Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5778

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
3117587 CV EXPL 14-6359
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een kort na inwerkingtreden van de Wwz gedane uitspraak onder werking van het oude recht over het gevolgencriterium van art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW (‘in beperkte mate’ kennelijk onredelijke opzegging).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1321
AR-Updates.nl 2015-0644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3117587 CV EXPL 14-6359

Vonnis van de kantonrechter van 15 juli 2015

in de zaak

[eiser]

wonend te [woonplaats] aan de [adres] verder ook te noemen: “[eiser]”

eisende partij

gemachtigde: mr. G.J.W. van den Brink, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand in de vestiging te ’s-Hertogenbosch

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRIJNS METAALWERKEN B.V.

statutair gevestigd te Valkenburg aan de Geul en kantoorhoudend te (6222 NW dan wel 6229 PM) Maastricht aan de Punterweg 27

verder ook te noemen “Frijns”

gedaagde partij

gemachtigde: mr. Ph.A.A. Nijbakker, advocaat te Heerlen

De procedure

[eiser] heeft Frijns bij dagvaarding d.d. 15 mei 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in her exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan Frijns dertien producties in fotokopievorm betekend zijn.

Frijns heeft - na verkregen uitstel - op 30 juli 2014 schriftelijk geantwoord en verweer gevoerd onder het bijbrengen van negen - deels omvangrijke - producties (eveneens in de vorm van fotokopieën).

Het schriftelijke debat is voortgezet met een ter rolzitting d.d. 1 oktober 2014 genomen repliek van [eiser] waaraan nog de productie onder nummer 14 gehecht was, en met een dupliek d.d. 26 november 2014 van Frijns die haar conclusie voorzag van de producties 10 (omvangrijke kopie jaarrekening 2013) tot en met 12.

[eiser] heeft bij akte d.d. 7 januari 2015 de hem geboden gelegenheid benut op deze aanvullende producties te reageren, waarna vonnis bepaald is.

De uitspraak van dit vonnis is nader op vandaag gesteld.

Het geschil

[eiser] vorderde bij exploot, naast een op zichzelf niet noodzakelijke (zelfstandige betekenis ontberende) verklaring van recht omtrent het rechtskarakter van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (in termen van het exploot: ‘te verklaren voor recht dat het gegeven ontslag omwille van het gevolgencriterium kennelijk onredelijk is’), veroordeling van Frijns - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een op art. 7:681 BW te baseren schadevergoeding van € 50 000 (kennelijk als brutobedrag bedoeld, getuige de tevens verlangde ‘bruto/netto specificatie), althans een in goede justitie te bepalen ander bedrag, nog te vermeerderen met de wettelijke rente ‘vanaf het opeisbaar worden van deze schadevergoeding’, naast een forfaitair bedrag van € 1 275,00 aan ‘buitengerechtelijke incassokosten’ alsmede de aan de zijde van [eiser] nader te liquideren proceskosten.

Uitgangspunt voor de vordering is het laatstelijk voor [eiser] in dienst van Frijns op een bedrag van € 2 747,80 gestelde brutoloon per maand exclusief ‘emolumenten’.

Hoewel de vordering ingesteld is buiten de termijn van zes maanden als vermeld in art. 7:683 lid 1 BW, is relevant dat namens [eiser] bij brief met dagtekening 24 april 2014, in aangetekende vorm aan het juiste kantooradres van Frijns gericht op 29 april 2014, mededeling gedaan is van de intentie tot het verrichten van een stuitingshandeling.

[eiser], geboren op [geboortedatum] (een datum die slechts uit bijgevoegde stukken af te leiden is en niet uitdrukkelijk in enig processtuk zelf genoemd is), is van 24 augustus 1998 tot 1 november 2013 onafgebroken krachtens arbeidsovereenkomst bij Frijns en/of haar directe rechtsvoorganger(s) in dienst geweest ter vervulling van de functie van bankwerker respectievelijk (uiteindelijk) constructiebankwerker, laatstelijk tegen een bruto maandloon van € 2 747,80. [eiser] is van oordeel dat de met toestemming van het UWV tegen 1 november 2013 gedane opzegging van zijn arbeidsovereenkomst wegens de voor hem onevenredig te achten gevolgen kennelijk onredelijk is (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW). [eiser] legt de bedrijfseconomische opzeggingsreden geheel in de risicosfeer van Frijns, waartegenover staat dat hij door de opzegging en bij te verwachten langdurige werkloosheid direct ernstig inkomensnadeel zou gaan lijden. Door leeftijd en eenzijdig arbeidsverleden bij een beperkt opleidingsniveau was voor [eiser] - die kostwinner / alleenverdiener is - te verwachten dat hij te kampen zou krijgen met kwade kansen op de arbeidsmarkt, terwijl Frijns niet bereid gebleken is daar enige (laat staan toereikende) ‘financiële nazorg’ (een vorm van financiële compensatie dan wel een andere vorm van begeleiding of voorziening) tegenover te stellen. Dit in weerwil van de voor [eiser] te verwachten directe en mogelijk blijvende inkomensschade, ook in de pensioensfeer en waar [eiser] kan bogen op een vlekkeloos dienstverband waarin hij steeds goed functioneerde.

[eiser] verwijst naar de website www.hoelangwerkloos.nl (door zijn gemachtigde bij exploot aangeduid als ‘hoelangwerkeloos.nl’) voor de stelling dat statistisch in zijn geval de uitstroomkans gedurende de eerste 79 dagen van werkloosheid 17% is. Hij voegt daaraan toe dat de kansen op het vinden van ander werk na die 79 dagen in zijn opinie op nihil te stellen zijn. De vele vergeefse sollicitaties, zoals weergegeven in prod.12 bij exploot, bevestigen dit sombere beeld. Op de datum dat [eiser] zijn laatste akte in deze zaak nam, 7 januari 2015, was hij dan ook - ondanks niet nader aangeduide extra sollicitaties - nog steeds werkloos. Een complicerende factor is de ernstige ziekte van de echtgenote van [eiser] die hem op de arbeidsmarkt minder flexibel maakt dan hij zou willen en onder normale omstandigheden zou kunnen zijn.

Conform richtinggevende jurisprudentie heeft [eiser] de geleden en nog te lijden schade voor de duur van een te verwachten WW-uitkeringsperiode van 43 plus 783 dagen bepaald op een bedrag van € 30 397,62 bruto. Zonder verder de te verwachten pensioenschade van een berekening of zelfs maar schatting te voorzien, bepaalt [eiser] de totale schade op een volgens hem gematigd bedrag van € 50 000,00 bruto. Hij geeft daarbij in overweging dat hem door het voortijdige ontslag een recht op vervroegd ouderdomspensioen ontgaat, dat hem wel toegekomen zou zijn als de overeenkomst met Frijns ten minste tot 1 november 2015 gecontinueerd zou zijn.

Bij repliek heeft [eiser] in het bijzonder de redenering van Frijns besteden dat er geen ruimte zou zijn voor enige financiële compensatie. Het met ontoereikende gegevens onderbouwde beroep op ‘habe nichts, habe wenig’ acht [eiser] - ook na de dupliek en de daar onder de aandacht gebrachte cijfers (zie zijn akte d.d. 7 januari 2015) - niet houdbaar. Binnen de Holding waar Frijns deel van uitmaakt, moeten de middelen voor een voorziening wel degelijk te vinden zijn. Ook de andere tegenwerpingen van de zijde van Frijns heeft [eiser] in voortgezet debat gemotiveerd bestreden. Daarop zal onder de beoordeling - waar dit nuttig is - nog ingegaan worden, in het bijzonder waar het pogingen van Frijns betreft om [eiser] aan ander werk te helpen (een concept overeenkomst die bij antwoord ingebracht is, zegt [eiser] nooit eerder gezien te hebben).

Frijns heeft in haar verweer ten aanzien van de door [eiser] aangevoerde grond van kennelijke onredelijkheid betwist dat de belangenafweging in haar nadeel zou moeten uitvallen. Zij had goede bedrijfseconomische redenen (een na mislukken eerdere pogingen tot kostenreductie, herstructurering en reorganisatie noodzakelijk geachte bedrijfssluiting en het vervallen van alle acht resterende arbeidsplaatsen) toestemming aan het UWV Eindhoven te vragen om de arbeidsovereenkomsten met acht van haar werknemers, onder wie [eiser], op te zeggen en na verkregen toestemming die opzegging te bewerkstelligen. Frijns verwijst naar de lang aanhoudende economische crisis en concurrentie op de markt als verklarende factoren en meent dat deze niet in haar risicosfeer liggen. Zij onderbouwde bij het UWV en in haar antwoord een en ander met financiële gegevens over de jaren 2009, 2010 en 2011 en heeft bij dupliek de jaarstukken over 2013 toegevoegd. De boeken over 2013 zijn gesloten met een negatief resultaat. Ook thans betwist [eiser] - net als in de UWV-procedure het geval was - de aangevoerde bedrijfseconomische grond niet. Eerder beriep hij zich ten overstaan van het UWV uitsluitend op een veronderstelde overgang van onderneming naar een andere in Maastricht gevestigde werkmaatschappij van de Frijns Industrial Group. De financiële en bedrijfsorganisatorische argumenten gebruikt Frijns zowel voor de opzegging als voor haar stelling dat er geen speelruimte was en is voor financiële compensatie van de aan [eiser] gedane opzegging. Frijns heeft de arbeidsovereenkomst van [eiser] na verkregen UWV-toestemming terecht tegen 1 november 2013 opgezegd en het ontbreken van een vergoeding aan de werknemer mag niet leiden tot het oordeel dat deze opzegging kennelijk onredelijk was. Van haar kant wordt het door [eiser] geschetste arbeids(markt) perspectief gerelativeerd en is het belang van de rekentool www.hoelangwerkloos.nl in twijfel getrokken (met verwijzing naar daarover in 2013 en 2014 gepubliceerde opinies). Met hulp van een andere tool schat Frijns voor [eiser], overigens afhankelijk van een grote mate van bereidheid aan diens kant om ten aanzien van reizen en loon concessies te doen, de kansen op werk veel positiever in. Een gebrek aan (bij)scholing ten tijde van zijn dienstverband bij Frijns mag Frijns in haar opinie niet tegengeworpen worden (geen plicht).

Frijns acht het verder van belang dat zij een aantal van haar werknemers, onder wie [eiser], ‘een aanbod gedaan’ heeft voor een vergelijkbare dienstbetrekking bij ‘Frijns Plaatligger Producties bv’ te Maastricht (later in procestukken en producties aangeduid als ‘Frijns Plaatligger Produkties B.V.’). Frijns verwijst voor een dergelijk aanbod naar haar producties 6, 7, 8 en 9 maar doelt daar kennelijk op de nummers 5, 6, 7 en 8. Aldus heeft [eiser] tevens zijn schade niet - zoals hij wel verplicht was te doen - beperkt en zou dat op zich al een eventuele schadevergoedingsverplichting van de werkgever moeten beperken. Ook beweert Frijns zich het lot van [eiser] aangetrokken te hebben door voorafgaand aan het toestemmingsverzoek aan het UWV rond te vragen bij relaties of zich mogelijkheden tot tewerkstelling van deze werknemer voordeden en wijst zij op mogelijkheden van (tijdelijk) werk die zich ook thans nog voor [eiser] zouden voordoen. Frijns acht de door haarzelf geleverde inspanningen reëel (en kennelijk toereikend). Frijns is van oordeel in geen enkel opzicht tekortgeschoten te zijn in haar verplichtingen als goed werkgever Niet alleen bestaat er geen grond om (in abstracto) [eiser] in aanmerking te brengen voor een geldelijke compensatie, maar de financiële cijfers wijzen volgens Frijns uit dat daar ook geen enkele ruimte voor aanwezig is. De privé situatie van [eiser] maakt niet dat daar anders over geoordeeld zou moeten worden. Voor toekenning van een vergoeding van buiten rechte gemaakte kosten ziet Frijns al helemaal geen aanleiding, terwijl zij eventuele wettelijke rente eerst verschuldigd acht vanaf de dagvaardingsdatum als verzuimdatum. Frijns pleit voor algehele afwijzing van de vordering en verwijzing van [eiser] in proceskosten en nakosten.

In voortgezet debat heeft Frijns hier onder meer het volgende aan toegevoegd.

De alsnog op verlangen van [eiser] ingebrachte cijfers over 2013 bevestigen het negatieve beeld. De Holding was en is niet bereid de verliezen van Frijns te compenseren. Afgezien van het feit dat de ziekte van zijn echtgenote geen factor is die de persoon van de werknemer zelf raakt, laat staan Frijns regardeert, kan er voor deze zaak geen gewicht aan toegekend worden omdat die omstandigheid ten tijde van het ontslag bekend noch te verwachten was (tot einde dienstverband is [eiser] dan ook nog volledig blijven werken voor Frijns Plaatligger Produkties B.V.). Er is wel degelijk, al in oktober 2013, concreet aan [eiser] (en een collega, [naam collega]) aangeboden om per 4 februari 2014 bij Frijns Plaatligger Produkties B.V. in dezelfde / een vergelijkbare functie als werknemer verder te gaan (de twee werknemers hadden de laatste maanden van hun dienstverband ook voor deze werkmaatschappij op dezelfde locatie als waar Frijns gevestigd was, gewerkt). Ook bij W. Martens Staalbouw B.V. te Asten had [eiser] in de loop van 2014 in dienst kunnen treden, wat er verder ook zij van de thuissituatie die [eiser] als excuus opvoert (hij wilde wel werken maar ‘kon’ het om die reden niet en had daarom naar zijn zeggen ‘vrijstelling van sollicitatieplicht’). Als al enige inkomenscompensatie aan [eiser] zou toekomen, dan dient deze in de tijd beperkt te worden (wegens werkmogelijkheden per 4 februari 2014 - Frijns Plaatligger - of juni 2014 - Martens - of tot de datum van vrijstelling van de sollicitatieplicht)

De beoordeling

eventuele verjaring van de rechtsvordering en de stuiting daarvan

Hoewel er twijfel zou kunnen bestaan over de tijdige ontvangst van de als stuitingshandling op de valreep bedoelde mededeling bij brief d.d. 29 april 2014 van de gemachtigde van [eiser], beroept Frijns zich niet op verjaring, zodat de vordering inhoudelijke behandeling verdient en zal krijgen.

de gestelde kennelijke onredelijkheid van de opzegging

Vertrekpunt van de discussie is verder dat Frijns als een van de vier in Limburg gevestigde (naast een vijfde in Qatar) werkmaatschappijen van Frijns Industrial Group B.V. met als gezamenlijke moeder Frijns Holding II B.V. opereert althans geopereerd heeft totdat de directie besloten had per 1 juli 2013 de bedrijfsactiviteiten volledig te staken.

Het gaat bij de beoordeling van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst op de daarvoor gebruikte grond kennelijk onredelijk te achten is, om de opzegging zelf en de daarbij gehanteerde reden en slechts in afgeleide mate om het oordeel van het UWV over de voorgenomen opzegging in het kader van de toestemmingsprocedure ex art. 6 BBA. De UWV-procedure - meer speciaal de daarin gegeven toestemmingsbeschikking - kan zicht bieden op de zorgvuldigheid waarmee het (identieke) opzeggingsmotief door de bestuurlijke instantie UWV getoetst is. Het belang van de stukkenwisseling ten overstaan van het UWV is in dit concrete geval nog iets minder relevant omdat [eiser] de opzegging niet wegens de gehanteerde reden(en) in de zin van art. 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW, maar wegens de daaraan voor hem verbonden (onevenredig geachte) gevolgen (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW) aanvecht. Daarbij komt dat [eiser] destijds ten overstaan van het UWV noch in deze procedure in twijfel trok / trekt dat sprake is van een solide bedrijfseconomische reden die opzegging (en toestemming daarvoor) rechtvaardigt. Partijen verschillen te dien aanzien slechts van opvatting over de vraag in welke mate die bedrijfseconomische oorzaak van het eindigen van bedrijfsvoering én arbeidsovereenkomst ten aanzien van de financiële gevolgen aan de kant van de werknemer geheel of ten dele voor risico van Frijns moet komen.

Frappant is in dit geval nog wel dat [eiser] zich in zijn UWV-verweer (met steun van een DAS-collega van zijn huidige gemachtigde) op het standpunt stelde dat hij de bescherming verdiende van de regeling in EG-Richtlijn en wet voor overgang van onderneming en dat hij al eerder van rechtswege overgegaan was in dienst van de onderneming ‘Frijns Plaatligger BV’ (kennelijk bedoeld: Frijns Plaatligger Produkties B.V.). Een standpunt dat alleszins verdedigbaar en mogelijk thans ook kansrijk geweest was, ware het niet dat [eiser] dit geheel prijsgegeven heeft en thans (of al langer) op een ander paard wedt. Dit is mede opmerkelijk omdat partijen zowel buiten rechte als in rechte mede gestreden hebben én nog steeds strijden over de vraag of en in welke (al dan niet voldoende concrete) zin aan [eiser] aangeboden is om bij Frijns Plaatligger Produkties B.V. in dienst te treden. Die strijd gaat dan echter op dit moment slechts om de beantwoording van de vraag of Frijns met een al dan niet concreet genoeg werkaanbod bij deze andere onderneming een voorziening - anders dan in de vorm van directe financiële inkomenssteun - ter voorkoming of beperking van de schadelijke gevolgen van opzegging aan [eiser] aangeboden heeft. Minstens zo opmerkelijk is het dat [eiser] dus in juni 2013 claimde een arbeidsovereenkomst met Frijns Plaatligger (Produkties) B.V. te hebben, doch nadien zelfs niet verder onderhandeld heeft over voortzetting van zijn werkzaamheden na 31 oktober 2013 onder de vlag van diezelfde onderneming als werkgever.

Als het al zo mocht zijn - zoals [eiser] volhoudt - dat het aanbod van Frijns te vaag was om daar op in te gaan of dat hem nooit een concept overeenkomst voor indiensttreding bij deze andere werkmaatschappij voorgelegd is, dan dient hem toch het volgende voorgehouden te worden.

  • -

    Al in de opzeggingsbrief van 11 juli 2013 kondigde Frijns aan de intentie te hebben haar opgezegde werknemers, althans [eiser], elders te (doen) herplaatsen.

  • -

    [eiser] heeft voorafgaand aan en na de opzegging van zijn overeenkomst al een maand of zes arbeid voor Frijns Plaatligger Produkties B.V. verricht.

  • -

    [eiser] erkent wel dat hem op 30 oktober 2013 ter (formele) bevestiging van een eerder gedane vagere toezegging door bedrijfsleider [naam bedrijfsleider] (in aanwezigheid van HR manager [naam HR manager], althans volgens de schriftelijke verklaring van de bedrijfsleider, prod.12 van de zijde van Frijns) de toezegging gedaan is dat hij ‘over drie maanden weer terug zou kunnen komen’, kennelijk ook in dezelfde functie en met (globaal) behoud van arbeidsvoorwaarden; [eiser] onderschrijft daarmee geheel, althans in overwegende mate de bewering van Frijns op dit onderdeel.

  • -

    Frijns maakt niet aannemelijk dat hij vervolgens zelf enig initiatief ontplooid heeft tot het gestand doen van deze toezegging, als het al zo is dat hij na 30 /31 oktober 2013 niets meer van Frijns vernam over deze baan en als het al zo is dat hem buiten rechte niet de conceptovereenkomst voorgelegd is die (met datering 1 februari 2014) als prod.7 aan het antwoord gehecht was.

  • -

    Dit aanbod is naar aanleiding van het uitbrengen van de dagvaarding bij brief van 21 mei 2014 door / namens Frijns (die liet weten verondersteld te hebben dat [eiser] geen belangstelling had omdat hij nimmer iets van zich liet horen) herhaald als ‘nog steeds geldend’ (de gemachtigde van Frijns heeft dit gehandhaafde aanbod bij brief van 24 juni 2014, ook weer gericht aan Verpoorts gemachtigde, herhaald).

  • -

    Onverschillig is of collega [naam collega], aan wie dit aanbod eveneens gedaan is, daarop ingegaan is (zoals Frijns beweert) of er in mei 2014 voor gekozen heeft ‘met vroegpensioen te gaan’ (zoals [eiser] aanvoert).

  • -

    Het in de procedure overgelegde concept contract kent een loon alsmede een functie identiek aan die voor [eiser] bij Frijns golden, terwijl ook de cao kleinmetaal geïncorporeerd wordt; wel is de voorgestelde overeenkomst beperkt tot de duur van zes maanden terwijl er ook een proeftijd van twee maanden in opgenomen is.

Aldus valt aan de stukken te ontlenen dat [eiser] een reële kans op, zo niet een nagenoeg 100% garantie van een in lijn met zijn eerdere overeenkomst liggende baan bij een andere werkmaatschappij in de Holding Frijns aan zich voorbij heeft laten gaan. En wel door eerst simpelweg stil te blijven zitten waar handelen geboden was (nota bene waar hij voorzien was van professionele begeleiding van de kant van DAS Rechtsbijstand), en door vervolgens ook de in mei / juni 2014 herhaalde mogelijkheid volledig te negeren (en slechts processuele excuses te zoeken voor de schuldvraag ten aanzien van degene die had moeten handelen). Wel heeft [eiser] in een brief d.d. 25 juli 2014 nog door zijn gemachtigde laten zeggen dat ‘er geenszins sprake is van een vergelijkbaar dienstverband’ en dat ‘het verschil in werkzaamheden enorm’ was, naast bezwaren als ‘reisafstand’ en ‘vanwege zijn leeftijd onoverbrugbare werkomstandigheden’. Gelet op de verder in de procedure betrokken stellingen heeft [eiser] echter eerder noch later gezocht naar een herkansing om door middel van onderhandelingen vragen op te lossen of bezwaren weg te nemen en aldus alsnog tot acceptatie van het aangeboden contract te geraken. Het gesprek had dan in het bijzonder kunnen gaan over de in de ogen van de kantonrechter veel bezwaarlijker punten zoals de beperkte duur van het contract én - in relatie daarmee - de in strijd met art. 7:652 lid 4 BW zijnde voorgestelde proeftijd. Al met al valt [eiser] dus te verwijten dat hij een reële kans op (althans voorlopige) bestendiging van zijn arbeidsverhouding in een iets gewijzigde setting niet benut heeft. Dit aanbod, hoe vaag wellicht in zijn ogen (in eerste aanleg) ook, had hoe dan ook aanmerkelijk meer slaagkans dan de veel vagere mogelijkheid bij W. Martens Staalbouw B.V. te Asten / Venray waar Frijns bij herhaling op wijst en die voor [eiser] wel het voordeel geboden zou hebben dat hij kon dingen naar een baan dichter bij huis.

In ieder geval had [eiser] zich in het licht van de ontstane situatie tegenover Frijns niet mogen verschuilen achter de ziekte van zijn echtgenote. Hoe begrijpelijk het vanuit persoonlijke overwegingen ook moge zijn dat hij er tijdelijk of zelfs voor lange duur de voorkeur aan gaf zelf mantelzorg te verlenen en daarvoor de keuze maakte iedere mogelijkheid tot werkhervatting prijs te geven, hij kan dit Frijns niet tegenwerpen. Zoals Frijns terecht betoogt, was deze ziekte ten tijde van de opzegging niet aan de orde, zodat deze factor geen deel uitmaakt van het complex aan omstandigheden dat meegewogen moet worden bij beoordeling van de eventuele onredelijkheid van de opzegging. Veel belangrijker is echter dat [eiser] niet enerzijds kan betogen dat hij om tal van redenen door de opzegging met een uitermate gedepriveerde positie op de arbeidsmarkt geconfronteerd werd en tegelijkertijd anderzijds ieder initiatief tot het benutten van een reële arbeidskans uit de weg wil gaan. Zelfs als hem dit in het kader van de toepassing van de Werkloosheidswet niet euvel geduid is - en er zelfs vrijstelling van sollicitatieplicht plaatsgevonden heeft -, levert dit tegenover Frijns geen arbeidsrechtelijk relevant argument in de discussie op: het feit doet zonder meer en in aanmerkelijke mate af aan de kracht van het verwijt van slecht werkgeverschap dat [eiser] Frijns maakt. Men kan zelfs twijfelen aan het realiteitsgehalte van de talrijke sollicitaties waarvan [eiser] melding maakt als in één moeite door gezegd wordt dat in de loop van 2014 de situatie ontstond dat [eiser] wel ‘wilde werken, doch niet kon vanwege de thuissituatie’.

Voorgaande overweging leidt wel tot relativering van het verwijt dat [eiser] Frijns maakt ten aanzien van een gebrek aan (voor- en na)zorg bij de sluiting van haar vestiging en staking van de bedrijfsvoering per 1 juli 2013, maar laat een deel van die verwijten onverlet.

Uit niets blijkt immers (Frijns heeft daar zelfs geen vage indicatie voor gegeven) dat Frijns en de Holding waarvan zij deel uitmaakt, in overleg met haar werknemers, de betrokken vakbonden en/of een eventueel aanwezige ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging een sociaal plan ontwikkeld heeft voor reductie en/of voorkoming van nadelige effecten van die sluiting voor de eigen werknemers. Mede daarom lijkt de ‘begeleiding’ van [eiser] naar een eventuele nieuwe baan en/of naar het vinden van werk binnen het eigen concern nogal ongestructureerd verlopen te zijn, hetgeen mede zou kunnen verklaren dat beide partijen er zulke verschillende opvattingen op na houden over ‘het aanbod’ en over mogelijkheden bij Martens Staalbouw via de bij herhaling genoemde heer [naam]. Een sociaal plan bevat gemeenlijk naast financiële voorzieningen die veel meer zijn dan de bekende ‘pleister op de wonde’ of ‘zekere mate van genoegdoening’ en die zich soms zelfs volledig conformeren aan de neutrale vergoeding van art. 7:685 lid 8 BW, talrijke samenhangende arbeidsmarktvoorzieningen ter voorkoming van werkloosheid en ter begeleiding van met opzegging bedreigden van werk naar werk. Meestal voorzien van een geschillenregeling, organisatorische voorzieningen en een hardheidsclausule. Nu Frijns er kennelijk voor koos alles in eigen (concern)hand te houden, had van haar op zijn minst verwacht én verlangd mogen worden dat zij met uiterste zorgvuldigheid (materieel en organisatorisch) haar werknemers van stap tot stap te betrekken bij maatregelen die zij voornemens was te nemen en bij stappen die zij ter zake in concreto deed.

Afgezien van een als prod.4 aan het dagvaardingsexploot gehechte brief van 7 februari 2013 van Frijns Industrial Group B.V. d.d. 7 februari 2013 over de wegens kostenbesparing per 1 maart 2013 geplande verhuizing van de werkmaatschappij van het terrein in Oostrum naar de Punterweg 27 Maastricht (de vestiging van ‘Plaatligger’), blijkt uit het hele procesdossier niet van enige aan de ‘ontslagaanvraag’ d.d. 29 mei 2013 (prod.5 bij exploot) voorafgaande informatie van Frijns aan het adres van [eiser] over de ingrijpende bedrijfsorganisatorische maatregelen noch over de daaraan voor werknemers verbonden gevolgen. Zelfs omtrent het bestaan van een begeleidende persoonlijke brief als bijlage van het toestemmingsverzoek aan het UWV is niets gesteld, zodat Frijns zich pas weer persoonlijk tot [eiser] wendde in een brief d.d. 11 juli 2013 waarin zij hem ‘tot haar grote spijt’ met de opzegging confronteerde na verkregen UWV-toestemming. Zelfs omtrent tussentijdse gesprekken over de te volgen stappen heeft Frijns geen uitlatingen gedaan, zodat ervan uitgegaan moet worden dat die niet gevoerd zijn. De opzeggingsbrief bevat weliswaar de uitdrukkelijk geventileerde intentie van Frijns om te doen wat in haar vermogen ligt om ‘herplaatsing te onderzoeken’, maar meer dan een of twee gesprekken in oktober 2013 zijn over de uitvoering van dit voornemen niet gevoerd en een brief is er kennelijk niet over aan [eiser] gestuurd. Naar aangenomen moet worden, is Frijns in het door [eiser] ook genoemde gesprek van 30 oktober 2013 concreter geweest: begin februari 2014 (in de procedure uitgewerkt tot 4 februari 2014) zou [eiser] net als collega [naam collega] bij Frijns Plaatligger Produkties B.V. kunnen beginnen. Dan stopt het verhaal echter en wel van beide kanten, want ook Frijns (en niet alleen [eiser]) liet niets meer van zich horen tot het moment dat [eiser] ging procederen.

[eiser] claimt weliswaar een vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten, maar dat deze kosten berusten op daadwerkelijk voorafgaand aan dagvaarding d.d. 15 mei 2014 verrichte inspanningen ter voorkoming van zulk processueel ageren, blijkt nergens uit. Sterker nog: zijn gemachtigde was genoodzaakt op de valreep de verjaring van een rechtsvordering ex art. 7:681 BW te stuiten aan het eind van de maand april 2014, het ultieme bewijs dat het tot dan toe niet nodig geoordeeld was Frijns formeel aan te spreken op nakoming van enige belofte dan wel anderszins een claim te formuleren. Uit de later in de procedure ingebrachte correspondentie blijkt dat pas de stuitingsbrief in combinatie met de twee weken later uitgebrachte dagvaarding enig debat tussen partijen op gang bracht, maar kennelijk (veel) te laat en bijgevolg vergeefs. Zelfs de bij brieven van 21 mei 2014 (van HR manager [naam HR manager] namens ‘Frijns Industrial Group’ en 24 juni 2014 (van de gemachtigde van Frijns) aan DAS Rechtsbijstand gedane mededelingen dat ‘het aanbod van 30 oktober 2013 nog steeds gold’, heeft [eiser] en zijn gemachtigde niet in de benen gebracht (anders dan dat op de laatste brief ruim een maand later geantwoord is dat het allemaal aan Frijns lag en dat [eiser] goede redenen had om op het te vage aanbod - dat overigens wel als ‘niet passend aangemerkt is - in het geheel niet in te gaan). De brief van 25 juli 2014 waarmee [eiser] de twee toenaderingspogingen van Frijns beantwoordde, vermeldde weliswaar de bereidheid tot overleg over ‘een deugdelijk, en meer belangrijk, een concreet, voorstel om deze kwestie in der minne te regelen’, maar zelfs daarvan is het kennelijk nooit gekomen. [eiser] rept gedurende deze hele procedure in ieder geval niet van door hem gedane suggesties tot tewerkstelling onder eventueel aan zijn eisen aangepaste condities, terwijl hij moest weten dat Frijns niet bereid was een voorstel tot een financieel compromis te doen (dus daar hoefde hij hoe dan ook niet op te wachten). Ondanks het feit dat de kantonrechter partijen welbewust ook na het uit concluderen van de zaak door aanhouding van het vonnis nog enige tijd gegund heeft om zelf tot een oplossing te komen, blijkt de impasse voortgeduurd te hebben en moet de knoop nu alsnog bij vonnis doorgehakt worden.

conclusie en daaruit voorvloeiende financiële gevolgen

Weliswaar moet geconcludeerd worden dat Frijns op de route naar bedrijfssluiting, ontslagvoornemen, opzegging en nazorg relevante steken heeft laten vallen en voor de hand liggende mogelijkheden onbenut heeft gelaten, maar tegenover dit tekortkomen als goed werkgever staat dat [eiser] (ondanks genoten professionele bijstand) in opvallende mate nagelaten heeft de kans te benutten op zijn minst tijdelijk, maar met enige goede wil (aan beide kanten) voor langere duur aan het werk te blijven bij een andere werkmaatschappij van Groep en Holding Frijns. Hoewel het er de schijn van heeft dat Frijns met het aanbod om per 4 februari 2014 tot een nieuw contract te komen - onder dezelfde voorwaarden naar functie en beloning - met die andere werkmaatschappij, beoogde te ontgaan aan de werking van art. 7:668a lid 2 BW (opvolgend werkgeverschap), had het op de weg van [eiser] gelegen om daar door creatief onderhandelen een mouw aan te passen. Mogelijk had hij dan in ieder geval al werkend de geambieerde datum van 1 november 2015 voor aanspraak op ‘vroegpensioen’ gehaald. Hij ‘koos’ er echter voor niets te doen en te blijven afwachten, de hoop uitsluitend vestigend op een vorm van financiële afkoop waartoe Frijns enerzijds niet bereid was en anderzijds zich zelfs niet in staat achtte. Nu wordt dit laatste argument met verwijzing naar de concernverbondenheid verworpen, mede acht slaand op het beloop van de voorziening die de kantonrechter voor ogen heeft, maar het leidt er wel toe dat de kennelijke onredelijkheid van de opzegging zonder enige vorm van financiële compensatie in de gegeven setting slechts tot een beperkte aan Frijns op te leggen schadevergoeding ten behoeve van [eiser] kan leiden. De portie eigen schuld (voor zijn risico komend nalaten) aan de zijde van de werknemer is immers zodanig aanzienlijk, dat hem slechts ‘als pleister op de wonde’ een betrekkelijk laag bedrag aan schadevergoeding toekomt. Dat wordt bij schatting bepaald op € 15 000,00 bruto en is samengesteld uit een aanvulling van de WW-uitkering voor een aantal maanden (een periode van ‘gewenning’ aan de veranderde situatie) plus vergoeding van het daarmee gemoeide pensioennadeel naast een (omvangrijker) tegemoetkoming in de kosten van opleiding, bijscholing en begeleiding (Frijns liet dit alles mettertijd, naar zij met de ontkenning van een rechtsplicht ter zake lijkt te erkennen, volledig versloffen en corrigeerde haar nalatigheid zelfs aan het eind van de arbeidsrelatie niet).

de wettelijke rente

De wettelijke rente over de aldus toe te kennen schadevergoeding is weliswaar normaliter verschuldigd vanaf de einddatum van de arbeidsovereenkomst als regulier (aan het achteraf gegeven rechterlijke oordeel van kennelijke onredelijkheid van de opzegging gerelateerd) verzuimmoment, maar ook hier geven de omstandigheden aanleiding tot een afwijking. Pas met de dagvaarding d.d. 15 mei 2014 is duidelijk geworden dat [eiser] een claim in termen van een duidelijke kwalificatie, rechtsgrond en beloop in de richting van Frijns pretendeerde, zodat Frijns per 4 juni 2014 als datum waartegen zij in rechte opgeroepen werd, geacht wordt in verzuim geraakt te zijn onder de verplichting vanaf dat moment de vertragingsrente te vergoeden.

‘de buitengerechtelijke incassokosten’

In het voorgaande ligt besloten dat [eiser] geen recht heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De bijstand in de UWV-procedure valt niet onder de werkzaamheden ter incasso van deze vordering en de stuitingshandeling had simpelweg vervangen kunnen worden door tijdig dagvaarden.

afzonderlijke verklaring van recht ?

Bij een verklaring van recht omtrent het rechtskarakter van de opzegging heeft [eiser] geen rechtens relevant belang (meer) in het licht van de gedeeltelijke honorering van de uit de vastgestelde kennelijke onredelijkheid voortvloeiende aanspraak op schadevergoeding, zodat ook dit onderdeel afgewezen wordt.

de proceskosten

Tot slot geeft hetgeen hiervoor beslist is, de kantonrechter aanleiding de proceskosten geheel te compenseren zodat partijen de eigen kosten dienen te dragen.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het navolgende oordeel:

Frijns wordt veroordeeld om aan [eiser] als vergoeding van schade wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst € 15 000,00 bruto te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2014 tot de datum van algehele voldoening, een en ander onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten voor haar rekening dient te nemen.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS