Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4350

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
C-04-121117 - HA ZA 13-56
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:3677, Overig
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vliegtuigongeval; geen polisdekking bij gebreke van de vereiste licenties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2017/137
AR 2017/4543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/04/121117 / HA ZA 13-56

Vonnis van 27 mei 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. J.B.T. van ‘t Grunewold,

tegen

de vennootschap naar Frans recht

AXA CORPORATE SOLUTIONS ASSURANCE S.A.,

gevestigd te Keulen, Duitsland,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.W.M. Theunissen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en AXA genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak 169971 HA ZA 12-124:

  • -

    de dagvaarding van 30 december 2011 met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van AXA;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het vonnis in incident van de (toenmalige) rechtbank Maastricht van 12 september 2012;

  • -

    de akte na vonnis in het incident van AXA;

  • -

    de antwoordakte na vonnis in het incident houdende de exceptie van onbevoegdheid;

  • -

    het vonnis in incident van de (toenmalige) rechtbank Maastricht van 19 december 2012;

  • -

    het oproepingsexploit van 4 februari 2013;

  • -

    het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 april 2013 strekkende tot afwijzing van het verzoek van AXA om tussentijds hoger beroep in te mogen stellen tegen het vonnis in incident van 19 december 2012;

in de zaak 121117 HA ZA 13-56:

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis, met producties 8 tot en met 17;

  • -

    de antwoordakte eiswijziging;

  • -

    de conclusie van dupliek met productie 6;

  • -

    de akte uitlating productie wederpartij met productie 18 van [eiseres] ;

  • -

    de akte uitlating producties van AXA;

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s;

  • -

    de akte overlegging productie van AXA met productie 7.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In juni 2009 is tussen partijen een verzekeringsovereenkomst gesloten ten behoeve van het vliegtuig van het model Pilatus PC-12/47E met kenmerk PH-RUL, een eenmotorig propellervliegtuig.

2.1.1.

Op 16 oktober 2009 was een zakelijke vlucht vanaf vliegveld Budel naar vliegveld Egelsbach, Duitsland, gepland. Om 8:24 uur is het toestel, ongeveer twee minuten na de start, neergestort. Daarbij zijn de piloot [de piloot] (toen bestuurder van [eiseres] ) en zijn passagier om het leven gekomen. Het vliegtuig met een verzekerde waarde van $ 4.200.000,-- is daarbij volledig vernield.

2.1.2.

[eiseres] heeft bij schadeformulier van 23 oktober 2009 (productie 2 bij conclusie van antwoord van AXA) aanspraak gemaakt op een verzekeringsuitkering. Axa heeft een expert benoemd, die op 5 februari 2010 heeft gerapporteerd (productie 3 bij conclusie van antwoord van AXA). Voorts heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval en een rapport (productie 7 van [eiseres] ) uitgebracht.

2.2.

AXA heeft geoordeeld dat [eiseres] geen rechten aan de verzekeringsovereenkomst kan ontlenen, omdat de piloot op het moment van het ongeval niet over de vereiste licenties beschikte.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat- veroordeling van AXA tot:

1. betaling aan [eiseres] van een bedrag van $ 4.150.000 ,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2009 tot de dag van volledige betaling;

2. vergoeding van de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden in verband met de aanspraken van derden op [eiseres] in verband met het ongeval d.d. 16 oktober 2009, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. betaling van € 6.422,-- aan buitengerechtelijke kosten;

4. betaling van proceskosten met rente.

In de conclusie van repliek tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis vordert [eiseres] , voor zover het onder 2 gevorderde niet zou kunnen worden toegewezen, subsidiair een verklaring voor recht dat AXA gehouden is tot uitkering van al hetgeen [eiseres] aan derden zal moeten betalen in verband met het ongeval.

3.2.

AXA voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op de eerste plaats verschillen partijen van mening over de vraag of op de verzekeringsovereenkomst de “Luftfahrt Kasko Versicherungs-bedingungen AVB 400-01” (hierna: de AVB 400) van toepassing zijn geworden. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen (conclusie van antwoord onder 4.2. en conclusie van repliek onder 53) dat zij het erover eens zijn dat de vraag of de AVB 400 van toepassing zijn geworden dient te worden beoordeeld naar Duits recht; beide partijen hebben -onder meer- hierover een legal opinion in het geding gebracht.

4.1.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Eind mei 2009 heeft [de piloot] namens [eiseres] een “Aanvraagformulier voor verzekering van luchtvaartuigen” (productie 1 van [eiseres] ) gezonden naar [A] , Register Adviseur in Assurantiën, werkzaam bij [B] Assurantiën B.V. te [vestigingsplaats B] . [A] heeft deze aanvraag op 29 mei 2000 doorgezonden naar [C] van MAC Finance B.V. te Amersfoort (een verzekeringsmakelaar), zo blijkt uit de desbetreffende e-mail van die datum. Op verzoek van MAC Finance heeft AXA per e-mail van 12 juni 2009 (productie 1 van AXA), gericht aan MAC Finance, een “Angebot zur Luftfahrt-Versicherung” uitgebracht. In die offerte is vermeld dat de AVB 400 van toepassing zijn; voorts is in die e-mail vermeld dat als bijlage -onder meer- zijn meegezonden de AVB 400. Omdat in die offerte als eis werd gesteld dat alle piloten ten minste 250 vlieguren dienen te hebben op een Pilatus PC 12 en [de piloot] daaraan nog niet voldeed, heeft [eiseres] die offerte niet aanvaard. Een tweede offerte van 15/16 juni 2009 (productie 4 van [eiseres] ), waarin deze eis niet meer was opgenomen, is door AXA aan MAC Finance gezonden en blijkens de ondertekening door [de piloot] namens [eiseres] op 16 juni 2009 aanvaard, met als ingangsdatum 12 juni 2009. De “Versicherungsschein” (productie 6 van [eiseres] ), met daarbij -onder meer- de AVB 400, heeft AXA op 25 juni 2009 afgegeven.

4.1.2.

De rechtbank is van oordeel dat de AVB 400 van toepassing zijn geworden op de onderhavige verzekeringsovereenkomst.

Daartoe stelt de rechtbank allereerst vast - [eiseres] heeft zulks ook niet bestreden- dat de AVB 400 blijkens eerdervermelde e-mail reeds bij de eerste offerte van 12 juni 2009 aan MAC Finance zijn gezonden. De door [eiseres] ontwikkelde visie als zou MAC Finance hebben te gelden als hulppersoon van AXA snijdt geen hout. Veeleer moet gezegd worden dat MAC Finance -via [B] - juist te zien is als vertegenwoordiger van [eiseres] . [eiseres] heeft voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomst [B] benaderd, die op zijn beurt MAC Finance heeft ingeschakeld, en MAC Finance was degene die AXA verzocht om de verzekeringsofferte, zulks kennelijk voor [B] en/of [eiseres] . AXA had vóór de ontvangst van dat verzoek nimmer van MAC Finance gehoord, zo is door AXA onweersproken gesteld, en was overigens ook niet op de hoogte van de betrokkenheid van [B] . De omstandigheid dat MAC Finance voor het onderhavige vliegtuig ook een verzekeringsofferte had aangevraagd bij een andere aanbieder van verzekeringen, te weten [D] , zoals afgeleid kan worden uit de e-mail van MAC Finance aan [B] van 16 juni 2009 (productie 3 van [eiseres] ) wijst eveneens sterk in de richting dat MAC Finance optrad namens [B] en/of [eiseres] . Voor zover MAC Finance verzuimd zou hebben -hetgeen de rechtbank overigens onaannemelijk voorkomt- de bij de eerste offerte van 12 juni 2009 door haar ontvangen AVB 400 door te zenden naar [B] en/of [eiseres] , dan wel voor zover [B] verzuimd zou hebben deze door te zenden naar [eiseres] , heeft de toezending van de AVB 400 aan MAC Finance door AXA te gelden als toezending aan [eiseres] , en kan dat verzuim niet voor risico van AXA gebracht worden.

4.1.3.

Voor zover [eiseres] heeft willen doen betogen dat (de verwijzing naar en) de AVB 400 in de Duitse taal waren gesteld en daarom voor [eiseres] niet duidelijk en begrijpelijk zouden zijn geweest treft die stelling geen doel. De rechtbank acht het weinig aannemelijk dat een professionele partij als [eiseres] een verzekeringsovereenkomst met een zodanig substantieel belang als de onderhavige zou willen (en kunnen) afsluiten zonder op de hoogte te zijn van de -in de Duitse taal gestelde- inhoud daarvan. [eiseres] heeft overigens de tweede offerte, eveneens in de Duitse taal gesteld, zonder enig voorbehoud in de persoon van [de piloot] ondertekend hetgeen voldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling dat [eiseres] de Duitse taal en daarmee die offerte in voldoende mate begreep, althans heeft [eiseres] haar stelling dienaangaande niet voldoende onderbouwd, wat op haar weg had gelegen.

Het van toepassing zijn van de AVB 400 impliceert verder dat op grond van paragraaf 15, lid 1 daarvan op de verzekeringsovereenkomst Duits recht van toepassing is.

4.1.4.

Ten aanzien van de algemene voorwaarden is nog het volgende van belang. Het debat tussen partijen over de algemene voorwaarden heeft zich aanvankelijk -met name tijdens de procedure met betrekking tot het bevoegdheidsincident- toegespitst op het al dan niet van toepassing zijn van de AVB 400. De rechtbank begrijpt evenwel uit de conclusie van antwoord onder 2.5, de conclusie van dupliek onder 6.7. en de pleitnotitie van AXA onder 2.1. dat AXA zich tevens beroept op (toepasselijkheid van) de “Luftfahrt Haftpflicht Versicherungsbedingungen” AVB 300-03 (hierna: AVB 300). Nu deze AVB 300 eveneens zijn meegezonden met de e-mail van AXA van 12 juni 2009 aan MAC Finance oordeelt de rechtbank, mutatis mutandis onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.1.2. en 4.1.3., dat deze AVB 300 eveneens van toepassing zijn.

4.2.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de schade van dekking is uitgesloten op basis van hetgeen is bepaald in de AVB 400 (voor wat betreft, zo begrijpt de rechtbank, de cascoschade die door [eiseres] wordt gevorderd onder 1) en in de AVB 300 (voor wat betreft, zo begrijpt de rechtbank, de schade uit hoofde van aansprakelijkheid jegens derden die door [eiseres] wordt gevorderd onder 2 primair en subsidiair).

In de AVB 400, § 1.3.2. is bepaald:

“1. Gegenstand der versicherung

3. Luftfahrzeuge sind nur versichert,

3.2

wenn der/die Führer des Luftfahrzeugs bei Eintritt des Schadenereignisses die vorgeschriebenen Erlaubnissen und erforderlichen Berechtigungen oder wetterbedingte Freigabe hatte/n.

Das Fehlen der Erlaubnisse und Berechtigungen beeinflusst den Versicherungsschutz nicht, wenn das Luftfahrzeug ohne Wissen, Willen und Verschulden des Versicherungsnehmers geführt wurde.”

In de AVB 300, § 4.1.3. is bepaald:

“4. Ausschlüsse

1. Kein Versicherungsschutz besteht

1.3

wenn der/die Führer des Luftfahrzeugs bei Eintritt des Ereignisses nicht die vorgeschriebenen Erlaubnisse, erforderlichen Berechtigungen oder Befähigungsnachweise hatten;”

4.2.1.

[eiseres] stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat de gehele vlucht tot aan het moment van het ongeval werd uitgevoerd onder Visual Flight Regulations (hierna: VFR), over welke vliegbevoegdheid de piloot beschikte.

AXA stelt -kort gezegd- dat op het moment van het ongeval de vlucht werd uitgevoerd onder Instrument Flight Regulations (hierna: IFR), over welke vliegbevoegdheid de piloot niet beschikte.

De rechtbank stelt allereerst vast (Rapport Onderzoeksraad voor Veiligheid, hierna: het Rapport, blz. 8-10) dat de piloot van het vliegtuig, [de piloot] , sedert 10 juli 2007 beschikte over een geldig Nederlands bewijs van bevoegdheid voor privévlieger voor eenmotorige vleugelvliegtuigen. Op 24 juni 2009 verkreeg hij in Nederland de typebevoegdheid PC12, PIC VFR (=gezagvoerder voor vluchten onder VFR (=Visual Flight Regulations)-omstandigheden. Daarnaast beschikte hij sedert 25 april 2008 over een Amerikaans bewijs van bevoegdheid als privévlieger voor eenmotorige landvliegtuigen en instrumentvliegen (IFR=Instrumental Flight Regulations). Sedert 28 april 2009 beschikte hij over de bevoegdheid als privé-vlieger voor helikopters. De piloot wilde op basis van voormelde in Amerika afgegeven bevoegdheid voor vliegen onder IFR tevens de Nederlandse bevoegdheid instrumentvliegen behalen. Op 2 juli 2010 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat een verklaring afgegeven dat de piloot voldeed aan de eisen om de in Amerika afgegeven bevoegdheid instrumentvliegen over te nemen in het Nederlandse bewijs van bevoegdheid indien hij medisch goedgekeurd zou zijn voor klasse II bij een JAA erkend medisch centrum, en hij zou slagen voor een praktische JAR-FCL vliegtest met een eenmotorig vliegtuig tijdens een IFR-vlucht. Aan die twee voorwaarden was ten tijde van de fatale vlucht nog niet voldaan.

Conclusie van het voorgaande is dat de piloot tijdens het ongeval op 16 oktober 2009 in Nederland niet beschikte over de daadwerkelijke bevoegdheid om onder IFR te vliegen.

4.2.2.

Met betrekking tot de oorzaak van het ongeval concludeert de Onderzoeksraad (blz. 25) als volgt:

“Hoewel een technische of medische oorzaak niet volledig kan worden uitgesloten, is de meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval, het verlies van controle over de besturing van het vliegtuig door de bestuurder als gevolg van ruimtelijke desoriëntatie tijdens het vliegen in de bewolking.

Daarbij hebben de volgende factoren een rol gespeeld:

-Het uitvallen van de automatische piloot kort na de start.

-De hogere werkbelasting na het uitvallen van de automatische piloot, met name omdat de piloot de enige bestuurder was.

-Het gebrek aan training en ervaring van de bestuurder om een geavanceerd vliegtuig, zoals de PC-12/47E, tijdens een afwijkende situatie, onder instrumentvliegomstandigheden met de hand te besturen.”

4.2.3.

Het luchtruim rondom vliegveld Budel is tot een hoogte van 1200 voet ongecontroleerd luchtruim, classificatie G. De minimum waarden voor VFR-vluchten in die luchtruimklasse onder 3000 voet zijn: horizontaal zicht minimaal 1500 meter, verticaal zicht op de grond en vrij van wolken (Rapport blz. 12, derde alinea).

De rechtbank begrijpt uit blz. 2, tweede alinea, en voetnoot 5 van het Rapport dat het eerste gedeelte van de vlucht als VFR-vlucht (waarvoor geen vluchtplan nodig is) zou worden uitgevoerd, omdat vliegveld Budel in ongecontroleerd luchtruim ligt. Vervolgens zou het vluchtplan (en de begeleiding door de luchtverkeersleiding Dutch Mil) ingaan als het IFR-gedeelte van de vlucht zou beginnen, hetgeen het geval is bij het binnenvliegen van het gecontroleerd luchtruim. Bij het laatste deel van de vlucht zou weer worden overgaan in een VFR-vlucht.

Op blz. 11 van het Rapport zijn de weergegevens bij vliegveld Budel ten tijde van het ongeval vermeld. Het zicht bedroeg 3000-5000 m, in motregen soms 2000-3000 m en er was 5-8/8 bewolkingsgraad met de basis op 300-400 voet en de top boven 10.000 voet.

De piloot van een vliegtuig dat kort na het verongelukte vliegtuig was opgestegen heeft aangegeven dat de wolkenbasis zich op 750 voet bevond en de top rond 3.000 voet.

Op blz. 20, laatste alinea, van het Rapport is vermeld:

“Uit de weergegevens van de diverse vliegvelden in de omgeving en uit verklaringen blijkt dat het weer op Budel marginaal was, dat wil zeggen dat het weliswaar voldeed aan de VFR-criteria (zicht meer dan 1,5 km, vrij van bewolking en zicht op grond en water) maar dat het zicht en de wolkenbasis niet veel meer waren dan de minima. Omdat de wolkenbasis zich tussen 600 en 800 voet bevond, zou op deze hoogte het IFR-gedeelte van de vlucht moeten aanvangen.”

4.2.4.

Tussen partijen bestaat discussie of bij de beoordeling van de vraag of de piloot heeft gevlogen onder IFR (waartoe hij niet bevoegd was, en waarmee hij en daarmee ook [eiseres] dan niet voldaan zou hebben aan de onder § 1.3.2. van de AVB 400 en § 4.1.3. van de AVB 300 gestelde eisen) een formeel (standpunt [eiseres] ) dan wel een materieel criterium (standpunt AXA) heeft te gelden.

4.2.5.

Volgens [eiseres] dient er onderscheid gemaakt te worden tussen Instrument Meteorological Conditions (IMC) en vliegen onder IFR. Van dat laatste kan eerst sprake zijn wanneer er toestemming is verkregen van de luchtverkeersleiding (Dutch Mil) om onder IFR te vliegen in het gecontroleerde luchtruim, de zogenaamde IFR-klaring. Dat een gedeelte van de vlucht onder IMC-omstandigheden is uitgevoerd doet daar niet aan af volgens [eiseres] . Weliswaar heeft de piloot nog wel om 8:24:27 uur Dutch Mil opgeroepen om die klaring te verkrijgen, maar omdat deze op dat moment in gesprek was werd die oproep niet beantwoord; toen Dutch Mil om 8:24:41 uur vroeg wie haar had opgeroepen, werd hierop niet gereageerd. Om 8:24:52 riep Dutch Mil de piloot van het onderhavige vliegtuig op maar ook daarop werd niet geantwoord. Omstreeks die tijd is het vliegtuig neergestort. Er is dan ook geen contact geweest over de IFR-klaring, derhalve ook geen toestemming verleend, en dus ook niet onder IFR gevlogen, aldus [eiseres] .

4.2.6.

AXA stelt dat het niet relevant is of de piloot toestemming had gekregen om het IFR-gedeelte van de vlucht, dat plaatsvindt onder instrumentomstandigheden, te beginnen. Het feit dat de piloot onder instrumentomstandigheden is gaan vliegen en daartoe ook de intentie had, terwijl hij daartoe niet bevoegd was, leidt ertoe dat er geen polisdekking is. Bepalend zijn de omstandigheden, niet de toestemming aldus AXA.

4.2.7.

De rechtbank merkt op dat uit het Rapport in genoegzame mate blijkt dat het vliegtuig op enig moment -in ieder geval feitelijk- in instrumentomstandigheden (IMC) is terechtgekomen. Dat is overigens tussen partijen ook niet in geschil.

In het Rapport is op blz. 2 ( noot 5) vermeld:

“… de IFR-vlucht begint bij het binnenvliegen van het gecontroleerd luchtruim.”

Op blz. 20, laatste volzin van het rapport is vermeld:

“Omdat de wolkenbasis zich tussen 600 en 800 voet bevond, zou op deze hoogte het IFR-gedeelte van de vlucht moeten aanvangen.”

4.2.8.

Voorts moet worden vastgesteld dat het de piloot, getuige het vluchtplan, hoe dan ook van aanvang af duidelijk is geweest dat hij een vlucht ging uitvoeren onder IFR; verder heeft hij tijdens de vlucht getracht om die IFR-klaring te verkrijgen. Zoals hierboven al geoordeeld miste hij echter de bevoegdheid om onder IFR te vliegen, en heeft hij daarmee niet voldaan aan de onder § 1.3.2. van de AVB 400 en § 4.1.3. van de AVB 300 gestelde eisen. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van [eiseres] , inhoudende dat het in dit geval ontbreken van formele toestemming om onder IFR te vliegen ertoe leidt dat er geen strijdigheid kan ontstaan met die eisen. Dat zou, zoals AXA heeft betoogd, immers kunnen leiden tot de ongewenste situatie dat een niet-IFR bevoegde piloot IFR vluchten zou kunnen en mogen uitvoeren zolang hij daarvoor geen toestemming vraagt c.q. verkrijgt.

4.3.

Beide partijen hebben zich -zij het dat zij daaraan niet dezelfde conclusies verbinden- beroepen op een uitspraak van het Bundesgerichtshof (BGH) d.d. 14 mei 2014 (IV ZR 288/12), waarvan door AXA desgevraagd een Nederlandse vertaling in het geding is gebracht.

Het BGH heeft in de daar aan de orde zijnde zaak -waarbij het blijkbaar alleen ging om een aansprakelijkheidsverzekering, niet óók, zoals hier, om een cascoverzekering- geoordeeld dat een regeling in de voorwaarden van een aansprakelijkheidsverzekering (het ging daarbij om een regeling met -voor zover hier van belang- dezelfde tekst als die van § 4.1.3. van de AVB 300), volgens welke er geen sprake is van dekking wanneer de piloot van een luchtvaartuig op het moment van het voorval niet beschikt over de verplichte vergunningen, vereiste bevoegdverklaringen of diploma’s, niet als objectieve uitsluiting van risico maar als (verborgen) verplichting (Obliegenheit) moet worden gekwalificeerd.

4.3.1.

De rechtbank is van oordeel dat, reeds omdat het om een identieke tekst gaat, ook de regeling zoals vervat in § 4.1.3. van de AVB 300 een (verborgen) verplichting bevat. Voorts moet worden vastgesteld dat het aan polishouder [eiseres] is toe te rekenen dat de piloot het vliegtuig heeft bestuurd zonder de vereiste bevoegdheid, omdat de piloot tevens bestuurder was van [eiseres] . Dat betekent ingevolge genoemde uitspraak van het BGH dat de verzekeraar niet hoeft uit te keren, mits er ook is voldaan aan -gelet op het gestelde door [eiseres] - de eisen zoals destijds gesteld in § 6 Versicherungsvertragsgesetz (VGV), thans § 28 VGV.

4.3.2.

Dit luidt -onder meer- als volgt:

“(2) Bestimmt der Vertrag, dass der Versicherer bei Verletzung einer vom Versicherungsnehmer zu erfüllenden vertraglichen Obliegenheit nicht zur Leistung verpflichtet ist, ist er leistungsfrei, wenn der Versicherungsnehmer die Obliegenheit vorsätzlicht verletzt hat. In Fall einer grob fahrlässigen Verletzung der Obliegenheit ist der Versicherer berechtigt, seine Leistung in einem der Schwere des verschuldens des Versicherungsnehmers entsprechenden Verhältnis zu kürzen; die Beweislast für das Nichtvorliegen einer groben Fahrlässigkeit trägt der Versicherungsnehmer.

(3) Abweichend von Absatz 2 ist der Versicherer zur Leistung verpflichtet, soweit die Verletzung der Obliegenheit weder für den Eintritt oder die Feststellung des Versicherungsfalles noch für die Feststellung oder den Umfang der Leistungspflicht des Versicherers ursächlich ist. Satz 1 gilt nicht, wenn der Versicherungsnehmer die Obliegenheit arglistig verletzt hat.”

4.3.3.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het causaal verband als bedoeld in lid (3), eerste volzin, tussen de schending van de licentieplicht en het ongeval aanwezig is. Het bewust (laten) uitvoeren van een geplande IFR-vlucht zonder de daartoe vereiste bevoegdheid impliceert dat causale verband: zonder die bevoegdheid zou zo’n vlucht immers niet uitgevoerd mogen en kunnen worden; door dat toch te doen is het causaal verband gegeven.

4.3.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is voorts de opzet als bedoeld in lid (2), eerste volzin, aanwezig. De piloot is immers bewust een IFR-vlucht gaan uitvoeren zonder dat hij daartoe bevoegd was, welke schending van de licentieplicht aan [eiseres] is toe te rekenen. Dat betekent dat AXA zich terecht beroept op schending van § 4.1.3. van de AVB 300; mutatis mutandis geldt dit ook voor het beroep op § 1.3.2. van de AVB 400.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eiseres] alle dienen te worden afgewezen.

4.5.

[eiseres] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van AXA. Deze worden tot op heden begroot op € 19.676,-- (salaris advocaat € 16.055,-- (5 punten x tarief VIII); griffierecht € 3.621,--), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

4.6.

De vordering tot veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Nu het zogenaamde liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven voorziet in een forfaitair tarief voor die kosten en de rechtbank dat tarief pleegt te volgen, zijn die kosten nu al te begroten. De rechtbank zal de nakosten toewijzen, zoals nader in het dictum wordt bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst af het gevorderde;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van AXA tot op heden begroot op € 19.676,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt gedaagde in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- indien de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan én betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, (eventueel) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van voornoemde termijn;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft het onder 5.2. en 5.3. besliste.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk en mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken op

27 mei 2015.

1

1 HJMD