Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:4057

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1963u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

LFNP. De transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser, is een besluit dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Een volle, inhoudelijke toets van dat besluit is binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk. Daarbij komt dat de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) wel dient te worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift (avv) en dat deze verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Verweerder heeft daardoor bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid, is erin gelegen dat verweerder bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Gelet hierop hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd.

Het door eiser gestelde onjuiste matchingsresultaat vloeit direct voort uit de LFNP matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Nu deze keuzes de rechterlijke toets doorstaan en ook verweerder aan deze is gebonden, ziet de rechtbank in het kader van de voorliggende toets geen verdere ruimte om de onderhavige match kennelijk onhoudbaar te achten. Eiser heeft niet expliciet betoogd dat de match tussen de korpsfunctie ‘Professional Informatievoorziening RIO’ en de LFNP-functie ‘Operationeel Expert Intelligence’ op zich onhoudbaar zou zijn, doch enkel dat zijn feitelijke werkzaamheden niet met deze laatste functie overeenkomen. Voorts zou een indeling in het door eiser gewenste vakgebied ‘Operationeel Specialismen’ enkel kunnen leiden tot toekenning van de functie ‘Operationeel Specialist A’. Deze match is echter evident onjuist nu deze functie géén coördinatie kent, terwijl daarvan wel sprake is binnen de korpsfunctie van eiser. Met betrekking tot het matchen op opleidingsniveau overweegt de rechtbank dat het werk- en denkniveau in het kader van de matching niet van doorslaggevende betekenis kan zijn. Strijd met het gelijkheidsbeginsel niet aangetoond.

Voorts zijn de gevolgen van de matching niet dermate bijzonder dat verweerder op grond daarvan de hardheidsclausule redelijkerwijs had moeten toepassen. Eiser heeft niet voldoende, met objectieve documenten, onderbouwd dat zijn oorspronkelijke korpsfunctie niet vergelijkbaar zou zijn met de LFNP-functie. In dit verband merkt de rechtbank op dat in procedures als de onderhavige onvoldoende gewicht toekomt aan de omstandigheid dat een andere functie ook passend zou zijn. Het beroep van eiser op het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur, slaagt eveneens niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/1963

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Scheggetman),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Geraedts, C.L.G.M. van de Walle en F.J.H. Gunther).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) toegekend en bepaald dat eiser op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie ‘Operationeel Expert Intelligence’, gewaardeerd in schaal 9.

Bij besluit van 14 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Boezeman, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser was vóór de overgang naar de LFNP-functie werkzaam als Professional Informatievoorziening RIO van het (voormalige) korps Brabant Zuid-Oost. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Het bestaande systeem van duizenden verschillende regionale functies wordt vervangen door één stelsel van 92 landelijke functies, onderverdeeld naar domeinen en vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten, het LFNP genaamd. De invoering van het LFNP vindt plaats in meerdere stappen en wordt beschreven in de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling), vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (Minister) op 8 mei 2013 en gepubliceerd in de Staatscourant van 22 mei 2013, nr. 13141. Allereerst zijn de uitgangsposities van alle politieambtenaren in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 vastgesteld (zie artikel 2 van de Regeling). De uitgangspositie is omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de korpsfunctiebeschrijving(en) en de extra werkzaamheden, bijzondere situaties, afspraken, of specifieke werkzaamheden (taakaccenten) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011, zoals vastgelegd in een besluit. Bij het vaststellen van de uitgangsposities is aan iedere politieambtenaar de mogelijkheid tot functieonderhoud geboden. Vervolgens zijn de korpsfunctiebeschrijvingen organiek gematcht met functies uit het LFNP (zie artikel 3 van de Regeling). Hierbij zijn, conform de beleidsregel Instructie organieke matching (beleidsregel), ook de extra werkzaamheden en specifieke werkzaamheden, zoals deze in de uitgangspositie zijn vastgelegd, betrokken. De resultaten van deze matching zijn vastgelegd in een transponeringstabel, die als bijlage bij de Regeling is gevoegd en gelijktijdig is gepubliceerd. De bijlage is sindsdien een aantal keer vervangen door een gewijzigde transponeringstabel, welke wijzigingen eveneens zijn gepubliceerd in de Staatscourant.

Ten slotte zijn op basis van de uitgangsposities en de transponeringstabel LFNP-functies toegekend aan alle politieambtenaren en zijn zij, met ingang van 1 januari 2012, overgegaan naar de LFNP-functie die overeenkomt met de match, behorend bij de uitgangspositie zoals die gold op de peildatum van 31 december 2011 (zie artikel 5 van de Regeling).

2. Bij brief van 22 april 2011 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen inzake zijn uitgangspositie voor de toekomstige LFNP-functie.

3. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft verweerder de uitgangspositie van eiser voor de overgang naar een LFNP-functie vastgesteld op de korpsfunctiebeschrijving ‘Professional Informatievoorziening RIO’.

4. Op 2 april 2012 heeft verweerder de uitgangspositie aangevuld met specifieke werkzaamheden (taakaccenten): Vermogenscriminaliteit, Wijkscan, Software (analyse)techniek en Coördinatie werkzaamheden cluster 2 (vermogenscriminaliteit/VVC). Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

5. Bij brief van 14 mei 2013 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen inzake de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Hierin heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn de functie van eiser, zoals die gold op 31 december 2011, over te laten gaan naar de LFNP-functie ‘Operationeel Expert Intelligence’. Eiser heeft tegen dat voornemen geen bedenkingen ingediend.

6. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald welke LFNP-functies worden toegekend voor de uitgangsposities van eiser over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 en dat eiser op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie van ‘Operationeel Expert Intelligence’.

7. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat in de regelgeving inzake de matching de functieschaal (te) leidend is waardoor hij in de transponeringstabel niet de meest passende LFNP functie heeft gekregen. Eiser herkent zich voorts niet in het gekozen vakgebied. Zijn functie bevat meer componenten voor een match met de functie ‘Operationeel Specialist’ voorkomend in het domein ‘Uitvoering’, het werkgebied ‘Intelligence’ en het vakgebied ‘Operationeel Specialismen’. Voor de LFNP-functie ‘Operationeel Expert Intelligence’ is MBO werk- en denkniveau vereist, terwijl eisers huidige functie een HBO werk- en denkniveau vraagt. Eiser verricht binnen zijn huidige feitelijke werkzaamheden als (criminaliteits)analist geen activiteiten op het gebied van coördinatie/operationele sturing met daarbij beleid en/of advies. Als dit wel het geval was geweest, zou de LFNP functie Operationeel Expert het meest vergelijkbaar zijn geweest. Binnen zijn huidige werkzaamheden is wel sprake van advies en ondersteuning van beleid, maar niet van coördinatie en/of operationele sturing. Hierdoor is de LFNP-functie ‘Operationeel Specialist A’ het meest vergelijkbaar. Eiser heeft dit ook al eerder in zijn zienswijze op het voornemen inzake de conversie van zijn functie ‘Professional Informatievoorziening’ naar die van ‘Operationeel Expert Intelligence’ aangegeven. De transponeringstabel heeft niet het karakter van een algemeen verbindend voorschrift, bevat slechts de concrete uitkomsten van de matching en leent zich niet voor herhaalde toepassing. Het bevoegd gezag zal daarom een volledige heroverweging van de matching moeten uitvoeren. Er is verder strijd met het motiveringsbeginsel, omdat het functievergelijkingsformulier een algemene motivering is die geen recht doet aan de matching van eisers functiebeschrijving. Tot slot voert eiser aan dat de toekenning van, overgang naar of wijziging in een LFNP-functie in zijn geval niet juist is vanwege bijzondere omstandigheden en daardoor kennelijk onbillijk.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat welke LFNP-functie het meest vergelijkbaar is met de korpsfunctie van eiseres aan de hand van de Regeling en de transponeringstabel wordt bepaald. Nu zowel de Regeling als de in de bijlage daarbij opgenomen transponeringstabel gelden als een algemeen verbindend voorschrift (avv), staan hier geen bezwaar en beroep tegen open.

In de onderhavige procedure gaat het enkel om de vraag of bij de toekenning van de LFNP-functie de vastgestelde uitgangspositie, de formele korpsfunctie en de daarmee gematchte regel in de transponeringstabel zijn gebruikt. Gebleken is dat de gegevens uit de eerdere besluiten over de uitgangspositie en de formele korpsfunctie correct zijn overgenomen in de matching en dat deze eerdere besluiten in rechte vaststaan. Dat eiser zich niet herkent in het toegekende vakgebied, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Werkzaamheden die niet in bovengenoemde besluiten zijn opgenomen, kunnen namelijk in de matching geen rol spelen. De laatste stap binnen de matching, de match met de meest vergelijkbare functie binnen het vastgestelde toepasselijke domein en vakgebied, vindt plaats op basis van de schaal van de korpsfunctie. In gezamenlijk overleg met het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) is hiervoor gekozen. Welk vakgebied inhoudelijk het meest passend is, staat daarmee in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. De keuze van de werkgroep matching voor het vakgebied ‘Intelligence’ acht verweerder gelet op eisers uitgangspositie LFNP niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot eisers bezwaargrond dat voor de LFNP-functie MBO werk- en denkniveau is vereist, verwijst verweerder naar de Handleiding waarin is aangegeven dat het werk- en denkniveau in het kader van de matching niet van doorslaggevende betekenis zijn. Ten aanzien van de motivering in het functievergelijkingsformulier stelt verweerder dat een in algemene bewoordingen opgestelde motivering niet reeds om die reden ondeugdelijk is. De wijze van matching, waaronder het gebruik van het functievergelijkingsformulier, is door de Regeling voorgeschreven. Dit formulier bevat een vermelding van de functiebeschrijving en van de eventueel bij besluit toegekende specifieke werkzaamheden. Daarnaast is aangegeven waarom deze bij het volgen van de voorgeschreven matchingsprocedure en het systeem van de LFNP tot de desbetreffende match hebben geleid. Van een gebrekkige motivering is dan ook geen sprake.

Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om tot toepassing van de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, over te gaan. Er is geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard en er bestaat geen aanleiding om af te wijken van de uitkomst van het matchingsproces.

9. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt daartoe allereerst dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, omdat een mandaat hiervoor ontbreekt. Voorts valt de transponeringstabel niet aan te merken als een avv, nu deze niet voldoet aan de daarvoor geldende criteria, het bezwaar en het onderhavige beroep dienen om die reden inhoudelijk te worden getoetst. Het bestreden besluit betreft een besluit tot indeling van eiser in de nieuwe LFNP-functie. Naar vaste jurisprudentie dient, na de volledige heroverweging in de bezwaarfase, de rechter een beroep tegen een besluit tot indeling in een functie volledig te toetsen. De beslissing op bezwaar kan niet in stand blijven, aangezien sprake is van een onjuiste matching. Er is sprake van een verkeerd vakgebied. Eiser dient gematcht te worden in de LFNP-functie ‘Operationeel Specialist A’. Gelet op eisers werkzaamheden blijkt dat de kern en/of het doel van de (oude) functie overeenkom(t)en met het vakgebied ‘Operationeel Specialismen’ en dat het daarmee het meest vergelijkbaar is. Eiser verricht immers meer werkzaamheden en heeft meer verantwoordelijkheden dan in de korpsfunctiebeschrijving en uitgangspositie staan vermeld. Eiser verwijst naar de beschrijving van de werkzaamheden in het bezwaarschrift en de daarbij gevoegde stukken. Er dient gematcht te worden aan de hand van deze feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden en de matching dient te leiden tot toekenning van de LFNP-functie ‘Operationeel Specialist A’. Tijdens de matchingsprocedure is de werkwijze veranderd. Als eiser geweten had dat verweerder niet de inhoud van zijn oude functiebeschrijving zou matchen met de LFNP-functie, had eiser destijds functie-onderhoud en vervolgens functiewaardering aangevraagd. Functie-onderhoud is nu niet meer mogelijk, waardoor het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet zorgvuldig is genomen. Voorts doet eiser een beroep op verscheidene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

Tot slot doet eiser een beroep op de hardheidsclausule van artikel 5, vierde lid, van de Regeling. Het matchingsresultaat heeft voor eiser zeer nadelige gevolgen en leidt tot een onbillijke en bijzondere situatie. Deze gevolgen en situatie zijn door verweerder niet, dan wel onvoldoende in de besluitvorming betrokken.

10. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Zoals reeds overwogen in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:2056) lijdt het bestreden besluit niet aan een bevoegdheidsgebrek. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

11. Voorts overweegt de rechtbank dat, zoals overwogen in bovengenoemde uitspraak van 11 maart 2015, de transponeringstabel niet valt aan te merken als een avv.

12. De rechtbank constateert voorts dat de transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser een besluit is dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Dit brengt met zich dat een volle, inhoudelijke toets van dat besluit binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk is. Daarbij komt dat, hoewel de transponeringstabel geen avv is, de Regeling wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat de Regeling door middel van het daarin neergelegde artikel 5, derde lid, verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Gelet op deze regelgeving enerzijds en de hiërarchische verhoudingen tussen verweerder en de Minister anderzijds, heeft verweerder bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid binnen het onderhavige geding, is erin gelegen dat verweerder bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Het gaat hier om de zogeheten korpscheck. Ook had verweerder de mogelijkheid om naar aanleiding van ingediende bedenkingen of naar aanleiding van het bezwaarschrift de match opnieuw voor te leggen.

13. Gelet op het bovenstaande hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er sprake kan zijn van een door de individuele ambtenaar onwenselijk geachte matchingsuitkomst die een direct gevolg is van de matchingsystematiek van het LFNP, zoals deze blijkt uit de van toepassing zijnde avv’s. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd. Indien er geen sprake is van een kennelijk onhoudbare match, zoals hierboven bedoeld, zal de enkele omstandigheid dat de match onbillijke of zwaarwegende gevolgen heeft voor de individuele ambtenaar in beginsel niet voldoende zijn voor het oordeel dat verweerder zich niet gebonden heeft kunnen achten aan de toepasselijke transponeringstabelregel. Immers, hiervoor is reeds de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, in het leven geroepen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het hierboven beschreven toetsingskader, de match van de oorspronkelijke korpsfunctie van eiser met de LFNP-functie ’Operationeel Expert Intelligence’ niet kennelijk onhoudbaar.

15. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling bij de matching wordt uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en dat bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend is. Het enkele feit dat gedurende de invoering van het LFNP de wijze van matching is gewijzigd, van matching op inhoud naar matching (mede) op (basis van) schaal, maakt niet dat verweerder zich niet meer gebonden had moeten achten aan de van toepassing zijnde transponeringstabelregel.

De Minister heeft er van meet af aan voor gekozen de formele (schriftelijke) korpsfunctiebeschrijving als uitgangspunt voor de matching te hanteren. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat in het voortraject de mogelijkheid van functieonderhoud is opengesteld. Immers, indien feitelijke werkzaamheden het uitgangspunt zouden vormen bij de matching, was het vragen om functieonderhoud niet nodig geweest. Van matching op basis van feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden buiten de korpsfunctiebeschrijving om is aldus nooit sprake geweest. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat er op dit punt sprake is van zodanige ernstig feilen dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden, volgt de rechtbank dit niet. Voorts is thans geen sprake van matchingssystematiek waarbij louter de salarisschaal een rol speelt. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving is immers bepalend voor de indeling in het toepasselijke domein en vakgebied. De LFNP matchingssystematiek is enkel gewijzigd voor wat betreft het vinden van de meest vergelijkbare functie binnen het vakgebied, omdat bleek dat matching op inhoud niet leidde tot consistentie van het totale matchingsproces, hetgeen bij de aanvang van de matching een uitdrukkelijke voorwaarde was. Deze wijziging van de LFNP matchingssystematiek leidt echter niet tot het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van het algemeen verbindend voorschrift ernstige feilen kleven. De totstandkoming van de LFNP matchingssystematiek en de gehele procedure van matching heeft in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het GOP plaatsgevonden. Ook de genoemde wijziging is geaccordeerd door het GOP en heeft uiteindelijk geleid tot het vaststellen van de Regeling (en de transponeringstabel). Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) is het inherent aan een overleg binnen het GOP dat over en weer sprake is van geven en nemen en kan de uitkomst daarvan niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de individuele ambtenaar nadelige gevolgen daarvan (zie de uitspraken van de Raad van 27 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:572) en 27 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1023). De door eiser gestelde negatieve gevolgen van de wijze van matching hebben voor verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zijn om niet langer uit te gaan van een (mede) op basis van artikel 3, vierde lid, van de Regeling tot stand gekomen match.

16. De rechtbank is voorts van oordeel dat het door eiser gestelde onjuiste matchingsresultaat, zijnde de toekenning van de LFNP-functie’ Operationeel Expert Intelligence’, direct voortvloeit uit de hierboven beschreven matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Eiser heeft niet expliciet betoogd dat de match tussen de korpsfunctie ‘Professional Informatievoorziening RIO’ en de LFNP-functie ‘Operationeel Expert Intelligence’ op zich onhoudbaar zou zijn, doch enkel dat zijn feitelijke werkzaamheden niet met deze laatste functie overeenkomen. Zoals hierboven overwogen kunnen deze werkzaamheden echter in het kader van de match geen rol spelen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de match van de korpsfunctie ‘Professional Informatievoorziening RIO’ met de LFNP-functie Operationeel Expert Intelligence onhoudbaar zou zijn. Nu bij de matching met de meest vergelijkbare functie de salarisschaal leidend is, zou een indeling in het door eiser gewenste vakgebied ‘Operationeel Specialismen’ enkel kunnen leiden tot toekenning van de functie ‘Operationeel Specialist A’. Deze match is echter evident onjuist nu deze functie géén coördinatie kent, terwijl daarvan wel sprake is binnen de korpsfunctie van eiser. Ten aanzien van eisers betoog dat ook gelet op zijn HBO werk- en denkniveau gematcht had moeten worden met de functie ‘Operationeel Specialist A’ overweegt de rechtbank - onder verwijzing naar pagina 34 van de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 - dat het werk- en denkniveau in het kader van de matching niet van doorslaggevende betekenis kan zijn.

17. Eiser heeft voorts nog betoogd dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en daartoe in algemene zin verwezen naar collega’s die zich in een identieke situatie (zelfde werkzaamheden en zelfde functie) zouden bevinden, maar op andere wijze zijn gematcht. Daargelaten het feit dat eiser niet heeft aangetoond welke collega’s het betreft en dat het om gelijke gevallen met exact dezelfde functies gaat faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel al gezien het vorenstaande.

18. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het bestreden besluit leidt aan een motiveringsgebrek. Nu, zoals overwogen onder 12 en 13, de op eiser van toepassing zijnde transponeringstabelregel niet een besluit is dat door verweerder is genomen en hijzelf hieraan ook in ruime mate is gebonden, kan van verweerder niet worden verlangd dat hij de gemaakte match motiveert als ware het een eigen besluit. Naar het oordeel van de rechtbank moet de motivering van de match met name worden gevonden in het functievergelijkingsformulier dat verweerder aan eiser heeft doen toekomen. Deze motivering houdt, gelet op de overwegingen 15 en 16, stand.

19. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, overweegt de rechtbank als volgt.

20. Nu het gaat om een hardheidsclausule en, daarbij, om het afwijken van artikel 5, derde lid, van de Regeling en van een hem bindend besluit van een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan, is de rechtbank van oordeel dat de uitoefening van deze bevoegdheid door verweerder eveneens slechts terughoudend dient te worden getoetst.

21. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het betoog van eiser dat zijn werkzaamheden niet overeenkomen met de LFNP-functie ‘Operationeel Expert Intelligence’ ook in het kader van de hardheidsclausule niet tot een geslaagd beroep. Het is de rechtbank niet gebleken dat de match onbillijke of zwaarwegende gevolgen voor eiser met zich meebrengt. Eiser heeft niet voldoende, met objectieve documenten, onderbouwd dat zijn oorspronkelijke korpsfunctie inhoudelijk niet vergelijkbaar zou zijn met genoemde LFNP-functie. In dit verband merkt de rechtbank op dat in procedures als de onderhavige onvoldoende gewicht toekomt aan de omstandigheid dat een andere functie ook passend zou zijn.

22. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van de Regeling en de transponeringstabel niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Eiser is op basis van zijn uitgangspositie gematcht op de LFNP-functie van ‘Operationeel Expert Intelligence’ en de gevolgen die het bestreden besluit voor eiser heeft vloeien rechtstreeks voort uit de toepasselijke regelgeving. Deze gevolgen zijn niet dermate bijzonder dat verweerder op grond daarvan de hardheidsclausule redelijkerwijze had moeten toepassen. Het beroep van eiser op het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur, slaagt, gelet op hetgeen hierboven is overwogen en bij gebrek aan een verdere onderbouwing, niet.

23. Nu geen van de beroepsgronden slagen, is het beroep ongegrond.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. K.M.P. Jacobs en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

w.g. I.M.T. Wijnands,

griffier

w.g. P.J.M. Bruijnzeels,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 mei 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.