Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4206

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1796u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De transponeringstabelregel die van toepassing is op eiseres, is een besluit dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Een volle, inhoudelijke toets van dat besluit is binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk. Daarbij komt dat de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat deze verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Verweerder heeft daardoor bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid, is erin gelegen dat verweerder bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Gelet hierop hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling, wordt bij de matching uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en is bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van bovengenoemde avv zodanige ernstige feilen kleven dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden.

Voor zover eiseres heeft beoogd te betogen dat de manier waarop de Minister van Veiligheid en Justitie het nieuwe functiegebouw heeft vormgegeven geen stand kan houden, slaagt dit niet.

Aangezien niet is gesteld, noch is gebleken dat er sprake is van een onjuiste match voor wat betreft de indeling in het domein Uitvoering en het vakgebied Tactische Opsporing, vloeit het door eiseres gestelde onjuiste matchingsresultaat direct voort uit de hierboven beschreven LFNP matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Nu deze keuzes de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan en ook verweerder aan deze keuzes is gebonden, ziet de rechtbank in het kader van de voorliggende toets geen verdere ruimte om de gemaakte match kennelijk onhoudbaar te achten.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van de Regeling en de transponeringstabel niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 1796

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Scheggetman),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Geraedts, mr. C.L.G.M. van de Walle en F.J.H. Gunther).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) toegekend en bepaald dat eiseres op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie ‘Generalist Tactische Opsporing’, met het werkterrein ‘Zeden’, gewaardeerd in salarisschaal 7.

Bij besluit van 30 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. W. Dieks, waarnemend voor haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres was vóór de overgang naar de LFNP-functie werkzaam als rechercheur zedenzaken bij de Districtsrecherche Heerlen, van het (voormalige) korps Limburg-Zuid. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Het bestaande systeem van duizenden verschillende regionale functies wordt vervangen door één stelsel van 92 landelijke functies, onderverdeeld naar domeinen en vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten, het LFNP genaamd. De invoering van het LFNP vindt plaats in meerdere stappen en wordt beschreven in de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling), vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (Minister) op 8 mei 2013 en gepubliceerd in de Staatscourant van 22 mei 2013, nr. 13141. Allereerst zijn de uitgangsposities van alle politieambtenaren in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 vastgesteld (zie artikel 2 van de Regeling). De uitgangspositie is omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de korpsfunctiebeschrijving(en) en de extra werkzaamheden, bijzondere situaties, afspraken, of specifieke werkzaamheden (taakaccenten) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011, zoals vastgelegd in een besluit. Bij het vaststellen van de uitgangsposities is aan iedere politieambtenaar de mogelijkheid tot functieonderhoud geboden. Vervolgens zijn de korpsfunctiebeschrijvingen organiek gematcht met functies uit het LFNP (zie artikel 3 van de Regeling). Hierbij zijn, conform de beleidsregel Instructie organieke matching (beleidsregel), ook de extra werkzaamheden en specifieke werkzaamheden, zoals deze in de uitgangspositie zijn vastgelegd, betrokken. De resultaten van deze matching zijn vastgelegd in een transponeringstabel, die als bijlage bij de Regeling is gevoegd en gelijktijdig is gepubliceerd. De bijlage is sindsdien een aantal keer vervangen door een gewijzigde transponeringstabel, welke wijzigingen eveneens zijn gepubliceerd in de Staatscourant. Ten slotte zijn op basis van de uitgangsposities en de transponeringstabel LFNP-functies toegekend aan alle politieambtenaren en zijn zij, met ingang van 1 januari 2012, overgegaan naar de LFNP-functie die overeenkomt met de match, behorend bij de uitgangspositie zoals die gold op de peildatum van 31 december 2011 (zie artikel 5 van de Regeling).

2. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft verweerder de uitgangspositie van eiseres voor de overgang naar een LFNP-functie vastgesteld als de korpsfunctiebeschrijving ‘Generalist Thematische Recherche’. Bij het aanvullend besluit uitgangspositie van 2 maart 2012 heeft verweerder besloten de uitgangspositie van eiseres niet aan te vullen met taakaccenten, omdat eiseres geen inventarisformulier taakaccenten had overgelegd. Eiseres heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen ingesteld.

3. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 14 mei 2013 aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt inzake zijn toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Hierin heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn de functie van eiseres, zoals die gold op 31 december 2011, over te laten gaan naar de LFNP-functie ‘Generalist Tactische Opsporing’, met het werkterrein ‘Zeden’. De door eiseres bij schrijven van 3 juni 2013 ingediende bedenkingen hebben geen wijziging gebracht in dit voornemen.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald welke LFNP-functies worden toegekend voor de uitgangsposities van eiseres over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 en dat eiseres op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing met het werkterrein Zeden.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

6. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt daartoe allereerst dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Daarnaast is eiseres van mening dat de transponeringstabel niet valt aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift (avv), nu deze niet voldoet aan de daarvoor geldende criteria. Om die reden dienen de door eiseres aangevoerde gronden tegen de inpassing in de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing inhoudelijk te worden getoetst. Eiseres meent dat haar de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing toegekend had moeten worden. In dit verband stelt eiseres zich op het standpunt dat zij al gedurende langere tijd vóór 1 januari 2010 als zedenrechercheur werkzaam is en dat zij sinds deze datum volledig voldoet aan de eisen die zijn gesteld voor de functie van Senior Tactische Opsporing. Daarom had haar deze functie toegekend moeten worden. Dat eiseres aan de toepasselijke eisen voldoet, blijkt uit het feit dat zij zich bezig houdt met zaakscoördinatie, dat zij piketdiensten draait, dat zij zelfstandig tactisch opsporingsonderzoek verricht, dat zij netwerkt ten behoeve van opsporingsonderzoek en uitvoeringsafspraken, dat zij zich bezig houdt met de verbetering van tactisch opsporingsonderzoek, dat zij collega’s aanstuurt en dat zij gedurende een periode dat er geen leiding aanwezig was alle voorkomende werkzaamheden heeft verricht die anders door een Coach Zeden zouden worden ingevuld. Daarbij komt dat binnen de afdeling Zedenrecherche Limburg-Zuid qua werkzaamheden in het geheel geen onderscheid wordt gemaakt tussen de rechercheurs op schaal 7 of schaal 8. Verder merkt eiseres op dat bij de indeling in functieschalen andere specialistische expertises, zoals de Technische Recherche, ingeschaald worden in schaal 8. Nu het werk van een zedenrechercheur even specialistisch is, moet ook dit werk op schaal 8 gewaardeerd worden. In dit verband verwijst eiseres naar een brief van de Afdeling Zedenzaken van de Regiopolitie Fryslan, waarin wordt betoogd dat alle zedenrechercheurs zouden moeten worden aangesteld als Operationeel Expert Tactische Opsporing dan wel als Operationeel Specialist A. De functie van zedenrechercheur zou op zijn minst op het niveau van schaal 8 gewaardeerd moeten worden. Ten slotte betoogt eiseres in dit verband dat in alle overige (voormalige) korpsen zedenrechercheurs na 1 of 2 jaren goed functioneren in schaal 8 worden geplaatst en dat de overgrote meerderheid van de thans werkzame zedenrechercheurs schaal 8 hebben. In het huidige bestel, waarbij sprake is van één landelijk politiekorps, is de bestaande rechtsongelijkheid onaanvaardbaar. In dit verband verwijst eiseres naar een vacature voor de functie van Rechercheur zedenzaken A, waaruit blijkt dat na 2 jaren gebleken geschiktheid, een positieve beoordeling en afgeronde noodzakelijke opleidingen, bevordering plaatsvindt. Verder verwijst eiseres naar een collega die, na 3 jaren als zedenrechercheur in schaal 7 gewerkt te hebben, in schaal 8 is geplaatst. Nu eiseres enkel goede beoordelingen heeft gehad, had dit ook in haar geval moeten gebeuren.

Eiseres betoogt voorts dat gedurende de invoering van het LFNP de wijze van matching is gewijzigd van matching op basis van inhoud, naar matching op basis van schaal. Op het moment dat er werd gekozen voor de matching op basis van schaal, zoals neergelegd in artikel 3, vierde lid, van de Regeling, was de matchingsprocedure reeds aangevangen, waren de uitgangsposities vastgesteld en was het aanvragen van functieonderhoud niet meer mogelijk. Eiseres is hierdoor gematcht met een LFNP-functie met gelijk schaalniveau die qua inhoud afwijkt van haar (voormalige) korpsfunctie en feitelijke werkzaamheden. De wijziging van de functie heeft zijn weerslag op de rechtspositie van de politieambtenaren en heeft onder meer het gevolg dat eiseres bij de komende reorganisatie aan de hand van de onjuiste functie een plek in de nieuwe organisatie toebedeeld zal krijgen, dan wel dat zij zal worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Dit levert uit het oogpunt van de rechtszekerheid een zodanig onzorgvuldig resultaat op dat verweerder artikel 3, vierde lid, van de Regeling en de transponeringstabel buiten toepassing had moeten laten.

Hieruit volgt dat alle (feitelijke) werkzaamheden en verantwoordelijkheden in de matching betrokken hadden moeten worden. Daarbij geldt voor eiseres dat zij meer werkzaamheden verricht en meer verantwoordelijkheden heeft dan in de korpsfunctiebeschrijving en in de uitgangspositie staan vermeld. Ten tijde van belang heeft eiseres er echter voor gekozen geen functieonderhoud aan te vragen door de toezegging van verweerder dat er op inhoud gematcht zou worden en dat daarin alle feitelijke en extra werkzaamheden zouden worden betrokken. Ook heeft verweerder aangegeven dat de functie van eiseres door het intreden van het LFNP opgeschaald zou worden. Eiseres heeft hierop mogen vertrouwen.

Voorts doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule van artikel 5, vierde lid, van de Regeling. Het matchingsresultaat heeft voor eiseres zeer nadelige gevolgen en leidt tot een onbillijke en bijzondere situatie. Deze gevolgen zijn onvoldoende in de besluitvorming betrokken.

Ten slotte doet eiseres een beroep op verscheidene algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

7. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Zoals reeds overwogen in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:2133) lijden besluiten op bezwaar in procedures als de onderhavige, genomen door D.H. Oldenhof, zijnde de directeur HRM, niet aan een bevoegdheidsgebrek. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, zoals overwogen in bovengenoemde uitspraak van 11 maart 2015, de transponeringstabel niet valt aan te merken als een avv. In hetgeen verweerder in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.

9. De rechtbank overweegt dat de transponeringstabelregel die van toepassing is op eiseres een besluit is dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Dit brengt met zich dat een volle, inhoudelijke toets van dat besluit binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk is. Daarbij komt dat, hoewel de transponeringstabel geen avv is, de Regeling wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat de Regeling door middel van het daarin neergelegde artikel 5, derde lid, verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Gelet op deze regelgeving enerzijds en de hiërarchische verhoudingen tussen verweerder en de Minister anderzijds, heeft verweerder bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid binnen het onderhavige geding, is erin gelegen dat verweerder, zoals hij ook ter zitting heeft toegelicht, bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Het gaat hier om de zogeheten korpscheck. Ook had verweerder de mogelijkheid om naar aanleiding van ingediende bedenkingen of naar aanleiding van het bezwaarschrift de match opnieuw voor te leggen.

10. Gelet op het bovenstaande hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er sprake kan zijn van een door de individuele ambtenaar onwenselijk geachte matchingsuitkomst die een direct gevolg is van de matchingsystematiek van het LFNP, zoals deze blijkt uit de van toepassing zijnde avv’s. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd. Indien er geen sprake is van een kennelijk onhoudbare match, zoals hierboven bedoeld, zal de enkele omstandigheid dat de match onbillijke of zwaarwegende gevolgen heeft voor de individuele ambtenaar in beginsel niet voldoende zijn voor het oordeel dat verweerder zich niet gebonden heeft kunnen achten aan de toepasselijke transponeringstabelregel. Immers, hiervoor is reeds de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, in het leven geroepen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het hierboven beschreven toetsingskader, de match van de oorspronkelijke korpsfunctie van eiseres met de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing, met het werkterrein Zeden, niet kennelijk onhoudbaar.

12. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat, ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling, bij de matching wordt uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en dat bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend is. Het enkele feit dat gedurende de invoering van het LFNP de wijze van matching is gewijzigd, van matching op inhoud naar matching (mede) op (basis van) schaal, maakt niet dat verweerder zich niet meer gebonden had moeten achten aan de van toepassing zijnde transponeringstabelregel. De Minister heeft er van meet af aan voor gekozen de formele (schriftelijke) korpsfunctiebeschrijving als uitgangspunt voor de matching te hanteren. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat in het voortraject de mogelijkheid van functieonderhoud is opengesteld. Immers, indien feitelijke werkzaamheden het uitgangspunt zouden vormen bij de matching, was het vragen om functieonderhoud niet nodig geweest. Van matching op basis van feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden buiten de korpsfunctiebeschrijving om is aldus nooit sprake geweest. Voor zover eiseres betoogt dat er op dit punt sprake is van zodanige ernstige feilen dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden, volgt de rechtbank dit niet. Voorts is thans geen sprake van matchingssystematiek waarbij louter de salarisschaal een rol speelt. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving is immers bepalend voor de indeling in het toepasselijke domein en vakgebied. De LFNP matchingssystematiek is enkel gewijzigd voor wat betreft het vinden van de meest vergelijkbare functie binnen het vakgebied, omdat bleek dat matching op inhoud niet leidde tot consistentie van het totale matchingsproces, hetgeen bij de aanvang van de matching een uitdrukkelijke voorwaarde was. Deze wijziging van de LFNP matchingssystematiek leidt echter niet tot het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van het algemeen verbindend voorschrift ernstige feilen kleven. De totstandkoming van de LFNP matchingssystematiek en de gehele procedure van matching heeft in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) plaatsgevonden. Ook de genoemde wijziging is geaccordeerd door het GOP en heeft uiteindelijk geleid tot het vaststellen van de Regeling (en de transponeringstabel). Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) is het inherent aan een overleg binnen het GOP dat over en weer sprake is van geven en nemen en kan de uitkomst daarvan niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de individuele ambtenaar nadelige gevolgen daarvan (zie de uitspraken van de Raad van 27 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:572) en 27 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1023)). De door eiseres gestelde negatieve gevolgen van de wijze van matching hebben voor verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zijn om niet langer uit te gaan van een (mede) op basis van artikel 3, vierde lid, van de Regeling tot stand gekomen match.

13. Voor zover eiseres met haar stelling dat in het LFNP andere specialistische expertises minimaal op schaal 8 worden ingeschaald en met haar verwijzing naar de brief van de Afdeling Zedenzaken van Regiopolitie Fryslan heeft beoogd te betogen dat de manier waarop de Minister het nieuwe functiegebouw heeft vormgegeven geen stand kan houden, slaagt dit niet. In het aangevoerde ziet de rechtbank geen zodanige feilen dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden. Het functiegebouw, zoals dat is neergelegd in de Regeling vaststelling LFNP, kan, onder meer gelet op de vrijheid die de Minister heeft bij het vormgeven van de politieorganisatie, de rechterlijke toets doorstaan.

14. Nu bij de matching kan worden uitgegaan van de formele korpsfunctiebeschrijving en de daarbij horende salarisschaal, rest enkel de vraag of de match als zodanig houdbaar is. Aangezien niet is gesteld, noch is gebleken dat er sprake is van een onjuiste match voor wat betreft de indeling in het domein Uitvoering en het vakgebied Tactische Opsporing, vloeit het door eiseres gestelde onjuiste matchingsresultaat, zijnde de toekenning van de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing (schaal 7) in plaats van Senior Tactische Opsporing (schaal 8), direct voort uit de hierboven beschreven LFNP matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Nu deze keuzes de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan en ook verweerder aan deze keuzes is gebonden, ziet de rechtbank in het kader van de voorliggende toets geen verdere ruimte om de gemaakte match kennelijk onhoudbaar te achten.

15. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, overweegt de rechtbank als volgt.

16. Nu het gaat om een hardheidsclausule en, daarbij, om het afwijken van artikel 5, derde lid, van de Regeling en van een hem bindend besluit van een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan, is de rechtbank van oordeel dat de uitoefening van deze bevoegdheid door verweerder eveneens slechts terughoudend dient te worden getoetst.

17. De rechtbank stelt voorop dat de hardheidsclausule naar aard en bewoordingen ziet op onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen en op bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de toepasselijk regelgeving niet heeft kunnen voorzien. De hardheidsclausule is daarmee in beginsel niet bedoeld om wijzigingen in de uitgangspositie aan te brengen door (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor destijds functieonderhoud had kunnen worden gevraagd. Politieambtenaren zijn uitdrukkelijk gewezen op het belang van een juiste functiebeschrijving en uitgangspositie. Aan hen is de mogelijkheid geboden om functieonderhoud te vragen en rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluitvorming aangaande hun uitgangspositie. Dat op dat moment nog onduidelijk was dat voor de laatste stap in de matching de salarisschaal leidend zou zijn, maakt dit niet anders. Gelet hierop kan het betoog van eiseres dat zij voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de functie van Senior Tactische Opsporing en dat zij meer werkzaamheden heeft verricht en meer verantwoordelijkheden heeft dan in de korpsfunctiebeschrijving en uitgangspositie zijn neergelegd, niet slagen. Hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd past bij een verzoek om functieonderhoud, maar kan in de onderhavige procedure geen rol spelen. Dat eiseres niet, toen dat nog mogelijk was, een verzoek om functieonderhoud heeft ingediend, komt voor eigen rekening en risico. Eiseres heeft, bij gebrek aan onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat er onduidelijkheid zou zijn geweest op dit gebied, dan wel dat verweerder haar op het verkeerde been zou hebben gezet. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat door (een daartoe bevoegd vertegenwoordiger van) verweerder haar zou zijn toegezegd dat met het intreden van het LFNP haar functie opgeschaald zou worden naar schaal 8. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

18. Voorts leidt het betoog van eiseres dat haar werkzaamheden niet overeenkomen met de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing, maar beter passen bij de functie van Senior Tactische Opsporing, ook in het kader van de hardheidsclausule niet tot een geslaagd beroep. Van een kennelijk onjuiste of onhoudbare match is – ook bij een inhoudelijke vergelijking van de korpsfunctiebeschrijving Generalist Thematische Recherche met de beschrijving van de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing – geen sprake. Daarbij komt dat volgens vaste jurisprudentie in zaken als de onderhavige de omstandigheid dat een andere functie wellicht ook passend zou zijn onvoldoende gewicht in de schaal legt.

19. Voorts slaagt ook het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat (vrijwel) alle (voormalige) korpsen enkel zedenrechercheurs op schaal 8 kennen, dan wel dat bij deze korpsen voorheen het beleid werd gehanteerd dat bij goed functioneren na twee jaar plaatsing in schaal 8 volgde. Raadpleging van de transponeringstabel leert dat landelijk (bij de verschillende voormalige korpsen) zedenrechercheurs zowel voorkomen in de schalen 7 als 8. Daarnaast is niet gebleken met welke taken de rechercheurs op schaal 7 dan wel schaal 8 binnen de (voormalige) korpsen werden belast en of deze (in de korpsfunctiebeschrijvingen neergelegde) taken overeenkomen met die van eiseres. Ten slotte merkt de rechtbank in dit verband op dat de korpsen voorheen de vrijheid en mogelijkheid hadden een divergerend beleid te voeren voor wat betreft de inrichting van hun organisatie. Hoewel die mogelijkheid thans niet meer (of minder) bestaat, werken de gevolgen hiervan, door de matching op basis van schaal, door in de huidige organisatie. De Minister heeft deze mogelijkheid bewust aanvaard.

20. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen of bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de toepasselijk regelgeving niet heeft voorzien. Buiten de veralgemenisering van de beschrijving van de werkzaamheden waarmee iedere politieambtenaar in het kader van de overgang naar het LFNP wordt geconfronteerd, is de rechtbank niet gebleken dat er bij eiseres sprake is van een verschraling van taken en verantwoordelijkheden of het anderszins kwijtraken van werkzaamheden, voor zover het gaat om werkzaamheden die in de korpsfunctiebeschrijving zijn neergelegd. Voor zover de taken en werkzaamheden van eiseres zullen wijzigen door de op handen zijnde reorganisatie, valt dit buiten de beoordeling van het onderhavige beroep. In het kader van de reorganisatie zijn in artikel 55ob van het Barp specifieke waarborgen opgenomen voor de individuele politieambtenaar.

21. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van de Regeling en de transponeringstabel niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Het beroep van eiseres op motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur slaagt, gelet op hetgeen hierboven is overwogen en bij gebrek aan een verdere onderbouwing, niet

22. Het beroep is ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. A.W. Oosterman, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2015.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. P. Bruijnzeels,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 mei 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.