Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5539

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
3686988 CV EXPL 14-12998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid hotelhouder; artikel 7:609 BW..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 5, p. 266
Module Horeca 2015/2504
NJF 2015/393

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3686988 CV EXPL 14-12998

Vonnis van de kantonrechter van 8 juli 2015

in de zaak van:

[eiser],

wonend [adres 1],

[woonplaats 1],

eisende partij,

gemachtigde mr. S. Pershad (SRK),

tegen:

1. de vennootschap onder firma

[naam hotel],

zaakdoend [adres 2],

[vestigingsplaats],

2. [gedaagde sub 2], vennoot van gedaagde sub 1,

wonend te [woonplaats 2] en zaakdoend [adres 2],

[vestigingsplaats],

3. [gedaagde sub 3], vennote van gedaagde sub 1,

wonend te [woonplaats 2] en zaakdoend [adres 2],

[vestigingsplaats],

gedaagde partijen,

gemachtigde mr. A.C.E. van den Hombergh (DAS).

Partijen zullen hierna [eiser] en [naam hotel] (voor gedaagde partijen gezamenlijk) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte uitlating producties van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [naam hotel] tot betaling van € 2.027,95, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

2.2.

[eiser] heeft daartoe het volgende gesteld:

  • -

    hij verbleef van vrijdag 18 april tot zondag 20 april 2014 in het [naam hotel] (hierna: "het hotel");

  • -

    op 18 april 2014 heeft hij aan één van de medewerkers van het hotel gevraagd of zijn fiets en de fietsen van zijn reisgenoten veilig gestald konden worden, wat werd bevestigd;

  • -

    hij mocht zijn fiets stallen in de garage van het hotel;

  • -

    van de medewerker ontving hij een garage-opener om toegang te krijgen tot de afgesloten garage;

  • -

    hij heeft op 18 april 2014 zijn fiets in de garage gestald, en hij heeft zijn fiets met een geplastificeerde staalkabel en een hangslot aan de eveneens daar gestalde vier fietsen van zijn reisgenoten bevestigd;

  • -

    de garage-opener heeft hij - zoals afgesproken - vervolgens weer afgegeven aan de medewerker van de receptie van het hotel;

  • -

    op zaterdag heeft hij zijn fiets uit de garage gehaald om de Amstel Gold Race te fietsen;

  • -

    ook zijn reisgenoten hebben hun fiets op dat moment opgehaald;

  • -

    diezelfde avond heeft het gehele reisgezelschap hun fietsen weer in de garage gestald;

  • -

    zowel bij het ophalen van de fietsen als het opnieuw stallen is dezelfde procedure gevolgd, namelijk het ophalen en weer terugbrengen van de garage-opener bij de receptiemedewerker van het hotel;

  • -

    op 20 april 2014 wilde hij zijn fiets wilde ophalen, en hij haalde bij de receptiemedewerker van het hotel de garage-opener weer op;

  • -

    bij het openen van de garage constateerde hij dat zijn fiets was verdwenen;

  • -

    hij heeft vervolgens aangifte gedaan van de diefstal van zijn fiets;

  • -

    hij heeft het hotel aangeschreven en verzocht zijn schade te vergoeden, maar het hotel heeft de aansprakelijkheid afgewezen, en heeft op een schikkingsvoorstel afwijzend gereageerd;

  • -

    het hotel dient als bewaarnemer zorg te dragen voor de zaken die een gast in het hotel heeft meegebracht, en het hotel is op grond van art. 7:609 BW aansprakelijk voor de schade die hij lijdt wegens het verlies van zijn fiets;

  • -

    zijn schade bedraagt € 2.027,95 wegens de aanschafwaarde van zijn fiets en de accessoires;

  • -

    hij vordert tevens vergoeding van de wettelijke rente over het schadebedrag vanaf de dag van verzuim, en van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 304,19;

  • -

    nu het hotel in der minne niet tot betaling van zijn vordering wil overgaan heeft hij recht en belang bij zijn vordering.

2.3.

Het hotel voert verweer.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Als meest verstrekkend verweer heeft het hotel aangevoerd dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarop de Uniforme Voorwaarden Horeca van toepassing zijn verklaard, en dat in art. 12 van die voorwaarden is bepaald dat het hotel niet aansprakelijk is voor beschadiging of verlies van goederen die door een gast zijn meegebracht in het hotel.

3.1.1.

Gelet op wat de kantonrechter hierna zal overwegen en beslissen omtrent de aansprakelijkheid van het hotel kan de vraag of de Uniforme Voorwaarden Horeca in dit geval van toepassing zijn echter verder in het midden blijven.

3.2.

Gelet op het bepaalde in art. 7:609 BW is het hotel als een bewaarnemer aansprakelijk voor beschadiging of verlies van zaken die in het hotel zijn meegebracht door een gast die daar zijn intrek heeft genomen.

3.3.

Waar het in deze zaak met name om draait is of er in casu sprake is van in het hotel meegebrachte zaken.

3.3.1.

Hoewel het bij het begrip "in het hotel" verder gaat dan om alleen het enkele gebouw (ook de hotelbus die de reiziger van/naar het station haalt/brengt valt daar bijvoorbeeld onder), is er een grens aan de reikwijdte van dat begrip. Essentieel is steeds de vraag - en daarom valt de hotelbus in de jurisprudentie nog wel onder ‘in het hotel” - of de hotelhouder de door de gast meegebrachte zaken buiten het hotel onder zijn toezicht neemt.

Het antwoord op die vraag hangt naar het oordeel van de kantonrechter af van de feitelijke omstandigheden, zoals de vraag of de hotelgast een exclusieve ruimte voor uitsluitend zijn zaken tot zijn beschikking krijgt en/of de vraag of de hotelgast voor de stalling extra dient te betalen. Indien sprake is van een exclusieve ruimte en/of extra betaling voor stalling, zal sneller sprake zijn van “onder zijn toezicht nemen” van die zaken van de gast door de hotelhouder, en dus ook van toepasselijkheid van art. 7:609 BW (aansprakelijkheid van de hotelhouder).

3.3.2.

In dit geval ging het echter - gelet op de door het hotel geschetste omstandigheden, die door [eiser] niet (gemotiveerd) zijn weersproken - om een garage die op enige afstand van het hotel is gelegen en alleen bereikt kan worden door buitenom het hotel te lopen. Het ging bovendien om een niet-exclusieve stalling waarvan - naar [eiser] wist nu hij het hotel al diverse jaren achtereen had bezocht om deel te nemen aan de Amstel Gold Race - ook andere hotelgasten gebruik konden maken: [eiser] was op de hoogte van de feitelijke gang van zaken rond de garage, te weten dat iedere hotelgast die zijn fiets, scooter of motor in de garage wilde stallen bij de receptiemedewerker van het hotel de garage-opener kon ophalen, om vervolgens - zonder begeleiding door een medewerker van het hotel - zijn fiets, scooter of motor in de garage te stallen/uit de garage te halen, waarna de betreffende hotelgast de garage-opener weer terugbracht bij de receptiemedewerker. [eiser] wist ook dat het hotel

- gelet op de ligging van de garage - geen (feitelijke) mogelijkheid had vanaf de receptie toezicht te houden op de garage.

De stallingsmogelijkheid werd door het hotel bovendien gratis aangeboden, en in de garage was ook - om extra duidelijk te maken dat de stalling voor eigen risico was - een bord aanwezig waarop was vermeld: "Personeel en directie van [naam hotel] zijn niet aansprakelijk was voor eventuele beschadigingen en/of diefstal van uw fietsen, scooters en motoren." [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij een dergelijk bord in de garage niet heeft gezien, maar heeft de aanwezigheid van dat bord ook niet betwist.

3.3.3.

Gelet op het vorenstaande gaat het in deze zaak naar het oordeel van de kantonrechter dan ook bij de fiets van [eiser] niet om een in het hotel meegebrachte zaak, waarvoor het hotel als bewaarnemer ex art. 7:609 BW aansprakelijk was. De vordering tot schadevergoeding van [eiser] zal dan ook worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente.

3.4.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld de kosten aan de zijde van [naam hotel] worden begroot op € 300,00 voor salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 150,00).

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [naam hotel], tot op heden begroot op een bedrag van € 300,00,

4.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: PZ