Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5721

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2234u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming planschade van € 29.900,-. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de op verzoek van verweerder gemaakte planvergelijking. De inkomensschade in verband met het verplaatsen van het gehele bedrijf van eisers is anderszins verzekerd. Voor wat de overige schade betreft heeft verweerder in het door eisers overgelegde rapport geen grond hoeven zien voor twijfel aan de (nadere) adviezen. Verweerder heeft deze adviezen dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/2234

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder

(gemachtigden: mr. J.A.L. Devoi en mr. M.C.T. Linders).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers een tegemoetkoming in de schade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) toegekend van € 29.900,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

Bij besluit van 4 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij brieven van 23 april 2010 en 11 augustus 2010 hebben eisers een aanvraag om tegemoetkoming planschade ingediend. Eisers stellen schade te hebben geleden in de vorm van waardevermindering van de onroerende zaken op de percelen kadastraal bekend [kadasternummers], plaatselijk bekend [adres 1], en [adres 2] te Heerlen, als gevolg van de bestemmingsplannen “Hoogveld”, “Truckstop Heerlerbaan” en “Heerlerbaan Zuid” en verleende vrijstellingen. Tevens stellen eisers inkomensderving te hebben geleden doordat de bedrijfsontwikkeling van hun agrarisch bedrijf aan de [adres 1] is belemmerd door genoemde bestemmingsplannen en vrijstellingen.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft Tonnaer B.V. (Tonnaer), op verzoek van verweerder, op 13 december 2012 een definitief advies uitgebracht. In dit advies wordt aangegeven dat het bestemmingsplan “Truckstop Heerlerbaan” niet is betrokken bij de beoordeling van de aanvraag, aangezien dit bestemmingsplan nooit onherroepelijk is geworden. De verzochte inkomensschade komt volgens Tonnaer niet voor vergoeding in aanmerking, nu geen boekhoudkundige gegevens zijn aangeleverd waarmee wordt aangetoond dat van deze schade sprake is. Bovendien is de inkomensschade volledig anderszins verzekerd. Uit een vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Maastricht van

4 juli 2007 blijkt immers dat de gemeente Heerlen aan eiser een schadeloosstelling van

€ 597.500,00 dient uit te keren in verband met de ontbinding van de pachtovereenkomst vanwege de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Hoogveld” en het vervallen van inkomsten hierdoor. Eisers lijden schade als gevolg van de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen “Hoogveld” en “Heerlerbaan”, die waardevermindering van hun onroerend goed tot gevolg hebben. De planregels leveren echter niet alleen planologisch nadeel op, maar in bepaalde gevallen ook planologisch voordeel. Het planologisch nadeel is door de taxateur van Tonnaer (Pickée Makelaardij) in een rapport van 9 november 2012 begroot op € 29.900,00.

2. In het primaire besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat het definitieve rapport van Tonnaer zorgvuldig tot stand is gekomen en ten grondslag kan worden gelegd aan het primaire besluit. Tonnaer heeft vergelijkingen gemaakt tussen de oude en nieuwe planologische regimes. De verschillen van deze planologische vergelijkingen zijn opgesomd en daar waar sprake is van een planologisch nadeel, is dit gewaardeerd door de taxateur. Het aspect inkomensschade hoeft niet te worden beoordeeld, aangezien deze schade anderszins is verzekerd.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eisers met de door hen ingebrachte contra-expertises van Adriaan van den Heuvel en Gloudemans, noch anderszins aannemelijk hebben gemaakt dat het advies van Tonnaer van 13 december 2012 onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel zodanige gebreken bevat dat de besluitvorming daarop niet kan worden gebaseerd. In het aanvullend advies van Tonnaer van 23 januari 2014 is gemotiveerd ingegaan op de contra-expertises. De door eisers overgelegde rapporten komen voor wat de planvergelijkingen betreft niet met elkaar overeen. In het rapport van Adriaan van den Heuvel worden vele opmerkingen geplaatst bij de door Tonnaer opgestelde planologische vergelijking, terwijl Gloudemans concludeert dat de planologische vergelijkingen door Tonnaer juist zijn. In het bestreden besluit houdt verweerder dan ook vast aan de adviezen van Tonnaer.

4. Eisers voeren in beroep aan dat gelet op de contra-expertises van Gloudemans van 20 augustus 2013 en Adriaan van den heuvel van 26 september 2013 ernstig getwijfeld moet worden aan de juistheid en met name de volledigheid van het rapport van Tonnaer. Tonnaer heeft op wezenlijke punten in de planologische vergelijking fouten gemaakt en de planschadecomponenten niet volledig meegenomen. Voor de boerderij [adres 1] is sprake van vermogensschade (door Adriaan van den Heuvel getaxeerd op € 145.000,00) en inkomensderving van € 500.000,00, tezamen € 645.00,00. Gloudemans heeft € 50.000,00 vermogensschade becijferd met een extra schade van € 35.000,00 wegens onmogelijke noodzakelijke nieuwbouw. De melkveehouderij is wegens plaatsgebrek verhuisd naar België. De hierdoor berekende omrijschade bedraagt € 478.810,00 vermeerderd met

€ 100.000 overige kosten en € 25.000,00 indirecte schade maakt een totaal schadebedrag van € 688.810,00. In de procedure bij de pachtkamer is aan eisers enkel een schadeloosstelling toegekend voor de melkveehouderij. In het kader van de schadeberekening door ontbinding van de pachtovereenkomst is door de pachtkamer niet gekeken naar de gevolgen voor het jongvee, het vleesvee en de akkerbouwtak.

5. In artikel 49, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), voor zover thans van toepassing, is bepaald dat voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:

a. de bepalingen van een bestemmingsplan,

b. het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17 of 19 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent.

In artikel 6.1, eerste lid, van de Wro is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

In artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro is bepaald dat een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is een bepaling van een bestemmingsplan.

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat de WRO toepasselijk is op het planschadeverzoek voor zover dat is gebaseerd op de bestemmingsplannen “Hoogveld” en “Hoogveld reparatie 2004” en de besluiten tot verlening van vrijstelling van 11 september 2001 voor het verbouwen van een bedrijfshal tot een truckcenter en de vrijstelling van 2 maart 2004, voor de realisatie van wasplaatsen en een tankstation. De Wro, exclusief de forfaitaire drempel van 2% is van toepassing op het planschadeverzoek voor zover dat is gebaseerd op het bestemmingsplan “Heerlerbaan” en het besluit tot vrijstelling van 11 augustus 2006 voor de vestiging van twee supermarkten. Tevens zijn partijen het erover eens dat op het perceel van eisers de bestemming ‘Beperkt agrarisch gebied’ thans nog van kracht is, aangezien aan de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden B’ uit het bestemmingsplan “Hoogeveld” goedkeuring is onthouden, alsmede aan de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ uit het bestemmingsplan “Hoogeveld, reparatie 2004”. Gelet hierop is geen sprake van directe planschade, hetgeen niet is betwist. Evenmin is in geschil dat sprake is van indirecte planschade ten gevolge van de wijziging van de in het bestemmingsplan “Hoofdzakenplan Heerlen” opgenomen bestemming ‘Beperkt agrarisch gebied’ naar de bestemmingen ‘Grondgebonden en/of gestapelde woningen W’ en ‘Woondoeleinden uit te werken (WUW)’ uit het bestemmingsplan “Hoogveld”. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de vermogensschade en de vraag of de inkomensschade anderszins is verzekerd.

7. Over het betoog van eisers dat Tonnaer op wezenlijke punten in de planologische vergelijking fouten heeft gemaakt en de planschadecomponenten niet volledig heeft meegenomen, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag verweerder bij het vaststellen van de planschadevergoeding in beginsel afgaan op een advies van een deskundige op het gebied van planschade. In de uitspraak van 5 november 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG3382) heeft de Afdeling overwogen dat Tonnaer beschouwd kan worden als een deskundige op het gebied van planschade. De rechtbank constateert dat de contra-expertises van Gloudemans en Adriaan van den Heuvel qua planvergelijking tegenstrijdig aan elkaar zijn. Gloudemans heeft zich in zijn advies op het standpunt gesteld dat de door Tonnaer gemaakte planvergelijking juist is, terwijl Adriaan van den Heuvel dit anders ziet. Desondanks beroepen eisers zich op de uitkomsten van beide adviezen. Hiermee geconfronteerd tijdens de zitting hebben eisers niet kunnen uitleggen waarom het advies van Adriaan van den Heuvel op dit punt zou moeten worden gevolgd. Daar komt bij dat Tonnaer in het aanvullend advies van 23 januari 2014 op alle kanttekeningen van Adriaan van den Heuvel is ingegaan en deze gemotiveerd heeft weerlegd. Dit aanvullend advies hebben eisers niet weersproken. De rechtbank ziet dan ook geen reden te twijfelen aan de planvergelijking die Tonnaer heeft gemaakt.

8. Het betoog van eisers dat enkel de inkomensschade voor zover betrekking op de melkveehouderij anderszins is verzekerd en niet de inkomensschade die betrekking heeft op het jongvee, het vleesvee en de akkerbouwtak, volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank van 4 juli 2007 blijkt dat de gemeente Heerlen aan eiser een schadeloosstelling van € 597.500,- dient uit te keren in verband met de ontbinding van de pachtovereenkomst vanwege de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Hoogveld” en het vervallen van inkomsten hierdoor. In dit vonnis is expliciet vermeld dat de verwezenlijking van genoemd bestemmingsplan tot gevolg zal hebben dat de exploitatie van het gemengd agrarisch bedrijf van eiser niet meer tot de reële mogelijkheden zal behoren. Voorts is in het vonnis vermeld dat de commissie Meertens in haar aanvullend deskundigenbericht rekening heeft gehouden met het feit dat de huidige hoeve met bedrijfsgebouwen en woningen niet meer gehandhaafd kon worden en dat bij de bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling tot uitgangspunt is genomen de schade als gevolg van een verplaatsing van het gehele bedrijf. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inkomensschade in verband met het verplaatsen van het gehele bedrijf van eisers anderszins is verzekerd.

9. Voor wat de overige schade betreft, overweegt de rechtbank als volgt. Gloudemans heeft de overige schade vastgesteld op € 75.000 (€ 50.000,- vermogensschade en € 25.000,-- indirecte schade), terwijl Pickée de waardevermindering heeft vastgesteld op € 29.900,-. De door Adriaan van den Heuvel getaxeerde schade van € 145.000,- betrekt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het feit dat het rapport geen (zelfstandige) planvergelijking bevat, niet bij de beoordeling van de overige schade. Ter bepaling van de waardevermindering heeft Pickée gebruik gemaakt van de vergelijkingsmethode, waarbij gekeken is naar verkochte woningen die qua leeftijd en aard lijken op woning van eisers. Hierbij is de waarde van de referentiepanden teruggerekend naar de waarde op de in acht te nemen peildata. Bij de vergelijkingspanden heeft Pickée zowel rekening gehouden met verschil in oppervlakte, inhoud en ligging als ook met het moment van verkoop. In het rapport van Gloudemans is ter berekening van de vermogensschade enkel het verschil tussen de waarde per peildatum voor én de waarde na de planologische mutatie vermeld. Voor de berekening van de indirecte schade als gevolg van intensievere woonbebouwing in de omgeving is de waarde na beoordeling indirecte schade afgetrokken van de waarde na beoordeling directe schade. Op geen enkele wijze wordt inzichtelijk gemaakt hoe tot deze waardering is gekomen. Zo is niet vermeld of bij de berekening van de waardevermindering gebruik is gemaakt van de vergelijkingsmethode en zo ja op welke manier en met welke referentiepanden. Gelet hierop, alsmede gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer uitspraak van 23 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD8318), dat de enkele omstandigheid dat Gloudemans de waardedaling hoger heeft gewaardeerd dan Tonnaer/Pickée onvoldoende is voor het oordeel dat het advies van Tonnaer onjuist is, hoefde verweerder aan het rapport van Gloudemans geen belang te hechten. Verweerder heeft daarom in het rapport van Gloudemans geen grond hoeven zien voor twijfel aan de (nadere) adviezen van Tonnaer. Hij heeft deze adviezen dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

10 Het beroep is ongegrond.

11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen (voorzitter), en mr. R.M.M. Kleijkers en mr. N.J.J. Derks-Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015.

w.g. P. van den Brekel,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.