Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5538

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
02-07-2015
Zaaknummer
03/700590-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Limburg heeft de 21-jarige verdachte in de zogenaamde ‘Valkenburgse zedenzaak’ een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest opgelegd.

De man is veroordeeld voor mensenhandel. Hij heeft een minderjarig meisje (toen 16 jaar oud) ertoe gebracht om seks tegen betaling te hebben met derden. Verdachte heeft haar compleet van hem afhankelijk gemaakt en gemanipuleerd. Daarnaast is verdachte ervoor veroordeeld dat hij het minderjarig meisje heeft onttrokken aan het wettig gezag van haar ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700590-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

thans gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 23 januari 2015, 20 april 2015 en 18 juni 2015, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, - na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - op neer dat verdachte:

Feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer], terwijl zij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt.

Feit 2: opzettelijk aanwezig is geweest bij het plegen van ontuchtige handelingen door [slachtoffer];

Feit 3: ontuchtige handelingen, gepleegd door een minderjarige met een derde, teweeg heeft gebracht of heeft bevorderd;

Feit 4: [slachtoffer] heeft onttrokken aan het wettig gezag.

3 De voorvragen

Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door bij requisitoir een ander standpunt in te nemen dan het standpunt dat zij heeft ingenomen op de zitting van 20 april 2015. Het Openbaar Ministerie had immers eerder gesteld dat - indien er geen aanvullend bewijs zou komen - bij requisitoir tot vrijspraak van deze feiten zou worden geconcludeerd.

De rechtbank vat het verweer van de raadsman zo op dat de (gestelde) schending van het vertrouwensbeginsel dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 op de dagvaarding.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het Nederlandse strafrechtelijke systeem is het vervolgingsmonopolie (dat wil zeggen de beslissing om een zaak ter berechting aan de rechter voor te leggen) toegekend aan het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft bij het bepalen of in een bepaalde zaak wel of geen vervolging wordt ingesteld een grote mate van beleidsvrijheid.

Indien de vervolging in strijd zou komen met (grond)wettelijke en/of verdragsrechtelijke bepalingen of met de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, kan sprake zijn van een verval van het recht tot strafvervolging en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Tot de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging wordt gerekend het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat door de overheid - voorafgaand aan het dagvaarden van een verdachte - gewekte verwachtingen behoren te worden gehonoreerd, tenzij zwaarwichtige belangen zich daartegen verzetten of sprake is van een duidelijke verandering van omstandigheden. Bovendien kan alleen indien bij de verdachte door de daartoe bevoegde autoriteit het vertrouwen is gewekt dat niet tot vervolging zal worden overgegaan, daarvan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging het gevolg zijn.

In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake. Immers de vermeende toezegging van de officier van justitie waaraan de raadsman refereert zou zijn gedaan ter terechtzitting van

20 april 2015. Dat moment is gelegen ruim ná het moment van dagvaarden van de verdachte voor de zitting van 23 januari 2015, waarvan de behandeling ook heeft plaatsgevonden.

Dat het Openbaar Ministerie op de zitting van 20 april 2015 heeft gevorderd de tenlastegelegde feiten 2, 3 en 4 te schrappen, maakt overigens nog niet dat het Openbaar Ministerie daaraan de conclusie verbindt dat zij ook tot vrijspraak van deze feiten zal rekwireren. Anders dan door de raadsman betoogd is blijkens het zittingsproces-verbaal van 20 april 2015 niet door het Openbaar Ministerie gesteld dat tot vrijspraak van de feiten 2, 3 en 4 zal worden gerekwireerd. De rechtbank is overigens (ook) niet gebleken van enige toezegging daartoe. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3 op de tenlastelegging.

De raadsman heeft zich - (onder meer) onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1989, NJ 1989/668 - op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 partieel nietig dient te worden verklaard, omdat “het plegen van ontucht” niet nader wordt geconcretiseerd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De steller van de tenlastelegging heeft invulling gegeven aan ‘het plegen van ontucht’ door in de tenlastelegging onder meer op te nemen dat verdachte de minderjarige [slachtoffer] (hierna ook te noemen: [slachtoffer]) ertoe heeft aangezet of gebracht om als prostituee te werken. Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging daarmee voldoende verfeitelijkt en voldoet deze derhalve aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank merkt overigens ten overvloede nog op dat niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat verdachte tegen de achtergrond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet weet waartegen hij zich dient te verdedigen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht het tenlastegelegde onder 1 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft in de periode van 28 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 het slachtoffer ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling dan wel heeft hij ten aanzien van het slachtoffer handelingen ondernomen waarvan hij wist dat het slachtoffer zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen, en dat alles terwijl het slachtoffer de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt:

- door het slachtoffer ertoe aan te zetten zoals hiervoor omschreven;

- door kamers te huren in het hotel waar zij kon/moest werken;

- door contact te onderhouden met de klanten in de breedste zin des woord en te onderhandelen over prijzen, duur en te leveren diensten;

- en door toezicht te houden op het meisje terwijl zij haar prostitutiewerkzaamheden verrichtte.

Feit 2

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Artikel 248c van het Wetboek van Strafrecht ziet op het bijwonen van (de vertoning van een) kinderporno(film) alsmede op strafwaardig misbruik van kinderen wanneer zij optreden in een erotische show, door de klanten strafbaar te stellen. Het aanwezig zijn in het appartement ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen door de klanten met [slachtoffer], ziet daar niet op.

Feit 3

De officier van justitie acht het tenlastegelegde onder 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte door een andere feitelijkheid het plegen van ontucht met een derde door het slachtoffer van wie hij weet dat ze nog geen 18 jaar is heeft teweeggebracht en heeft bevorderd. Die andere feitelijkheid heeft hierin bestaan dat verdachte een liefdesrelatie met het meisje is aangegaan, dat hij die ook heeft onderhouden op een zodanige wijze dat zij afhankelijk van hem is gemaakt en hem zelfs betaalde om hem te mogen zien en dergelijke.

Feit 4

De officier van justitie acht het tenlastegelegde onder 4 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wist immers dat de ouders van het slachtoffer niet wilden dat zij bij hem verbleef, terwijl hij desondanks het slachtoffer heeft gebracht naar een hotel en haar daar onderdak heeft geboden, waarna het slachtoffer meerdere nachten met hem in dat hotel verbleef. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders, dat deze buiten het gezag van haar ouders kwam te verkeren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte van feit 1 partieel dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte [slachtoffer] er niet toe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Immers volgt uit de verklaringen van [slachtoffer] een zeer vergaande mate van vrijwilligheid. Voor het overige refereert de raadsman zich.

Feit 2

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit vrijspraak bepleit, nu verdachte nimmer lijfelijk aanwezig is geweest bij het plegen van ontuchtige handelingen door een minderjarige. Bovendien ziet artikel 248c van het Wetboek van Strafrecht op heel andere situaties dan in casu.

Feit 3

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit vrijspraak bepleit, aangezien door de steller van de tenlastelegging geen invulling is gegeven aan de aspecten dwang, geweld of een andere feitelijkheid dan wel dreiging met geweld of een andere feitelijkheid.

Feit 4

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit vrijspraak bepleit, nu verdachte geen beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het wettige gezag uitoefenen (haar ouders).

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

Inleiding

[slachtoffer] is drie keer gehoord door de politie. Op 15 oktober 2014 heeft een informatief gesprek met haar plaatsgevonden en op 3 december 2014 en 11 maart 2015 is zij als getuige gehoord. Daar de laatste twee verklaringen qua inhoud met de eerste verklaring wezenlijk verschillen, dient de rechtbank in het kader van de waarheidsvinding te beoordelen aan welke verklaring(en) zij meer gewicht toekent en welke verklaring(en) zij als bewijsmiddel zal bezigen. De rechtbank heeft gekeken of een van de verklaringen wordt ondersteund door andere verklaringen in het dossier en overweegt het volgende. De politie heeft een aantal personen gehoord waaronder de ouders van [slachtoffer] en de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5], vrienden of bekenden van [slachtoffer]. Allen verklaren iets over de relatie tussen verdachte en [slachtoffer]. De rechtbank leidt uit die verklaringen (onder meer) af dat de ouders van [slachtoffer] de relatie tussen haar en verdachte niet goedkeurden, terwijl [slachtoffer] stapelverliefd was op verdachte. Ook blijkt dat verdachte [slachtoffer] inpalmde en op momenten aantrok. Verdachte zei dat hij ook verliefd was op [slachtoffer] en schonk haar veel aandacht. Daarna duwde verdachte haar ook weer keihard weg door ieder contact te weigeren. Verdachte bezigde de woorden ‘kankerhoer’ jegens haar en uit de verklaringen proeft de rechtbank de sfeer dat verdachte [slachtoffer] manipuleerde en haar op negatieve wijze beïnvloedde, tot zij alles wilde doen om verdachte te kunnen zien. “Zij deed alles voor hem”, blijkt ook uit de verklaring van [getuige 3]. Dit tekent de verhouding tussen hen beiden en dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat aan de verklaring die [slachtoffer] op 3 december 2014 en 11 maart 2015 als getuige heeft afgelegd meer gewicht toekomt dan aan haar eerste verklaring.

Feit 1 en Feit 3

In het kader van de vermissing van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] te Heerlen2 werd verbalisant [verbalisant 1] op 14 oktober 2014 tweemaal telefonisch benaderd door [vader slachtoffer], de vader van [slachtoffer].

In het tweede gesprek deelde de vader mee dat zijn dochter mogelijk in hotel [naam hotel 1] of [naam hotel 2] te Valkenburg zou verblijven en dat er foto’s van haar op een internet site - genaamd [naam 1].nl - stonden.3 [naam 1].nl is een site waar men als prostituee diensten aanbiedt.

Door verbalisant [verbalisant 1] werd bedoelde site bezocht en werden foto’s aangetroffen van een vrouwelijk persoon die adverteerde onder de naam “[bijnaam] 18 jaar”. Dit was een foto van een schaars geklede vrouw/meisje. Ook een foto van een vrouw/meisje in een zwarte rok stond bij deze advertentie afgebeeld.4

De vader van [slachtoffer] bevestigde dat deze foto’s van [bijnaam] 18 jaar inderdaad foto’s waren van zijn dochter.5

Door verbalisant [verbalisant 2] is een onderzoek gedaan op de site [naam 2].nl. In een advertentie met telefoonnummer [telefoonnummer] biedt [bijnaam] zich aan met een soortgelijke tekst als in de advertentie van [naam 1].nl en met dezelfde foto’s en telefoonnummer [telefoonnummer]. De advertenties zouden op de sites sinds 28 september 2014 ([naam 1].nl) respectievelijk 30 september 2014 ([naam 2].nl) actief zijn.6

Op 14 oktober 2014 hebben verbalisanten het appartementencomplex behorende bij het hotel “[naam hotel 1]” te Valkenburg aan de Geul geobserveerd. Zij zien dat verdachte op verschillende tijdstippen (14.37 uur, 15.03 uur en 15.23 uur) een man (NN1, NN2 en NN3) de toegang biedt via de algemene toegangsdeur van het appartementencomplex. Een observant ziet ook op de derde verdieping van het complex dat een blonde jonge vrouw even door het raam kijkt. Deze observant herkent de blonde vrouw als [slachtoffer] . Omstreeks 15.50 uur werden verdachte, [slachtoffer] en NN3 door het tactisch team in het appartementencomplex aangehouden.7

[slachtoffer] heeft als volgt verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik bleef het contact met [verdachte] opzoeken. Ik was smoorverliefd. Op een gegeven moment zei [verdachte], “als je mij wil zien, dan moet je 100 euro betalen”. Ik heb gezegd dat het goed was en ik heb [verdachte] toen ook gezien. Ik had geen geld bij me. Hij was boos. [verdachte] vroeg toen aan me waarom ik geen seks wilde voor geld. [naam 3], een meisje dat bij [verdachte] woonde, had hem verteld dat zij geld had verdiend met seks. Ik heb toen aan [verdachte] gevraagd of hij dat voor mij kon regelen. [verdachte] zei: “ ik regel alles voor jou”. Hij heeft tegen mij gezegd dat hij er eerder aan gedacht had maar hij vond mij echter niet geschikt voor het werk. Ik heb een paar dagen geen contact gehad. Ik heb daarna met [verdachte] contact opgenomen. Hij wist wel een paar dingen, hij had de verblijfplaats al geregeld. [verdachte] vroeg mij of ik foto’s kon maken. Verder vroeg hij mij of ik mij kon aanmelden op de websites. Hij vertelde op welke sites ik dit moest doen. Ik denk dat ik me thuis aangemeld heb met mijn eigen computer. Drie weken voordat ik ben weggelopen, heb ik een profiel aangemaakt. Ik schreef me in op [naam 1].nl en op een andere site.

Een vriend van [verdachte] heeft ons naar het station gebracht. We gingen naar het hotel om alles te regelen. [verdachte] legde mij alles uit hoe alles in zijn werk ging. Die dag had ik ook een simkaart gekocht. Die dag kreeg ik allemaal berichten en telefoontjes. [verdachte] zei dat ik de telefoon moest opnemen. Ik zei tegen [verdachte] dat ik niet wilde. Die dagen heb ik ook niets gedaan. We zaten toen in een ander hotel ([naam hotel 2]).

[verdachte] vertelde dat we voorzichtig te werk moesten gaan, niemand mocht de klanten zien. De klanten moesten vooraf betalen en ik moest het geld bij me houden. Hij zei tegen mij dat hij altijd daar zou zijn als ik klanten zou krijgen.

Mijn eerste klant heb ik in hotel [naam hotel 1] gehad. Verder weet ik nog dat we de dinsdag voordat ik wegliep in [naam hotel 2] verbleven. Die woensdag erna ben ik weggelopen. Daarna heb ik al die tijd verbleven in hotel [naam hotel 1].

Ik wist niet wat ik met de eerste klant moest doen. Ik wilde het alleen goed doen voor [verdachte]. Ik heb klanten ontvangen in de hotels [naam hotel 2] en [naam hotel 1]. Ik heb € 3000 verdiend. Het geld dat hij meenam naar het casino was mijn verdiende geld. [verdachte] vertelde dat het geld zou worden bewaard door een vriend. De klant betaalde aan mij en als [verdachte] naar het casino ging dan gaf ik hem de helft van het door mij verdiende geld en uiteindelijk heb ik hem al mijn verdiende geld gegeven zodat hij dit kon wegleggen bij een vriend. Een witte I-phone was mijn werktelefoon. De zwarte Samsung is van [verdachte].

[verdachte] wachtte meestal totdat de klant klaar was. Als ik een klant had, nam [verdachte] de telefoon mee. Als ik geen klant had beantwoordde ik de sms’jes zelf. Ik weet niet waarom [verdachte] dit gedaan heeft. Ik voel mij gebruikt en misbruikt. [verdachte] zei dat hij met mij een groot risico liep om opgepakt te worden. Het is wel eens gebeurd dat ik geen condoom gebruikte. Toen ik dit met [verdachte] besprak zei hij dat ik zeker 100 euro extra moest vragen.

In het begin mocht ik gewoon appen met mijn vader en moeder. Ik ging me ergeren en ik werd er emotioneel van. [verdachte] vond dat niet fijn en ik reageerde me ook op hem af. [verdachte] gaf toen aan dat ik beter niet meer met mijn ouders moest app’n.8

Ik denk dat ik ongeveer 30 klanten heb gehad. Het gemiddeld aantal klanten was 4 à 5 per dag.9

De getuige [getuige 6] heeft verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik ben eigenaresse van hotel [naam hotel 1] te Valkenburg a/d Geul. Ik verhuur de kamer met nummer 5 aan een Marokkaanse jongen. Hij verblijft daar samen met een meisje. De jongen heeft de kamer gehuurd vanaf 9 oktober 2014 en had nu betaald tot en met 17 oktober 2014. Ik noteer enkel de adresgegevens en mijn computersysteem koppelt dit aan een naam. De computer gaf als naam [verdachte].10

De getuige [getuige 7] heeft verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik ben werkzaam bij hotel [naam hotel 1]. Het klopt dat [verdachte] hier kamer 5 in het appartementencomplex heeft gehuurd van 29 september 2014 tot en met 2 oktober 2014. Zover ik weet heeft hij deze contant betaald.11

Blijkens de processen-verbaal van bevindingen inzake de afrekeningen van het verblijf in hotel [naam hotel 1] respectievelijk in [naam hotel 2] heeft een persoon genaamd [verdachte] een kamer in hotel [naam hotel 1] gehuurd van 6 oktober 2014 tot 7 oktober 2014 en van 9 oktober 2014 tot 15 oktober 2014 en een persoon ‘[verdachte]’ een kamer in [naam hotel 2] gehuurd op 4 oktober 2014.12

Verdachte heeft als volgt verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik wist dat [slachtoffer] prostitutiewerk ging doen en ik wist dat [slachtoffer] 16 jaar is. Ik heb kamers gehuurd. Het was haar eigen keuze om prostitutiewerk te gaan doen. Dat ik haar heb ingecheckt is misschien fout. Ik heb op haar gelet. Ik wilde haar niet alleen laten.13

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik wist wanneer er afspraken met klanten waren gemaakt. Ik heb vaker de centrale deur van het appartementencomplex voor klanten geopend, waarna ik ze de weg naar de kamer heb gewezen. Ik heb wel eens geld aangenomen van klanten.14

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen SMS verkeer werktelefoon [telefoonnummer] en klanten wordt in samenhang met de bevindingen van het observatieteam geconcludeerd dat [slachtoffer] op het moment dat zij op 14 oktober 2014 met klanten bezig was, geen gebruik heeft gemaakt van de werktelefoon met nummer [telefoonnummer]. De telefoon was wel actief op die momenten. Naar alle waarschijnlijkheid heeft verdachte de werktelefoon toen bediend.15

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het betreden van het appartementencomplex [adres] te Valkenburg is verdachte [verdachte] alleen aangetroffen op de badkamer van het appartement met nummer 5. In de wasbak op de badkamer lag een gsm, een witte Iphone 4.16

[getuige 8] heeft verklaard dat een jongen de telefoon aannam toen hij met het nummer [telefoonnummer] belde. Met die jongen werd besproken ‘wanneer en wat het kost’.17

Conclusie

De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen de feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen in dier voege dat verdachte de minderjarige [slachtoffer] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling, op de wijze als omschreven onder 4.4. Hierbij merkt de rechtbank tevens op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de werktelefoon mede door de verdachte werd bediend en dat hij met klanten contacten onderhield. Aan de verklaring van verdachte dat hij nimmer de werktelefoon bediende, wordt geen geloof gehecht.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte [slachtoffer] niet ertoe heeft gebracht om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Dit was namelijk volgens de raadsman haar vrijwillige keuze. De rechtbank volgt dit standpunt niet omdat het feit dat een minderjarige heeft ingestemd met het verrichten van prostitutiewerkzaamheden niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van dit onderdeel.

De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van hetgeen bij feit 1 onder het tweede gedachtestreepje aan hem ten laste is gelegd, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte zelf (erotische) foto’s van [slachtoffer] heeft gemaakt noch dat hij zelf de advertenties heeft aangemaakt en geplaatst.

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken moet worden. De wetgever heeft bedoeld artikel 248c van het Wetboek van Strafrecht van toepassing te laten zijn op iemand die opzettelijk aanwezig is geweest bij het plegen van ontuchtige handelingen door een minderjarige, dan wel op iemand die aanwezig is geweest bij het vertonen van afbeeldingen van dergelijke handelingen in een daarvoor bestemde gelegenheid. Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat het artikel slaat op het bijwonen van (en dus lijfelijk aanwezig zijn bij) een vertoning van een kinderpornofilm of een erotische show waarin kinderen optreden. De wetgever heeft bij het opstellen van dit artikel dan ook specifiek de klant voor ogen gehad. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. Immers verdachte was geen klant, noch is verdachte lijfelijk aanwezig geweest bij het plegen van ontuchtige handelingen door de minderjarige.

Feit 4

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beslissende invloed zou hebben gehad op de onttrekking aan het wettig gezag van [slachtoffer]. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat de handelingen en het verlaten van het ouderlijk huis een volledig eigen en zelfstandige beslissing is geweest van [slachtoffer]. Verdachte heeft niet op haar ingesproken, heeft haar niet overgehaald om weg te gaan en heeft haar niet beslissend beïnvloed om weg te blijven.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit voornoemde feiten onder 1 en 3 volgt dat:

- [slachtoffer] en verdachte al langer een (vriendschappelijke) relatie hadden,

- [slachtoffer] zich afhankelijk van hem voelde,

- verdachte wist dat [slachtoffer] zestien jaar (dus minderjarig) was,

- verdachte en [slachtoffer] voorbereidingen hebben getroffen om in de illegale prostitutie werkzaam te zijn,

- verdachte haar heeft gebracht naar hotels ([naam hotel 2] en Hotel [naam hotel 1]) in Valkenburg, alwaar zij beiden verbleven en waar [slachtoffer] prostitutiewerkzaamheden heeft verricht,

- verdachte de kamers huurde en in eerste instantie betaalde.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ten tijde van ons verblijf in de hotels wist ik dat [slachtoffer] van huis weggelopen was. Ik heb geen contact opgenomen met haar ouders.18

Onder “onttrekken” in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht valt niet alleen het dynamische moment van het wegvoeren, maar ook het doen verkeren van een minderjarige buiten het (wettige) gezag. Dat een minderjarige zelf het initiatief heeft genomen om weg te lopen, staat een bewezenverklaring dan niet in de weg (Vgl. LJN: BM3959, Hoge Raad, 14 september 2010, 08/04135).

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] een dochter is van [vader slachtoffer] (de vader) en [moeder slachtoffer] (de moeder).19

De rechtbank stelt verder vast dat de ouders volledig in het ongewisse zijn gebleven over de verblijfplaats van hun dochter daar zij bij de politie tot twee keer toe melding hebben gemaakt van vermissing. Verdachte heeft door zijn handelen in zodanige mate bijgedragen aan de scheiding van [slachtoffer] en haar ouders, dat zij daardoor buiten het gezag van haar ouders kwam te staan, en gezegd kan worden dat verdachte haar aan het wettig gezag heeft onttrokken in de zin van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht derhalve ook het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 28 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul en/of in de gemeente Heerlen, meermalen, een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]),

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer] ertoe aangezet om een aantal dagen per week en/of een aantal uren per dag als prostituee te werken en

- een kamer gehuurd in hotels in Valkenburg alwaar die [slachtoffer] haar prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en

- contacten onderhouden met potentiële klanten en onderhandeld over de prijs en de handelingen die die [slachtoffer] zou moeten verrichten en

- toezicht gehouden op, althans in de onmiddellijke nabijheid gebleven van die [slachtoffer] terwijl zij haar prostitutiewerkzaamheden verrichte;

3.

in de periode van 28 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, meermalen door een andere feitelijkheid, het plegen van ontucht door een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]) met een derde opzettelijk teweeg heeft gebracht en bevorderd,

immers heeft hij, verdachte

- een (liefdes)relatie met die [slachtoffer] aangegaan en onderhouden en

- die [slachtoffer] van hem, verdachte afhankelijk gemaakt en

- die [slachtoffer] ertoe aangezet en/of gebracht om een aantal dagen per week en/of een aantal uren per dag als prostituee te werken en

- een kamer gehuurd in een hotel in Valkenburg alwaar die [slachtoffer] haar

prostitutiewerkzaamheden kon verrichten en/of

- contacten onderhouden met potentiële klanten en onderhandeld over de prijs en de handelingen die die [slachtoffer] zou moeten verrichten en

- toezicht gehouden op die [slachtoffer] terwijl zij haar prostitutiewerkzaamheden verrichte;

4.

in de periode van 8 oktober 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte zonder medeweten van de vader van die [slachtoffer], te weten [vader slachtoffer], die [slachtoffer] meegenomen naar een hotelkamer in Valkenburg en aldaar met die [slachtoffer] verbleven en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en de invloedssfeer van die vader van [slachtoffer] gebracht en gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 en Feit 3:

De eendaadse samenloop van:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd;

en

door een andere feitelijkheid het plegen van ontucht door een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, met een derde opzettelijk teweegbrengen of bevorderen, meermalen gepleegd;

Feit 4:

onttrekking van een minderjarige aan het wettig over hem gesteld gezag

Nu de feiten onder 1 (273f Sr) en 3 (248f Sr) in eendaadse samenloop zijn gepleegd en op overtreding van artikel 273f Sr de zwaarste hoofdstraf is gesteld, zal de rechtbank, conform het bepaalde in artikel 55 Sr alleen de strafbepaling van artikel 273f Sr toepassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat met het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte, die destijds 21 jaar oud was, heeft het slachtoffer, nadat zij uit haar ouderlijk huis was weggelopen, zonder toestemming of medeweten van haar ouders, ondergebracht in een hotelkamer. Het slachtoffer bevond zich daardoor in een zeer kwetsbare situatie. Verdachte heeft het slachtoffer ertoe gebracht zich te laten prostitueren. De verklaring van verdachte dat hij enkel op het slachtoffer wilde letten, haar wilde beschermen en dat hij geen verkeerde bedoelingen had, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte [slachtoffer] ook dikwijls alleen met een klant in het hotel heeft achtergelaten, terwijl hij boodschappen ging halen of ging gokken.

In de hotelkamer heeft het slachtoffer met tientallen mannen tegen betaling seksuele handelingen verricht, die ook bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Het slachtoffer was op dat moment 16 jaar oud. Door zo te handelen is verdachte medeverantwoordelijk voor de inbreuk die gemaakt is op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hierin weegt de rechtbank zwaar mee dat uit het dossier blijkt dat verdachte prijsafspraken heeft gemaakt met klanten en - naar later is gebleken - tegen de wil van het slachtoffer aan potentiele klanten heeft voorgesteld dat zij ook beschikbaar zou zijn voor het verrichten van seksuele handelingen met meerdere personen tegelijkertijd en dat zij geen bezwaar zou hebben tegen seks zonder het gebruik van een condoom.

Minderjarigen bevinden zich in een gevoelige ontwikkelingsfase van hun leven en moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of in onvoldoende mate in staat te zijn zelf hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Zij genieten daarom op seksueel gebied bescherming tegen oudere, verder ontwikkelde personen. De wetgever heeft daarom het plegen van seksuele handelingen tegen betaling met personen beneden de 18 jaren en het plegen van seksuele handelingen met personen beneden de 16 jaar strafbaar gesteld, ook wanneer dit met wederzijdse instemming gebeurt.

Verdachte had zich moeten realiseren dat er sprake was van een illegale en bijzondere strafbare situatie waarin hij het slachtoffer heeft gebracht. Verdachte is ernstig tekortgeschoten door een compleet van hem afhankelijk en gemanipuleerd slachtoffer te laten misbruiken, waarbij hij er op geen enkel moment blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en daarvoor verantwoordelijkheid te nemen.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, door het slachtoffer mee te nemen, eraan heeft bijgedragen dat haar familie gedurende enkele dagen in grote angst en onzekerheid heeft geleefd. Het behoeft geen betoog dat het zeer verontrustend is als een minderjarige verdwenen is. Dat er nog tussen de ouders en het slachtoffer ge-appt is in die periode doet niets af aan de onrust en onzekerheid, die de verdwijning met zich meebrengt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 maart 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar wel veelvuldig in contact is geweest met politie en justitie. Verdachte heeft voor zijn jonge leeftijd een aanzienlijk strafblad opgebouwd en de rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zelfs tijdens een proeftijd (opgelegd door de politierechter op 3 oktober 2012) wederom ernstige strafbare feiten pleegt.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank in bijzonder gelet op de straffen die in andere strafzaken voor feiten als bewezenverklaard onder 1 worden opgelegd. De rechtbank gaat in beginsel uit van 12 maanden gevangenisstraf, waarbij er sprake is van één slachtoffer zonder gebruik van fysiek geweld. De rechtbank heeft rekening gehouden met een aantal strafverhogende factoren: de ernst van het feit dat reeds hiervoor door de rechtbank is uiteengezet, de blijkens de telefoongegevens hoeveelheid van (potentiële) klanten in een relatief korte periode en het gegeven dat niet is gebleken dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. Omdat verdachte bovendien op geen enkel moment heeft laten zien dat hij het kwalijke van zijn handelen inziet en geen idee heeft van hetgeen hij bij het slachtoffer en haar familie teweeg heeft gebracht, zal de rechtbank een aanzienlijk hogere gevangenisstraf opleggen. Daarbij dient mede in ogenschouw te worden genomen dat verdachte ook verantwoordelijk wordt gehouden voor de onttrekking aan het wettige gezag. De combinatie van al deze genoemde elementen betekent voor de rechtbank dat oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest een passende sanctie vormt.

De rechtbank vindt niet dat verdachte in aanmerking komt voor een voorwaardelijk gedeelte van de straf met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Eerder toezicht heeft hem immers ook niet weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Voorts heeft verdachte gedurende het gehele proces al laten weten niet te willen meewerken aan enig onderzoek naar zijn persoon, wat een vruchtbare samenwerking met de reclassering in de weg zal staan.

Het voorgaande brengt overigens met zich dat het ter zitting gedane verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

8 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 40.020,04 (€ 12.500,00 aan immateriële schade en € 27.520,04) ter zake van de feiten 1 en 3.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het (bij voorschot) gevorderde bedrag van € 12.500 aan immateriële schade gepast en de vordering daartoe toewijsbaar. Met betrekking tot de materiële schade komen volgens de officier van justitie de volgende posten voor vergoeding in aanmerking: verblijfkosten Zeeland, kosten zonder nut, studievertraging, verlies van arbeidsvermogen en kosten rechtsbijstand. De overige kostenposten staan in een te ver verwijderd verband van de strafbare feiten. De vordering is voor een totaalbedrag van

€ 34.599,71 toewijsbaar. Voorts dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van de ingewikkelde vordering een onevenredige belasting vormt voor het strafproces. Niet duidelijk is overigens of de gestelde immateriële en materiële schade in causaal verband staat met de hetgeen aan verdachte wordt verweten. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, met uitzondering van de kosten rechtsbijstand waaraan de raadsman zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt de vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade aldus dat deze is gebaseerd op een onrechtmatige daad die verdachte jegens het slachtoffer

[slachtoffer] heeft gepleegd. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat overweegt de rechtbank dat de Nederlandse wet een restrictief stelsel kent ten aanzien van het toekennen van een dergelijke vergoeding. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding van immateriële schade bestaat slechts voor zover de wet hierop een aanspraak geeft. Uit het eerste lid onder b van voormeld artikel volgt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding, indien de benadeelde (onder meer) in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de integriteit en de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], waardoor zij in haar persoon is aangetast. Zij is immers door verdachte bewogen om haar lichaam te verkopen. Hiervoor is niet nodig dat ook psychische schade is vastgesteld. Aldus staat genoegzaam vast dat aan de benadeelde partij door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte zal voorts ter zake van dit feit een straf worden opgelegd. De rechtbank stelt met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden immateriële schade vooralsnog naar billijkheid bij wijze van voorschot vast op € 2.500,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige in haar vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank is van oordeel, dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake de materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank bepaalt, gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat de benadeelde partij voor dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 132,00. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag, groot € 2.500,00, tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 55, 57, 248f, 273f en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 2;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor de feiten 1, 3 en 4 tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    wijst de vordering voor wat betreft de immateriële schade van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om bij wijze van voorschot tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 2.500,00;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van de overig gevorderde immateriële schade en ten aanzien van de gevorderde materiële schade;

  • -

    bepaalt dat zij het gedeelte van haar vordering dat niet-ontvankelijk is verklaard slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 132,00;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], van € 2.500,00, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

35 dagenhechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. W. de Loo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 juli 2015.

Buiten staat

Mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. W. de Loo zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 28 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg, meermalen althans eenmaal, (telkens)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]),

- ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- die [slachtoffer] ertoe aangezet en/of gebracht om een aantal dagen per week en/of een aantal uren per dag als prostituee te werken en/of

- een of meer (erotische) foto('s) van die [slachtoffer] gemaakt en/of gebruikt voor advertentie(s) en/of vervolgens voor die [slachtoffer] (een) advertentie(s) geplaatst op (een) (erotische) site(s) (onder de naam van [bijnaam]) en/of

- een kamer gehuurd in een of meer hotel(s) in Valkenburg alwaar die [slachtoffer] haar prostitutiewerkzaamheden kon/moest verrichten en/of

- contacten onderhouden met potentiële klanten en/of onderhandeld over de prijs en de handelingen die die [slachtoffer] zou moeten verrichten en/of

- toezicht gehouden op, althans in de onmiddellijke nabijheid gebleven van die [slachtoffer] terwijl zij haar prostitutiewerkzaamheden verrichte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg, meermalen althans eenmaal (telkens) opzettelijk aanwezig is geweest bij het plegen van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het verrichten van seksuele handelingen bij een of meer klanten en/of het dulden van het plegen van seksuele handelingen bij/door een persoon, te weten [slachtoffer], waarvan de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt;

3.

hij in of omstreeks de periode van 23 september 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg meermalen althans eenmaal (telkens), door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, het plegen van ontucht door een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]) met een derde opzettelijk heeft teweeggebracht en/of bevorderd,

immers is/heeft hij, verdachte

- een (liefdes)relatie met die [slachtoffer] aangegaan en/of onderhouden en/of

- die [slachtoffer] van hem, verdachte afhankelijk gemaakt en/of

- die [slachtoffer] ertoe aangezet en/of gebracht om een aantal dagen per week en/of een aantal uren per dag als prostituee te werken en/of

- een kamer gehuurd in een hotel in Valkenburg alwaar die [slachtoffer] haar

prostitutiewerkzaamheden kon/moest verrichten en/of

- contacten onderhouden met potentiële klanten en/of onderhandeld over de prijs en de handelingen die die [slachtoffer] zou moeten verrichten en/of

- die [slachtoffer] vervoerd en/of gebracht naar en/of opgehaald van haar prostitutiewerkplek en/of

- toezicht gehouden op die [slachtoffer] terwijl zij haar prostitutiewerkzaamheden verrichte;

4.

hij op (een of meer tijdstippen in) of omstreeks de periode van 8 oktober 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul en/of in de gemeente Heerlen, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk

een minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten [vader slachtoffer] (zijnde de vader van [slachtoffer])),

immers heeft verdachte

(in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van

de vader en/of de moeder van die [slachtoffer])

die [slachtoffer] meegenomen naar een hotelkamer in Valkenburg en aldaar met

die [slachtoffer] verbleven

(en aldus voornoemde minderjarige (telkens) buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die vader en/of die moeder van [slachtoffer] gebracht en/of gehouden).

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2014119064 d.d. 18 maart 2015 en het aanvullend proces-verbaal d.d. 18 mei 2015 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal informatief gesprek d.d. 14 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 102 in bijzonder de verificatie van haar personalia conform geldig Nederlandse i-d-kaart.

3 Een geschrift, zijnde aan afdruk van het profiel van de site [naam 1].nl, doorgenummerde dossierpagina 93.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 90.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 91-92.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 95 en 97.

7 Proces-verbaal van observatie d.d. 16 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina’s 98-100.

8 Proces-verbaal van de getuige [slachtoffer] d.d. 3 december 2014, doorgenummerde dossierpagina’s 115-120.

9 Proces-verbaal van de getuige [slachtoffer] d.d. 11 maart 2015, doorgenummerde dossierpagina’s 132.

10 Proces-verbaal van de getuige [getuige 6] d.d. 14 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 308.

11 Proces-verbaal van de getuige [getuige 7] d.d. 10 november 2014, doorgenummerde dossierpagina 325.

12 Processen-verbaal van bevindingen d.d. 28 oktober 2014 m.b.t. de afrekeningen verblijf hotel [naam hotel 1] respectievelijk [naam hotel 2], doorgenummerde dossierpagina’s 255-258 en 261-262.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 10 december 2014, doorgenummerde dossierpagina’s 476-477, 479-480.

14 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015.

15 Proces-verbaal van bevindingen SMS verkeer werktelefoon [telefoonnummer] en klanten d.d. 21 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina’s 230-237.

16 Proces-verbaal van bevindingen betreden [adres] Valkenburg d.d.15 oktober 2014, doorgenummerde dossierpagina 138.

17 Proces-verbaal van verhoor [getuige 8] d.d.17 februari 2015, doorgenummerde dossierpagina 925.

18 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015.

19 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [moeder slachtoffer], doorgenummerde dossierpagina 329 en proces-verbaal van verhoor van de getuige [vader slachtoffer], doorgenummerde dossierpagina 335.