Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4196

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 3923u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2325, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mijnbouwschade. Een beroep op het Waarborgfonds mijnbouwschade is alleen mogelijk in geval van aansprakelijkheid uit artikel 6:177 BW. Deze regeling met betrekking tot kwalitatieve aansprakelijkheid voor bodembeweging is niet van toepassing als de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTE 2015/37, UDH:NTE/12695 met annotatie van mr. I. Brinkman, mr. L. Baljon en mr. P.P. Huurnink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13/3923

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: W.M.H. Miseré),

en

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder

(gemachtigden: mr. W.S. Geelhoed, dr. M.C. Schouwstra en mr. J.H. Keinemans).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser tot schadevergoeding ten laste van het Waarborgfonds mijnbouwschade.

Bij besluit van 14 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ter zitting heeft de rechtbank ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of de wettelijke bepalingen, waarop het verzoek tot schadevergoeding is gebaseerd, gelet op het overgangsrecht van toepassing zijn. Ter beantwoording van deze vraag is het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder heeft zich over deze vraag schriftelijk uitgelaten op 5 februari 2015. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van zijn gemachtigde van 21 februari 2015.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, heeft het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de woning met garage en tuin aan de [adres] te [woonplaats]. Er is schade aan de garage. Eiser heeft de Technische commissie bodembeweging (als bedoeld in artikel 114 Mijnbouwwet, hierna: Tcbb) gevraagd advies te geven omtrent het verband tussen de schade aan zijn garage en de kolenmijnbouwactiviteiten in de voormalige mijn onder zijn garage alsmede de hoogte van het schadebedrag.

De Tcbb heeft in haar definitief advies van 23 januari 2013 vastgesteld dat de garage in de lengterichting is gekanteld en dat in de zijwand van de garage flinke scheuren aanwezig zijn. Het advies van de Tcbb houdt in dat ervan moet worden uitgegaan dat de genoemde schade

“redelijkerwijs het gevolg is van vroegere mijnbouwactiviteiten”. De Tcbb acht herstel van de garage op dezelfde locatie niet onmogelijk en raamt de kosten daarvan op € 51.022,26 inclusief btw.

De voormalige mijn is gesloten in 1969 en werd geëxploiteerd door de Domaniale Mijnmaatschappij N.V., die in 1998 is geliquideerd en waarvoor geen rechtsopvolger is aan te wijzen.

Eiser heeft naar eigen zeggen de schade bemerkt vanaf ongeveer 1990 en hij heeft niet eerder iemand hiervoor aansprakelijk gesteld.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat de vordering van eiser is verjaard op grond van het bepaalde in artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omdat de veroorzakende gebeurtenis - de mijnbouw - al meer dan 30 jaar geleden is beëindigd, namelijk in 1969. Verweerder ziet geen aanleiding een langere verjaringstermijn in acht te nemen en acht zich niet gebonden aan toezeggingen tot schadeloosstelling door de voormalige exploitant. Verder heeft verweerder opgemerkt dat het argument van eiser, dat de Duitse mijnbouwmaatschappijen in 1994 zijn gestopt met het wegpompen van het mijnwater waardoor (volgens eiser) de huidige bodembeweging zou zijn ontstaan, niet opgaat omdat - zo dat al het geval zou zijn - die gebeurtenis geen verband houdt met de kolenwinning in Nederland en daarom geen grondslag kan bieden voor een schadevergoeding uit het Waarborgfonds mijnbouwschade.

3. Eiser voert als beroepsgronden aan dat de verjaringstermijn niet in 1969 is aangevangen maar in 1994 omdat in dat jaar het wegpompen van het stijgende mijnwater in Duitsland is gestaakt. Aan het beëindigen van het oppompen van het mijnwater zijn risico’s verbonden, die de minister bekend waren. Om die risico’s te beperken of uit te sluiten heeft de minister dan ook maatregelen getroffen in het aangrenzende Duitse mijngebied waar de Domaniale Mijnmaatschappij ook actief is geweest. Deze activiteiten vonden plaats tussen 2003 en 2008.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de schadeveroorzakende gebeurtenis als bedoeld in artikel 137, aanhef en onder b, Mijnbouwwet, de kolenwinning is geweest en dat deze is gestaakt in 1969. Het staken van het wegpompen van het mijnwater hield feitelijk noch juridisch verband met de beëindiging van de kolenwinning in Nederland en is bovendien uitgevoerd door een Duitse mijnonderneming met als doel de Duitse mijnen die tot 1994 in bedrijf zijn gebleven droog te houden. Volgens verweerder staan de redelijkheid en billijkheid niet in de weg aan een beroep op verjaring, omdat het Waarborgfonds wordt gevoed door private partijen die niet betrokken waren bij de kolenwinning in Limburg en omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor een verjaringstermijn van 30 jaren in gevallen als het onderhavige.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Het juridisch kader wordt hoofdzakelijk gevormd door de volgende artikelen. (De artikelen worden geciteerd voor zover hier van belang).

Artikel 6:174 BW luidt:

1. De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

(…)

3. Bij ondergrondse werken rust de aansprakelijkheid op degene die op het moment van het bekend worden van de schade het werk in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt. Indien na het bekend worden van de schade een ander gebruiker wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden gebruiker was. Indien de schade is bekend geworden na beëindiging van het gebruik van het ondergrondse werk, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste gebruiker was.

(…).

Artikel 6:177 BW luidt:

1. De exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de schade die ontstaat door:

(…)

b. beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk.

(…)

4. Voor schade door beweging van de bodem is aansprakelijk degene die ten tijde van het bekend worden van deze schade exploitant is. Indien na het bekend worden een ander exploitant wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde van dit bekend worden exploitant was. Indien deze schade bekend wordt na sluiting van het mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die de laatste exploitant was.

(…)

Artikel 3:310, eerste tot en met derde lid, BW luidt:

1. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.

2. Is de schade een gevolg van verontreiniging van lucht, water of bodem, van de verwezenlijking van een gevaar als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 dan wel van beweging van de bodem als bedoeld in artikel 177, eerste lid, onder b, van Boek 6, dan verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade, in afwijking van het aan het slot van lid 1 bepaalde, in ieder geval door verloop van dertig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

3. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder gebeurtenis verstaan een plotseling optredend feit, een voortdurend feit of een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak. Bestaat de gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan begint de termijn van dertig jaren bedoeld in lid 2 te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint deze termijn te lopen na dit laatste feit.

Artikel 135, eerste tot en met derde lid, Mijnbouwwet luidt:

1. Er is een Waarborgfonds mijnbouwschade.

2. Het waarborgfonds bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te 's-Gravenhage.

3. Onze Minister is belast met het beheer van het waarborgfonds.

Artikel 137 Mijnbouwwet luidt:

Onze Minister kent een natuurlijke persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds, indien:

(…)

b. de betrokken mijnbouwondernemer heeft opgehouden te bestaan (…).

Artikel 189a Overgangswet NBW luidt:

1. Artikel 174, derde lid, van Boek 6, zoals dat is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet, is niet van toepassing indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet heeft plaatsgevonden.

2. Artikel 177, vierde lid, van Boek 6, zoals dat is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet, is niet van toepassing indien de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet.

De datum van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet is 1 januari 2003. De regeling van het overgangsrecht in artikel 189a Overgangswet (dat voortkomt uit artikel 178 Mijnbouwwet) komt er op neer dat de regeling met betrekking tot kwalitatieve aansprakelijkheid voor bodembeweging niet van toepassing is als de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet.

6. De strekking van de hierboven vermelde bepalingen is dat de exploitant van een mijnbouwwerk (hierna: de exploitant) aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van een bodembeweging veroorzaakt door de exploitatie. Dit volgt uit de artikelen 174 en 177 van boek 6 van het BW. Als de aansprakelijke exploitant niet meer bestaat, dan kan schadevergoeding worden gevraagd aan de minister, wat volgt uit artikel 137 van de Mijnbouwwet. Laatstgenoemde wet kent ook de Tcbb aan welke commissie een benadeelde een advies kan vragen (artikel 114 Mijnbouwwet). De Tcbb onderzoekt het oorzakelijk verband tussen de verrichte mijnbouwactiviteiten en de schade alsmede de hoogte van het schadebedrag, wat staat in het eerste lid van artikel 119 van de Mijnbouwwet.

Er is een direct verband tussen de regeling in het BW en die in de Mijnbouwwet, omdat de gedachte achter artikel 137 Mijnbouwwet is dat de minister in de plaats treedt van een niet meer bestaande – op basis van artikel 6:177 BW aansprakelijke – exploitant.

7. Partijen hebben aangevoerd dat de op artikel 137 Mijnbouwwet gerichte procedure ook gevolgd kan worden indien sprake is van aansprakelijkheid op basis van artikel 6:162 BW, (de algemene bepaling over aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad).

Gelet op de bovengenoemde wettelijke systematiek moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de procedure betreffende het Waarborgfonds alleen betrekking heeft op en alleen kan worden benut voor de kwalitatieve aansprakelijkheid als geregeld in artikel 6:177 BW en niet (ook) voor de algemene aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad als geregeld in artikel 6:162 BW. Er gelden voor aansprakelijkheid op basis van artikel 6:162 BW vijf vereisten, namelijk (1) een onrechtmatige daad, (2) toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad aan de dader, (3) schade, (4) causaal verband tussen onrechtmatige daad en schade en (5) verband tussen het doel van de overtreden norm en het geschade belang: het zogenaamde relativiteitbeginsel. De procedure in de Mijnbouwwet voorziet niet in de mogelijkheid van een onderzoek naar of een discussie over de eerste twee vereisten “onrechtmatige daad” en “toerekenbaarheid”. Deze procedure is op een zodanige wijze ingericht dat aanwezigheid van beide vereisten wordt verondersteld, wat in het geval van de in artikel 6:177 BW geregelde kwalitatieve aansprakelijkheid logisch is. De procedure start dan ook met een onderzoek naar de vereisten “schade” en “causaal verband“ door middel van een onderzoek door de Tcbb. Artikel 129 van het Mijnbouwbesluit geeft regels voor de onderbouwing van een verzoek om schadevergoeding, waarbij niet wordt gevraagd om informatie betreffende “onrechtmatige daad” en “toerekenbaarheid”. Artikel 13.1 van de Mijnbouwregeling geeft regels over de inhoud van een adviesaanvraag aan de Tcbb en ook daar worden de genoemde vereisten niet genoemd. Het is evident dat een technische commissie als de Tcbb niet is toegerust om juridische kwesties als de aanwezigheid van een onrechtmatige daad en toerekenbaarheid daarvan in haar advisering te betrekken. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet valt in te zien dat en hoe de vereisten “onrechtmatige daad” en “toerekenbaarheid” in een procedure gebaseerd op de Mijnbouwwet een plaats zouden kunnen krijgen. Dat is ook niet de bedoeling van de wetgever geweest zoals blijkt uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis (MvA, 26219, nr. 313b, p. 16-17):

In de eerste plaats kan worden gewezen op de risicoaansprakelijkheid van de mijnbouwondernemer voor deze schade (artikel 6:177 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 177). Dit betekent dat de gelaedeerde burger niet de onrechtmatigheid van de mijnbouwactiviteiten en de schuld van de mijnbouwonderneming hoeft te bewijzen. Hij hoeft slechts aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden en dat de schade is veroorzaakt door de mijnbouwactiviteiten. Over laatstgenoemde aspecten kan hij tegen een geringe bijdrage advies aan de Tcbb vragen (…).”

De rechtbank is derhalve van oordeel dat een beroep op het Waarborgfonds alleen gedaan kan worden indien sprake is van aansprakelijkheid uit artikel 6:177 BW. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake omdat het overgangsrecht bepaalt dat de regeling met betrekking tot kwalitatieve aansprakelijkheid voor bodembeweging niet van toepassing is als de schade bekend is geworden voor de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet op 1 januari 2003. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat zijn schade reeds bekend is geworden rond 1990, dat wil zeggen ruimschoots voor de datum van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet. Er is derhalve geen sprake van aansprakelijkheid op basis van artikel 6:177 BW en daarom kan geen beroep op het Waarborgfonds worden gedaan.

8. De rechtbank is op basis van de bovenstaande overwegingen van oordeel dat verweerder terecht bij het bestreden besluit het bezwaar gericht tegen het primaire besluit van 28 mei 2013 ongegrond heeft verklaard, zij het op onjuiste gronden. Dit motiveringsgebrek dient te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, maar de rechtbank zal bepalen dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks (voorzitter), en mr. R. Kluin en mr. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.

w.g. E.W. Seylhouwer,

griffier

w.g. J.M.E. Derks,

rechter/voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 mei 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.