] sinds enige tijd op zoek is naar eigen woonruimte. Dat het voor de medische situatie van [naam dochter] en haar ontwikkeling noodzakelijk zou zijn dat zij in de huidige woning verblijft, kan in dit verband dan ook niet aannemelijk worden geacht.

4.12.4.

Ten slotte heeft [gedaagde] met een beroep op artikel 3 IVRK aangevoerd dat, zolang er geen adequate huisvesting is voor haar minderjarige zoon, deze bepaling aan de gevorderde ontruiming in de weg staat. Onder verwijzing naar de door Servatius aangehaalde uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 juni 2003 (ECLI:NL:GHSHE:2003:

AH9657) is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit verweer niet slaagt. Weliswaar is het aannemelijk dat de ontruiming ook voor de minderjarige zoon van [gedaagde] (negatieve) gevolgen zal hebben, echter is het op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van [gedaagde], als ouder, om de nodige voorzieningen te treffen teneinde eventuele nadelige gevolgen voor haar zoon zo veel mogelijk te beperken. Indien zij daarbij hulp nodig heeft, eventueel van de biologische vader van [naam zoon], te weten [naam ex-partner], of van hulpverlenende instanties, dan is zij gehouden die hulp in te roepen. Hulpverlenende instanties zijn in dat geval op hun beurt gehouden voor adequate hulpverlening zorg te dragen, indien zulks noodzakelijk zou zijn. Hier komt bij dat [gedaagde] reeds sedert de oplegging van de last onder bestuursdwang en de buitengerechtelijke ontbinding op 5 januari 2015 rekening heeft moeten houden met een ontruiming door Servatius. Het had dan ook op haar weg gelegen om in een eerder stadium naar vervangende woonruimte op zoek te gaan en zich daarvoor in te schrijven. Het behoort in dit kader niet tot de taak van Servatius om - anders dan haar primaire taak, die gelegen is in de verhuur van woningen aan huurders die daarvoor krachtens Servatius’ doelstelling in aanmerking komen - voor onderdak te zorgen voor minderjarigen die uit een woning moeten vertrekken, nadat bij rechterlijk vonnis is overwogen dat zij en hun ouder(s) aldaar zonder recht of titel verblijven. Een en ander laat onverlet dat het tot de taak van de rechter behoort om bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming als de onderhavige rekening te houden met de belangen van eventueel in de desbetreffende woning verblijvende minderjarige kinderen. Het belang van de zoon van [gedaagde] is echter niet van zodanige aard dat het belang van Servatius daarvoor dient te wijken. Gesteld noch gebleken is dat de zoon van [gedaagde] onevenredig zwaar zal worden getroffen door een verhuizing.

4.13.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van Servatius tot ontruiming van het gehuurde toewijsbaar is, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in de door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden wel aanleiding ziet om voor de ontruiming een langere termijn te gunnen dan gevorderd. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen op de in het dictum weergegeven wijze.

4.14.

De mede gevorderde machtiging om de ontruiming voor zover nodig zelf te doen uitvoeren op kosten van [gedaagde], zal worden afgewezen, omdat de bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 555 e.v. juncto artikel 444 Rv en ten aanzien van de kosten niet op voorhand met zekerheid te beoordelen is of zij worden gemaakt en of zij in redelijkheid worden gemaakt.

4.15.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten wordt, in het licht van het door [gedaagde] gevoerde verweer, het volgende overwogen. In spoedeisende zaken kan een kort geding procedure worden gevoerd ten overstaan van de voorzieningenrechter van de rechtbank. In zaken die door de kantonrechter worden behandeld en beslist, is het tevens mogelijk om een kort geding procedure bij de kantonrechter te voeren. Voor die zaken waarin de kanton-rechter bevoegd is, hebben partijen bij een kort geding procedure dus de keuze tussen de voorzieningenrechter en de kantonrechter. Door een zaak aan te brengen bij de rechtbank, sector civiel, terwijl deze ook bij de rechtbank, sector kanton kan worden aangebracht, wordt een gedaagde partij, zoals [gedaagde] terecht heeft gesteld, op kosten gejaagd met hogere griffierechten en salariskosten.

4.16.

In onderhavig geschil is de voorzieningenrechter met Servatius van oordeel dat de ontruiming wordt gevorderd op grond van de stelling dat [gedaagde] de aan Servatius in eigendom toebehorende woning zonder recht of titel onder zich heeft. In dat geval dient de vordering - gelet op het bepaalde in artikel 93 Rv - bij de rechtbank, sector civiel, aanhangig te worden gemaakt. Van een samenloop van competenties, zoals bedoeld onder rechtsoverweging 4.15. is in onderhavig geschil dan ook geen sprake, zodat geen aanleiding wordt gezien om de proceskosten als nodeloos veroorzaakt aan de zijde van Servatius te laten.

4.17.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Servatius worden tot op heden begroot op:

dagvaarding: € 94,19

griffierecht: € 613,00

salaris gemachtigde: € 527,00

totaal: € 1.234,19

4.18.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over zowel de proces- als de nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats], met alle daarin zich van harentwege aanwezige personen en zaken binnen twee maanden en vijftien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en verlaten,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van Servatius gerezen proceskosten, begroot op een bedrag van € 1.234,19, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken.


type: NG