Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:5127

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
C-03-206149 - KG ZA 15-237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst van 13 december 2006 ten aanzien van onroerende zaken. Verkoper vordert veroordeling tot meewerken aan feitelijk en juridische levering. Spoedeisend belang. Verjaring. Uitleg overeenkomst. Partijbedoeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/206149 / KG ZA 15-237

Vonnis in kort geding van 18 juni 2015

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonend [adres 1],

[woonplaats 1],

en de echtelieden:

2. [eiser 2],

en

3. [eiseres],

beiden wonend [adres 2]

[woonplaats 1],

eisers,

advocaat mr. M.C.G. Nijssen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-BUSS, BIENS IMMOBILIERS B.V.,

gevestigd te Sittard (gemeente Sittard-Geleen),

2. vennootschap onder firma

[naam 1] VASTGOED V.O.F.,

statutair gevestigd te Gulpen (gemeente Gulpen-Wittem),

3. [gedaagde sub 3],

wonend [adres 3],

[woonplaats 2],

4. [gedaagde sub 4],

wonend [adres 3],

[woonplaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. Houtakkers.

Partijen zullen hierna ook [eisers] c.s. en Q-Buss c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de op voorhand door Q-Buss c.s. ingezonden producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota’s van [eisers] c.s.

  • -

    de pleitnota’s van Q-Buss c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiser sub 1. is eigenaar van het perceel grond aan de [adres 1] te [plaats], kadastraal bekend [plaats], sectie [kadasternummer 1].

2.2.

Eisers sub 2. en 3. zijn eigenaars van het daarnaast gelegen perceel grond aan de [adres 2] te [plaats], kadastraal bekend [plaats] Sectie [kadasternummer 2].

2.3.

Op 13 december 2006 hebben partijen (gedaagden sub 3. en 4. in hun hoedanigheid van vennoten van gedaagde sub 2.) een overeenkomst ondertekend waarin zij verklaren te zijn overeengekomen dat eisers voornoemde percelen (zoals op de bijgevoegde kadastrale tekening is aangegeven) verkopen aan gedaagde sub 1. en sub 2. en dat gedaagde sub 1. en 2. die percelen in koop aannemen. Partijen zijn een koopprijs van € 576.000,00 (exclusief overdrachtsbelasting en notariskosten) overeengekomen.

2.4.

Artikel 2 van voornoemde overeenkomst luidt als volgt:

“2.1 De voor de overdracht vereiste akte van levering zal worden verleden ten overstaan van de notaris, of diens zaakwaarnemer, verbonden aan Notariskantoor America te Wittem, hierna te noemen: “de notaris, binnen 24 maanden na ondertekening van deze overeenkomst, of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen in het kader van naleving van art. 2.2.

2.2

Partij A stemt op voorhand in met overdracht en levering aan een door Partij B nader te noemen derde, hierna te noemen “verkrijger” waardoor de juridische levering rechtstreeks van Partij A naar deze verkrijger plaats vindt.”

De rechtbank merkt in dit verband op dat eisers “Partij A” zijn en gedaagden sub 1. en 2. “Partij B”.

2.5.

Bij brief van 22 december 2008 delen eisers gedaagden sub 1. en 2. mede dat zij niet binnen de in art. 2.1 gestelde termijn hebben afgenomen, waardoor zij van rechtswege in verzuim zijn. Eisers sommeren gedaagden sub 1. en 2. de overeenkomst ten uitvoer te leggen, “inhoudende de koop van de onroerende zaak zoals hierboven vermeld en betaling van de koopsom ad € 570.000,00 binnen acht dagen na deze betekening. De akte zal worden verleden voor notaris America te Wittem.”

2.6.

Op 9 januari 2009 en 10 juli 2009 zijn van de zijde van eisers confraternele brieven naar gedaagden sub 1. en 2. gezonden.

2.7.

Bij aangetekende brieven van 4 juli 2014 delen eisers aan gedaagden sub 1. en 2. mede dat zij uitdrukkelijk aanspraak maken op nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst van 13 december 2006 en dat de brief als stuitingshandeling bedoeld is.

2.8.

Bij confraternele brief van 10 november 2014 hebben eisers gedaagden sub 1. en 2. in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 21 november 2014 schriftelijk mede te delen of zij bereid en in staat zijn de gekochte percelen voor 30 november 2014 af te nemen en de overeengekomen koopsom te voldoen.

2.9.

Tot op heden zijn de in de koopovereenkomst vermelde onroerende zaken niet aan gedaagden sub 1. en 2. geleverd.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vorderen Q Buss c.s. hoofdelijk te veroordelen:

  1. om te verschijnen op een door de voorzieningenrechter te bepalen datum (bij voorkeur voor 1 juli 2015) ten overstaan van mr. G.G.M. America te Wittem (of diens plaatsvervanger) teneinde medewerking te verlenen aan de feitelijke en juridische levering van de onroerende zaken tegen betaling van de in de koopovereenkomst van 13 december 2006 overeengekomen koopsom;

  2. in de proceskosten.

3.2.

Q Buss c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verst strekkende verweer van Q Buss c.s. behelst dat [eisers] c.s. geen spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening. Dit verweer slaagt op grond van de volgende overwegingen. [eisers] c.s. stellen zich op het standpunt dat Q Buss c.s. ingevolge de overeenkomst van 13 december 2006 reeds uiterlijk op 13 december 2008 hadden moeten meewerken aan levering van de op grond van die overeenkomst verkochte onroerende zaken. [eisers] c.s. stellen dat zij de vrije beschikking willen hebben over de tot hun vermogens behorende onroerende zaken. Dat is op zichzelf genomen een rechtens te respecteren belang, maar in het licht van de inmiddels sedert 13 december 2008 verstreken tijd valt niet in te zien waarom zij thans een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening. [eisers] c.s. pogen dat spoedeisend belang te onderbouwen met de

stelling dat er een risico bestaat dat de provincie en/of de gemeente voornemens zullen zijn bouwvergunningen die niet in uitvoering zijn in te trekken. Zij wijzen in dat verband op de vergrijzing in de regio en het overschot aan verstrekte bouwvergunningen als gevolg daarvan. Dit betoog is ten aanzien van de onroerende zaken waar het in dit geding om gaat dermate speculatief dat daarmee geen spoedeisend belang aannemelijk geworden is.

[naam 2] heeft ter zitting nog aangevoerd dat er binnen de gemeente Valkenburg aan de Geul binnen twee jaar bouwvergunningen ingetrokken zullen gaan worden, maar dat ook de bouwvergunningen die betrekking hebben op de aan gedaagden sub 1. en 2. verkochte onroerende zaken daartoe behoren, is door hem niet gesteld. Op grond van deze overwegingen zal de vordering van [eisers] c.s. afgewezen dienen te worden.

4.2.

Ten overvloede is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nog daargelaten dat het spoedeisend belang van [eisers] c.s. niet aannemelijk geworden is, de vordering ook op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar is. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

Dat de vordering van [eisers] c.s. verjaard is, zoals Q Buss c.s. stellen, is in deze procedure niet gebleken. Bepalend daarbij is of de confraternele brief van 10 juli 2009 stuitende werking heeft gehad. Die brief is niet in het geding gebracht. Volgens Q Buss c.s. hebben [eisers] c.s. in de brief verwezen naar een voorstel van 26 februari 2009 waarin Q Buss c.s. voor de keuze werden gesteld om of een (onbekend gebleven) aanbod te accepteren, of om over te gaan tot “directe afname”. In de brief van 10 juli 2009 is die keuzemogelijkheid herhaald en is Q Buss c.s. tot 14 juli 2009 de gelegenheid geboden om dat voorstel te accepteren, bij gebreke waarvan zij in rechte betrokken zullen worden, waarbij [eisers] c.s. hebben verwezen naar het voorstel van 26 februari 2006 en de verplichting tot directe afname. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eisers] c.s., anders dan Q Buss c.s. stelt, ondubbelzinnig hun recht op nakoming voorbehouden. Op het moment dat gedaagden sub 1. en 2. bij brief van 4 juli 2014 worden gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst, zijn nog geen vijf jaren verstreken sedert de brief van 10 juli 2009, zodat het verjaringsverweer van Q Buss c.s. faalt.

4.4.

Op grond van hetgeen ter zitting is betoogd alsmede op grond van de tekst van de overgelegde koopovereenkomst is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat partijen weliswaar levering binnen 24 maanden zijn overeengekomen, maar dat niet aannemelijk geworden is dat zij levering aan gedaagden sub 1. en 2. overeengekomen zijn. Volgens de overeenkomst dient levering immers te geschieden aan een door gedaagden sub 1. en 2. nader te noemen “verkrijger”. Partijen hebben volgens Q Buss c.s. bewust voor die constructie gekozen om zodoende te voorkomen dat gedaagden sub 1. en 2. de eigendom van de onroerende zaken zouden verkrijgen. Achterliggende gedachte van partijen bij die constructie is volgens Q Buss c.s. geweest dat daardoor geen omzetbelasting verschuldigd is waardoor voor [eisers] c.s. een hogere opbrengst gerealiseerd kan worden. [eisers] c.s. hebben dit relaas van Q Buss c.s. niet betwist. Gelet op de tekst van de artikelen 2.1 en 2.2 van de overeenkomst, in onderlinge samenhang gelezen, en de bedoeling die partijen blijkens het (onbetwiste) betoog van Q Buss c.s. met die bepalingen hebben gehad, is derhalve niet aannemelijk geworden dat partijen levering aan gedaagde sub 1. en sub 2. zijn overeengekomen. Dat in een eventuele bodemprocedure een (soortgelijke) vordering van [eisers] c.s., gebaseerd op de stelling dat partijen dit wel overeengekomen zijn, zal worden toegewezen, is derhalve twijfelachtig. In ieder geval is zo onzeker dat [eisers] c.s. in een dergelijke procedure het gelijk aan hun kant krijgen dat (nog daargelaten dat [eisers] c.s. hun spoedeisend belang niet aannemelijk hebben gemaakt) daar thans niet op vooruitgelopen kan worden.

4.5.

Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [eisers] c.s. worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Q Buss c.s. begroot op:

- griffierecht € 613,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

4.6.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Q Buss c.s. tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

veroordeelt [eisers] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.1

1 type: coll: