Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4142

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3574u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/3574

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. Pommé),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder

(gemachtigde: mr. E.M.C. Lochtman).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van

11 december 2012 ingetrokken en de aan eiseres over de periode 11 december 2012 tot

1 september 2013 verstrekte uitkering ten bedrage van € 7945,22 teruggevorderd.

Bij besluit van 23 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende, niet door partijen betwiste, feiten.

Aan eiseres is met ingang van 10 april 1998 een Wwb-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 20%. Naar aanleiding van een anonieme melding bij de Sociale Recherche op 27 november 2012 alsmede een tip van de politie op

11 december 2012 dat eiseres in haar woning aan [adres] (hierna: de woning) zou samenwonen met haar vriend [naam] (hierna: [de vriend van eiseres]), heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres. Verweerder heeft daartoe een dossieronderzoek verricht en waarnemingen gepleegd vanaf

22 december 2012. Verder is op 18 en 24 september 2013 een buurtonderzoek verricht waarbij getuigen zijn gehoord en heeft op 16 en 24 september 2013 een huisbezoek plaatsgevonden. Voorts zijn eiseres en [de vriend van eiseres] gehoord en zij hebben verklaringen afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het Rapport van bevindingen van 8 oktober 2013. De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om de uitbetaling van de Wwb-uitkering van eiseres over de maand september 2013 te blokkeren. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, op grond van het advies van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie van 13 oktober 2014, ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres en [de vriend van eiseres] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat eiseres hiervan geen mededeling aan verweerder heeft gedaan. Verweerder stelt daartoe dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres en [de vriend van eiseres] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zorg dragen voor elkaar. Dit blijkt uit het samenstel van waarnemingen, getuigenverklaringen, de aangetroffen spullen en materialen van [de vriend van eiseres] in de woning en garage van eiseres alsmede de door hen beiden afgelegde en voor akkoord getekende verklaringen waaruit een frequent contact tussen beiden blijkt.

3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft met [de vriend van eiseres]. Weliswaar heeft zij een verhouding met [de vriend van eiseres], maar zij hebben niet hun hoofdverblijf in dezelfde woning. [de vriend van eiseres] blijft meermaals per week bij haar slapen, maar is ook vaak niet aanwezig omdat hij ook een relatie met een ander heeft en vaak daar verblijft. De auto van [de vriend van eiseres] stond wel nagenoeg iedere nacht naast het pand van eiseres, maar dat was om de agressieve buurman te laten geloven dat [de vriend van eiseres] bij haar aanwezig was. [de vriend van eiseres] heeft nooit eigen sleutel van de woning van eiseres gehad. De persoonlijke spullen van [de vriend van eiseres] die bij eiseres zijn aangetroffen, zijn bezittingen die hij altijd bij zich heeft en kleding of toiletspullen van [de vriend van eiseres] zijn niet in huis aangetroffen. [de vriend van eiseres]’ moeder doet zijn was en zijn kleding ligt ook bij haar. De beperkte hoeveelheid materialen van [de vriend van eiseres] in de garage, duiden niet op een financiële verstrengeling. [de vriend van eiseres] heeft wel een enkele keer kosten voldaan, maar dat betreffen leningen. Eiseres heeft hulp en verzorging nodig en heeft daarvoor professionele hulp. Daarnaast verleent [de vriend van eiseres] de nodige hulp als mantelverzorger. Eiseres zorgt op haar beurt echter niet voor [de vriend van eiseres].

4. In het onderhavige geding is aan de orde of verweerder terecht de bijstandsuitkering van eiseres heeft ingetrokken en is overgaan tot terugvordering van het bedrag van € 7945,22 op de grond dat eiseres in de in geding zijnde periode (11 december 2012 tot

10 oktober 2013) een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [de vriend van eiseres] zonder dat ze daarvan mededeling heeft gedaan.

5. Bij deze beoordeling is het navolgende wettelijk kader van belang.

In artikel 3, derde lid, van de Wwb, zoals deze luidde ten tijde in geding, is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

In artikel 17, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 54, derde lid, van de Wwb is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

In artikel 58, eerste lid, van de Wwb is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat de 258 observaties die gedurende acht maanden zijn verricht, stelselmatige observaties zijn die zonder toestemming van een officier van justitie zijn verricht en daardoor een ongerechtvaardigde inbreuk hebben gemaakt op het recht op respect voor het privé leven van eiseres.

8. De rechtbank stelt voorop dat voor het inzetten van waarnemingen als controlemiddel is vereist dat hiertoe een noodzaak bestaat. Vervolgens is de vraag aan de orde of het inzetten van de waarnemingen proportioneel is, mede gelet op de vraag of is voorzien in voldoende waarborgen tegen willekeur en misbruik. Daarnaast is van belang of is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere, passende en minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de bijstand te onderzoeken. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de inzet van het middel “waarnemingen” gerechtvaardigd is, gelet op de anonieme tips en de politiemelding. Op grond van de gedingstukken staat vast dat de sociale recherche gedurende de periode van 22 december 2012 tot en met 16 september 2013 heimelijk een groot aantal waarnemingen heeft verricht, en na een onaangekondigd huisbezoek op 16 september 2013, de waarnemingen heeft hervat tot 8 oktober 2013 met het doel de rechtmatigheid van de bijstand te onderzoeken. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het grote aantal observaties gedurende een periode van 10 maanden het karakter dragen van een stelselmatige observatie, zonder dat hiervoor de vereiste toestemming is verleend. Aldus zijn de heimelijke waarnemingen onevenredig ten opzichte van het met het onderzoek nagestreefde doel en is niet voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. Daarnaast kon het doel ook op een minder ingrijpende wijze door verweerder worden bereikt door eiseres al eerder met de bevindingen van de sociale recherche te confronteren, zodat ook niet is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder met de langdurige observaties een inbreuk op de privacy van eiseres gemaakt. Dit betekent dat de resultaten uit de waarnemingen van de sociale recherche als onrechtmatig verkregen moeten worden beschouwd en dat deze niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van eiseres. De rechtbank stelt verder vast dat het (onaangekondigde) huisbezoek van 16 september 2013 slechts gerechtvaardigd wordt door de resultaten van de voornoemde waarnemingen. De consequentie daarvan is dat ook de door verweerder tijdens dit huisbezoek verzamelde informatie niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd.

9. Op grond van de gedingstukken staat verder vast dat nog ander onderzoek is verricht naar de woon- en leefsituatie van eiseres. Verweerder heeft naar aanleiding van de anonieme melding van 11 december 2012 op 18 en 24 september 2013 een buurtonderzoek ingesteld. Vervolgens heeft de sociale recherche op 24 september 2013 een tweede (onaangekondigd) huisbezoek afgelegd, waarvoor eiseres toestemming heeft gegeven en waarbij zij alleen in de woning is aangetroffen. Op 1 oktober 2013 heeft eiseres, in aanwezigheid van [de vriend van eiseres], een verklaring afgelegd en ondertekend. Hierin is opgenomen dat [de vriend van eiseres] dagelijks bij eiseres in de woning verblijft en - als ze het halen - drie nachten per week blijft slapen. Er zijn ook dagen en soms weken dat hij niet komt. Verder staat in de verklaring dat de werkmaterialen en gereedschappen in de garage van [de vriend van eiseres] zijn. Hij heeft eiseres gevraagd om ze daar te mogen plaatsen, en ze staan daar al een jaar. Op 2 oktober 2013 heeft ook [de vriend van eiseres] een verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de melding van de politie van

11 december 2012 en de resultaten van het buurtonderzoek een redelijke grond vormden voor het tweede (onaangekondigde) huisbezoek, zodat verweerder de hieruit verkregen gegevens wél ten grondslag heeft mogen leggen aan het bestreden besluit evenals de door eiseres en [de vriend van eiseres] afgelegde verklaringen. De rechtbank zal hierna beoordelen of op grond van deze informatie kan worden geconcludeerd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen eiseres en [de vriend van eiseres].

10. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, moeten de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding volgens vaste rechtspraak buiten beschouwing blijven (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 30 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BM2578). In verband hiermee is dus niet van belang of men een duurzame samenwoning op het oog heeft of dat men alleen maar voor elkaar wil zorgen.

11. In artikel 3, derde lid, van de Wwb is bepaald wanneer van een gezamenlijke huishouding kan worden gesproken. Hiervoor moet worden voldaan aan twee criteria.

Het eerste criterium waaraan op grond van artikel 3, derde lid van de Wwb moet zijn voldaan om van een gezamenlijke huishouding te kunnen spreken is of eiseres en [de vriend van eiseres] een gezamenlijk hoofdverblijf hebben. Het uitgangspunt is een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning (huisvestingscriterium). Volgens vaste rechtspraak hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen echter niet aan gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. Aan dit criterium kan ook zijn voldaan indien - ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte - toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat, doordat door beide partijen slechts een van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken (zie onder meer CRvB

14 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2010:BF9177).

12. Op grond van de verklaringen van eiseres en [de vriend van eiseres] en de resultaten van het buurtonderzoek en het huisbezoek van 24 september 2013 kan worden geconcludeerd dat [de vriend van eiseres] vanaf 11 december 2012 zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres heeft gehad. Uit de verklaringen van eiseres en [de vriend van eiseres] blijkt immers dat [de vriend van eiseres] al jarenlang vrijwel elke dag bij eiseres in de woning was. Hij liet dagelijks de hond van eiseres uit. Bovendien staat, onbetwist, vast dat de auto van [de vriend van eiseres], een blauwe [automerk] met Duits kenteken [kentekennummer], nagenoeg iedere nacht naast de woning van eiseres stond. De door eiseres en [de vriend van eiseres] gegeven verklaring dat hij ’s nachts de woning verliet en pas ’s morgens vroeg weer terugkwam terwijl de auto nog op de oprit stond, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verder zijn tijdens het huisbezoek in de garage van eiseres werkspullen van [de vriend van eiseres] aangetroffen, waarvan eiseres (ter zitting) heeft verklaard dat zij hiervoor toestemming heeft gegeven en dat deze daar al een jaar staan ter voorkoming van diefstal in verband met de waarde van de materialen. Eiseres heeft voorts verklaard dat zij de reservesleutel van [de vriend van eiseres]’ auto heeft. Ook op grond van de getuigenverklaring van de buurtbewoners van eiseres komt naar voren dat [de vriend van eiseres]’ auto dagelijks op de oprit van de woning wordt gezien en dat hij al jaren in de woning verblijft en de hond uitlaat. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder op juiste gronden kunnen concluderen dat [de vriend van eiseres] zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Dat in de (subjectieve) beleving van eiseres en [de vriend van eiseres] geen sprake was samenwoning, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie leiden.

13. Het tweede criterium waaraan volgens artikel 3, derde lid, van de Wwb moet zijn voldaan om van een gezamenlijke huishouding te kunnen spreken, is dat van wederzijdse zorg. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van

14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1185) kan deze onder meer blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan. De zorg behoeft niet in gelijke mate en intensiteit over partijen te zijn verdeeld. In dit geding staat onweersproken vast dat [de vriend van eiseres] voor eiseres zorgt door mantelzorg te verlenen, haar kosteloos te begeleiden naar het ziekenhuis en haar hond uit te laten. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat [de vriend van eiseres] op zijn beurt kosteloos gebruik mag maken van de garage (en tuin) om werkmaterialen te stallen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het werkmaterialen met een waarde van circa € 9.000,00 betreft en dat [de vriend van eiseres] die al een jaar lang in de garage stalt ter voorkoming van diefstal. Uit de gedingstukken blijkt bovendien dat het om een aanzienlijke hoeveelheid materialen gaat, zoals tegels, kannen met vloeistof, werkgereedschappen, rollen met kabels en dozen met siliconenkit. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet gebruikelijk om voor een dergelijke hoeveelheid materialen met door eiseres genoemde waarde een jaar lang kosteloos een garage ter beschikking te stellen. Bovendien blijkt uit de verklaringen van [de vriend van eiseres] en eiseres dat [de vriend van eiseres] van haar laptop, printer en wifi gebruik kan maken. Verder heeft [de vriend van eiseres] op 2 oktober 2013 verklaard dat eiseres voor hem een Belgische rekening heeft geopend, zodat hij daar zonder medeweten van zijn ex-echtgenote geld uit de verkoop van een woning op kon storten. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat van eenzijdige zorg, zoals door eiseres is gesteld, geen sprake is.

14. Hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverwegingen 8 tot en met 10, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op juiste gronden tot de conclusie is gekomen dat tussen eiseres en [de vriend van eiseres] in de periode van 11 december 2012 tot en met 10 oktober 2013 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wwb. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres aan verweerder geen opgave van de gezamenlijke huishouding heeft gedaan. Aldus heeft eiseres de op haar rustende inlichtingplicht van artikel 17, eerste lid, van de Wwb geschonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de Wwb met ingang van 11 december 2012 terecht is overgegaan tot intrekking en terugvordering van de aan eiseres verleende bijstandsuitkering. De hoogte van het onverschuldigd betaalde bedrag is door eiseres niet betwist en verder is niet gesteld of gebleken van dringende reden op grond waarvan verweerder van de terugvordering van het bedrag van € 7945,22 had moeten afzien.

15. Het beroep is ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J. Beckers-Barnasconi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 mei 2015.

w.g. M.J. Beckers-Barnasconi,

griffier

w.g. G.J. Krens,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 mei 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.