Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4381

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2499u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser, is een besluit dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Een volle, inhoudelijke toets van dat besluit is binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk. Daarbij komt dat de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat deze verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Verweerder heeft daardoor bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid, is erin gelegen dat verweerder bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Gelet hierop hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling, wordt bij de matching uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en is bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van bovengenoemde avv zodanige ernstige feilen kleven dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden.

De indeling van de korpsfunctie van eiser in het domein Ondersteuning houdt stand. Eiser heeft vervolgens niet betwist dat, bij toekenning van dit domein, het vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen het meest passend is. Voor de bepaling van de meest vergelijkbare functie is vervolgens de salarisschaal van de korpsfunctie bepalend. Daarmee is de toekenning van de LNFP-functie Bedrijfsvoeringspecialist D, niet onhoudbaar.

Ten slotte leidt het toepassen van de Regeling en de transponeringstabel niet tot onbillijkheden van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 2499

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. F.W.J. van der Steen, mr. C.L.G.M. van de Walle, en F.J.H. Gunther).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) toegekend en bepaald dat eiser op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie ‘Bedrijfsvoeringspecialist D’, gewaardeerd in salarisschaal 12.

Bij besluit van 31 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser was vóór de overgang naar het LFNP werkzaam als senior beleidsmedewerker bij de afdeling Beleid, Onderzoek en Controle (BOEC) van het (voormalige) korps Limburg-Noord. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Het bestaande systeem van duizenden verschillende regionale functies wordt vervangen door één stelsel van 92 landelijke functies, onderverdeeld naar domeinen en vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten, het LFNP genaamd. De invoering van het LFNP vindt plaats in meerdere stappen en wordt beschreven in de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling), vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (Minister) op 8 mei 2013 en gepubliceerd in de Staatscourant van 22 mei 2013, nr. 13141. Allereerst zijn de uitgangsposities van alle politieambtenaren in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 vastgesteld (zie artikel 2 van de Regeling). De uitgangspositie is omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de korpsfunctiebeschrijving(en) en de extra werkzaamheden, bijzondere situaties, afspraken, of specifieke werkzaamheden (taakaccenten) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011, zoals vastgelegd in een besluit. Bij het vaststellen van de uitgangsposities is aan iedere politieambtenaar de mogelijkheid tot functieonderhoud geboden. Vervolgens zijn de korpsfunctiebeschrijvingen organiek gematcht met functies uit het LFNP (zie artikel 3 van de Regeling). Hierbij zijn, conform de beleidsregel Instructie organieke matching (beleidsregel), ook de extra werkzaamheden en specifieke werkzaamheden, zoals deze in de uitgangspositie zijn vastgelegd, betrokken. De resultaten van deze matching zijn vastgelegd in een transponeringstabel, die als bijlage bij de Regeling is gevoegd en gelijktijdig is gepubliceerd. De bijlage is sindsdien een aantal keer vervangen door een gewijzigde transponeringstabel, welke wijzigingen eveneens zijn gepubliceerd in de Staatscourant. Ten slotte zijn op basis van de uitgangsposities en de transponeringstabel LFNP-functies toegekend aan alle politieambtenaren en zijn zij, met ingang van 1 januari 2012, overgegaan naar de LFNP-functie die overeenkomt met de match, behorend bij de uitgangspositie zoals die gold op de peildatum van 31 december 2011 (zie artikel 5 van de Regeling).

2. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft verweerder eisers uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie vastgesteld als de korpsfunctie ‘Senior Beleidsmedewerker BOEC’. Bij aanvullend besluit van 27 februari 2012 heeft verweerder besloten eisers uitgangspositie niet aan te vullen met taakaccenten, omdat eiser geen inventarisformulier taakaccenten had overgelegd. Eiser heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen ingesteld.

3. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 14 mei 2013 aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt inzake zijn toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Hierin heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn de functie van eiser, zoals die gold op 31 december 2011, over te laten gaan naar de LFNP-functie ‘Bedrijfsvoeringspecialist D’, met als werkterrein “Control”. De door eiser ingediende bedenkingen hebben geen wijziging gebracht in het voornemen van verweerder.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald welke LFNP-functies worden toegekend voor eisers uitgangsposities over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 en dat eiser op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie Bedrijfsvoeringspecialist D, met het werkterrein Control.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

6. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt daartoe allereerst dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Daarnaast is eiser van mening dat, in zijn specifieke geval, de transponeringstabel niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift (avv), nu het gaat om de matching van een unieke korpsfunctie. Voorts is eiser van mening dat zijn korpsfunctie ten onrechte in het domein Ondersteuning gematcht is. Dit zou het domein Uitvoering moeten zijn. Verweerder heeft bij de matching ten onrechte geen rekening gehouden met de context van de organisatie als geheel, het daarbij horende organigram, de formatie en bijbehorende functies. Volgens de beleidsregel worden stukken als korpsformatieplannen en organogrammen wel verzameld ten behoeve van de matching. Het is dan vreemd dat dergelijke stukken niet worden meegenomen in de matchingsbeslissing. Binnen de organisatie van het (voormalige) korps Limburg-Noord waren er namelijk twee soorten beleidsmedewerkers. Binnen de zogenaamde PIOFACH-afdelingen (personeel, informatie, organisatie, financiën, automatisering, communicatie en huisvesting) waren de afzonderlijke beleidsmedewerkers belast met bedrijfsvoeringwerkzaamheden. Binnen de afdeling BOEC en de districten waren de afzonderlijke beleidsmedewerkers echter belast met werkzaamheden die de politietaak betreffen. Deze scheiding wordt bevestigd door het feit dat de PIOFACH-medewerkers ondergebracht zullen worden in het nieuw in te richten Politie Diensten Centrum (PDC). De betreffende medewerkers beschikten, in tegenstelling tot eiser, in verband met deze overgang naar het PDC in het kader van de in 2013 gehouden verkiezingen van de ondernemingsraden in de eenheid Limburg wel over actief, maar niet over passief kiesrecht. Volgens eiser is het kiesrechtoverzicht een van de zijde van de werkgever gedane formele en op rechtsgevolg gerichte mededeling aan alle medewerkers over of men in de leiding, de uitvoering of de ondersteuning werkzaam is en daar te zijner tijd ook zal worden geplaatst. Eiser heeft op deze mededeling mogen vertrouwen en hieraan de conclusie mogen verbinden dat zijn korpsfunctie binnen het domein Uitvoering gematcht zou worden. Dat eiser werkzaam is binnen het domein Uitvoering blijkt ook uit zijn korpsfunctiebeschrijving, waarin bij de niveaubepalende elementen staat opgenomen: “Zeer zelfstandige behandeling complexe beleidsvraagstukken en leiden van projecten op het terrein van politiële bedrijfsvoering”. Politiële bedrijfsvoering gaat over de aansturing en de uitvoering van de politietaak en past daarmee binnen het domein Uitvoering. Voorts zijn ook de taken van eiser als Hoofd Ordehandhaving, Hoofd Ondersteuning van de Staf Grootschalig en Bijzonder Politieoptreden en Compagniecommandant van de mobiele eenheid belangrijke indicatoren dat de functie van eiser binnen het domein Uitvoering valt. Eiser was voor 25% van zijn tijd belast met operationele taken en dit blijkt ook uit verschillende aanstellingsbesluiten. Indien de korpsfunctie van eiser was ingedeeld in het domein Uitvoering was volgens eiser de LFNP-functie Operationeel Specialist E, met salarisschaal 13, het meest vergelijkbaar geweest. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving, met de daarin vermelde niveaubepalende elementen en eisen, sluit immers aan bij een wetenschappelijk werk- en denkniveau en een academische opleiding. Gelet hierop bevreemdt de keuze voor een ‘niveau D-functie’, en is deze keuze onvoldoende gemotiveerd. Verweerder gaat niet in op een inhoudelijke vergelijking van de functie-elementen van de korpsfunctie met de ‘specialisme-functies’ op D- en E-niveau. Ten onrechte is bij de matching een te zwaar gewicht toegekend aan de functieschaal. De redactie van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Regeling vermeldt de woorden “wordt beschouwd”, hetgeen een andere juridische betekenis heeft dan als er gekozen zou zijn voor het woord “is”. Daarbij komt dat de wijziging gedurende de invoering van het LFNP, van matching op basis van de inhoud van de korpsfunctie, naar matching op basis van de salarisschaal, in strijd is met de rechtszekerheid.

Het werkterrein Control matcht niet met eisers korpsfunctiebeschrijving, nu de hoofdbestanddelen van zijn functie betrekking hebben op beleidsontwikkeling, beleidsondersteuning, advisering, begeleiding, projectleiding, en contacten, terwijl Control in haar hoofdbestanddelen spreekt over toetsing van een effectieve en efficiënte inzet van mensen en middelen ten opzichte van de gestelde doelen, toepassing van het gestelde organisatiebeleid en tijdige levering van en inhoudelijke kwaliteit van management informatievoorziening.
Ten slotte is eiser van mening dat de besluitvorming onvoldoende draagkrachtig en duidelijk is gemotiveerd. Van een deugdelijke belangenafweging is geen sprake geweest. Ook is verweerder ten onrechte niet ingegaan op de aanbevelingen van het hoorkoppel. In dit verband gold voor verweerder een verzwaarde motiveringsplicht.

7. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Zoals reeds overwogen in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:2056) lijdt het bestreden besluit niet aan een bevoegdheidsgebrek. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband op dat er geen sprake is van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en van de situatie dat het bestreden besluit is genomen door een gemandateerde ambtenaar die ondergeschikt is aan de ambtenaar die het primaire besluit in mandaat heeft genomen.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, zoals overwogen in bovengenoemde uitspraak van 11 maart 2015, de transponeringstabel niet valt aan te merken als een avv. In hetgeen verweerder ter zitting in dit verband naar voren heeft gebracht, wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.

9. De rechtbank overweegt dat de transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser een besluit is dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Dit brengt met zich dat een volle, inhoudelijke toets van dat besluit binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk is. Daarbij komt dat, hoewel de transponeringstabel geen avv is, de Regeling wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat de Regeling door middel van het daarin neergelegde artikel 5, derde lid, verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Gelet op deze regelgeving enerzijds en de hiërarchische verhoudingen tussen verweerder en de Minister anderzijds, heeft verweerder bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid binnen het onderhavige geding, is erin gelegen dat verweerder, zoals hij ook ter zitting heeft toegelicht, bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Het gaat hier om de zogeheten korpscheck. Ook had verweerder de mogelijkheid om naar aanleiding van ingediende bedenkingen of naar aanleiding van het bezwaarschrift de match opnieuw voor te leggen.

10. Gelet op het bovenstaande hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er sprake kan zijn van een door de individuele ambtenaar onwenselijk geachte matchingsuitkomst die een direct gevolg is van de matchingsystematiek van het LFNP, zoals deze blijkt uit de van toepassing zijnde avv’s. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd. Indien er geen sprake is van een kennelijk onhoudbare match, zoals hierboven bedoeld, zal de enkele omstandigheid dat de match onbillijke of zwaarwegende gevolgen heeft voor de individuele ambtenaar in beginsel niet voldoende zijn voor het oordeel dat verweerder zich niet gebonden heeft kunnen achten aan de toepasselijke transponeringstabelregel. Immers, hiervoor is reeds de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, in het leven geroepen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het hierboven beschreven toetsingskader, de match van eisers oorspronkelijke korpsfunctie met de LFNP-functie Bedrijfsvoeringspecialist D niet kennelijk onhoudbaar.

12. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat, ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling, bij de matching wordt uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en dat bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend is. De Minister heeft er van meet af aan voor gekozen de formele (schriftelijke) korpsfunctiebeschrijving als uitgangspunt voor de matching te hanteren. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat in het voortraject de mogelijkheid van functieonderhoud is opengesteld. Immers, indien feitelijke werkzaamheden het uitgangspunt zouden vormen bij de matching, was het vragen om functieonderhoud niet nodig geweest. Van matching op basis van feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden is aldus nooit sprake geweest. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat er op dit punt sprake is van zodanige ernstige feilen dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden, volgt de rechtbank dit niet. Voorts is thans geen sprake van matchingssystematiek waarbij louter de salarisschaal een rol speelt. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving is immers bepalend voor de indeling in het toepasselijke domein en vakgebied. De LFNP matchingssystematiek is enkel gewijzigd voor wat betreft het vinden van de meest vergelijkbare functie binnen het vakgebied, omdat bleek dat matching op inhoud niet leidde tot consistentie van het totale matchingsproces, hetgeen bij de aanvang van de matching een uitdrukkelijke voorwaarde was. Deze wijziging van de LFNP matchingssystematiek leidt niet tot het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van het avv ernstige feilen kleven en dat verweerder zich niet meer gebonden had moeten achten aan de van toepassing zijnde transponeringstabelregel. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is evenmin sprake nu voor de toekenning van de LFNP-functie nog steeds de inhoud van de korpsfunctiebeschrijving voor een groot deel bepalend is. De totstandkoming van de LFNP matchingssystematiek en de gehele procedure van matching heeft bovendien in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) plaatsgevonden. Ook de genoemde wijziging is geaccordeerd door het GOP en heeft uiteindelijk geleid tot het vaststellen van de Regeling (en de transponeringstabel). Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) is het inherent aan een overleg binnen het GOP dat over en weer sprake is van geven en nemen en kan de uitkomst daarvan niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de individuele ambtenaar nadelige gevolgen daarvan (zie de uitspraken van de Raad van 27 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:572) en 27 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1023).

13. Dat eiser door de bovengenoemde wijze van matching nadeel ondervindt doordat bij het bepalen van de meest vergelijkbare LFNP-functie geen waarde wordt gehecht aan niveaubepalende elementen uit zijn korpsfunctiebeschrijving, zoals het hieruit blijkende academische werk- en denkniveau, heeft voor verweerder aldus geen aanleiding hoeven zijn om niet langer uit te gaan van een op basis van artikel 3, vierde lid, van de Regeling tot stand gekomen match. In dit verband merkt de rechtbank verder op dat de lezing van eiser van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Regeling niet wordt gevolgd. De enkele omstandigheid dat in dit artikel de woorden “wordt beschouwd” worden gebruikt in plaats van “is”, maakt niet dat sprake is van ruimte voor een verdere belangenafweging. De redactie van dit artikel zelf, de toelichting bij het artikel, noch hetgeen wordt vermeld in de beleidsregel, geeft aanleiding voor deze conclusie. Enkel wanneer het toepasselijke vakgebied geen LFNP-functie met de juiste salarisschaal kent, is er ruimte om een andere (de naast hogere of naast lagere) LFNP-functie te kiezen als de meest vergelijkbare functie.

14. De rechtbank overweegt voorts dat het betoog van eiser dat hij ten onrechte binnen het vakgebied Ondersteuning is gematcht, niet kan slagen. Zoals hierboven overwogen en zoals ook blijkt uit de beleidsregel is de inhoud van de formele korpsfunctiebeschrijving leidend bij het bepalen van het meest vergelijkbare domein en vakgebied. Hoewel de rechtbank niet uitsluit (zie in dit verband ook de toelichting en het hulpmateriaal bij stap 5 van de beleidsregel) dat mogelijk bij twijfelgevallen de plek van de korpsfunctie in de organisatie, zoals deze blijkt uit schriftelijke stukken als organogrammen of formatieplannen, een (ondergeschikte) rol kan spelen bij de matching, zullen in beginsel in de korpsfunctiebeschrijving zelf de aanknopingspunten voor het juiste domein gevonden moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de inhoud van de korpsfunctiebeschrijving van eiser niet worden geoordeeld dat de match met het domein Ondersteuning onhoudbaar is. Anders dan eiser betoogt kan niet uit de daarin beschreven werkzaamheden worden afgeleid dat er sprake is van een (meer dan beperkte) directe bijdrage aan de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding), de openbare orde, en aan de veiligheid en leefbaarheid in de samenleving. Nergens wordt gesproken over het ondersteunen van of deelnemen aan de uitvoeringspraktijk. Wel wordt gesproken over kwaliteitszorg en control, het adviseren van de chef BOEC omtrent (de uitvoering van) strategische beleidsaspecten (beheer en beleid), het adviseren en ondersteunen van (regionale) doelstellingen naar beleidsplannen en activiteitenplannen, het hebben van aantoonbare kennis en inzicht in ambtelijke en politiek bestuurlijke structuren en verhoudingen en het hebben van ruime ervaring in het ontwikkelen en begeleiden van implementatie van beleidsinstrumenten binnen de kaders van de organisatiefilosofie en –doelstellingen. Dit zijn functiekenmerken die te verenigen zijn met het domein Ondersteuning. Ditzelfde geldt ook voor de politiële bedrijfsvoering waarover in de korpsfunctiebeschrijving wordt gesproken. De vergelijking moet in dit verband worden getrokken met het begrip ‘politiële beleidsvorming’. In het geval van eiser ligt de nadruk niet op de ondersteuning van de uitvoeringspraktijk met beleidsontwikkeling, maar op het bijdragen aan een efficiënte en effectieve organisatie door ondersteuning van de bedrijfsvoering. De rechtbank verwijst in dit verband naar pagina 57 en verder van de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding).

15. Voorts maken de door eiser uitgeoefende werkzaamheden als Hoofd Ordehandhaving, Hoofd Ondersteuning van de Staf Grootschalig en Bijzonder Politieoptreden en Compagniecommandant van de mobiele eenheid, niet dat eiser alsnog gematcht zou moeten worden binnen het domein Uitvoering. Eiser heeft deze werkzaamheden niet met de door hem aangehaalde aanstellingsbesluiten onderbouwd en deze zijn niet opgenomen in eisers korpsfunctiebeschrijving. Indien eiser van mening was geweest dat deze werkzaamheden een wezenlijk en substantieel onderdeel uitmaakten van zijn korpsfunctie had hij in dit verband om functieonderhoud moeten vragen en eventueel, bij een afwijzende beslissing van verweerder, rechtsmiddelen moeten instellen. Thans staat de korpsfunctiebeschrijving, als uitgangspunt voor de matching, in rechte vast en kan deze niet met de gestelde uitvoerende/operationele werkzaamheden worden aangevuld. Voorts zijn de door eiser genoemde werkzaamheden ook niet als specifieke of extra werkzaamheden opgenomen in het (aanvullend) besluit uitgangspositie en heeft eiser hiertegen geen rechtsmiddelen ingesteld. Het betoog van eiser ter zitting dat hij in dit verband door verweerder op het verkeerde been is gezet en dat hij vanwege een brief van verweerder hiervan heeft afgezien, volgt de rechtbank niet bij gebrek aan onderbouwing. De rechtbank ziet in dit verband aanleiding op te merken dat volgens de matchingssystematiek, zoals deze is neergelegd in de stappen 9 en 9a van de beleidsregel, overige werkzaamheden zoals die blijken uit het (aanvullend) besluit uitgangspositie enkel kunnen leiden tot de toekenning van een werkterrein, aandachtsgebied of specifieke functionaliteit, maar niet tot een ander domein of vakgebied. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit beleid onredelijk of anderszins onjuist te achten.

16. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel en de verwijzing naar het kiesrechtoverzicht voor de ondernemingsraadverkiezingen niet slaagt. Voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel geldt als maatstaf dat er sprake moet zijn van aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen, gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Uit de enkele vaststelling van het toepasselijke kiesrecht bij ondernemingsraadverkiezingen kunnen geen vergaande conclusies worden ontleend over de indeling in een bepaald domein in het kader van de LFNP-matching. Van een concrete, ondubbelzinnige toezegging (gedaan door een bevoegd persoon), dan wel van gerechtvaardigd vertrouwen, is geen sprake.

17. Gelet op het bovenstaande houdt de indeling van de korpsfunctie van eiser in het domein Ondersteuning stand. Eiser heeft vervolgens niet betwist dat, bij toekenning van dit domein, het vakgebied Bedrijfsvoeringspecialismen het meest passend is. Zoals overwogen onder 12 is voor de bepaling van de meest vergelijkbare functie vervolgens de salarisschaal van de korpsfunctie bepalend. Daarmee is de toekenning van de LNFP-functie Bedrijfsvoeringspecialist D, niet onhoudbaar.

18. Vervolgens ziet de rechtbank, mede gelet op haar terughoudende toets, geen aanleiding om het toegekende werkterrein Control onhoudbaar te achten. Immers, in de korpsfunctiebeschrijving wordt meermaals het begrip ‘control’ gebezigd. Dat er collega’s zijn die zich in verdergaande mate (fulltime) met control-taken bezighouden, betekent niet dat dergelijke werkzaamheden geen (beperkt) onderdeel van eisers taken uitmaken. Eiser heeft voorts niet met objectieve documenten onderbouwd dat dit niet het geval is.

19.
Ten aanzien van het beroep van eiser op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, overweegt de rechtbank als volgt.

20. Nu het gaat om een hardheidsclausule en, daarbij, om het afwijken van artikel 5, derde lid, van de Regeling en van een hem bindend besluit van een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan, is de rechtbank van oordeel dat de uitoefening van deze bevoegdheid door verweerder eveneens slechts terughoudend dient te worden getoetst.

21. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het betoog van eiser dat zijn werkzaamheden niet overeenkomen met de LFNP-functie Bedrijfsvoeringspecialist D, maar beter passen bij de functie van Operationeel Specialist E, ook in het kader van de hardheidsclausule niet tot een geslaagd beroep. Van een kennelijk onjuiste of onhoudbare match is, zoals hiervoor reeds overwogen, geen sprake en volgens vaste jurisprudentie maakt de enkele omstandigheid dat een andere functie ook passend zou zijn, nog niet dat de toegekende functie onhoudbaar moet worden geacht. Eiser heeft bovendien niet voldoende (met objectieve documenten) onderbouwd dat zijn feitelijke werkzaamheden enkel passen binnen het domein Uitvoering en dat zijn korpsfunctie inhoudelijk enkel vergelijkbaar zou zijn met de LFNP-functie Operationeel Specialist E. De rechtbank overweegt in dit verband dat de hardheidsclausule zich niet leent voor het herstellen van (vermeende) gebreken in de korpsfunctiebeschrijving, veroorzaakt door het niet verzoeken om functieonderhoud.

22. Ten slotte ziet de rechtbank in de omstandigheid dat eiser thans formeel een functie op Hbo-niveau zal gaan uitoefenen, waar hij voorheen formeel een functie op academisch niveau had, geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Met de, in overleg met het GOP gekozen wijze van matchen, waarbij als laatste stap wordt gematcht op schaal, in combinatie met de wijze waarop het nieuwe functiegebouw is vormgegeven in vergelijking met de oude korpsfunctiegebouwen, heeft de Minister immers bewust de mogelijkheid aanvaard dat medewerkers die voorheen werkzaam waren in een functie met als eis een academisch werk- en denkniveau thans geplaatst zullen worden in een functie waarbij die eis niet meer wordt gesteld, en waarin wellicht ook op termijn (enigszins) afwijkende werkzaamheden van hen gevraagd zullen worden.

23. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van de Regeling en de transponeringstabel niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Eiser is op basis van zijn uitgangspositie gematcht met de LFNP-functie van Bedrijfsvoeringspecialist D en de gevolgen die het bestreden besluit voor eiser heeft vloeien in grote mate rechtstreeks voort uit de toepasselijke regelgeving. Deze gevolgen zijn niet dermate bijzonder dat verweerder op grond daarvan de hardheidsclausule redelijkerwijs had moeten toepassen.

24. Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Nu, zoals overwogen onder 9 en 10, de op eiser van toepassing zijnde transponeringstabelregel niet een besluit is dat door verweerder is genomen en hij zelf hieraan ook in ruime mate is gebonden, kan van verweerder niet worden verlangd dat hij de gemaakte match motiveert als ware het een eigen besluit. Naar het oordeel van de rechtbank moet de motivering van de match met name worden gevonden in het functievergelijkingsformulier dat verweerder aan eiser heeft doen toekomen. Deze motivering houdt, gelet op de overwegingen 12 tot en met 15, stand. Verweerder is, gelet hierop, voldoende tegemoet gekomen aan de aanbevelingen van het hoorkoppel door te overwegen dat de invoering van het LFNP geschiedt binnen landelijke kaders die tussen de Minister en de vakorganisaties zijn afgesproken en dat hij binnen deze kaders niet de ruimte heeft om een ander besluit te nemen. Ten slotte ziet de rechtbank geen aanleiding om de (summiere) motivering van verweerder in het kader van de hardheidsclausule onvoldoende te achten, gelet op de terughoudende toets die de rechtbank in dit verband hanteert.

25. Het beroep is ongegrond.

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.M.M. Gijselaers (voorzitter), en mr. A.W. Oosterman en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. R.A.M.M. Gijselaers,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 27 mei 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.