Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4763

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
4048507 BR VERZ 15-107
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst. Over de vraag of er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, is op dit moment een bodemprocedure bij deze rechtbank aanhangig. Voor zover in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerder bestaat, wordt die arbeidsovereenkomst ontbonden. Er wordt aan verweerder een vergoeding naar billijkheid ten laste van verzoekster toegekend. Die vergoeding wordt opeisbaar als in de dagvaardingsprocedure tussen partijen onherroepelijk is beslist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/993
AR-Updates.nl 2015-0522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4048507 BR VERZ 15-107

MD

Beschikking van de kantonrechter van 4 juni 2015

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUREMA B.V.,

gevestigd en kantoor houdend te Maastricht,

verzoekster,

gemachtigde mr. M.M.A. Straatman-Selij,

tegen:

[verweerder] ,

wonend [adres],

[woonplaats],

verweerder,

gemachtigde mr. B.H.A. Augustin.

Partijen zullen hierna Eurema en [verweerder] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met producties;

- het verweerschrift met producties;

- de pleitnota van de zijde van Eurema;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 2 juni 2015.

1.2.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Eurema houdt zich bezig met de handel in oud ijzer en metalen. Dhr. [naam directeur] is directeur van Eurema. [naam directeur] is een broer van [verweerder]. [verweerder] is geboren op [geboortedatum] 1971.

2.2.

Vanaf juli 2010 heeft [verweerder] werkzaamheden voor Eurema verricht. Maandelijks heeft hij hiervoor een bedrag van € 2.000,00 netto ontvangen.

2.3.

Vanaf 7 november 2011 is [verweerder] via Persoonality Payrolling gedetacheerd bij Eurema voor 16 uur per week. Voor die 16 uren ontving [verweerder] loon van Persoonality Payrolling, € 500,00. Voor de overige uren per week (24 volgens [verweerder]) ontving hij een vergoeding van Eurema, ad € 1.500,00.

2.4.

In september 2013 hebben diverse conflicten tussen [naam directeur] en [verweerder] gespeeld. Diverse gesprekken, waaraan in ieder geval ook de vader van beide broers heeft deelgenomen, hebben niet tot een oplossing geleid.

2.5.

Op enig moment is de detachering van [verweerder] bij Eurema beëindigd.

2.6.

Over de maanden september, oktober, november, december 2013 en januari 2014 is Eurema maandelijks dezelfde vergoeding als voorheen aan [verweerder] blijven voldoen.

2.7.

Bij exploot van 6 maart 2015 heeft [verweerder] Eurema gedagvaard voor deze rechtbank. Aan zijn vorderingen in die bodemprocedure (hier bekend onder nummer 3942615 CV EXPL 15-2460) heeft [verweerder] ten grondslag dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst met Eurema. Eurema heeft in de bodemprocedure inmiddels een conclusie van antwoord genomen. Zij betwist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst: [verweerder] heeft als zzp’er diensten (naar de kantonrechter begrijpt: krachtens overeenkomst van opdracht) aan Eurema verleend. Ten tijde van het wijzen van deze beschikking zal op korte termijn een comparitie van partijen worden bepaald in de bodemzaak tussen partijen.

3 Het geschil

3.1.

Eurema verzoekt – voor zover in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen haar en [verweerder] bestaat – die arbeidsovereenkomst per direct te ontbinden, dan wel per een datum als de kantonrechter zal vermenen te behoren, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure. Voor de onderbouwing van dit verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst verwijst de kantonrechter naar het verzoekschrift met producties, de pleitnota en de ter zitting gegeven toelichting. Daarop zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

3.2.

[verweerder] heeft verweer gevoerd. Hij concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor zover in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen hem en Eurema bestaat, verzoekt hij subsidiair om aan hem een vergoeding toe te kennen van
€ 20.211,23 bruto (waarbij hij de kantonrechtersformule heeft gehanteerd en is uitgegaan van vijf gewogen dienstjaren, een loon van € 2.694,83 bruto per maand en een correctiefactor van 1,5). Op het verweerschrift met producties en de ter zitting gegeven toelichting zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een bijzonder opzegverbod.

Aard verzoek

4.2.

Het onderhavige verzoek betreft een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat er, in het kader van de beoordeling van het verzoek van Eurema, veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat.

Verandering in omstandigheden?

4.3.

De kantonrechter heeft geconstateerd dat tussen partijen het noodzakelijke vertrouwen voor een verdere vruchtbare samenwerking niet meer aanwezig is. Gelet hierop is er sprake van een verandering in de omstandigheden die een gewichtige reden vormt, van dien aard, dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op korte termijn behoort te eindigen. De kantonrechter zal dan ook de arbeidsovereenkomst, voor zover in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen Eurema en [verweerder] bestaat, met ingang van 1 juli 2015 ontbinden.

Vergoeding naar billijkheid?

4.4.

Ten slotte moet beoordeeld worden of aan [verweerder] ten laste van Eurema een vergoeding naar billijkheid dient te worden toegekend. Daarbij is met name van belang of en in hoeverre aan de thans ontstane situatie aan een van de partijen in overwegende mate een verwijt te maken valt, dan wel bepaald kan worden dat het risico daarvan meer bij de ene dan bij de andere partij ligt, als komt vast te staan dat tussen partijen altijd een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, met Eurema als werkgever, en [verweerder] als werknemer.

4.5.

Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat Eurema zich gedraagt alsof er géén arbeidsovereenkomst met [verweerder] bestaat. Het gevolg van die in dat geval onterechte opstelling, zeker als dat wordt afgezet tegen de in deze procedure vaststaande feiten die hiervoor zijn weergegeven, ligt in de risicosfeer van Eurema. De verstoorde arbeidsrelatie is dan het gevolg van – en te wijten aan – de onterechte ontkenning van het werknemerschap met bijbehorende rechten van [verweerder] als werknemer. Wat [verweerder] in dat geval kan worden verweten, is noch gesteld noch gebleken.

4.6.

De conclusie uit het vorenstaande is dat de verandering in de omstandigheden in overwegende mate aan Eurema valt te verwijten en/of minstens in haar risicosfeer ligt. Rekening houdend met alle omstandigheden van het onderhavige geval, waaronder de mate van verwijtbaarheid van Eurema, de hoogte van het loon van [verweerder] (waarbij als niet weersproken wordt uitgegaan van een bruto maandloon van € 2.694,83 exclusief vakantiebijslag en emolumenten, welk bedrag correspondeert met een maandloon van
€ 2.000,00 netto) en de leeftijd van [verweerder], acht de kantonrechter het billijk om aan [verweerder] ten laste van Eurema een vergoeding naar billijkheid toe te kennen van
€ 15.000,00 bruto.

4.7.

Partijen hebben niets gesteld omtrent het moment waarop de vergoeding naar billijkheid opeisbaar wordt. Literatuur en jurisprudentie zijn op dit punt verdeeld. In het onderhavige geval is de kantonrechter van oordeel dat de ontbindingsvergoeding pas opeisbaar wordt als in de dagvaardingsprocedure tussen partijen onherroepelijk is beslist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Eurema en [verweerder].

4.8.

In verband met het voornemen van de kantonrechter om aan [verweerder] een vergoeding naar billijkheid toe te kennen, zal Eurema in de gelegenheid worden gesteld om uiterlijk 18 juni 2015 haar verzoek in te trekken door schriftelijke mededeling aan de griffier. Indien zij niet binnen die termijn haar verzoek intrekt, zal de arbeidsovereenkomst, voor zover in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen Eurema en [verweerder] bestaat, worden ontbonden met ingang van 1 juli 2015.

4.9.

Indien Eurema haar verzoek handhaaft, zullen de proceskosten op hierna te bepalen wijze worden gecompenseerd. Mocht Eurema haar verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen de in rechtsoverweging 4.8. vermelde termijn intrekken, dan zal zij worden veroordeeld tot betaling van de aan de zijde van [verweerder] gerezen proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

Voor het geval Eurema haar verzoek uiterlijk 18 juni 2015 niet intrekt:

5.1.1.

ontbindt – voor zover in rechte komt vast te staan dat er een arbeidsovereenkomst tussen Eurema en [verweerder] bestaat – de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2015;

5.1.2.

kent daarbij aan [verweerder] een ten laste van Eurema komende vergoeding toe van € 15.000,00 bruto en bepaalt dat die vergoeding opeisbaar wordt als in de dagvaardingsprocedure tussen partijen onherroepelijk is beslist dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Eurema en [verweerder];

5.1.3.

veroordeelt Eurema – voor zover nodig – tot betaling van die vergoeding aan [verweerder];

5.1.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

5.1.5.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.2.

Voor het geval Eurema haar verzoek uiterlijk 18 juni 2015 intrekt:

5.2.1.

veroordeelt Eurema tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van

[verweerder] tot op heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra en is in het openbaar uitgesproken.