Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4800

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
3023087 CV EXPL 14-5133
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgend werkgeverschap na faillissement? Bodemzaak. Met toepassing van de voorwaarden die de Hoge Raad op 11 mei 2012 in het Van Tuinen-arrest heeft gegeven wordt die vraag door de kantonrechter bevestigend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1043
INS-Updates.nl 2015-0078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3023087 CV EXPL 14-5133

MD

Vonnis van de kantonrechter van 3 juni 2015

in de zaak van:

1 [eiseres sub 1],

wonend [adres 1],

[woonplaats 1],

eisende partij sub 1,

2 [eiseres sub 2],

wonend [adres 2],

[woonplaats 2],

eisende partij sub 2,

3 [eiseres sub 3],

wonend [adres 3],

[woonplaats 3],

eisende partij sub 3,

4 [eiser sub 4],

wonend [adres 4],

[woonplaats 4],

eisende partij sub 4,

5 [eiser sub 5],

wonend [adres 5],

[woonplaats 5],

eisende partij sub 5,

6 [eiser sub 6],

wonend [adres 6],

[woonplaats 6],

eisende partij sub 6.

gemachtigde van eisende partijen mr. A.W. van Duijnhoven,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg

Ondersteuning B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde partij sub 1,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

groen ozl B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde partij sub 2,

gemachtigden van gedaagde partijen mr. I. Swennen en mr. J.J.M.C. Huppertz.

Partijen zullen hierna gezamenlijk eisers en gedaagden worden genoemd. Indien op een afzonderlijke procespartij wordt gedoeld, zal die partij als zodanig worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 oktober 2014 waarin onder meer een comparitie van partijen is gelast;

- de aanvullende producties van de zijde van eisers ten behoeve van de comparitie van partijen, met inbegrip van de aanvullende productie die alleen namens [eiser sub 6] is ingediend;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 3 december 2014;

- de pleitnotitie met één productie zijdens eisers;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties;

- de akte waarin eisers hebben gereageerd op de bij dupliek door gedaagden overgelegde producties. De bij gelegenheid van die akte door [eiser sub 6] overgelegde producties zijn niet bij de beoordeling van dit geschil meegenomen, aangezien deze producties in een te laat stadium van de procedure zijn ingediend en Groen OZL daarop niet meer heeft kunnen reageren.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken en voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende vast.

2.2.

Eisers zijn op enig moment bij (rechtsvoorgangsters van) de naamloze vennootschap Licom N.V. (hierna: Licom) in dienst getreden. Vervolgens zijn eisers krachtens arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd bij Licom in dienst getreden, onder toepasselijkheid van de CAO Licom.

2.3.

Licom is in 1996 opgericht door elf in de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg, hierna te noemen GR-WOZL, deelnemende gemeenten binnen Parkstad en Heuvelland. Ook GR-WOZL is door deze elf gemeenten opgericht. Kort gezegd voert GR-WOZL namens deze gemeenten de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: wsw) uit. Kerntaak van GR-WOZL was het omzetten van onder meer subsidiegeld in werkgelegenheid voor wsw-ers via opdrachtverlening aan uitvoeringsorganisaties. De wsw-er heeft een formele arbeidsovereenkomst met GR-WOZL, maar het materiële werkgeverschap ligt bij een uitvoeringsorganisatie. GR-WOZL fungeerde als wsw-beheerorganisatie. Licom was één van die uitvoeringsorganisaties. Bij Licom waren laatstelijk 187 personen zonder wsw-indicatie werkzaam die de uitvoering van de wsw verzorgden. Dit betreft de zogenoemde cao-ers, waartoe ook eisers behoorden.

2.4.

Op 19 oktober 2012 is Licom in staat van faillissement verklaard.

2.5.

GR-WOZL heeft vervolgens met de curatoren in het faillissement van Licom (mr. F.W. Udo en mr. H.E.C. [naam werknemer Licom 2]) onderhandeld. Die onderhandelingen hebben er uiteindelijk toe geleid dat GR-WOZL een groot deel van de activiteiten van Licom overnam. Daartoe is op 23 oktober 2012 een koopovereenkomst gesloten tussen de curatoren van Licom enerzijds en de besloten vennootschap in oprichting WOZL 1 (de koper) en (GR-) WOZL anderzijds. In die koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

B. De CAO’ers:

1. Koper biedt aan 115 zogenaamde CAO’ers (zijnde de werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht binnen Licom (en haar deelnemingen) werkzaam zijn) een baan aan voor één jaar, tegen nagenoeg dezelfde arbeidsvoorwaarden als thans het geval is, ook indien een dergelijke werknemer onder een CAO werkzaam zal worden. Bij gebleken geschiktheid zal Koper dergelijke CAO’ers een overeenkomst voor onbepaalde tijd aanbieden. Koper zal zich naar beste vermogen inspannen om 115 arbeidsovereenkomsten te sluiten. Koper draagt het risico voor het geval de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd na ommekomst niet van rechtswege eindigen. Indien het initieel aanbod door minder dan de 115 initieel beoogde CAO’ers wordt aanvaard, zal Koper zich serieus inspannen om het mindere te rekruteren uit de groep die geen deel uitmaakte van de initiële groep, alles met het doel om tot arbeidsovereenkomsten te geraken met 115 CAO’ers.

2. De arbeidsovereenkomsten met de CAO’ers gaan in met terugwerkende kracht op

19 oktober 2012 te 0.00 uur.

3. De curator geeft geen garantie op het feit dat werknemers ook daadwerkelijk bij Koper in dienst willen treden. Indien dan ook niet die werknemers die Koper op het oog heeft bij hem in dienst treden, leidt zulks niet tot aanpassing van de Koopprijs.

4. Deze aanbiedingen zullen ten laatste worden gedaan op vrijdag 26 oktober 2012.

(…)”.

2.6.

Ten gevolge van het faillissement van Licom kwamen de uitvoeringswerkzaamheden ten behoeve van de wsw’ers bij GR-WOZL te liggen: WOZL transformeerde van een wsw-beheerorganisatie naar – tevens - een wsw-uitvoeringsorganisatie. De activiteiten van Licom werden in tien afzonderlijke besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid ondergebracht. GR-WOZL is enig bestuurder en aandeelhouder van deze besloten vennootschappen. WOZL en Groen OZL zijn twee van deze besloten vennootschappen.

2.7.

Bij brief van 23 oktober 2012 is door onder meer GR-WOZL aan eisers afzonderlijk bericht:

“Geachte …. (kantonrechter: namen van eisers),

Naar aanleiding van het faillissement van uw werkgever, LICOM NV, kunnen wij u meedelen dat het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid Limburg (hierna: WOZL) een overeenkomst heeft gesloten met de curatoren (kantonrechter: de in rechtsoverweging 2.5. van dit vonnis vermelde koopovereenkomst). In deze overeenkomst is afgesproken dat WOZL een aantal activiteiten overneemt. Om de continuïteit van deze activiteiten zo goed als mogelijk te waarborgen is er tevens afgesproken dat WOZL 115 voormalig cao-medewerkers van LICOM NV een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zal aanbieden.

Wij delen u mede dat u tot deze groep behoort en wij doen u hierbij het navolgende aanbod:

  • -

    U krijgt een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangeboden voor de duur van 1 jaar.

  • -

    De arbeidsovereenkomst gaat met terugwerkende kracht in per 19 oktober 2012 en eindigt van rechtswege, zonder dat daartoe opzegging is vereist, per 18 oktober 2013.

  • -

    Bij gebleken geschiktheid en indien dit bedrijfseconomisch mogelijk is, zal na ommekomst van het jaar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden aangeboden.

  • -

    Op deze overeenkomst is het Nederlandse recht van toepassing.

  • -

    U wordt benoemd in de functie van …

  • -

    In deze functie bent u werkzaam bij … B.V.

  • -

    (…)

  • -

    Uw bruto maandsalaris bedraagt ... (exclusief recht op een vakantietoeslag van 8% van het op jaarbasis berekende bruto salaris en exclusief recht op een eindejaarsuitkering).

  • -

    (…)

  • -

    Er wordt bij het toepassen van de arbeidsvoorwaarden zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de zogenaamde CAR-UWO van de gemeente Heerlen (“Collectieve Arbeidsvoorwaarden- regeling Uitwerkingsovereenkomst”, in de volksmond “cao voor gemeenteambtenaren”) door middel van analoge toepassing van deze regeling. Dit betekent dat wij de CAR-UWO van de gemeente Heerlen volgen, maar dat u geen ambtelijke aanstelling krijgt.

  • -

    (…)

(…)”.

2.7.1.

In het geval van [eiseres sub 1] staat in voormelde aanbiedingsbrief van GR-WOZL van 23 oktober 2012 vermeld dat zij wordt benoemd in de functie van medewerker P-administratie en werkzaam is bij Detachering OZL B.V., zulks tegen een bruto maandloon van € 1.310,00.

2.7.2.

In het geval van [eiseres sub 2] staat in voormelde aanbiedingsbrief van GR-WOZL van 23 oktober 2012 vermeld dat zij wordt benoemd in de functie van medewerker P-administratie en werkzaam is bij WOZL Ondersteuning B.V., zulks tegen een bruto maandloon van € 1.467,00.

2.7.3.

In het geval van [eiseres sub 3] staat in voormelde aanbiedingsbrief van GR-WOZL van
23 oktober 2012 vermeld dat zij wordt benoemd in de functie van medewerker
P-administratie en werkzaam is bij WOZL Ondersteuning B.V., zulks tegen een bruto maandloon van € 1.760,40.

2.7.4.

In het geval van [eiser sub 4] staat in voormelde aanbiedingsbrief van GR-WOZL van
23 oktober 2012 vermeld dat hij wordt benoemd in de functie van medewerker I&A en werkzaam is bij WOZL Ondersteuning B.V., zulks tegen een bruto maandloon van
€ 2.608,00.

2.7.5.

In het geval van [eiser sub 5] staat in voormelde aanbiedingsbrief van GR-WOZL van 23 oktober 2012 vermeld dat hij wordt benoemd in de functie van medewerker beleid PenO en werkzaam is bij WOZL Ondersteuning B.V., zulks tegen een bruto maandloon van
€ 4.144,00.

2.7.6.

In het geval van [eiser sub 6] staat in voormelde aanbiedingsbrief van GR-WOZL van
23 oktober 2012 vermeld dat hij wordt benoemd in de functie van werkleider en werkzaam is bij Groen OZL B.V., zulks tegen een bruto maandloon van € 3.315,00.

2.8.

Eisers hebben dit aanbod van GR-WOZL aanvaard.

2.8.1.

De afspraken tussen [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] enerzijds en WOZL anderzijds zijn vastgelegd in vijf afzonderlijke arbeidsovereenkomsten. Tussen partijen is niet in geschil dat in het geval van [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3] en [eiser sub 5] de in de aanbiedingsbrief vermelde functie en bruto maandloon overeenstemmen met hetgeen daarover in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Anders dan in de aanbiedingsbrief is vermeld, staat vast dat [eiseres sub 1] bij WOZL (en dus niet Detachering OZL) in dienst is getreden. Ook [eiseres sub 2], [eiseres sub 3] en [eiser sub 5] zijn bij WOZL in dienst getreden.

2.8.2.

Blijkens de door [eiser sub 4] overgelegde arbeidsovereenkomst – waarvan de inhoud niet door WOZL is betwist – is hij met ingang van 19 oktober 2012 bij WOZL in dienst getreden als medewerker I&A. Anders dan in de aanbiedingsbrief staat vermeld, bedraagt zijn maandloon volgens deze arbeidsovereenkomst € 2.947,00 bruto.

2.8.3.

In de preambule van de arbeidsovereenkomst van [eiser sub 6] is opgenomen:

- “(…);

- in afwachting van de aansluiting van Groen OZL BV B.V. bij Stichting Pensioenfonds ABP zal werknemer in algemene dienst treden van werkgever (“WOZL”), waarbij werknemer reeds nu instemt met uitdiensttreding van WOZL en indiensttreding bij Groen OZL BV op de datum dat de aansluiting bij ABP zal zijn geschied. Groen OZL BV zal vanaf dat moment hebben te gelden als werkgever in de zin van deze arbeidsovereenkomst”.

Tussen partijen is niet in geschil dat Groen OZL als werkgever van [eiser sub 6] heeft te gelden. Ook blijkens de arbeidsovereenkomst is de functie van [eiser sub 6] werkleider en bedraagt zijn loon € 3.315,00 bruto per maand.

2.9.

Bij brief van 5 februari 2013 heeft GR-WOZL aan eisers afzonderlijk bericht:

“In aanvulling op en ter verduidelijking van uw arbeidsovereenkomst zal – zoals ook in het door WOZL gedane en door u geaccepteerde aanbod is verwoord – bij gebleken geschiktheid na ommekomst van het jaar waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan een arbeidsovereenkomst voor de duur van onbepaalde tijd worden aangeboden.

(…)”.

2.10.

Bij brief van 16 juli 2013 is door GR-WOZL aan [eiser sub 6] bericht:

“Geachte heer [eiser sub 6],

De afgelopen maanden bereiken ons verschillende signalen dat er binnen de TOM afdeling van Groen OZL BV werkzaamheden en activiteiten plaatsvinden die niet aansluiten op en passen bij onze bedrijfsactiviteiten.

Wij verwachten van u als leidinggevende een proactieve interventie en corrigerende en preventieve maatregelen waardoor deze misstanden niet meer (kunnen) voorkomen.

U bent hier persoonlijk over aangesproken waarbij u heeft aangegeven moeite te hebben met het aansturen van de voormannen en niet in staat te zijn hier adequaat op te reageren.

Gezien het vorenstaande is WOZL tot de overtuiging gekomen dat er in uw geval geen sprake is van gebleken geschiktheid, waardoor uw dienstverband voor bepaalde tijd, en dat van rechtswege eindigt op 18 oktober 2013, niet zal worden verlengd.

Met ingang van heden bent u vrijgesteld van werk met behoud van salaris tot einde dienstverband. U dient beschikbaar te blijven voor overdracht van werk en het desgevraagd aan Directie verstrekken van informatie.

(…)”.

2.11.

Bij brief van op of omstreeks 13 augustus 2013 is door WOZL afzonderlijk aan [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] bericht:

“Geachte …,

Naar aanleiding van het gesprek van heden bevestigen wij u, dat wij uw tijdelijk dienstverband, dat is ingegaan op 19 oktober 2012 en van rechtswege eindigt op 18 oktober 2013, niet zullen verlengen. Uw dienstverband eindigt derhalve op 18 oktober 2013.

Het bovenstaande is heden met u besproken door de directie en de ondersteunende personeelsconsulent.

Na het gesprek bent u met onmiddellijk ingang met behoud van salaris vrijgesteld van de verplichting uw werkzaamheden te verrichten tot einde dienstverband. U dient gedurende deze vrijstellingsperiode op afroep beschikbaar te blijven voor WOZL.

(…)”.

2.12.

Vanaf 19 oktober 2013 hebben gedaagden geen loon meer aan eisers betaald.

2.13.

Bij brief van 11 september 2013 hebben – onder meer – eisers, zo verstaat de kantonrechter deze brief, de nietigheid althans vernietigbaarheid van de opzegging ingeroepen.

2.14.

Eisers hebben een eindafrekening ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergeven feiten, om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair:

1. voor recht te verklaren dat er wegens opvolgend werkgeverschap geen einde is gekomen aan de dienstverbanden tussen eisers en gedaagden;

2. ‘ WOZL’ te veroordelen eisers binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis toe te laten tot haar bedrijven en eisers daar in de gelegenheid te stellen hun bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een voor iedere eiser te verbeuren dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat ‘WOZL’ daarmee in gebreke blijft;

3. ‘ WOZL’ te veroordelen aan eisers te betalen het achterstallige loon vanaf 19 oktober 2013 tot op heden, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, waaronder de af te dragen pensioenpremies en met de maximale wettelijke verhoging, alsmede de wettelijke rente over de lonen van eisers inclusief de wettelijke verhoging.

II. Subsidiair:

1. WOZL’ te veroordelen om aan eisers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden op basis van de met het schrijven van 5 februari 2013 gedane toezegging;

2. ‘ WOZL’ te veroordelen eisers binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis toe te laten tot haar bedrijven en eisers daar in de gelegenheid te stellen hun bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een voor iedere eiser te verbeuren dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat ‘WOZL’ daarmee in gebreke blijft;

3. ‘ WOZL’ te veroordelen aan eisers te betalen het achterstallige loon vanaf 19 oktober 2013 tot op heden, te vermeerderen met de vakantiebijslag en overige emolumenten, waaronder de af te dragen pensioenpremies en met de maximale wettelijke verhoging, alsmede de wettelijke rente over de lonen van eisers inclusief de wettelijke verhoging.

III. Meer subsidiair:

1. in het geval wordt geoordeeld dat geen sprake meer is van een dienstverband tussen eisers en ‘WOZL’, dan wel tewerkstelling feitelijk niet meer mogelijk is, ‘WOZL’ te veroordelen om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis aan iedere eiser(es) afzonderlijk een schadevergoeding te betalen ter hoogte van:

- € 120.541,00 bruto in het geval van [eiseres sub 1];

- € 105.664,90 bruto in het geval van [eiseres sub 2];

- € 92.260,52 bruto in het geval van [eiseres sub 3];

- € 118.002,72 bruto in het geval van [eiser sub 4];

- € 204.186,00 bruto in het geval van [eiser sub 5];

- € 149.960,50 bruto in het geval van [eiser sub 6];

althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen vergoeding.

IV. Zowel primair, subsidiair en meer subsidiair ‘WOZL’ te veroordelen:

1. om aan iedere eiser(es) afzonderlijk te betalen het in mindering gebrachte deel aan pensioenpremie op de eindafrekening, te voldoen binnen zeven dagen na heden, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over al de gevorderde bedragen;

2. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 726,00 inclusief btw, althans een door de kantonrechter vast te stellen bedrag;

3. in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten gemachtigde.

3.2.

Ter onderbouwing van hun primaire vorderingen voeren eisers aan – onder verwijzing naar het in het tussenvonnis van 22 oktober 2014 reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2012 (LJN BV9603, JAR 2012/150, Van Tuinen / Taxicentrale L. Wolters, hierna wederom aan te duiden als “Van Tuinen-arrest”) en het bepaalde in artikel 7:668a BW – dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap. Dit brengt volgens eisers mee dat de arbeidsovereenkomsten die zij op 19 oktober 2012 met WOZL dan wel Groen OZL zijn aangegaan, als voor onbepaalde tijd aangegaan hebben te gelden.

3.2.1.

Ter onderbouwing van hun subsidiaire vorderingen verwijzen eisers naar de brief van WOZL van 5 februari 2013. In die brief is door WOZL toegezegd dat eisers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zouden krijgen bij gebleken geschiktheid. Eisers hebben altijd naar behoren gefunctioneerd, zodat WOZL dan wel Groen OZL aan hun per
19 oktober 2013 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had behoren aan te bieden.

3.2.2.

Meer subsidiair maken eisers aanspraak op een schadevergoeding. Zij hebben in dit verband betoogd dat aansluiting moet worden gezocht bij de schadevergoeding die wordt toegekend in het geval van een kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.2.3.

Zowel primair, subsidiair en meer subsidiair maken eisers aanspraak op het in de (definitieve) eindafrekening in mindering gebrachte werknemersdeel aan pensioenpremie. Daarmee zijn eisers in een nadeligere positie komen te verkeren dan bij het opnemen van vakantiedagen tijdens het dienstverband. Onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1990 (NJ 1990, 499) hebben eisers gesteld dat dit niet is toegestaan. Bij aanvang van deze procedure is nog niet geheel duidelijk om welke bedragen het gaat, aldus eisers.

De grondslagen van de overige vorderingen (die eisers zowel primair, subsidiair en meer subsidiair jegens ‘WOZL’ hebben ingesteld) vloeien reeds uit die vorderingen zelf voort, zodat die hier geen nadere toelichting behoeven.

3.3.

Gedaagden hebben verweer gevoerd. Daartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord met producties, de toelichting ter comparitie en de conclusie van dupliek met producties.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Dagvaarden verkeerde rechtspersoon door [eiser sub 6]

4.1.

Op blad 6 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 3 december 2014 is opgenomen dat het verweer dat [eiser sub 6] de verkeerde rechtspersoon heeft gedagvaard, niet langer is gehandhaafd. Evenals in het proces-verbaal van de comparitie, is om die reden in de kop van dit vonnis gedaagde partij sub 2 aangeduid als Groen OZL (de juiste rechtspersoon).

Anticiperen op Wet werk en zekerheid (Wwz)

4.2.

Eisers hebben – eerst ter comparitie en nadien bij repliek herhaald – betoogd dat in het met ingang van 1 juli 2015 geldende artikel 7:668a lid 2 BW eventuele banden tussen de nieuwe en de oude werkgever er niet meer toe doen. Zij stellen zich daarom op het standpunt dat de toets aan het zogenoemde “banden-criterium”, zoals die uit het Van Tuinen-arrest voortvloeit, achterhaald is. Volgens eisers moet daarom in casu de toets aan het banden-criterium achterwege blijven. Gedaagden zijn daarentegen van mening dat van anticipatie op de Wwz geen sprake kan zijn.

4.2.1.

In het tussenvonnis van 22 oktober 2014 is vastgesteld dat partijen het (ten tijde van het wijzen van dat tussenvonnis) er over eens waren dat de beantwoording van de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die de Hoge Raad in het Van Tuinen-arrest heeft gegeven. Met hun ter comparitie en bij repliek ingenomen stellingen komen eisers terug op dit eerder ingenomen standpunt.

Op het moment dat eisers hun arbeidsovereenkomsten met gedaagden aangingen (19 oktober 2012), woedden er in ons land verhitte debatten over de vraag of en zo ja op welke wijze het ontslagrecht moest worden herzien. Eind 2012 was nog niet duidelijk dat de redactie van artikel 7:668a lid 2 BW zou komen te luiden zoals die uiteindelijk in de Wwz (en daarmee in het BW) terecht is gekomen. Sterker nog: het sociaal akkoord moest toen nog worden gesloten. Dit op 11 april 2013 gesloten sociaal akkoord vormde de basis voor het op 29 november 2013 bij de Tweede Kamer ingediende voorstel Wet werk en zekerheid. Ook was eind 2012 nog volstrekt onduidelijk wanneer de Wwz in werking zou treden. Uiteindelijk is dat voor het deel van de Wwz waarin het nieuwe artikel 7:668a lid 2 in het BW is opgenomen, 1 juli 2015 geworden. Deze ingangsdatum laat geen ruimte voor onduidelijkheid. De kantonrechter is daarom van oordeel dat in deze zaak geen grond bestaat te anticiperen op de bepalingen van de Wwz die op 1 juli 2015 in werking treden. Dit betekent dat er in casu getoetst zal worden aan de voorwaarden die de Hoge Raad in het Van Tuinen-arrest heeft gegeven en waarop partijen in de aanloop naar alsook op 19 oktober 2012 konden en moesten anticiperen.

Toetsing aan voorwaarden Van Tuinen-arrest

4.3.

Vanwege de leesbaarheid van dit vonnis worden de twee cumulatieve voorwaarden uit het Van Tuinen-arrest hier nogmaals herhaald. Die voorwaarden luiden:

I . of de nieuwe arbeidsovereenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige arbeidsovereenkomst;

II. of tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door die laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever (deze voorwaarde wordt ook wel aangeduid als het “banden-criterium”).

4.3.1.

Door gedaagden is niet weersproken dat in het geval van eisers aan de eerste voorwaarde van het Van Tuinen-arrest is voldaan, zodat dit tussen partijen vaststaat. In het tussenvonnis van 22 oktober 2014 is dit ook reeds overwogen.

4.3.2.

Wat betreft het banden-criterium stellen gedaagden zich op het standpunt dat er wel banden tussen Licom en WOZL dan wel Groen OZL bestonden, maar dat die banden niet zodanig nauw waren dat zij in redelijkheid een toerekening van de bij Licom bestaande kennis over de geschiktheid van eisers aan WOZL dan wel Groen OZL rechtvaardigen. Van opvolgend werkgeverschap is in de ogen van gedaagden geen sprake, nu deze voorwaarde van het Van Tuinen-arrest niet is vervuld. Verder leiden gedaagden uit het Van Tuinen-arrest af dat indien wordt vastgesteld dat die nauwe banden niet bestaan, beoordeeld dient te worden of de nieuwe werkgever langs andere weg inzicht had in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer (gedaagden noemen dit: “eigen inzicht”). Gedaagden komen tot de conclusie dat ook geen “eigen inzicht” van WOZL dan wel Groen OZL in de hoedanigheden en geschiktheid van eisers is komen vast te staan. Ook op deze grond is volgens gedaagden niet voldaan aan het Van Tuinen-arrest (en dus ook geen sprake van opvolgend werkgeverschap).

4.3.3.

Ook de kantonrechter is van oordeel dat eerst dient te worden beoordeeld of aan het banden-criterium is voldaan en dat, indien dat niet het geval is, vervolgens moet worden beoordeeld of de nieuwe werkgever langs andere weg zelf inzicht in de hoedanigheden en geschiktheid van de werknemer heeft verkregen. Partijen zijn in hun processtukken ook van deze “tweetrapsbenadering” uitgegaan.

Oorspronkelijke selectiedoelstelling

4.3.4.

Door gedaagden is bij conclusie van antwoord ingegaan op de oorspronkelijke selectiedoelstelling: het selecteren van cao-medewerkers op basis van geschiktheid. Daartoe stellen gedaagden dat zij een lijst met daarop de persoonsgegevens, functie, loon en aantal werkuren van de 187 cao-medewerkers van Licom van de curatoren kreeg. Ter comparitie en bij dupliek hebben gedaagden gesteld dat het selectiecriterium op 15 oktober 2012 was dat de te selecteren mensen de juiste “mindset” moesten hebben (vanwege het concept van mensontwikkeling en de beweging van binnen naar buiten van de wsw’ers). De vraag of werknemers de juiste “mindset” hadden, komt volgens de kantonrechter neer op de vraag of de cao-medewerkers die voorheen bij Licom werkzaam waren, ook geschikt werden geacht voor een functie binnen WOZL dan wel Groen OZL. Het resultaat van de selectie op
15 oktober 2012 was dat aan 65 mensen de juiste “mindset” voor een functie binnen WOZL dan wel Groen OZL werd toegedicht. Alhoewel gedaagden stellen dat er – nadat op 18 oktober 2012 bekend werd dat het in dienst nemen van 115 cao-medewerkers een harde eis van de curatoren van Licom was – een knip moet worden gemaakt waardoor de selectie weer op “nul” begon, overtuigt die door gedaagden gestelde knip de kantonrechter geenszins. Immers, vaststaat dat er reeds in september 2012 een crisisteam was opgericht, dat werd bemenst door ambtenaren van in de WOZL deelnemende gemeenten. In dat crisisteam zaten in ieder geval dhr. [naam lid crisisteam 1], dhr. [naam lid crisisteam 2], dhr. [naam lid crisisteam 3] en mevr. [naam lid crisisteam 4] van de gemeente Heerlen, dhr. [naam lid crisisteam 5] van de gemeente Landgraaf en mevr. [naam lid crisisteam 6] van de gemeente Brunssum. Ook dhr. [naam bestuurssecretaris WOZL] (bestuurssecretaris WOZL) maakte deel uit van het crisisteam. Tussen partijen staat vast dat van de leden van dit crisisteam, dhr. [naam lid crisisteam 2] en dhr. [naam lid crisisteam 3] vanaf het eerste selectiegesprek van 15 oktober 2012 bij de selectie van de nieuwe medewerkers voor WOZL althans Groen OZL betrokken waren. Ook staat vast dat dhr. [naam lid crisisteam 2] en dhr. [naam lid crisisteam 3] bij dit eerste selectiegesprek ondersteuning kregen van dhr. [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] en dhr. [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 2] (beiden voorzitter van een wsw-cliëntenraad). Achterliggende gedachte was dat de heren [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] en [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 2] vanwege het vervullen van die voorzittersrollen die gewenste ondersteuning bij de selectie konden bieden. Verder staat vast dat dhr. [naam werknemer Licom 1] (partijen twisten over zijn exacte functie binnen Licom, maar vaststaat dat hij een goed beeld had van de cao-medewerkers) op 17 oktober 2012 aan het team van deze vier personen is toegevoegd. Partijen zijn het erover eens dat [naam werknemer Licom 1], juist vanwege het goede beeld dat hij van de cao-medewerkers van Licom had, aan het team werd toegevoegd. Vanaf 18 oktober 2012 sloten ook dhr. [naam lid crisisteam 5] en mevrouw [naam lid crisisteam 6] bij het team aan. Het team dat volgens gedaagden met de “definitieve selectiemethodiek” op 18 oktober 2012 tot 115 namen kwam (toen duidelijk werd dat 115 een harde eis van de curatoren was), bestond dus uit de teamleden [naam lid crisisteam 1], [naam lid crisisteam 2], [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] en [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 2], te weten dezelfde personen die reeds op 15 oktober 2012 65 cao-medewerkers van Licom geschikt hadden bevonden (de juiste “mindset” hadden toegedicht) voor een functie binnen WOZL althans Groen OZL. De selectieresultaten van dit team, waarvan het aantal leden steeds werd uitgebreid, kunnen zonder meer aan WOZL althans Groen OZL worden toegerekend. Doelstelling van het team was immers om voor WOZL althans Groen OZL geschikte medewerkers te selecteren uit de groep van voorheen voor Licom werkzame cao-medewerkers. Aldus moet ten aanzien van de 65 medewerkers die op 15 oktober 2012 de juiste “mindset” werd toegedicht, worden geoordeeld dat er zodanige banden tussen WOZL althans Groen OZL en Licom bestonden, dat het door de laatste op grond van haar ervaringen met die 65 werknemers verkregen inzicht in hun hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook aan WOZL althans Groen OZL moet worden toegerekend. Kort gezegd: voor deze groep van 65 werknemers is aan het banden-criterium uit het Van Tuinen-arrest voldaan.

4.3.5.

Er kan evenwel niet worden vastgesteld welke werknemers op die lijst van 65 werknemers stonden, nu dit noch door eisers, noch door gedaagden is geconcretiseerd en door overlegging van die lijst is onderbouwd. Ter comparitie heeft de kantonrechter partijen erop gewezen dat het voor de beoordeling van belang zou kunnen zijn welke personeelslijst (met welke namen) op welk moment beschikbaar was. Ten aanzien van de lijst van 65 werknemers op 15 oktober 2012 is die duidelijkheid evenwel niet gegeven. Of eisers op deze lijst van 65 werknemers stonden, kan dus niet worden vastgesteld. Uit hetgeen hierna wordt overwogen, zal volgen dat die duidelijkheid niet alsnog door één van partijen verschaft dient te worden.

Harde eis: 115 medewerkers

4.3.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 18 oktober 2012 door de curatoren van Licom de harde eis werd gesteld dat 115 cao-medewerkers van Licom door WOZL in dienst moesten worden genomen. Gedaagden hebben toegelicht hoe – in hun visie – de definitieve selectie na het bekend worden van die harde eis heeft plaatsvonden. Kort gezegd kwam die selectiemethode volgens gedaagden op het volgende neer: 62 cao-werknemers van Licom vielen af omdat zij behoorden tot bedrijfsonderdelen die niet door WOZL zouden worden overgenomen. Van de oorspronkelijke 187 cao-werknemers van Licom resteerden aldus 125 cao-werknemers (187 minus 62). Vervolgens werden 26 cao-werknemers uitgesloten op basis van functie (door gedaagden aangeduid als “njets”). Resultaat: 99 cao-werknemers bleven over (125 minus 26). Ten slotte moest er geplust worden (16 “opplussers”) om tot het aantal van 115 cao-medewerkers te geraken. Die 16 “opplussers” werden volgens
gedaagden geselecteerd op basis van functienoodzakelijkheid, in het licht van de wens de overgang te maken naar mensontwikkeling.

4.3.7.

De selectiewijze van de 26 “njets” is voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap niet van belang, aangezien vaststaat dat WOZL met deze “njets” geen arbeidsovereenkomst is aangegaan. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de 62 cao-werknemers die behoorden tot bedrijfsonderdelen van Licom die niet door
WOZL werden overgenomen (met uitzondering van de hierna te bespreken werknemers [naam werknemer Licom 2], [naam werknemer Licom 3], [naam werknemer Licom 4] en [naam werknemer Licom 5]).

4.3.8.

Door gedaagden is gesteld dat het crisisteam (waartoe worden gerekend: dhr. [naam lid crisisteam 1], dhr. [naam lid crisisteam 2], dhr. [naam lid crisisteam 3], mevr. [naam lid crisisteam 4], dhr. [naam lid crisisteam 5], mevr. [naam lid crisisteam 6] en dhr. [naam bestuurssecretaris WOZL]) geen inzage had in de digitale personeelsdossiers van Licom. Door gedaagden is daarentegen wel erkend (overweging 49 conclusie van dupliek) dat dhr. [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] toegang had tot de digitale personeelsdossiers. Zoals hiervoor reeds is overwogen, staat vast dat [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] en [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 2] reeds op 15 oktober 2012 waren toegevoegd aan het team van [naam lid crisisteam 2] en [naam lid crisisteam 3] dat de eerste selectie ging verrichten. Alhoewel gedaagden betwisten dat [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] die personeelsdossiers daadwerkelijk heeft geraadpleegd, staat met vorenstaande erkenning van gedaagden wel vast dat [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] de mogelijkheid heeft gehad om de digitale personeelsdossiers van Licom werknemers in te zien vóórdat Licom failleerde (dus tot en met 18 oktober 2012). Voor de kantonrechter is van doorslaggevend belang dat de nieuwe werkgevers (WOZL dan wel Groen OZL) toegang hebben gehad tot door de oude werkgever (Licom) verzamelde gegevens omtrent het functioneren van de betrokken werknemers bij die oude werkgever. In de persoon van [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] heeft WOZL althans Groen OZL die toegang gehad. De vraag of en zo ja op welk moment [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] (en daarmee WOZL althans Groen OZL) daadwerkelijk van die digitale toegangsmogelijkheid gebruik heeft gemaakt, acht de kantonrechter verder niet relevant. Zoals prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens in zijn annotatie bij het Van Tuinen-arrest heeft betoogd (gepubliceerd in Ars Aequi december 2012), is voor toerekening aan de nieuwe werkgever “ten minste vereist dat de nieuwe werkgever toegang heeft (gehad) tot door de oude werkgever verzamelde gegevens omtrent het functioneren van de betrokken werknemer”. De kantonrechter onderschrijft dit oordeel. Waar het dus om gaat is dat [naam voorzitter wsw-cliëntenraad 1] de digitale personeelsdossiers van de Licom cao-medewerkers heeft kunnen inzien. Daarom moet worden geoordeeld dat tussen WOZL althans Groen OZL en Licom zodanige banden bestonden, dat het door Licom verkregen inzicht in de hoedanigheden en geschiktheid van de Licom-werknemers in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan WOZL althans Groen OZL nu WOZL althans Groen OZL de mogelijkheid heeft gehad om het hier bedoelde inzicht per individuele cao-werknemer (onder wie ook de 16 “opplussers”) te verkrijgen. Samengevat: ook ten aanzien van de werknemers die niet behoorden tot de 65 werknemers met de gebleken juiste “mindset”, is aan het banden-criterium van het Van Tuinen-arrest voldaan.

[naam werknemer Licom 2], [naam werknemer Licom 3], [naam werknemer Licom 4] en [naam werknemer Licom 5]: de “vier”

4.3.9.

Verder staat vast dat er op 24 oktober 2012 een aulabijeenkomst plaatsvond: een door de vakbond georganiseerde sessie voor Licom-medewerkers. Ook een delegatie van WOZL (waaronder [naam lid crisisteam 2]) was bij deze aulabijeenkomst aanwezig. Dat er gedurende die aulabijeenkomst onrust ontstond staat eveneens vast. Nadat op 26 oktober 2012 duidelijk was geworden dat vier personen het aanbod van WOZL om een arbeidsovereenkomst aan te gaan hadden afgewezen, moesten vier nieuwe medewerkers worden geselecteerd. Niet in geschil is dat [naam werknemer Licom 2] en [naam werknemer Licom 3] (door gedaagden aangeduid als [naam werknemer Licom 3], hetgeen niet door eisers is weersproken) als bedrijfsmaatschappelijk werker bij Licom werkzaam waren en dat WOZL ervoor had gekozen om de afdeling waarbinnen zij werkten niet over te nemen. Voor de conclusie dat sprake is van opvolgend werkgeverschap, is toerekening van het door de opgevolgde werkgever op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht niet vereist, wanneer de nieuwe werkgever dat inzicht zelf langs andere weg heeft verkregen (aldus ook de Hoge Raad in het Van Tuinen-arrest). De kantonrechter laat de vraag of er sprake is van zodanige banden tussen de nieuwe en de vorige werkgever dat het door de vorige werkgever op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever, voor wat het is. Gedaagden hebben namelijk onweersproken gesteld dat de positieve invloed van de maatschappelijk werkers [naam werknemer Licom 2], [naam werknemer Licom 3] en [naam werknemer Licom 4] tijdens de aulabijeenkomst aan [naam lid crisisteam 2] duidelijk was geworden. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat dat WOZL langs andere weg (namelijk in ieder geval op die aulabijeenkomst waarbij een delegatie van WOZL aanwezig was) zelf inzicht heeft verkregen in de hoedanigheden en geschiktheid van voornoemde drie maatschappelijk werkers. Daarmee staat ten aanzien van – voor zover thans van belang – [naam werknemer Licom 4] vast dat ook aan de tweede voorwaarde van het Van Tuinen-arrest is voldaan, zodat de voorwaarden van het Van Tuinen-arrest zijn vervuld.

4.3.10.

De vierde persoon die op 26 oktober 2012 alsnog door WOZL een arbeidsovereenkomst kreeg aangeboden (en dat aanbod accepteerde), was mevr. [naam werknemer Licom 5]. Zij was bij Licom werkzaam als medewerkster van het Bedrijfsbureau Talent. WOZL heeft gesteld dat zij onder meer van mevr. [naam] het advies kreeg om haar over te nemen, aangezien zij bekend stond als een “harde werker”. Saillant detail is overigens dat [naam werknemer Licom 5] thans nog steeds werkzaam is bij WOZL en dus niet viel in de groep die in augustus 2013 de als opzegging aan te merken aanzegging van de arbeidsovereenkomst ontving. Anders dan gedaagden hebben bepleit, getuigt de mededeling dat [naam werknemer Licom 5] bekend stond als “harde werker”, wel degelijk van inzicht in de hoedanigheden en geschiktheid van [naam werknemer Licom 5]. Inzicht dat door de vorige werkgever, Licom was verkregen, en dat in redelijkheid moet worden toegerekend aan WOZL als nieuwe werkgever.

Conclusie

4.3.11.

De conclusie uit het vorenstaande is dat in het geval van eisers is voldaan aan het banden-criterium, aangezien zij behoorden tot:

- ófwel één van de niet nader geconcretiseerde 65 cao-werknemers van Licom die de juiste “mindset” (lees: geschikt werd bevonden voor een functie binnen WOZL althans Groen OZL) werd toegedicht;

- ófwel één van de werknemers omtrent wie WOZL althans Groen OZL de mogelijkheid heeft gehad voorafgaand aan de indiensttreding het nodige inzicht te verkrijgen.

Omdat in het geval van eisers ook aan de eerste voorwaarde van het Van Tuinen-arrest is voldaan, moet WOZL (en in het geval van [eiser sub 6]: Groen OZL) als opvolgend werkgever van Licom worden aangemerkt. De omstandigheid dat deze conclusie vergaande praktische en financiële consequenties voor gedaagden heeft, kan bezwaarlijk aan eisers worden tegengeworpen. Deze omstandigheid kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden.

Gebleken geschiktheid [eiser sub 6]

4.4.

Groen OZL heeft betoogd dat er ten aanzien van [eiser sub 6] géén sprake was van gebleken geschiktheid. [eiser sub 6] betwist dat. Nu de vorderingen van [eiser sub 6] reeds op de primaire grondslag kunnen worden toegewezen, behoeft hetgeen partijen over de al dan niet gebleken geschiktheid van [eiser sub 6] hebben aangevoerd geen bespreking. In ieder geval staat vast dat de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 6] voorafgaand aan deze procedure niet op rechtsgeldige wijze is beëindigd.

4.5.

Hierna zal worden ingegaan op de vraag wat deze conclusies voor de door eisers jegens ‘WOZL’ ingestelde vorderingen betekenen. De kantonrechter begrijpt dat in het geval van [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] de vorderingen zijn ingesteld jegens WOZL en de vorderingen van [eiser sub 6] zijn gericht tegen Groen OZL. In het dictum van dit vonnis zullen de vorderingen van de zes verschillende eisers, voor zover die toewijsbaar zijn, afzonderlijk worden weergeven.

Primaire vorderingen

[eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5]

4.6.

Nu de als opzegging aan te merken aanzeggingen van WOZL op of omstreeks
13 augustus 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomsten met [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] vernietigbaar was en daarom thans ongedaan wordt gemaakt, zijn de arbeidsovereenkomsten tussen hen en WOZL ook na 18 oktober 2013 blijven voortbestaan. Dit zal hierna in het dictum voor recht worden verklaard.

4.6.1.

Teneinde WOZL in de gelegenheid te stellen om een en ander voor te bereiden, zal WOZL worden veroordeeld om [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis opnieuw tewerk te stellen, op hierna in het dictum te bepalen wijze. Voor matiging van de daaraan gekoppelde dwangsom bestaat geen aanleiding. De maximaal te verbeuren dwangsom, indien WOZL daarmee in gebreke blijft, zal worden bepaald op € 25.000,00 per afzonderlijke eiser(es).

4.6.2.

WOZL zal voorts worden veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden. De juistheid van de loonbedragen zoals die door de afzonderlijke eisers worden gevorderd is niet door WOZL betwist. Mitsdien wordt van de volgende bruto maandlonen (zijnde het loon zonder 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) uitgegaan:

- [eiseres sub 1] € 1.310,00;

- [eiseres sub 2] € 1.467,00;

- [eiseres sub 3] € 1.760,40;

- [eiser sub 4] € 2.947,00;

- [eiser sub 5] € 4.144,00.

Er is – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2006, NJ 2007/101 – geen grond voor (overeenkomstige) toepassing van artikel 7:680a BW op een geval als het onderhavige, waarin in geschil is of een arbeidsovereenkomst van rechtswege is afgelopen. Het beroep op matiging van de loonvordering op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW kan mitsdien niet slagen. Niet is komen vast te staan dat WOZL bevoegd is om tot verrekening van het in dit vonnis aan [eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [eiseres sub 3], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] toegekende achterstallige loon over te gaan, zodat hetgeen daaromtrent door WOZL is aangevoerd geen verdere bespreking behoeft. De maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW is over dit achterstallige loon toewijsbaar, nu niet om matiging daarvan is verzocht. Er is door WOZL weliswaar om matiging van de vordering tot doorbetaling van het loon op de voet van artikel 7:680a BW verzocht, maar niet om matiging van de wettelijke verhoging op grond van het bepaalde in artikel 7:625 BW. Voor ambtshalve matiging van de wettelijke verhoging vanwege de niet tijdige betaling van het loon bestaat geen aanleiding. De wettelijke rente is toewijsbaar over het achterstallige loon over voormelde periode plus de wettelijke verhoging. Die wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 17 april 2014 (dag der dagvaarding).

[eiser sub 6]

4.7.

Nu de als opzegging aan te merken aanzegging van Groen OZL op 16 juli 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 6] vernietigbaar was en daarom thans ongedaan wordt gemaakt, is de arbeidsovereenkomst tussen [eiser sub 6] en Groen OZL ook na
18 oktober 2013 blijven voortbestaan. Dit zal hierna in het dictum voor recht worden verklaard.

4.7.1.

Teneinde Groen OZL in de gelegenheid te stellen om een en ander voor te bereiden, zal Groen OZL worden veroordeeld om [eiser sub 6] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis opnieuw tewerk te stellen, op hierna in het dictum te bepalen wijze. Voor matiging van de daaraan gekoppelde dwangsom bestaat geen aanleiding. De maximaal te verbeuren dwangsom, indien Groen OZL daarmee in gebreke blijft, zal worden bepaald op € 25.000,00.

4.7.2.

Groen OZL zal voorts worden veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 19 oktober 2013 ad € 3.315,00 bruto per maand (zijnde het loon zonder 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) tot en met heden. Er is – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2006, NJ 2007/101 – geen grond voor (overeenkomstige) toepassing van artikel 7:680a BW op een geval als het onderhavige, waarin in geschil is of een arbeidsovereenkomst van rechtswege is afgelopen. Het beroep op matiging van de loonvordering op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW kan mitsdien niet slagen. Niet is komen vast te staan dat Groen OZL bevoegd is om tot verrekening van het in dit vonnis aan [eiser sub 6] toegekende achterstallige loon over te gaan, zodat hetgeen daaromtrent door Groen OZL is aangevoerd geen verdere bespreking behoeft. De maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW is over dit achterstallige loon toewijsbaar, nu niet om matiging daarvan is verzocht. Er is door Groen OZL weliswaar om matiging van de vordering tot doorbetaling van het loon op de voet van artikel 7:680a BW verzocht, maar niet om matiging van de wettelijke verhoging op grond van het bepaalde in artikel 7:625 BW. Voor ambtshalve matiging van de wettelijke verhoging vanwege de niet tijdige betaling van het loon bestaat geen aanleiding. De wettelijke rente is toewijsbaar over het achterstallige loon over voormelde periode plus de wettelijke verhoging. Die wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 17 april 2014 (dag der dagvaarding).

Subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen

4.8.

Aan een beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen wordt gelet op het voorgaande niet meer toegekomen.

Overige vorderingen (zowel primair, subsidiair en meer subsidiair)

In mindering gebrachte werknemersdeel pensioenpremie

4.9.

De kantonrechter stelt vast dat eisers bij dagvaarding hebben gesteld dat bij aanvang van deze procedure nog niet geheel duidelijk is om welke bedragen het gaat. Bij repliek hebben zij ook geen nadere concretisering gegeven van het bedrag aan pensioenpremie dat volgens hen per afzonderlijke eiser(es) onterecht door WOZL dan wel Groen OZL bij de (definitieve) eindafrekening in mindering is gebracht. Alleen al om die reden kan deze vordering van eisers niet slagen.

4.10.

Zelfs indien eisers deze vordering wel voldoende hadden geconcretiseerd, had dat niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Tussen partijen staat vast dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie door gedaagden aan eisers (afzonderlijk) is uitbetaald. Waar het in het onderhavige geval om gaat is of gedaagden op terechte gronden het werknemersdeel pensioenpremie bij de definitieve eindafrekeningen van eisers (afzonderlijk) in mindering op de vakantiedagen hebben gebracht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Williams/British Airways (HvJ EU 15 september 2011, nr. C-155/10) uitgemaakt dat de werknemer bij de uitbetaling van zijn vakantiedagen niet in een nadeligere positie mag komen te verkeren dan wanneer hij zijn vakantiedagen tijdens zijn dienstverband zou hebben opgenomen. Gelet op de geconcretiseerde berekeningen (situatie IN dienst, situatie UIT dienst) die gedaagden bij dupliek hebben gemaakt, is niet komen vast te staan dat eisers door uitbetaling van het werkgeversdeel pensioenpremie en het vervolgens daarop in mindering brengen van het werknemersdeel pensioenpremie door gedaagden, daadwerkelijk in een nadeligere positie zijn komen te verkeren dan wanneer de vakantiedagen tijdens het dienstverband door eisers zouden zijn opgenomen. Daarmee ontberen deze vorderingen van eisers een grondslag.

Buitengerechtelijke kosten

4.11.

De verschuldigdheid en grondslag van de buitengerechtelijke kosten zijn niet door gedaagden betwist. Het bedrag van € 726,00 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw) is

niet per afzonderlijke eiser(es) gevorderd, zodat deze kosten op hierna in het dictum te bepalen wijze worden toegewezen.

Proceskosten

4.12.

Gedaagden dienen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van eisers (gezamenlijk) zijn gerezen. Eisers hebben hun vorderingen jegens gedaagden gelijktijdig bij één exploot van dagvaarding ingesteld. Bij de bepaling van het salaris gemachtigde is daarmee rekening gehouden, evenals de omstandigheid dat één gemachtigde hen in rechte heeft vertegenwoordigd. Verder is meegewogen dat de processtukken van eisers – mede op verzoek van de kantonrechter – inhoudelijk grote overeenkomsten vertonen met de procestukken van de andere eisende partijen die vorderingen jegens WOZL en haar dochterondernemingen hebben ingesteld. Ten slotte is nog meegewogen dat de zaken van eisers ter comparitie gelijktijdig zijn behandeld. De kosten aan de zijde van eisers (gezamenlijk) worden met inachtneming van het vorenstaande begroot op:

- explootkosten en verschotten: € 93,80

- griffierecht: € 462,00
- salaris gemachtigde: € 1.050,00 (3,5 x € 300,00)

Totaal: € 1.605,80.

4.13.

Het vonnis zal – voor wat betreft de veroordelingen – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. In hetgeen gedaagden bij conclusie van antwoord onder 265 tot en met 267 hebben aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien om daar anders over te oordelen. De omstandigheid dat dit vonnis ingrijpende gevolgen heeft, kan daaraan, bij afweging van de belangen van partijen, niet afdoen.

5 De beslissing

De kantonrechter,

inzake [eiseres sub 1]:

5.1.

verklaart voor recht dat de als opzegging aan te merken aanzegging van WOZL op of omstreeks 13 augustus 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiseres sub 1] is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres sub 1] en WOZL ook na 18 oktober 2013 is blijven voortbestaan;

5.2.

veroordeelt WOZL om [eiseres sub 1] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en haar daar in de gelegenheid te stellen haar bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.3.

veroordeelt WOZL tot betaling aan [eiseres sub 1] van het achterstallige loon ad € 1.310,00 bruto per maand (zijnde het maandloon exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de som van dit achterstallige loon en de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

inzake [eiseres sub 2]:

5.4.

verklaart voor recht dat de als opzegging aan te merken aanzegging van WOZL op of omstreeks 13 augustus 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiseres sub 2] is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres sub 2] en WOZL ook na 18 oktober 2013 is blijven voortbestaan;

5.5.

veroordeelt WOZL om [eiseres sub 2] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en haar daar in de gelegenheid te stellen haar bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 voor elke dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.6.

veroordeelt WOZL tot betaling aan [eiseres sub 2] van het achterstallige loon ad € 1.467,00 bruto per maand (zijnde het maandloon exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de som van dit achterstallige loon en de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

inzake [eiseres sub 3]:

5.7.

verklaart voor recht dat de als opzegging aan te merken aanzegging van WOZL op of omstreeks 13 augustus 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiseres sub 3] is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres sub 3] en WOZL ook na 18 oktober 2013 is blijven voortbestaan;

5.8.

veroordeelt WOZL om [eiseres sub 3] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en haar daar in de gelegenheid te stellen haar bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 voor elke dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.9.

veroordeelt WOZL tot betaling aan [eiseres sub 3] van het achterstallige loon ad € 1.760,40 bruto per maand (zijnde het maandloon exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de som van dit achterstallige loon en de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

inzake [eiser sub 4]:

5.10.

verklaart voor recht dat de als opzegging aan te merken aanzegging van WOZL op of omstreeks 13 augustus 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 4] is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen [eiser sub 4] en WOZL ook na 18 oktober 2013 is blijven voortbestaan;

5.11.

veroordeelt WOZL om [eiser sub 4] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en hem daar in de gelegenheid te stellen zijn bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 voor elke dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.12.

veroordeelt WOZL tot betaling aan [eiser sub 4] van het achterstallige loon ad € 2.947,00 bruto per maand (zijnde het maandloon exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de som van dit achterstallige loon en de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

inzake [eiser sub 5]:

5.13.

verklaart voor recht dat de als opzegging aan te merken aanzegging van WOZL op of omstreeks 13 augustus 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 5] is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen [eiser sub 5] en WOZL ook na 18 oktober 2013 is blijven voortbestaan;

5.14.

veroordeelt WOZL om [eiser sub 5] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en hem daar in de gelegenheid te stellen zijn bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 voor elke dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.15.

veroordeelt WOZL tot betaling aan [eiser sub 5] van het achterstallige loon ad
€ 4.144,00 bruto per maand (zijnde het maandloon exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de som van dit achterstallige loon en de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

inzake [eiser sub 6]:

5.16.

verklaart voor recht dat de als opzegging aan te merken aanzegging van Groen OZL op 16 juli 2013 tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 6] is vernietigd, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen [eiser sub 6] en Groen OZL ook na 18 oktober 2013 is blijven voortbestaan;

5.17.

veroordeelt Groen OZL om [eiser sub 6] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot haar bedrijf en hem daar in de gelegenheid te stellen zijn bedongen werkzaamheden te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,00 voor elke dag dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan, tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 25.000,00;

5.18.

veroordeelt Groen OZL tot betaling aan [eiser sub 6] van het achterstallige loon ad
€ 3.315,00 bruto per maand (zijnde het maandloon exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten) vanaf 19 oktober 2013 tot en met heden, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de som van dit achterstallige loon en de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 17 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

inzake alle zes eisers:

5.19.

veroordeelt gedaagden tot betaling aan eisers (gezamenlijk) van een bedrag van
€ 726,00 aan buitengerechtelijke kosten;

5.20.

veroordeelt gedaagden tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van eisers (gezamenlijk) tot op heden begroot op een bedrag van € 1.605,80;

5.21.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.22.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en is in het openbaar uitgesproken.