Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:458

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-01-2015
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
C-03-199713 - KG ZA 14-688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Zorgovereenkomst met woonruimte. De woonruimte is ter beschikking gesteld uitsluitend met het doel om de overeengekomen woonbegeleiding te faciliteren ten behoeve van een zorgovereenkomst. Het zorgreglement vormt de overheersende factor en is de essentie van de rechtsverhouding tussen partijen. In verband met de beëindiging van de begeleiding is er tevens een einde gekomen aan de in dat kader ter beschikking gestelde woonruimte en mist de zorgbehoevende in casu de bescherming die wordt geboden door de wettelijke huurbepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/199713 / KG ZA 14/688

Vonnis in kort geding van 21 januari 2015

in de zaak van

de stichting

STICHTING RIMO,

gevestigd te Heerlen,

eiseres,

advocaat mr. R.W. Janssen te Heerlen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.E.L. Teerling te Heerlen.

Partijen zullen hierna Rimo en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de door Rimo overgelegde producties 12 t/m 14

- de mondelinge behandeling waarbij Rimo overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota heeft gepleit en [gedaagde] mondeling verweer heeft gevoerd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is van 11 juli 2013 tot 27 september 2013 in de crisisopvang van Rimo, locatie Heugderlicht te Landgraaf opgenomen in welk kader [gedaagde] het door Rimo gehanteerde “Informatie en Huisreglement CRISISOPVANG “HET HEUGDERLICHT” te Landgraaf” heeft ondertekend. Rimo heeft [gedaagde] daarop in huis opgenomen en is samen met haar op zoek gegaan naar een geschikt vervolgtraject. Aangezien dat binnen de reguliere periode van crisisopvang niet is gelukt, is tussen Rimo en [gedaagde] op 27 september 2013 een zogenoemde woonovereenkomst met begeleiding gesloten die voor de duur van de begeleidingsperiode - gemiddeld 9 maanden - in woontraining, dat wil zeggen zowel opvang als zorg, voorziet. Op deze overeenkomst is het begeleidingscontract van 27 september 2013 van toepassing.

2.1.1.

Rimo heeft vervolgens in het kader van het vervolgtraject talrijke pogingen ondernomen om [gedaagde] verder te helpen met haar (zelfstandig) bestaan doch [gedaagde] weigert om deel te nemen aan dagbesteding, aan sociale vaardigheidstraining en aan doorstroommogelijkheden. Rimo heeft in januari 2014 met [gedaagde] een bezoek gebracht aan woonvoorziening De Hoeve teneinde een doorstroming naar deze voorziening te bewerkstelligen, maar [gedaagde] weigerde deel te nemen aan een rondleiding aldaar. Verder heeft [gedaagde] in april 2014 een aangeboden plek in woonvorm Heiveld geweigerd, in mei 2014 de ondertekening van de aanmelding bij het wijkteam van Mondriaan geweigerd waardoor de beschermde woonvorm door Mondriaan van de hand werd gewezen, in augustus 2014 geweigerd om samen met Rimo naar een vrijstaande zelfstandige woning te gaan kijken, in september 2014 medewerking aan een noodzakelijk onderzoek van de met haar besproken optie zeer moeilijk plaatsbare (ZMP) geweigerd en in oktober 2014 aanvaarding van de samen met Rimo bezochte zorgflat in Heerlen geweigerd.

2.2.

Aangezien [gedaagde] niet meewerkt aan de geboden zorg en een zorg mijdende houding aanneemt heeft Rimo haar bij brief van 5 oktober 2014 een limiet (tot 5 november 2014) aan haar verblijf op de woontraining gesteld.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

Rimo vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot ontruiming van de door [gedaagde] gebruikte ruimte(n) op de locatie Heugderlicht te Landgraaf.

3.2.

Rimo legt aan haar vordering ten grondslag dat in Heugderlicht plek is voor 18 personen dat er op dit moment 12 mensen zijn opgenomen. De woonvoorziening (een eigen kamer) is aan [gedaagde] ter beschikking gesteld om haar te begeleiden naar meer zelfstandig functioneren. Nu de termijn voor de woontraining ruimschoots is overschreden en [gedaagde] zorg weigert c.q. mijdt, verblijft zij al veel te lang op haar kamer die uitsluitend bestemd is voor woontraining. Hierdoor en door haar weigering om de door Rimo aangeboden woningen te bezoeken of te aanvaarden houdt zij een kostbare plek bezet die bestemd is voor een persoon die dringend hulp en begeleiding van Rimo behoeft.

3.2.1.

De vaststaande feiten, in samenhang bezien met de niet, althans onvoldoende, weersproken stelling van Rimo als vermeld in r.o. 3.2. en met de verklaring van [gedaagde] ter mondelinge behandeling dat zij geen zorg wenst, dat er geen indicatie voor zorg voor haar bestaat en dat zij geen behoefte aan zorg heeft omdat zij haar hele leven al zelfstandig functioneert, maakt dat het verweer van [gedaagde], dat er genoeg kamers in Heugderlicht leeg staan waardoor Rimo geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft, geen doel treft. [gedaagde] gaat daarbij bovendien voorbij aan de onweersproken stelling dat op de afdeling waar zij verblijft - woontraining - geen kamers vrij zijn.

3.3.

De verweren van [gedaagde], dat de gesloten overeenkomst onder het huurrecht valt, dat haar dientengevolge huurbescherming toekomt, dat Rimo geen opzeggingsgrond in haar schrijven van 5 oktober 2014 heeft genoemd waardoor deze onrechtmatig is geschied en dat de gevorderde voorziening in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, treffen evenmin doel.

3.3.1.

Met Rimo is de voorzieningenrechter het eens dat de tussen Rimo en [gedaagde] gesloten overeenkomst hooguit een overeenkomst naar aard van korte duur is. Rimo heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de opzet en de inhoud van de woonovereenkomst er op zijn gericht dat het zorgelement (de afspraken omtrent de begeleiding naar zelfstandig wonen) de overheersende factor van de overeenkomst vormt, dat dit de bedoeling van beide partijen was en dat dit dus de essentie van hun rechtsverhouding vormt. [gedaagde] was ermee bekend, althans zij had kunnen en moeten begrijpen, dat Rimo de onderwerpelijke woonruimte niet aan haar verhuurde als reguliere huurder maar aan haar in haar hoedanigheid van cliënte van Rimo en dat Rimo de woonruimte tegen betaling aan haar ter beschikking heeft gesteld uitsluitend met het doel om de overeengekomen woonbegeleiding te faciliteren en op die manier [gedaagde] te leren om (weer) zelfstandig te kunnen wonen en niet alleen maar/of primair om te wonen. Het voorgaande wordt versterkt met het feit dat [gedaagde] zich door het sluiten van de woonovereenkomst op voorhand bereid heeft verklaard om na afloop van het begeleidingstraject dan wel na tussentijdse begeleiding daarvan de voorziening te ontruimen. Rimo mocht in dit geval verwachten dat [gedaagde] bij het einde van de begeleiding geen aanspraak zou maken op behoud van enig (huur)recht en op voortzetting van de woonovereenkomst. In de door [gedaagde] getekende woonovereenkomst wordt bovendien uitdrukkelijk (in artikel 6) verwezen naar het door partijen te tekenen begeleidingscontract. De omstandigheid dat [gedaagde] dat begeleidingscontract vervolgens niet heeft willen tekenen doet hier niet aan af.

3.3.2.

Nu Rimo voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de zorg mijdende houding van [gedaagde] geen mogelijkheid meer ziet om het overeengekomen begeleidingstraject voort te zetten en [gedaagde] geen belang heeft- anders dan een in casu onvoldoende onderbouwd algemeen woonbelang - dat zich zou verzetten tegen toewijzing van de gevorderde voorziening en meermaals heeft gesteld dat zij zo spoedig mogelijk weg wil bij Rimo en geen zorg behoeft, kan het niet zo zijn dat de tussen partijen gesloten woonovereenkomst intact blijft c.q. niet kan worden beëindigd vanwege de door [gedaagde] gestelde huurbescherming. Dat [gedaagde] de voorgelegde overeenkomsten “begeleidingscontract”, “zorgleveringsovereenkomst” en “huisregels Woontraining” niet heeft ondertekend maakt voormeld oordeel niet anders.

3.3.3.

Het vorenoverwogene leidt tot het voorlopige oordeel dat in een bodemprocedure waarschijnlijk bevestigend zal worden beantwoord dat in verband met de beëindiging van de begeleiding er tevens (op 5 november 2014) een einde is gekomen aan de in dat kader aan [gedaagde] ter beschikking gestelde woonruimte en dat [gedaagde] in casu de bescherming die wordt geboden door de wettelijke huurbepalingen mist.

3.3.4.

In dat kader komt de voorzieningenrechter niet toe aan (verdere) beoordeling van de stelling van [gedaagde] dat Rimo geen opzeggingsgrond in haar schrijven van 5 oktober 2014 heeft vermeld. De stelling van [gedaagde] dat de verzochte voorziening in strijd met de redelijkheid en billijkheid is gaat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet op. De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat Rimo onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde], bij gebreke van een alternatief, een plaatsing binnen de dag- en nachtopvang van “De Klomp” kan accepteren en bij die opvang reeds voor een intake is aangemeld.

3.4.

Ter zitting is door Rimo te kennen gegeven dat zij niet hechten aan een proceskostenveroordeling en dat zij 1 maart 2015 als de uiterlijke ontruimingsdatum ook acceptabel zou vinden. Mede gelet daarop zal over de proceskosten en de termijn voor ontruiming worden beslist als hierna vermeld.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 1 maart 2015 Rimo in het vrije bezit te stellen van de door haar gebruikte ruimte(n) op de locatie Heugderlicht te Landgraaf aan [adres], en wel door deze ruimte(n) geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan Rimo op te leveren, met machtiging aan Rimo indien [gedaagde] in gebreke is met volledige voldoening om de verlating en ontruiming en het verlaten en ontruimd te houden zelf op kosten van [gedaagde] te bewerkstelligen,

4.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.1

1  type: TY