Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5207

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2977u
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting

Procesbelang; uitgewerkt gedoogbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/2977

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2015 in de zaak tussen

[naam eisende partij], te Leveroy, eisers

(gemachtigde: mr. S. Oord),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 3e partij] VOF, te Leveroy

(gemachtigde: mr. T. Pothast).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [naam 3e partij] VOF (betrokkene) een gedoogbeschikking verleend.

Bij besluit van 19 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015. Van eisers is [naam persoon eisende partij] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.N. das Dores. Betrokkene is verschenen bij [naam persoon 3e partij], bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan betrokkene, naar aanleiding van diens verzoek om in afwijking van de regels van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (het Besluit) en de geldende milieuvergunning 26.000 leghennen te plaatsen in zijn inrichting aan de [locatie inrichting] te Leveroy, een gedoogbeschikking verleend voor de duur van één legronde van maximaal 15 maanden, ingaande medio januari 2014. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de uitbreiding van het aantal dieren (9.000) ten opzichte van de vergunning van 24 maart 2005 en tegen het door verweerder gebruikte argument dat er geen overlast en hinder door het bedrijf zou worden veroorzaakt.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich, in navolging van de commissie voor bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat omdat de geldende normen voor geur, fijnstof en geluid bij het houden van 26.000 leghennen niet worden overschreden, de belangen van betrokkene, wegens bijzondere omstandigheden, in alle redelijkheid zwaarder zijn dan het belang van handhaving van de vigerende milieuvergunning.

3. In beroep voeren eisers aan dat zij zich niet zo zeer verzetten tegen het gedogen van de situatie dat er nog niet wordt voldaan aan het Besluit en het Actieplan, als wel tegen het gedogen van het uitbreiden van het aantal dieren met 9.000 leghennen. Eisers betogen dat de in het (gemeentelijke) Integraal Handhavingsbeleid 2011-2014 beschreven situaties niet zien op het houden van meer dieren en dat de door de eierhandelaar overgelegde verklaring rechtens niet dient te leiden tot het gedogen van 9.000 meer leghennen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor beantwoording van de vraag of eisers nog een procesbelang hebben bij het op vernietiging van het bestreden besluit gerichte beroep. Van voldoende procesbelang is sprake indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan voorts bestaan, indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daarvoor is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.

5. Het gedoogbesluit is sedert medio april 2015 uitgewerkt en werkt niet door in de toekomst, zodat eisers geen actueel en concreet belang meer hebben bij het op vernietiging van het bestreden besluit gerichte beroep. Eisers kunnen immers met dit beroep niet meer bereiken dan hetgeen door de expiratie van het gedoogbesluit reeds is bereikt. Ter zitting hebben verweerder en betrokkene aangegeven dat er geen sprake is van een nieuwe gedoogsituatie en dat een nieuwe aanvraag om te gedogen evenmin is te verwachten. De stallen staan sedert eind maart 2015 leeg en betrokkene beraadt zich op nieuwe activiteiten, in beginsel binnen de vergunning van 24 maart 2005.

Ook de stelling van eisers dat betrokkene zich niet zou hebben gehouden aan de voorschriften, ziet niet op de rechtmatigheid van het gedoogbesluit, maar op handhaving (in dit geval in het verleden) en kan dan ook niet in deze procedure aan de orde komen of wijzen op een actueel en reëel procesbelang bij het aanvechten van het bestreden besluit. Voor zover eisers betogen dat zij telkens achter de feiten aan lopen en om die reden een rechterlijk oordeel wensen, oordeelt de rechtbank dat daarmee weliswaar een principieel maar geen reëel en actueel belang bij een rechterlijk oordeel over het bestreden besluit is geschetst.

Voor zover eisers ter zitting hebben betoogd eventueel in de toekomst de schade civielrechtelijk te (willen) verhalen, is evenmin sprake van een actueel en concreet belang bij het op vernietiging van het bestreden besluit gerichte beroep.

6. Voor zover eisers hebben gesteld dat zij schade hebben geleden ten gevolge van het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat eisers met een loutere stelling schade te hebben geleden het bestaan van die beweerdelijke schade als rechtstreeks gevolg van het aangevochten gedoogbesluit niet tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt. Ten aanzien van de door eisers genoemde gezondheidsklachten, met name longklachten, oordeelt de rechtbank dat zelfs niet is gesteld dat die klachten een rechtstreeks gevolg zijn van het gedogen van 9.000 meer leghennen gedurende vijftien maanden. Andere schade is evenmin, zelfs niet tot op zekere hoogte, aannemelijk gemaakt.

7. Het beroep is wegens het vervallen van procesbelang niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden (voorzitter), en mr. T.M. Schelfhout en mr.R.M.M. Kleijkers, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2015.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier

w.g. Seerden,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 juni 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.