Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5610

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
C-03-207009 - KG ZA 15-285
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 3:45 BW. Artikel 3:52 lid 1 sub c BW. De ontvanger beroept zich terecht op artikel 3:52 lid 1 sub c BW en stelt dat de mogelijkheid om op grond van artikel 3:45 BW de vernietiging van de (onverplichte) rechtshandelingen in te roepen is verjaard. De directeur groot aandeelhouder, die jurist, belastingkundige en destijds advocaat was, kende immers, althans behoorde te kennen, als bestuurder in 2010 alle ins en outs van de ondernemingen, zodat de verjaringstermijn is aangevangen op de dag na de betaling(en). Dat thans categorisch wordt ontkend dat hij kennis en inzicht had in de mogelijke consequenties voor (toekomstige) schuldeisers, omdat hij ‘slechts’ directeur en geen statutair of feitelijk bestuurder was, is ongeloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0197
AR 2015/1259

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/207009 / KG ZA 15-285

Vonnis in kort geding van 2 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S.X.J. Zuidema,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ONTVANGER DER BELASTINGEN,

zetelend en kantoorhoudend te Maastricht,

gedaagde,

vertegenwoordigd door mr. J. Bremer-Roozenboom en E.M.C.I. Kerckhoffs, beiden werkzaam voor de Ontvanger.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 juni 2015,

  • -

    de brief van 19 juni 2015 van [eiser] met productie,

  • -

    de brief van 24 juni 2015 van de Ontvanger met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 juni 2015,

  • -

    de pleitnota van [eiser],

  • -

    de pleitnota van Ontvanger.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Helvet Investments B.V. (hierna: Helvet) heeft op 10 maart 2010 en op 8 april 2010 een vijftal betalingen verricht aan de Ontvanger tot een bedrag van € 314.856,00. Deze betalingen zijn verricht door Helvet ter betaling van vorderingen van de Ontvanger op PWT Advocaten & Belastingkundigen N.V. (hierna: PWT).

2.2.

[eiser] was ten tijde van de betalingen directeur groot aandeelhouder van Helvet en PWT. Helvet en PWT hielden ten tijde van de betalingen kantoor in hetzelfde pand aan de Rijksweg Noord 59 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen.

2.3.

PWT is op 6 september 2012 gefailleerd en de betalingen ten behoeve van de belastingschulden van PWT van Helvet zijn door de Inspecteur der belastingen aangemerkt als zogenoemde ‘bodemloze put’-leningen.

2.4.

Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 27 november 2013 is [eiser] veroordeeld om aan Collin Recycling en Beheer B.V. (hierna: Collin) te betalen waartoe Helvet bij vonnis van 14 augustus 2013 van de rechtbank Limburg reeds was veroordeeld, te weten een bedrag van € 800.000,00 vermeerderd met rente. Omdat Helvet niet kan (of niet wil) betalen, heeft Collin [eiser] aangesproken. Ook [eiser] kan (of wil) niet betalen. Collin heeft het faillissement van [eiser] aangevraagd. Een beslissing omtrent het faillissement is nog niet genomen.

2.5.

Bij brief van 20 mei 2015 heeft [eiser] de vernietigbaarheid van de vijf rechtshandelingen (de betalingen aan de Ontvanger) ingeroepen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert primair veroordeling van de Ontvanger tot betaling van een voorschot op (vervangende) schadevergoeding tot een bedrag van € 385.008,17, inzake voor PWT betaalde belastingschulden, en subsidiar vordert [eiser] de Ontvanger te veroordelen tot een voorscht op (vervangende) (schade)vergoeding tot een bedrag van € 150.741,00 inzake management fee, een en ander vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

[eiser] baseert de vordering op de stelling dat hij, als schuldeiser van Helvet, benadeeld is door betaling van belastingschulden van PWT door Helvet aan de Ontvanger, omdat de Ontvanger wist of behoorde te weten dat PWT er financieel slecht voor stond, terwijl de Ontvanger, gelet op de geldende zorgplicht, eveneens wist of behoorde te weten dat Helvet door onverplichte betalingen te doen voor PWT de schuldeisers van Helvet zouden worden benadeeld. [eiser] beroept zich op de actio pauliana en stelt spoedeisend belang bij en recht op de gevraagde voorziening te hebben.

3.3.

De Ontvanger voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiser] op de Ontvanger voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

[eiser] heeft bij brief van 20 mei 2015 de vernietiging ingeroepen van het vijftal onverplichte rechtshandelingen die Helvet ten behoeve van PWT heeft gedaan op grond van het feit dat [eiser] benadeeld is als schuldeiser van Helvet. Het meest verstrekkende verweer van de Ontvanger betreft deze buitengerechtelijke vernietiging.

De ontvanger beroept zich op artikel 3:52 lid 1 sub c BW en stelt dat de mogelijkheid om op grond van artikel 3:45 BW de vernietiging van de bedoelde rechtshandelingen in te roepen is verjaard. [eiser] kende immers, althans behoorde te kennen, als bestuurder van Helvet en van PWT in 2010 alle ins en outs van de ondernemingen, zodat de verjaringstermijn is aangevangen op de dag na de betaling(en).

4.3.

[eiser] was directeur en grootaandeelhouder van zowel PWT als Helvet ten tijde van de betalingen door Helvet voor PWT aan de Ontvanger. [eiser] onderhield het inhoudelijke contact met de Ontvanger en zo nodig voerde hij de noodzakelijke onderhandelingen c.q. maakte hij afspraken met de Ontvanger.

[eiser] is jurist en belastingkundige en was destijds advocaat. Van [eiser] mag en mocht dan ook worden verwacht dat hij zich de consequenties voor hemzelf als schuldeiser (inzake de vergoeding voor werkzaamheden als directeur) als voor (toekomstige) schuldeisers realiseerde van de (onverplichte) rechtshandelingen die hij voor Helvet verrichte, althans waar hij voor Helvet (en PWT) mee instemde. Dat [eiser] thans categorisch ontkent dat hij kennis en inzicht had in de mogelijke consequenties voor (toekomstige) schuldeisers van Helvet, omdat hij ‘slechts’ directeur en geen statutair of feitelijk bestuurder was van Helvet, hetgeen overigens is weersproken door de Ontvanger, is dan ook ongeloofwaardig.

[eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij eerst van zijn benadeling op de hoogte raakte door het veroordelend en bij voorraad uitvoerbare vonnis van 27 november 2013 van de rechtbank Limburg in de zaak die Collin tegen (Helvet en) hemzelf entameerde.

In dit verband is niet relevant (en aan beoordeling van de stelling komt de voorzieningenrechter ook niet meer toe) of de Ontvanger vanuit de op hem rustende zorgplicht wellicht wetenschap van benadeling van (toekomstige) schuldeisers had of had behoren te hebben.

4.4.

De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser] op grond van bovenstaande overwegingen afwijzen. Op 20 mei 2013 kon [eiser] de vernietiging van de rechtshandelingen van Helvet niet meer inroepen, zodat hij thans geen opeisbare vordering (meer) heeft. Enig handelen dat als stuiting van die verjaring zou kunnen gelden is bovendien niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken.

4.5.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 3.864,00 terzake het verschuldigde griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 3.864,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: EvB coll: