Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4771

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1702
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Trefwoorden:

café Dug-out, bevelsbevoegdheid, sluiting, spoed, artikel 2:30 APV, artikel 174 Gemeentewet, motorclubs, Red Devils, Bandidos, openbare orde en veiligheid, verwijtbaarheid, verband dreiging voor de openbare orde en het horecabedrijf, financieel nadeel, kostenverhaal, analoge toepassing regeling bestuursdwang.

Samenvatting:

De burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen (verweerder) heeft het café Dug-Out op 8 mei 2015 gesloten voor de duur van drie maanden omdat op 7 mei 2015 bij het café een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen leden van motorclub Red Devils en motorclub Bandidos. Volgens verweerder bestaat er een risico dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 zich zal herhalen en levert dit een dreiging voor de openbare orde en veiligheid op. De exploitant van het café (verzoekster) is het niet eens met de sluiting en stelt dat de gebeurtenis niet haar schuld is, dat er geen verband bestaat tussen de gebeurtenis en haar café en dat zij door de sluiting financiële problemen ondervindt. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 een dreiging voor de openbare orde oplevert en dat, mede gelet op de toenemende spanningen tussen de betrokken motorclubs, er een reëel risico bestaat dat deze gebeurtenis zich zal herhalen. Ook heeft verweerder een verband kunnen aannemen tussen het café Dug-Out en de confrontatie tussen de motorclubs, nu motorclub Red Devils het café een tijd lang als ontmoetingsplek heeft gebruikt en een van de leidinggevenden van het café bij de gebeurtenis was betrokken. Op grond hiervan heeft verweerder aanleiding kunnen zien het café met spoed te sluiten. Nu het sluitingsbevel door verweerder enkel is genomen ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en hiermee niet is bedoeld verzoekster te straffen, kan haar betoog dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 niet haar schuld is en dat ook zij slechts een slachtoffer is, niet tot een ander oordeel leiden. Ook heeft verweerder vooralsnog meer waarde kunnen hechten aan het beschermen van de openbare orde en veiligheid dan aan het financiële nadeel dat verzoekster door de sluiting lijdt.

De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat op de effectuering van het sluitingsbevel de bepalingen over bestuursdwang van overeenkomstige toepassing zijn. Dit geldt ook voor de bepalingen over kostenverhaal bij bestuursdwang. Volgens vaste jurisprudentie gaan de uitoefening van de sluitingsbevoegdheid en kostenverhaal als regel samen, maar staat het verweerder vrij een besluit tot sluiting te nemen waarbij de kosten van het effectueren van die sluiting niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene komen. Verweerder dient in dit kader alle betrokken belangen af te wegen. De voorzieningenrechter constateert dat deze belangenafweging vooralsnog niet in de besluitvorming heeft plaatsgevonden, terwijl verzoekster haar verwijtbaarheid expliciet en gemotiveerd heeft betwist. Verweerder dient dit alsnog te doen in zijn heroverweging in bezwaar.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2530
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 1702

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. G.J.A.F. Beulen),

en

de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigden: mr. J.L. Stoop, mr. R.J.J.M.M. Metsemakers, mr. R.H.T. Alberts,
drs. du Croix en C.P.R.M. de Rooij).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten het café Dug‑Out, gelegen aan [adres] te [woonplaats], met ingang van 8 mei 2015 te sluiten voor de duur van drie maanden.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. In artikel 8:81, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter concludeert dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en deze rechtbank bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

4. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisende belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond. Er kan niet reeds op voorhand gezegd worden dat verzoekster zonder enig nadeel de beslissing op het door haar ingediende bezwaar kan afwachten. De voorzieningenrechter ziet geen beletsel verzoekster te ontvangen in haar verzoek.

5. Verzoekster is de exploitant en huurster van het café Dug-Out, gelegen aan [adres] te [woonplaats] (het café).

6. Uit de rapportage van de politie van 8 mei 2015, aangevuld op 28 mei 2015, blijkt dat op 7 mei 2015 bij het café een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen leden van de motorclub Bandidos en motorclub Red Devils, waarbij een drietal personen gewond zijn geraakt. Daarnaast blijkt uit deze rapportage dat er een doorschotopening van een projectiel is te zien in de ruit van de voorgevel van het café. Ten slotte wordt in de rapportage een overzicht gegeven van een aantal gebeurtenissen, gerelateerd aan het café, vanaf 2011.

7. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, met verwijzing naar de rapportage van de politie van 8 mei 2015, op het standpunt gesteld dat de dreiging van een herhaling van de situatie van 7 mei 2015 van een dusdanige aard is dat er een reële en acute dreiging van verstoring van de openbare orde en veiligheid is ontstaan in en rondom het café. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat er volgens de politie een reële dreiging is dat leden van motorclubs een onderlinge confrontatie zullen aangaan, dan wel een confrontatie zullen aangaan met de politie en andere ordehandhavers. Dit zal volgens verweerder het openbare leven in de gemeente Sittard-Geleen in ernstige mate kunnen verstoren dan wel onmogelijk maken. Ten slotte laten landelijke ontwikkelingen zien dat er op dit moment oplopende spanningen tussen motorclubs bestaan, waarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een “bikerswar” op korte termijn, die naar verwachting gepaard zal gaan met geweld, aanslagen en mogelijk grote verstoringen van de openbare orde. Op grond van het bovenstaande kan verweerder de veiligheid van burgers en bezoekers van de gemeente Sittard-Geleen, en met name van de sportaccommodatie aan [adres] te [woonplaats] en het café, niet meer garanderen. Daarom heeft verweerder op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet, in verbinding met artikel 2:30 van de Algemene plaatselijke verordening Sittard-Geleen (APV) de onmiddellijke sluiting van het café bevolen, voor een periode van drie maanden. Vanwege de spoedeisendheid heeft verweerder op grond van artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb, afgezien van het eerst uitbrengen van een voornemen. Daarnaast heeft verweerder verzoekster aangemerkt als overtreder, omdat zij een verantwoordelijkheid heeft voor de activiteiten in het café die de overtreding uitmaken.

8. Verzoekster kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en betoogt daartoe het volgende.

Verzoekster stelt zich allereerst op het standpunt dat het besluit zich richt tegen ene

[naam], terwijl zij [naam] is. Nu verweerder het bestreden besluit tegen de verkeerde persoon heeft gericht, kan het reeds daarom niet in stand blijven.

Voort stelt verzoekster zich op het standpunt dat zij niets van doen heeft met de eventuele spanningen tussen de diverse motorclubs en de confrontatie bij haar café. Thans wordt zij het slachtoffer van de (vermeende) spanningen tussen de motorclubs en het op basis daarvan door verweerder genomen besluit. In dit verband wijst verzoekster erop dat zij eerder dit jaar al aangifte heeft gedaan tegen leden van de motorclub Bandidos vanwege een bedreiging. Verzoekster kan zich er dan ook niet mee verenigen dat zij als overtreder wordt beschouwd, enkel omdat zij huurster is van het horecapand waar het gebeurde zich heeft afgespeeld. Daarbij merkt verzoekster op dat de gebeurtenis plaats heeft gevonden buiten het cafépand op de openbare weg. In het café zelf heeft zich niets afgespeeld en verzoekster heeft zich gehouden aan het advies van de politie het pand te verlaten indien er iets zou gebeuren. Verzoekster kan dan ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor de gebeurtenis.

Voorts betoogt verzoekster dat de motorclub Bandidos geen conflict heeft met verzoekster, maar met de motorclub Red Devils. De laatstgenoemde motorclub heeft voorheen het café van verzoekster als trefpunt gebruikt, maar hebben hier inmiddels al drieënhalve maand geen gebruik van gemaakt.

Het gevolg van het bestreden besluit is dat verzoekster momenteel verstoken is van iedere bron van inkomsten en zij niet aan haar vaste lasten kan voldoen. Ook kunnen diverse verenigingen die in de nabijgelegen sporthal hun activiteiten ontplooien momenteel geen gebruik maken van het café. Verzoekster wordt, gelet op haar rol in het geheel, onterecht en disproportioneel getroffen door het besluit.

9. Bij de beoordeling van het verzoek zijn de volgende bepalingen van belang.

10. Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

In het tweede lid is bepaald dat de burgemeester bevoegd is bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

Ingevolge het derde lid is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor

zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

11. Ingevolge artikel 2:30, eerste lid, van de APV kan verweerder in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in het geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 van de APV geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

12. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het feit dat het bestreden besluit is gericht aan [naam] aangemerkt dient te worden als een kennelijke verschrijving, waarover ook bij verzoekster geen misvatting heeft kunnen bestaan. Immers, niet betwist is dat het besluit aan haar, in haar hoedanigheid als huurster en exploitant van het café, is bekendgemaakt conform artikel 3:41 van de Awb. Daarbij vermeldt het besluit het correcte adres van verzoekster. Aan de verschrijving kunnen dan ook geen gevolgen worden verbonden voor wat betreft de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

13. De voorzieningenrechter constateert voorts dat het bestreden besluit melding maakt van verschillende wettelijke grondslagen voor de bevelsbevoegdheid voor verweerder, zijnde artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 2:30, eerste lid van de APV. Daarnaast lijkt het bestreden besluit eveneens een last onder bestuursdwang in te houden, hetgeen volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (Afdeling) niet juist is. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW7324). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de grondslag van het onderhavige bevel tot sluiting gelegen in artikel 2:30, eerste lid, van de APV. Deze bevoegdheid van verweerder berust op de algemene verordenende bevoegdheid die de gemeenteraad ontleent aan artikel 149 van de Gemeentewet. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande echter geen aanleiding om het bestreden besluit (voorshands) onrechtmatig te achten. Net als het geval is bij het uitoefenen zijn bevoegdheid op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet komt verweerder bij de toepassing van artikel 2:30, eerste lid van de APV beoordelingsvrijheid toe en moet het bevel tot sluiting nodig zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid. Gelet op deze beoordelingsvrijheid kan de voorzieningenrechter de toepassing van zijn bevoegdheid door verweerder slechts terughoudend toetsen. Derhalve is aan de orde de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat in het belang van de openbare orde en veiligheid het café wordt gesloten voor de duur van drie maanden.

14. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 een ernstig incident inhoudt, waarvan een reële en acute dreiging van de openbare orde en veiligheid uitgaat. Ook heeft verweerder zich, met verwijzing naar de rapportage van de politie van 8 mei 2015, op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van oplopende spanningen tussen de motorclub Hells Angels en de motorclub Bandidos en de aan deze motorclubs gelieerde motorclubs, en dat er een reëel risico bestaat op confrontaties tussen deze motorclubs onderling, dan wel tussen de motorclubs en de politie en andere ordehandhavers, hetgeen een dreiging voor verstoring van de openbare orde in de gemeente oplevert. Deze twee omstandigheden tezamen hebben verweerder tot het standpunt kunnen brengen dat er een reële dreiging is dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 zich (spoedig) zal herhalen. Verzoekster heeft het bestaan van bovengenoemde dreiging niet (gemotiveerd) betwist. De duur van de sluiting acht de voorzieningenrechter, terughoudend toetsend, niet onredelijk. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder op voldoende wijze uiteengezet dat ook thans nog sprake is van een reële bedreiging voor de openbare orde. Verweerder heeft hierbij mede in aanmerking kunnen nemen de onrustgevoelens van de omwonenden en de bedrijven in de buurt.

15. Het betoog van verzoekster dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 haar niet valt te verwijten, dat zij al eerder aangifte heeft gedaan van een bedreiging door leden van de motorclub Bandidos, dat zij zich heeft gehouden aan de aanwijzingen van de autoriteiten en dat zij ook een slachtoffer is in dezen, kan er niet aan afdoen dat de gebeurtenis van 7 mei 2015 en de genoemde spanningen op zich een bedreiging voor de openbare orde vormen. De sluiting houdt geen punitieve sanctie in. Dit betekent dat voor de te verrichten toetsing niet van belang is of de situatie die de openbare orde bedreigt door verwijtbaar handelen of nalaten van verzoekster is ontstaan. Aan toetsing van hetgeen verzoekster hierover heeft aangevoerd komt de voorzieningenrechter in dit verband dan ook niet toe.

16. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er een verband bestaat tussen de gebeurtenis van 7 mei 2015 en het café van verzoekster. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat uit de rapportage van de politie volgt dat dit café bekend staat om zijn banden met motorclub Red Devils en dat hierin de reden kan worden gevonden waarom de gebeurtenis zich bij het café van verzoekster heeft afgespeeld. Het café heeft (in ieder geval tot voor kort) gediend als ontmoetingsplek voor de Red Devils en er hebben ook motorclub-gelieerde activiteiten plaatsgevonden, zoals een motorshow met Koninginnedag en, laatstelijk, een “Holland Meeting” van de Red Devils in februari 2015. Dat deze activiteiten op zichzelf gezien legaal en conform de afspraken met de autoriteiten hebben plaatsgevonden, doet er niet aan af dat er duidelijke banden bestaan tussen het café en de motorclub Red Devils (en, wellicht, indirect met motorclub Hells Angels). Het betoog van verzoekster dat thans de Red Devils al drieënhalve maand niet bij haar café zijn geweest, wat daar verder ook van zij, maakt niet dat deze banden niet meer aanwezig geacht mogen worden. Het tijdsverloop is in ieder geval te kort om de bekendheid van het café in de hierboven beschreven zin, en daarmee het risico op herhaling, weg te nemen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat er op 7 mei 2015 toch drie leden van motorclub Red Devils bij het café aanwezig waren, wat de reden daarvoor ook moge zijn. Ook heeft verweerder waarde kunnen hechten aan de omstandigheid dat de partner van verzoekster, de heer [naam], die in de exploitatievergunning van het café ook als leidinggevende wordt aangemerkt, blijkens de rapportage van de politie van 8 mei 2015 betrokken is geweest bij het incident van 7 mei 2015. Deze omstandigheid maakt eveneens dat er een duidelijk verband bestaat tussen het café van verzoekster en de dreiging voor de openbare orde en veiligheid. Het betoog van verzoekster dat de gebeurtenis zich op de openbare weg heeft afgespeeld, is niet in overeenstemming met de vaststaande feiten. Immers, niet betwist is dat een deel van de gebeurtenis zich op het terras van het café heeft afgespeeld en dat er van binnenuit het café is geschoten (wie de schutter ook moge zijn). Daarbij komt dat de toepassing van artikel 2:30, eerste lid, van de APV niet expliciet vereist dat de gebeurtenis die de openbare orde en veiligheid bedreigt zich daadwerkelijk in het pand of op het daarbij behorende erf heeft afgespeeld, maar enkel dat sluiting in het belang van de openbare orde en veiligheid is en, daarmee, dat er een verband bestaat tussen de bedreiging en het horecabedrijf. Dit verband is in de onderhavige zaak genoegzaam aangetoond. Anders dan verzoekster stelt kan niet worden gesproken van een gebeurtenis die zich toevallig bij haar café heeft afgespeeld en kan het ter zitting gevoerde betoog dat de overige ondernemingen in de buurt dan ook maar gesloten moeten worden, niet slagen.

17. Ten slotte heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van de verenigingen die bij sluiting geen gebruik meer kunnen van maken van het café niet opwegen tegen het algemene belang van de openbare orde en veiligheid dat gebaat is bij de sluiting. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat, mocht er zich een nieuw incident voordoen, juist deze verenigingen een risico lopen omdat de sporthal waarin zij hun activiteiten ontplooien in open verbinding staat met het café. Hoewel verweerder vooralsnog geen aandacht heeft besteed aan het betoog van verzoekster dat zij door de sluiting van het café in een financiële noodsituatie terecht zal komen en dat de continuïteit van haar onderneming hierdoor wordt bedreigd, ziet de voorzieningenrechter, mede gelet het gebrek aan onderbouwing voor de stellingen van verzoekster, voorshands hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de persoonlijke belangen van verzoekster zwaarder dienen te wegen dan het bovengenoemde algemene belang. Wel dient verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar dit betoog van verzoekster alsnog mee te nemen en een belangenafweging te maken waarin de gestelde omstandigheden worden gewogen ten opzichte van het (voortschrijdend inzicht inzake het) algemeen belang.

18. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de sluiting van het café voor de duur van drie maanden noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en veiligheid.

19. De voorzieningenrechter constateert voorts dat verweerder zijn sluitingsbevel reeds op 8 mei 2015 heeft geëffectueerd. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 154) zijn op de effectuering van een sluitingsbevel de bepalingen over bestuursdwang van overeenkomstige toepassing. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder, analoog aan artikel 5:31, eerste lid, van de Awb, kennelijk aanleiding heeft gezien direct tot sluiting van het café over te gaan zonder verzoekster eerst in de gelegenheid te stellen zelf de sluiting te bewerkstelligen en haar in dat verband een termijn te gunnen. De voorzieningenrechter ziet hierin, gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de bestaande dreiging van de openbare orde en de daarmee gepaard gaande spoed, geen gebrek. Dit geldt temeer nu verzoekster wel haar verwijtbaarheid ten aanzien van het gebeurde en het bestaan van een met haar café samenhangende dreiging voor de openbare orde heeft aangevochten, doch niet (expliciet) heeft betoogd dat er geen sprake zou zijn van spoed.

20. Uit het bovenstaande volgt dat ook de bepalingen over kostenverhaal bij bestuursdwang van overeenkomstige toepassing zijn op de effectuering van een sluitingsbevel. De wetgever heeft kennelijk de bedoeling gehad dat verweerder in staat moet zijn de kosten die voortvloeien uit de effectuering van een sluitingsbevel te verhalen. Dit betekent dat ook de vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake kostenverhaal bij bestuursdwang op de onderhavige zaak van toepassing is. Uit deze jurisprudentie volgt dat, hoewel uitoefening van de sluitingsbevoegdheid en kostenverhaal als regel samengaan, het verweerder bij wijze van uitzondering vrij staat een besluit tot sluiting te nemen waarbij de kosten van het effectueren van die sluiting niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene komen. Verweerder dient in dit kader alle betrokken belangen af te wegen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan indien kan worden geoordeeld dat de aangeschrevene geen verwijt valt te maken ten aanzien van de ontstane situatie en indien bij het ongedaan maken van die situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene zouden moeten komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen verweerder nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. De voorzieningenrechter constateert dat de bovenstaande belangenafweging vooralsnog niet in de besluitvorming van verweerder heeft plaatsgevonden, terwijl verzoekster haar verwijtbaarheid expliciet en gemotiveerd heeft betwist. Dit geldt temeer nu verzoekster niet door verweerder in de gelegenheid is gesteld zelfstandig het pand te sluiten, zonder tussenkomst van gemeenteambtenaren of andere partijen waarvoor, ongetwijfeld, kosten zijn gemaakt. Nu verweerder in staat moet worden geacht de bovengenoemde belangenafweging alsnog te maken in het kader van zijn heroverweging in bezwaar, ziet de voorzieningenrechter in het bovenstaande geen aanleiding voor de toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening.

21. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onhoudbaar is. Zodoende komt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2015.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. K.M.P. Jacobs,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 5 juni 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.