Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4080

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
18-05-2015
Zaaknummer
3995636 AZ VERZ 15-67
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschikte werkneemster verzoekt om arbeidsovereenkomst met werkgever ex artikel 7:685 BW te ontbinden. Zij verzoekt tevens om aan haar een vergoeding toe te kennen van € 126.977,55 (conform kantonrechtersformule, waarbij correctiefactor 2 is gehanteerd). Omdat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is, is de kantonrechter voornemens om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Het verwijt van werkneemster dat zij door toedoen van werkgever overspannen is geraakt, is niet voldoende aannemelijk geworden. Ook de andere forse verwijten aan het adres van werkgever (werkgever zou tijdens eerste jaar arbeidsongeschiktheid niets aan re-integratie hebben gedaan en werkgever zou te frequent contact met werkneemster hebben gezocht) zijn niet door werkneemster aannemelijk gemaakt. Conclusie is dat aan werkneemster geen vergoeding naar billijkheid ten laste van werkgever wordt toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 7:685 lid 10 BW krijgt werkneemster – nu de kantonrechter voornemens is om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken zonder daaraan een door werkneemster verzochte vergoeding te verbinden – nog wel de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/836
AR-Updates.nl 2015-0469
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3995636 AZ VERZ 15-67

MD

Beschikking van de kantonrechter van 12 mei 2015

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonend te [woonplaats],

verzoekende partij,

gemachtigde mr. A.J.L.J. Pfeil,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

F.P.I. Holding Company B.V. ,

gevestigd te Heerlen,

verwerende partij,

gemachtigde mr. E. Aarden.

Partijen zullen hierna [verzoekster] en FPI genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 19;

- het verweerschrift met producties 1 tot en met 23;

- de aanvullende producties 20 en 21 van de zijde van [verzoekster] en de nadien namens haar ingediende aanvullende ongenummerde productie (verklaring huisarts Van Daal);

- de door de gemachtigde van [verzoekster] overgelegde pleitnota;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 28 april 2015.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat – als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken – het navolgende vast.

2.2.

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1970, heeft vanaf 19 januari 1994 als uitzendkracht werkzaamheden voor één van de rechtsvoorgangsters van FPI verricht. Aansluitend is zij vanaf 13 juni 1994 bij één van de rechtsvoorgangsters van FPI in dienst getreden. Laatstelijk heeft zij gewerkt als assistent controller, tegen een loon van € 3.359,19 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag.

2.3.

In 2008 heeft FPI besloten om een nieuw administratiesysteem in te voeren (er werd gekozen om over te stappen van Exact naar Oracle). Van augustus 2009 tot mei 2011 heeft de implementatie van Oracle plaatsgevonden. Vanwege de invoering van Oracle hebben werknemers van de afdeling financiën van FPI (waaronder ook [verzoekster]) – in ieder geval gedurende de hiervoor weergegeven periode van implementatie van Oracle – extra uren moeten werken.

2.4.

Op 14 oktober 2013 is [verzoekster] uitgevallen met ernstige burn-outklachten. Nog diezelfde dag is [verzoekster] op het spreekuur van de bedrijfsarts, verbonden aan Encare Arbozorg, verschenen.

2.5.

Op 23 oktober 2013, 15 november 2013 en 13 december 2013 is [verzoekster] op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen.

2.6.

Op advies van de bedrijfsarts heeft FPI, voor haar rekening, bedrijfsmaatschappelijk werk (‘bmw’) voor [verzoekster] ingeschakeld. In de periode van 8 november 2013 tot en met
30 juni 2014 heeft [verzoekster] hiervan gebruik gemaakt.

2.7.

Op 15 november 2013 heeft de bedrijfsarts een beknopte probleemanalyse opgesteld.

2.8.

Op 26 november 2013 is een Plan van aanpak WIA opgesteld dat – uiteindelijk – door FPI en [verzoekster] is ondertekend.

2.9.

Op 24 januari 2014 en 14 maart 2014 is [verzoekster] op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. Van alle hiervoor weergegeven consulten bij de bedrijfsarts zijn door de bedrijfsarts adviezen werknemer-werkgever opgesteld. Deze adviezen zijn als producties overgelegd.

2.10.

In januari 2014 is [naam HR Business Partner] bij FPI aan de slag gegaan als HR Business Partner. Op 10 februari 2014 heeft zij een eerste ontmoeting met [verzoekster] gehad. Daarvoor

had zij al telefonisch contact met [verzoekster] gehad.

2.11.

Op 4 juni 2014, 3 juli 2014, 7 augustus 2014, 15 augustus 2014, 22 augustus 2014, 28 augustus 2014, 16 oktober 2014 en 11 december 2014 is [verzoekster] op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen.

2.12.

Op 7 augustus 2014 heeft de bedrijfsarts in zijn advies de verwachting uitgesproken dat het niet haalbaar zal zijn om [verzoekster] in de toekomst bij FPI te laten re-integreren.

2.13.

Op 29 september 2014 heeft [verzoekster] een schriftelijke waarschuwing ontvangen omdat zij telefonisch niet bereikbaar was voor FPI en geen gehoor gaf aan herhaalde oproepen van FPI om terug te bellen. De partner van [verzoekster], dhr. [naam partner], heeft namens [verzoekster] op 30 september 2014 per e-mailbericht aan [naam HR Business Partner] op deze waarschuwing gereageerd.

2.14.

FPI heeft gedateerd 14 oktober 2014 een door haar ingevulde eerstejaarsevaluatie Plan van aanpak WIA aan [verzoekster] ter ondertekening voorgelegd. [verzoekster] heeft die evaluatie niet ondertekend. Gedateerd 25 november 2014 heeft zij een door haarzelf ingevulde eerstejaarsevaluatie Plan van aanpak WIA ter ondertekening aan FPI voorgelegd. FPI heeft deze evaluatie niet ondertekend.

2.15.

Na het verstrijken van het eerste aaneengesloten ziektejaar heeft FPI 100% van het loon aan [verzoekster] doorbetaald, alhoewel [verzoekster] vanaf dat moment recht had op 70% van het loon.

2.16.

Op 19 november 2014 is het einddoel van de re-integratie (werkhervatting in eigen functie) bijgesteld (bijstelling probleemanalyse WIA, onderdeel van re-integratieverslag). De reden voor die bijstelling was dat werkhervatting bij de eigen werkgever niet meer mogelijk bleek (op 7 augustus 2014 was de bedrijfsarts ook al tot dit oordeel gekomen). De bedrijfsarts heeft in zijn bijstelling geadviseerd het tweede spoor op te starten waarvoor FPI een re-integratiebureau zal moeten inschakelen. FPI heeft daartoe ProfCare Career B.V. ingeschakeld. De opdrachtbevestiging is op 2 december 2014 namens FPI ondertekend (totale kosten € 3.650,00, uitgaande van 10 maanden en 35,5 uren). Op 21 april 2015 heeft ProfCare Career B.V. een voorgangsrapport re-integratie spoor twee opgesteld. Daarin staan de activiteiten over de periode 22 december 2014 tot en met 29 april 2015 weergegeven.

2.17.

Thans is [verzoekster] nog steeds arbeidsongeschikt.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt – mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten –om de arbeidsovereenkomst met FPI zo spoedig mogelijk wegens gewichtige redenen, bestaande in een verandering in omstandigheden, te ontbinden. [verzoekster] verzoekt daarbij om aan haar ten laste van FPI een vergoeding toe te kennen van € 126.977,55 (op basis van de kantonrechtersformule, waarbij correctiefactor 2 is gehanteerd), met bepaling dat buiten deze vergoeding valt de schade die zij door toedoen van FPI heeft geleden, met als gevolg dat zij thans een burn-out heeft. Voor de gewichtige redenen die aan dit verzoek ten grondslag liggen, verwijst de kantonrechter naar het verzoekschrift met producties, de aanvullende producties en de ter zitting gegeven toelichting.

3.2.

FPI heeft verweer gevoerd, waartoe wordt verwezen naar het verweerschrift met producties, de pleitnota en de ter zitting gegeven toelichting. FPI heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, heeft FPI verzocht om geen vergoeding aan [verzoekster] toe te kennen en – indien wel een vergoeding aan [verzoekster] wordt toegekend – te bepalen dat die vergoeding niet meer dan € 29.234,00 (transitievergoeding waarop [verzoekster] volgens FPI in oktober 2015 recht zou hebben) bedraagt.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter gebleken dat de feitelijke situatie tussen partijen van dien aard is dat er geen vertrouwensbasis tussen partijen meer aanwezig is. Een zinvolle en vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst behoort daardoor niet meer tot de reële mogelijkheden. Gelet hierop is er sprake van een verandering in de omstandigheden, die een gewichtige reden vormt, welke van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn behoort te eindigen. De kantonrechter is dan ook voornemens om de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2015 te ontbinden.

4.2.

Nu de kantonrechter ertoe zal overgaan de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, ligt de vraag voor of aan [verzoekster] een vergoeding naar billijkheid als bedoeld in artikel 7:685 lid 8 BW toegekend dient te worden. Daarbij is met name van belang of en in hoeverre van de thans ontstane situatie aan één van de partijen in overwegende mate een verwijt te maken valt, dan wel bepaald kan worden dat het risico daarvan meer bij de ene dan bij de andere partij ligt.

Periode vóór 14 oktober 2013 (datum uitvallen [verzoekster])

4.3.

Zakelijk weergegeven voert [verzoekster] aan dat zij door toedoen van FPI overspannen is geraakt. FPI heeft dat volgens [verzoekster] ook kunnen en moeten zien aankomen, maar is in gebreke gebleven daartegen maatregelen te treffen. Integendeel: FPI heeft de druk op [verzoekster] juist steeds verder opgevoerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [verzoekster] verwezen naar producties waaruit volgt dat zij vele overuren heeft gemaakt en naar verklaringen van mensen die in de ‘medische sector’ werkzaam zijn.

4.3.1.

Dat de implementatie van Oracle extra werk voor de afdeling van [verzoekster] met zich heeft gebracht staat vast (zie rechtsoverweging 2.3.). FPI heeft evenwel voldoende onderbouwd dat het extra werk vanwege de invoering van Oracle – in ieder geval deels – is opgevangen door externe begeleiding in te kopen, zodat van dit verwijt een nadere concretisering en onderbouwing van [verzoekster] mogen worden gevergd. In dit verband stelt [verzoekster] bijvoorbeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door een controller van FPI in maart 2011 ‘naar verluidt samenhangt met het uitblijven van een oplossing voor de problematiek met Oracle’. FPI heeft tegenover deze blote stelling aangevoerd dat het vertrek van deze controller samenhangt met het aanvaarden van een dienstbetrekking elders. Dat het vertrek is gelegen in de problematiek met de invoering van Oracle binnen FPI, is aldus niet aannemelijk geworden. Verder heeft FPI nader toegelicht dat zij na het vertrek van deze controller direct een vacature heeft opengesteld en dat die vacature per 1 juni 2011 was ingevuld. Ook heeft FPI onweersproken gesteld dat in de tussenliggende periode dhr.
[naam financieel directeur] (destijds financieel directeur bij FPI) zelf werkzaamheden van de vertrokken controller heeft overgenomen.

Terecht merkt FPI op dat [verzoekster] in haar verzoekschrift vervolgens, zonder nadere toelichting, een sprong van maart 2011 naar januari 2013 maakt. Hoe zat het in deze periode met de door [verzoekster] ervaren werkdruk? De implementatie van Oracle was immers al in mei 2011 afgerond. Door [verzoekster] wordt niet gesteld dat zij ook in de periode maart 2011 tot januari 2013 vaker heeft aangegeven dat de werkdruk door haar als buitensporig werd ervaren. Datzelfde geldt ook voor de periode na januari 2013 tot aan haar uiteindelijke uitval op 14 oktober 2013.

Alhoewel [verzoekster] weliswaar stelt dat zij meermalen de – in haar ogen – te hoge werkdruk binnen haar afdeling heeft aangekaart, wordt door haar niet nader geconcretiseerd wanneer en bij wie zij dit dan onder de aandacht heeft gebracht. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] aangeeft dat zij thans niet meer over haar werkmail kan beschikken, maakt niet dat een nadere concretisering niet van haar kon worden gevergd. Als productie 9 is door FPI een e-mail van 15 oktober 2013 van [verzoekster] aan dhr. [naam] van FPI overgelegd. In die e-mail schrijft [verzoekster] dat zij meermalen heeft aangegeven dat zij de werkdruk te hoog acht. Deze
e-mail is evenwel na haar ziekmelding op 14 oktober 2013 opgesteld en bovendien kan uit die e-mail ook geen nadere concretisering worden afgeleid.

4.3.2.

Daar komt bij dat [verzoekster] op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij, alvorens zij op 14 oktober 2013 uitviel, (structureel) overbelast werd. Uit de door FPI overgelegde verklaringen van werknemers van FPI blijkt geenszins dat het door [verzoekster] geschetste beeld (‘50% van de afdeling was overspannen’) door hen wordt herkend. Ook uit de overige stellingen en producties is niet voldoende aannemelijk dat er sprake is van een te hoge werkdruk op de afdeling van [verzoekster]. De door [verzoekster] opgesomde overuren (weergegeven in een als productie 4 bij verzoekschrift overgelegd overzicht), worden niet door FPI betwist en staan daarmee vast. De uit dit overzicht af te leiden overuren van [verzoekster] (sinds de start van de implementatie van Oracle in augustus 2009) zijn niet dermate exorbitant dat daarbij (arbeidsrechtelijke) grenzen zijn overschreden. Dat geldt eens te meer als daarbij het niet door [verzoekster] betwiste verlofoverzicht van FPI (overgelegd als productie 4 bij verweerschrift) wordt betrokken: de ‘feitelijk’ gewerkte uren komen dan aanzienlijk lager uit.

4.3.3.

De door [verzoekster] – onder verwijzing naar jurisprudentie – ingenomen stelling dat het op de weg van de werkgever ligt om ook werknemers die vanwege ‘intra persoonlijke kenmerken niet piepen’ tegen overbelasting te beschermen is op zichzelf genomen juist en wordt door de kantonrechter onderschreven. Daarvoor is echter wel vereist dat voldoende aannemelijk wordt dát de werknemer (zoals in casu [verzoekster]) wordt overbelast en dat de werkgever steken heeft laten vallen. Nu [verzoekster] haar forse verwijten jegens FPI op dit punt evenwel onvoldoende heeft onderbouwd, is niet aannemelijk geworden dat [verzoekster] – alvorens zij op 14 oktober 2013 uitviel – (structureel) werd overbelast. Aan een beoordeling van de producties van de personen die werkzaam zijn in de ‘medische sector’ op grond waarvan [verzoekster] concludeert dat zij door overbelasting op haar werk ernstige burn-outklachten heeft gekregen, wordt daardoor niet toegekomen.

Periode na 14 oktober 2013

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat [verzoekster] geen deskundigenoordeel bij het UWV heeft aangevraagd, zodat hierna van juistheid van de adviezen van de bedrijfsarts moet worden uitgegaan.

4.5.

Allereerst verwijt [verzoekster] dat FPI in het eerste jaar van haar arbeidsongeschiktheid niets aan haar re-integratie heeft gedaan. Alleen al uit de hiervoor weergegeven feiten volgt dat dit verwijt daarin geen steun vindt. Tussen partijen staat namelijk vast dat er op
26 november 2013 (dus tijdens het eerste ziektejaar en ongeveer anderhalve maand na de uitval van [verzoekster]) een Plan van aanpak WIA is opgemaakt. Voorts is niet in geschil dat [verzoekster] gedurende de periode 8 november 2013 tot en met 30 juni 2014, op advies van de bedrijfsarts, gebruik heeft gemaakt van het bedrijfsmaatschappelijk werk. De kosten hiervan werden door FPI voldaan. Door [verzoekster] is niet geconcretiseerd wanneer gedurende het eerste ziektejaar adviezen van de bedrijfsarts niet of onvoldoende door FPI zouden zijn opgevolgd. Dit toelichting had van haar zeker mogen worden gevergd. Daarmee lijkt dit verwijt door [verzoekster] aan het adres van haar werkgever onterecht.

4.6.

Verder verwijt [verzoekster] dat FPI – in strijd met de voorliggende adviezen - te frequent contact met haar is blijven zoeken. Dit is niet bevorderlijk geweest voor haar herstel, aldus [verzoekster].

4.6.1.

Door [verzoekster] is zelf gesteld dat vóór het aantreden van [naam HR Business Partner] als HR Business Partner in januari 2014, er gemiddeld één keer per zes weken door FPI contact met haar werd gezocht. Deze mate van contact zoeken door FPI, kan bezwaarlijk als te frequent worden aangeduid, zeker nu uit de adviezen van de bedrijfsarts over de periode 14 oktober 2013 tot en met januari 2014 (moment dat [naam HR Business Partner] bij FPI aan de slag ging) niet volgt dat hij heeft geadviseerd om helemaal geen contact met [verzoekster] op te nemen.

4.6.2.

Vervolgens dient de periode nadat [naam HR Business Partner] bij FPI aan de slag ging te worden beoordeeld. Door [verzoekster] is als productie 5 bij verzoekschrift een overzicht van telefooncontacten met [naam HR Business Partner] overgelegd. De juistheid van de daarin genoemde (telefonische) contacten is niet door FPI betwist, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Op
7 januari 2014 heeft het eerste telefoongesprek tussen [naam HR Business Partner] en [verzoekster] plaatsgevonden en op 29 september 2014 het laatste. In de daarin tussengelegen periode heeft [naam HR Business Partner] tien keer telefonisch contact met [verzoekster] opgenomen, gemiddeld één keer per maand. Ter zitting heeft [verzoekster] gesteld dat dit nog net geen ‘telefoonterreur’ kan worden genoemd. Gelet op de frequentie van de (telefonische) contacten is van ‘telefoonterreur’ volstrekt geen sprake. Bovendien miskent [verzoekster] ook hier dat de bedrijfsarts, bijvoorbeeld in zijn adviezen op
24 januari 2014 en 14 maart 2014 heeft geadviseerd ‘wederzijds kontakt (kennismaking) met HR-manager (kantonrechter: [naam HR Business Partner]) voortzetten om enige band met FPI te handhaven’.

4.7.

[verzoekster] heeft daarnaast niet onderbouwd dat FPI in weerwil van een advies van de bedrijfsarts het bedrijfsmaatschappelijk werk heeft beëindigd. Uit de door FPI gegeven toelichting op de overgelegde producties, volgt namelijk dat FPI helemaal niet onwelwillend stond tegen een voortzetting van het bedrijfsmaatschappelijk werk, mits de bedrijfsarts daartoe ook een noodzaak zag. Die noodzaak is evenwel niet aannemelijk geworden. Uit de omstandigheid dat [naam HR Business Partner] in verband met oplopende kosten heeft gevraagd om een eventuele verlenging vooraf te mogen accorderen, kan niet worden afgeleid dat FPI op voorhand negatief tegen een voortzetting van het bedrijfsmaatschappelijk werk stond.

4.8.

[verzoekster] stelt dat door aanhoudende druk van FPI terugkeer binnen FPI niet meer mogelijk is. Zij kan zich niet vinden in de keuze om spoor 2 in te zetten. Met deze stelling gaat [verzoekster] – wederom – voorbij aan het oordeel van de bedrijfsarts. Op 7 augustus 2014 heeft de bedrijfsarts in zijn advies werkgever-werknemer al de verwachting uitgesproken dat het niet haalbaar zal zijn om [verzoekster] in de toekomst bij FPI te laten re-integreren. In latere adviezen heeft hij dit bevestigd. Op 19 november 2014 is vervolgens het einddoel van de re-integratie in de probleemanalyse WIA in gelijke zin bijgesteld. Ook hier geldt:
Indien [verzoekster] zich niet kon vinden in het oordeel van de bedrijfsarts, dan had zij een deskundigenoordeel bij het UWV behoren aan te vragen, hetgeen zij heeft nagelaten. Overigens staat vast dat spoor 2 ook daadwerkelijk is ingezet. FPI heeft terecht opgemerkt dat door het inzetten van spoor 2 de contacten met FPI als werkgever worden geminimaliseerd. Desalniettemin heeft [verzoekster] ervoor gekozen om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.

4.9.

In hetgeen [verzoekster] over de waarschuwing van 29 september 2014 heeft aangevoerd kan, gelet op hetgeen FPI daar tegenover heeft gesteld, ook geen aanleiding worden gezien om daaruit een verwijtbare gedraging van de zijde van FPI te ontwaren.

Conclusie

4.10.

Samenvattend leidt dit alles tot de conclusie dat [verzoekster] haar verwijten aan het adres van haar werkgever – mede in het licht van het verweer – onvoldoende heeft onderbouwd. De reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst ligt daarmee in de risicosfeer van [verzoekster]. Nu niet kan worden vastgesteld dat FPI ter zake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden verweten, bestaat er geen aanleiding om aan [verzoekster] een vergoeding naar billijkheid toe te kennen. De lange duur van haar dienstverband en haar goede functioneren in de periode voorafgaand aan 14 oktober 2013 (datum uitval) maken dat niet anders, evenals alle andere omstandigheden van het geval die door de kantonrechter zijn meegewogen.

4.11.

De kantonrechter zal partijen in kennis stellen van zijn voornemen om de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2015 te ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding naar billijkheid aan [verzoekster] ten laste van FPI. Gelet op het bepaalde in artikel 7:685 lid 10 BW krijgt [verzoekster] – nu de kantonrechter dus voornemens is om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken zonder daaraan een door [verzoekster] verzochte vergoeding te verbinden – echter nog wel de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken. [verzoekster] zal tot uiterlijk 27 mei 2015 in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek door schriftelijke mededeling aan de griffier in te trekken. Indien zij niet binnen die termijn haar verzoek intrekt, zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 juni 2015.

4.12.

De proceskosten worden gecompenseerd in het geval [verzoekster] haar verzoek handhaaft. Indien [verzoekster] haar verzoek intrekt, zal zij in de aan de zijde van FPI gerezen proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

Voor het geval [verzoekster] haar verzoek uiterlijk 27 mei 2015 niet intrekt:

5.1.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van

1 juni 2015;

5.1.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.1.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

5.2.

Voor het geval [verzoekster] haar verzoek uiterlijk 27 mei 2015 intrekt:

5.2.1.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van FPI tot op heden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.