Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3902

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
03/700559-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten het slachtoffer in diens woning gedwongen een betalingsregeling te treffen voor een hypotheekschuld die het slachtoffer met zijn ex-partner had. Daarbij is geweld gebruikt en gedreigd met geweld.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest. Ook moet hij schadevergoeding aan het slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700559-14

Datum uitspraak : 7 mei 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte]

[geboortegegevens],

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 Sittard.

Raadsman is mr. P.W. Hermens, advocaat te Amsterdam.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 10 februari 2015 en 23 april 2015. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman. Het onderzoek werd op 23 april 2015 gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: al dan niet samen met anderen [slachtoffer 1] heeft afgeperst;

subsidiair: al dan niet samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] af te persen;

meer subsidiair: al dan niet samen met anderen [slachtoffer 1] heeft gedwongen een betalingsregeling aan te gaan.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Hij heeft betoogd dat verdachte, samen met zijn medeverdachten, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het aangaan van een betalingsregeling. Dit kan worden aangemerkt als het aangaan van een schuld.

De officier van justitie heeft betoogd dat er - gelet op de uiterlijke verschijningsvorm - sprake was van een vooropgezet plan. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat dit niet het geval was, dan heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte zich op meerdere momenten niet heeft gedistantieerd. Ook was verdachte actief betrokken bij de afpersing. Er was dus sprake van medeplegen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de keel van [slachtoffer 1] werd dichtgeknepen. Van de overige tenlastegelegde feitelijkheden kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze heeft gepleegd. Ook was er geen sprake van medeplegen. Er was geen gezamenlijk plan om geweld te gebruiken. Het zich enkel niet distantiëren is onvoldoende om te spreken van medeplegen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van het aangaan van een schuld, omdat [slachtoffer 1] al een schuld had.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van een voltooid delict.

3.3

Het oordeel van de rechtbank
Op 26 augustus 2014 deed [slachtoffer 1] aangifte van een overval in zijn woning aan [adres 1]. Eerder die dag werd er bij zijn woning aangebeld. Bij het openen van de deur zag hij drie personen voor de deur staan.2 Van links naar rechts stonden (naar later bleek) verdachte, een onbekende man en [medeverdachte]. De onbekende man vroeg aan [medeverdachte]: “Is dat hem?” [medeverdachte] zei: “Ja.” De onbekende man zei vervolgens: “Dan gaan we naar binnen.”3 [slachtoffer 1] kreeg vervolgens een klap en zijn keel werd dichtgeknepen. Ook kreeg hij een trap tegen zijn borstkas.

Het eerst volgende dat [slachtoffer 1] zich kan herinneren is dat hij in de woonkamer was.4 Hij lag op de grond. Hij voelde pijn aan de linkerkant van zijn lichaam. Hij kon niet fatsoenlijk ademen vanwege dit letsel, maar ook vanwege de pijn aan zijn ribbenkast.

De onbekende man liep om de tafel, verdachte stond links en [medeverdachte] rechts van [slachtoffer 1]. [medeverdachte] hield een telefoon in zijn hand. Hij zei dat [slachtoffer 1] een betalingsregeling moest afsluiten met de bank en overhandigde [slachtoffer 1] de telefoon. [slachtoffer 1] ging op een stoel zitten. Op dat moment zat de onbekende man links van hem. Achter hem stond verdachte en rechts van hem stond [medeverdachte].5 Een van hen zei dat [slachtoffer 1] € 100,- per maand moest gaan betalen. [slachtoffer 1] moest de betalingsregeling van € 100,- per maand toezeggen. Ook heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij door een van de drie personen met iets in zijn rug werd geprikt. De onbekende man hield in de woning de hele tijd een hand in zijn zak.6 Tijdens het telefoongesprek bewogen de drie personen zich om [slachtoffer 1] heen.7

[slachtoffer 1] werd later in het ziekenhuis onderzocht. Hij had een hematoom bij zijn linkeroog en bovenlip. Ook had hij een kleine schaafwond rechts op het hoofd. Diep inademen was niet mogelijk.8

[medeverdachte] heeft verklaard dat [ex-partner slachtoffer] de ex van aangever [slachtoffer 1], hem vertelde over haar schulden met [slachtoffer 1]. [medeverdachte] zag de papieren van de schulden liggen en nam deze - zonder medeweten van [ex-partner slachtoffer] - mee. Hij wilde met [slachtoffer 1] over deze schulden praten. Hij vroeg verdachte om hem hierbij te helpen. Verdachte zei dat dit wel geregeld kon worden. Verdachte was in het gezelschap van een andere persoon, een buitenlander. Uiteindelijk zijn [medeverdachte], verdachte en de buitenlander naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan.9

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem in de middag van 26 augustus 2014 vertelde over een vriendin die een schuld had met haar ex. [medeverdachte] wilde met de ex tot een oplossing komen door bij hem langs de deur te gaan en met hem te praten. De vriendin van [medeverdachte] had echter gezegd dat hij niet alleen moest gaan, omdat haar ex een agressieve man was die drugs gebruikte en een soldaat was. [medeverdachte] zou aangevallen kunnen worden. Verdachte zou meegaan, zodat hij [medeverdachte] - indien nodig - weg kon trekken. Verdachte was op die bewuste dag samen met een Roemeen. [medeverdachte] vroeg aan verdachte of hij de Roemeen niet mee kon nemen. De Roemeen wilde wel mee. Het idee was dat de ex dan niks zou doen, omdat de Roemeen er indrukwekkend uitzag. Verdachte dacht dat hijzelf daarom ook mee werd gevraagd. Verdachte, [medeverdachte] en de Roemeen zijn vervolgens met de auto van [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer 1] gereden.10

Na aanbellen werd de deur geopend door [slachtoffer 1]. De Roemeen vroeg of hij het was. [medeverdachte] bevestigde dat. De Roemeen liep vervolgens naar voren en duwde met zijn linkerhand [slachtoffer 1] tegen de muur. Hij hield zijn hand bij de borst van [slachtoffer 1]. De Roemeen zei: “Je hebt een meisje benadeeld.”11

[medeverdachte] heeft verder verklaard dat bij de woning van [slachtoffer 1] werd aangebeld en de deur door [slachtoffer 1] werd geopend. [slachtoffer 1] zei niets. De Roemeen liep als een bulldozer naar binnen. Hij duwde [slachtoffer 1] aan de kant.12

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij - eenmaal aangekomen in de woonkamer van [slachtoffer 1] - aan [slachtoffer 1] vroeg om een deel van de schuld op zijn naam te nemen. [slachtoffer 1] zei dat dit al geregeld was. Ook na een tweede verzoek van [medeverdachte] weigerde [slachtoffer 1] de helft van de schuld op zich te nemen. De Roemeen pakte vervolgens [slachtoffer 1] bij de keel en gaf hem drie vuistslagen tegen het hoofd. [slachtoffer 1] viel op de grond. Op het moment dat [slachtoffer 1] bij kennis kwam, gaf [medeverdachte] - in opdracht van de Roemeen - zijn telefoon aan [slachtoffer 1]. [medeverdachte] hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat hij de schuld op zijn naam wilde pakken. [medeverdachte] zag dat [slachtoffer 1] versuft was en een zwelling bij zijn linker oog had.13

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] en [slachtoffer 1] een gesprek hadden over de schuld. De Roemeen stond opeens op en pakte [slachtoffer 1] bij zijn keel vast en drukte hem tegen de muur. Hij sloeg [slachtoffer 1] drie of vier keer op het gezicht. [slachtoffer 1] viel op de grond. Hij was blauw in zijn gezicht. De Roemeen zei dat verdachte zijn telefoon moest geven. Verdachte gaf de telefoon. [slachtoffer 1] sprak een betalingsregeling af. Daarna hebben de Roemeen, verdachte en [medeverdachte] de woning verlaten. Zij stapten allen in de auto van verdachte.14

In een telefoonaantekening van een medewerker van [bedrijf 1] werd vermeld dat [slachtoffer 1] op 26 augustus 2014 belde en dat hij een regeling van € 100,- per maand wilde treffen.15

De rechtbank stelt aan de hand van het voorgaande vast dat verdachte, [medeverdachte] en de onbekende buitenlandse man (“de Roemeen”) naar de woning van [slachtoffer 1] zijn gegaan vanwege een openstaande schuld. Na het openen van de deur werd onmiddellijk geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1]. Hij werd tegen de muur gedrukt, zijn keel werd dicht geknepen en hij werd getrapt. In de woonkamer van de woning werd vervolgens opnieuw geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1]. Daar werd hij bij de keel vastgepakt, tegen de muur aangedrukt en geslagen. Ook werd gedreigd met geweld door [slachtoffer 1] in de rug te prikken. De buitenlandse man hield steeds zijn hand in zijn broekzak, kennelijk - zo begrijpt de rechtbank - om de indruk te wekken alsof hij een wapen bij zich had. Uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat [slachtoffer 1] in eerste instantie weigerde om een betalingsregeling aan te gaan. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] na het geweld en de bedreiging met geweld alsnog gedwongen werd een betalingsregeling met [bedrijf 1] aan te gaan.

De vraag is hoe deze gedragingen juridisch gekwalificeerd dienen te worden. Onder het primaire en subsidiaire feit is tenlastegelegd dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer 1] hebben gedwongen tot het aangaan van een schuld bij [bedrijf 1], althans dat zij [slachtoffer 1] daartoe probeerden te dwingen. Uit het dossier blijkt dat het hier gaat om een hypotheekschuld die [slachtoffer 1] en zijn ex-partner hadden overgehouden aan de verkoop van hun huis.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake kan zijn van het (proberen te) dwingen tot het aangaan van een schuld, als bedoeld in artikel 317 Sr. De schuld die [slachtoffer 1] en zijn ex-partner bij [bedrijf 1] hadden bestond namelijk al op 26 augustus 2014. Er was dan ook al een (hoofdelijke) betalingsverplichting voor [slachtoffer 1]. Verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Wel kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] werd gedwongen om naar [bedrijf 1] te bellen en een betalingsregeling voor de bestaande schuld af te spreken. [slachtoffer 1] is hiertoe overgegaan nadat tegen hem geweld werd gebruikt en nadat hij werd bedreigd met geweld. Dit is onder het meer subsidiaire feit aan verdachte ten laste gelegd.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en er ook geen sprake is van medeplegen. Verdachte heeft verklaard dat hij naar de woning ging om te praten en dat het niet de bedoeling was om geweld te gebruiken. In de woning werd hij geconfronteerd met een geweldsexplosie van de Roemeen. Hierna durfde hij de woning niet te verlaten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Gelet op de verklaring van verdachte en [medeverdachte] acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat de drie verdachten enkel naar de woning van [slachtoffer 1] gingen om te praten. Het doel was om [slachtoffer 1] te intimideren. [medeverdachte] was immers gewaarschuwd dat [slachtoffer 1] een agressieve man zou zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij en de Roemeen mee moesten, omdat ze er indrukwekkend uitzagen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachten elkaar dan ook bewust getalsmatig hebben versterkt.

Na het openen van de deur werd er vrijwel direct geweld gebruikt tegen [slachtoffer 1], zo blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [medeverdachte] en verdachte. Dit geweld was kennelijk noodzakelijk om de woning binnen te komen. [medeverdachte] verklaarde dat de Roemeen “als een bulldozer” de woning betrad, waarbij [slachtoffer 1] aan de kant werd geduwd. Van het vrijwillig binnenlaten van de verdachten, zoals door verdachte werd verklaard, was dan ook geen sprake. Het is ook niet geloofwaardig dat [slachtoffer 1] drie voor hem op dat moment onbekende mannen in zijn woning zou toelaten om te praten over een restschuld, te meer niet nadat hij door een van hen op gewelddadige wijze werd benaderd.

Verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd, maar hij is samen met [medeverdachte] en de buitenlandse man verder de woning van [slachtoffer 1] binnen gelopen.

In de woning heeft [medeverdachte] met [slachtoffer 1] over de schuld met [ex-partner slachtoffer] gesproken. Hierbij hebben de drie verdachten zich steeds om [slachtoffer 1] heen bewogen, kennelijk om hem op die manier te intimideren. Op het moment dat duidelijk werd dat [slachtoffer 1] niet wilde meewerken, werd er opnieuw geweld tegen hem gebruikt. Ook toen heeft verdachte er niet voor gekozen om de woning te verlaten. Na het geweld hebben verdachte, [medeverdachte] en de buitenlandse man de woning verlaten en zijn zij gezamenlijk in de auto van [medeverdachte] gestapt. Verdachte had zich op meerdere momenten kunnen distantiëren, maar heeft ervoor gekozen om dit niet te doen. Verdachte, [medeverdachte] en de buitenlandse man hebben elkaar juist bewust getalsmatig versterkt teneinde [slachtoffer 1] te intimideren. Ook het om [slachtoffer 1] heen bewegen door verdachte en zijn medeverdachten in de woonkamer, terwijl [slachtoffer 1] moest bellen om een betalingsregeling af te spreken, had als kennelijk doel [slachtoffer 1] te intimideren. Daaraan heeft verdachte actief deelgenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte als mededader kan worden gezien en dat hij dan ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gepleegde geweld en de bedreiging van geweld. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat [slachtoffer 1] werd gedwongen een betalingsregeling aan te gaan. De rechtbank acht het meer subsidiair tenlastegelegde dan ook bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 augustus 2014 in de [adres 1] tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen die [slachtoffer 1], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers hebben verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer 1] gedwongen te bellen naar [bedrijf 1] om een betalingsregeling af te spreken met [bedrijf 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het slaan en schoppen van die [slachtoffer 1] en

- het tegen de muur drukken van die [slachtoffer 1] en

- het dichtknijpen van de keel van die [slachtoffer 1] en

- het geven van een telefoon aan die [slachtoffer 1] en het hem vervolgens dwingen te

bellen met [bedrijf 1] en

- het tijdens het daaropvolgend telefoongesprek die [slachtoffer 1] in de rug prikken en een hand in zijn (broek)zak te houden alsof hij, zijn mededader, in die (broek)zak een wapen droeg.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

Ten aanzien van meer subsidiair:

medeplegen van een ander door geweld en door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht - het primair tenlastegelegde - gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de rol en het aandeel van verdachte bij het tenlastegelegde.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten het slachtoffer [slachtoffer 1] in diens woning gedwongen een betalingsregeling te treffen voor een hypotheekschuld die het slachtoffer met zijn ex-partner had. Daarbij is geweld gebruikt en gedreigd met geweld.

Het nietsvermoedende slachtoffer werd in zijn eigen woning, de plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen, overlopen door drie voor hem op dat moment onbekende mannen. Hij is hierdoor in een uitermate bedreigende situatie terechtgekomen.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen en in het verleden werd veroordeeld tot aanzienlijke gevangenisstraffen. Ook is verdachte, zij het langer geleden, eerder veroordeeld wegens een soortgelijk feit. Kennelijk heeft verdachte hier weinig van geleerd. Daar komt nog bij dat hij geen enkel belang had bij het bewezenverklaarde feit. Ook dit heeft verdachte er niet van kunnen weerhouden om een strafbaar feit te plegen. De rechtbank zal in de strafoplegging wel rekening houden met het feit dat verdachte geen initiërende rol had bij het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde feit heeft alle elementen van een afpersing in een woning, waarvoor doorgaans meerdere jaren gevangenisstraf worden opgelegd. Vanwege de juridische kwalificatie van het bewezenverklaarde, te weten het door geweld en bedreiging met geweld iemand dwingen iets te doen, kan echter maximaal een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren worden opgelegd. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij - mede gelet op het hiervoor genoemde strafmaximum - afwijken van de door hem gevorderde straf.

De reclassering heeft in haar rapport van 27 januari 2015 aangegeven dat een behandeling, begeleiding of andere interventies niet geïndiceerd zijn.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend.

7 De benadeelde partij

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 5.192,80, bestaande uit € 1.192,80 aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade. De benadeelde heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het materiële deel van de vordering geheel toe te wijzen. Hij heeft gevorderd het immateriële deel toe te wijzen tot een bedrag van

€ 1.000,-. Voor het overige deel dient de benadeelde in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd het toe te wijzen schadebedrag hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het materiële deel van de vordering kan worden toegewezen.

Hij heeft verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. De benadeelde was voorafgaand aan het bewezenverklaarde al lijdende aan een posttraumatische stress stoornis (PTSS). Niet kan worden vastgesteld in hoeverre het tenlastegelegde heeft bijgedragen aan de immateriële schade.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. Het materiële deel van de vordering is niet betwist en zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat deze voor toewijzing in aanmerking komt. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de benadeelde al voor het bewezenverklaarde lijdende was aan een PTSS overweegt de rechtbank dat uit bijlage 2 van de vordering, een brief van PsyQ, blijkt dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde last heeft van herbelevingen en de hyperarousal en nachtmerries zijn verergerd. De verergering van de reeds bestaande klachten als gevolg van de PTSS kan dan ook aan verdachte worden toegerekend.

Alles overwegende acht de rechtbank het gevorderde deel aan immateriële schade alleszins redelijk.

De rechtbank zal dan ook de gehele vordering toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, nu de schade is veroorzaakt door verdachte en zijn mededaders samen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47 en 284 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres 2], te betalen

€ 5.192,80;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], van € 5.192,80, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 mei 2015.

Buiten staat

Mr. B.G.L. van der Aa is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de [adres 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het aangaan van (een deel van) een of meer (rest)schulden bij de [bedrijf 1], in ieder geval tot het aangaan van een schuld, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het een- of meermalen slaan en/of schoppen van die [slachtoffer 1] en/of

- het tegen de muur drukken van die [slachtoffer 1] en/of

- het dichtknijpen van de keel van die [slachtoffer 1] en/of

- het geven van een telefoon aan die [slachtoffer 1] en het hem (vervolgens) dwingen te bellen

met [bedrijf 1] en/of

- het tijdens het daaropvolgend telefoongesprek die [slachtoffer 1] in de rug prikken en/of zijn,

verdachtes, hand in zijn (broek)zak te houden alsof hij in die (broek)zak een wapen droeg

en/of

- het dreigend zeggen tegen die [slachtoffer 1] met zijn neefjes terug te komen als die [slachtoffer 1]

de politie zou bellen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de [adres 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander (en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot het aangaan van (een deel van) een of meer (rest)schulden bij [bedrijf 1], in elk geval tot het aangaan van een schuld, met dat oogmerk

- die [slachtoffer 1] een- of meermalen heeft/hebben geslagen en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer 1] tegen de muur heeft/hebben gedrukt en/of

- de keel van die [slachtoffer 1] heeft/hebben dichtgeknepen en/of

- van een telefoon aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben gegeven en hem (vervolgens)

heeft/hebben gedwongen te bellen met [bedrijf 1] en/of

- tijdens het daaropvolgend telefoongesprek die [slachtoffer 1] in de rug heeft/hebben geprikt

en/of zijn, verdachtes, hand in zijn (broek)zak heeft/hebben gehouden alsof hij in die

(broek)zak een wapen droeg en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft/hebben gezegd met zijn neefjes terug te komen als die

[slachtoffer 1] de politie zou bellen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 26 augustus 2014 in de [adres 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] gedwongen te bellen naar [bedrijf 1] om (een deel van) een of meer (rest)schulden aan te gaan bij, dan wel een betalingsregeling af te spreken met, [bedrijf 1], welk geweld en/of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheid bestond(en) uit

- het een- of meermalen slaan en/of schoppen van die [slachtoffer 1] en/of

- het tegen de muur drukken van die [slachtoffer 1] en/of

- het dichtknijpen van de keel van die [slachtoffer 1] en/of

- het geven van een telefoon aan die [slachtoffer 1] en het hem (vervolgens) dwingen te bellen

met [bedrijf 1]

- het tijdens het daaropvolgend telefoongesprek die [slachtoffer 1] in de rug prikken en/of zijn,

verdachtes, hand in zijn (broek)zak te houden alsof hij in die (broek)zak een wapen droeg.

1De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2014092230, d.d.3 november 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2014, p. 31 en 32.

3 De verklaring van de getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting d.d. 10 februari 2015 afgelegd.

4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2014, p. 32.

5 De verklaring van de getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting d.d. 10 februari 2015 afgelegd.

6 Proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2014, p. 32.

7 De verklaring van de getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting d.d. 10 februari 2015 afgelegd.

8 Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 3 oktober 2014, p. 173, 174 en 175.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. d.d. 15 oktober 2014, p. 252.

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 april 2015 afgelegd.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 3 oktober 2014, p. 173, 176 en 177.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 3 oktober 2014, p. 177 en 178.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 15 oktober 2014, p. 253.

15 Het geschrift, te weten telefoonaantekeningen van [bedrijf 1] d.d. 26 augustus 2014, p. 111.