Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3809

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
C-03-203869 - KG ZA 15-137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffing beslag afgewezen. Niet gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Onvoldoende aannemelijk dat het beslag onnodig is, omdat voldoende verhaal wordt geboden. Belangenafweging, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag, valt uit in voordeel van beslaglegger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/203869 / KG ZA 15-137

Vonnis in kort geding van 6 mei 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I.FINION B.V.,

gevestigd te Heerlen,

eiseres,

advocaat mr. J.P.H. Timmermans,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. Rebel.

Partijen zullen hierna i.Finion en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van i.Finion,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

i.Finion heeft tot en met 31 december 2014 kantoorruimte gehuurd van [gedaagde]. Tussen partijen is hieromtrent een geschil gerezen. In het kader van dat geschil heeft i.Finion een aantal facturen ter zake de betaling van de huur en servicekosten onbetaald gelaten. Hierbij heeft i.Finion zich tevens op het standpunt gesteld dat zij een vordering op [gedaagde] heeft.

2.2.

Op 18 september 2014 heeft [gedaagde] de voorzieningenrechter verzocht verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir derdenbeslag op de inventaris van i.Finion alsook verlof te verlenen tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van i.Finion onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Westelijke Mijnstreek UA (hierna: de Rabobank), waarbij de vordering van [gedaagde] is begroot op € 23.000,00.

2.3.

Na daartoe eveneens op 18 september 2014 verlof te hebben verkregen, heeft [gedaagde] op 3 oktober 2014 conservatoir beslag doen leggen op de inventaris van i.Finion en onder de Rabobank ten laste van i.Finion.

2.4.

Op 23 oktober 2014 heeft [gedaagde] i.Finion gedagvaard. i.Finion heeft op haar beurt bij conclusie van antwoord een vordering in reconventie ingediend. In de bodemprocedure is nog geen vonnis gewezen.

3 Het geschil

3.1.

i.Finion vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair het ten laste van i.Finion onder de Rabobank gelegde conservatoir derdenbeslag op te heffen, althans subsidiair [gedaagde] te bevelen het ten laste van i.Finion onder de Rabobank gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank te doen opheffen binnen vierentwintig uur na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen. Ten slotte vordert i.Finion [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder tevens de nakosten.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van i.Finion in de proceskosten, waaronder tevens de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of i.Finion een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Volgens [gedaagde] is dat niet geval, omdat de uitkomst in de bodemprocedure kan worden afgewacht.

De voorzieningenrechter deelt het standpunt van [gedaagde] niet. Zij is van oordeel dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van de vordering. Hierbij neemt zij tevens in aanmerking dat i.Finion, onder andere, aan haar vordering ten grondslag legt dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar is bij voortduren van het beslag. Bij die stand van zaken heeft i.Finion belang bij een spoedige beoordeling van haar vordering en kan niet van haar worden gevergd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure, waarin geenszins vaststaat dat op korte of zeer korte termijn vonnis zal worden gewezen, afwacht. Aldus komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

4.2.

Uit het bepaalde in artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat de opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.3.

In deze zaak is niet gesteld of gebleken dat op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd. Evenmin is gesteld of gebleken dat voor de geldvordering tot zekerheid waarvan het beslag is gelegd voldoende zekerheid is gesteld. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat deze gronden voor opheffing van het beslag geen bespreking behoeven. Hierna zal worden beoordeeld of hetgeen door i.Finion ter onderbouwing van haar vordering is aangevoerd tot opheffing van het beslag kan leiden.

4.4.

i.Finion legt aan haar vordering tot opheffing van het beslag ten grondslag dat de gevolgen van het beslag zó ingrijpend zijn dat zij niet (langer) zijn gerechtvaardigd door het belang van [gedaagde] bij het hebben van zekerheid voor zijn vordering. Daarnaast stelt i.Finion zich op het standpunt dat het beslag onnodig is, omdat zij voldoende verhaal biedt voor de vordering van [gedaagde], die zij overigens betwist. Voorts is de vordering van [gedaagde] volgens i.Finion ondeugdelijk en te zwak om handhaving van het beslag te rechtvaardigen.

4.5.

Reeds hiervoor is overwogen dat een beslag dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die om die reden de opheffing van het beslag vordert, i.Finion in dit geval, om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.5.1.

De voorzieningenrechter zal met inachtneming van dit uitgangspunt allereerst beoordelen of het beslag, zoals i.Finion stelt en [gedaagde] gemotiveerd betwist, onnodig is. Volgens i.Finion is het beslag onnodig omdat zij voldoende verhaal biedt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit argument niet tot opheffing van het beslag kan leiden. Zij overweegt daartoe dat i.Finion zelf stelt dat zij weliswaar bereid is om [gedaagde] zekerheid te bieden voor zijn vordering, maar dat zij daartoe bij gebrek aan financiële middelen niet in staat is. Daar komt bij dat i.Finion ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de vennootschap op dit moment geen bedrijfsactiviteiten verricht en geen inkomsten genereert, hetgeen wordt bevestigd in de door haar als productie 8 in het geding gebrachte brief van haar boekhouder, die tevens vermeldt dat dit ook op middellange termijn vermoedelijk niet zal veranderen. In dit licht heeft i.Finion haar stelling dat zij voldoende verhaal biedt onvoldoende onderbouwd. De stelling van i.Finion dat zij [gedaagde] in het verleden (behoudens de huurbetalingen die betrekking hebben op het geschil tussen partijen) altijd heeft betaald kan, wat hier ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden. Immers zelfs als die stelling juist is, dan zegt dat niets over de verhaalsmogelijkheden die [gedaagde] op dit moment heeft. Hierop gelet en in aanmerking nemende dat i.Finion ook anderszins niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zij voldoende verhaal biedt voor de vordering van [gedaagde], gaat de voorzieningenrechter aan dit argument voorbij.

4.5.2.

Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de beantwoording van de vraag of het door [gedaagde] ingeroepen recht ondeugdelijk is. Ook deze stelling van i.Finion is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook dit tweede argument niet tot opheffing van het beslag kan leiden. De vordering van [gedaagde] op i.Finion is gebaseerd op het onbetaald laten door i.Finion van diverse facturen ter zake de huur en servicekosten van de door i.Finion van [gedaagde] gehuurde kantoorruimte. i.Finion betwist gehouden te zijn deze facturen geheel te voldoen en wenst voorts de onbetaalde facturen te verrekenen met de vordering die zij op [gedaagde] stelt te hebben, welke vordering de vordering van [gedaagde] ruimschoots overtreft. De vordering van i.Finion op [gedaagde] heeft betrekking op de kosten van opknapwerkzaamheden van en rondom het gehuurde pand. Volgens i.Finion zijn zij en [gedaagde] bij het aangaan van de huurovereenkomst overeengekomen dat deze opknapwerkzaamheden door [gedaagde] en op diens kosten zouden worden verricht. Aangezien [gedaagde] deze afspraak niet is nagekomen, heeft i.Finion deze werkzaamheden zelf en voor eigen rekening doen uitvoeren. Deze kosten wenst zij thans op [gedaagde] te verhalen.

[gedaagde] betwist uitdrukkelijk en gemotiveerd dat i.Finion een vordering op hem heeft.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat i.Finion in beginsel gehouden is de door haar verschuldigde huurpenningen en servicekosten te voldoen, hetgeen zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ook heeft erkend. Met betrekking tot de tegenvordering die i.Finion op [gedaagde] stelt te hebben overweegt de voorzieningenrechter dat i.Finion binnen het bestek van dit kort geding niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat haar vordering op [gedaagde] zó evident is dat de voorzieningenrechter voorshands, bij een voorlopige inschatting van de kansen van i.Finion in de bodemprocedure, zou kunnen of moeten concluderen dat de vordering van [gedaagde] in het niet valt tegen de vordering van i.Finion. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat de vordering die i.Finion op [gedaagde] stelt te hebben betrekking heeft op afspraken die zijn gemaakt tijdens de jarenlange huurrelatie tussen partijen en waarbij, blijkens de over en weer in het geding gebrachte correspondentie tussen partijen en de over en weer in het geding gebrachte processtukken in de bodemprocedure, veelvuldig en uitvoerig is gediscussieerd over de inhoud van die afspraken (die betrekking hebben op diverse onderwerpen waaronder de opknapwerkzaamheden en de servicekosten) en de uitvoering daarvan. Of i.Finion het gelijk aan haar zijde heeft zal in de bodemprocedure moeten blijken. In het kader van dit kort geding, dat zich niet leent voor een diepgravend onderzoek naar de juistheid van de over en weer ingenomen stellingen, is dat in ieder geval niet zonneklaar.

Bij deze stand van zaken kan niet worden geconcludeerd dat i.Finion summierlijk heeft doen blijken van de ondeugdelijkheid van de vordering die [gedaagde] op haar stelt te hebben, zodat hierin geen grond voor opheffing van het beslag kan worden gevonden.

4.5.3.

Ten slotte komt de voorzieningenrechter toe aan een afweging van enerzijds de belangen van i.Finion bij opheffing van het beslag en anderzijds de belangen van [gedaagde] bij voortduren van het beslag.

Volgens i.Finion verkeert de bedrijfsvoering en het voortbestaan van de vennootschap in gevaar, omdat zij ten gevolge van het beslag niet meer aan haar betalingsverplichtingen jegens crediteuren, waaronder de belastingdienst in het bijzonder, kan voldoen. Volgens i.Finion zijn de mogelijke gevolgen van het beslag, afgezet tegen het belang van [gedaagde] bij zekerheid voor zijn vordering, daarom disproportioneel. In dit verband heeft i.Finion erop gewezen dat indien de belastingdienst overgaat tot het innen van zijn vordering, dit zal uitmonden in het faillissement van de vennootschap en in dat geval zal het beslag [gedaagde], gelet op de voorrangspositie van de belastingdienst als schuldeiser, niet kunnen baten. Het voortduren van het beslag is daarom niet in het belang van i.Finion, terwijl de belangen van [gedaagde] er evenmin mee zijn gediend, aldus i.Finion.

[gedaagde] heeft een en ander gemotiveerd betwist.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat i.Finion er niet in is geslaagd haar stelling dat het voortbestaan van de vennootschap gevaar loopt indien het beslag niet wordt opgeheven, voldoende aannemelijk te maken. Zij overweegt daartoe dat i.Finion ter gelegenheid van de mondelinge behandeling immers zelf heeft gesteld dat zij op dit moment geen bedrijfsactiviteiten verricht en dat een aanvraag voor het verlenen van een ontslagvergunning is ingediend voor de, behoudens de directeur-grootaandeelhouder, enige twee werknemers van de vennootschap. Daar komt bij dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat het beslag onder de Rabobank doel heeft getroffen voor een bedrag van “slechts” € 4.171,67. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de door i.Finion als productie 6 in het geding gebrachte dwangbevelen van de belastingdienst van respectievelijk 16 januari 2015 en 13 februari 2015, in totaal, alleen al € 5.506,00 bedragen en daarnaast, blijkens het door i.Finion als productie 9 in het geding gebrachte overzicht, nog een bedrag van € 1.906,88 aan facturen van overige crediteuren openstaat. Op basis hiervan kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat het voortbestaan van de vennootschap reeds om deze redenen in het geding is, indien i.Finion niet over andere financiële middelen beschikt dan het bedrag van € 4.171,67 waarvoor het beslag doel heeft getroffen. Of i.Finion al dan niet over andere financiële middelen beschikt heeft zij onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zij heeft weliswaar als productie 11 een overzicht van een op haar naam staande bankrekening van ABN Amro Bank in het geding gebracht waaruit blijkt dat het saldo op die bankrekening op 7 april 2015 € 1.235,54 bedroeg, maar dat zegt op zichzelf niets over (het ontbreken van) andere financiële middelen van de vennootschap. In elk geval staat vast dat [gedaagde] niet op alle bankrekeningen van i.Finion beslag heeft gelegd.

Dit alles brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat i.Finion onvoldoende heeft onderbouwd dat het voortbestaan van de vennootschap afhangt van de opheffing van het beslag, zodat dit argument onvoldoende gewicht in de schaal legt om de belangenafweging in het voordeel van i.Finion te doen uitvallen. Hetgeen door i.Finion is gesteld met betrekking tot de verhaalspositie van [gedaagde] indien de belastingdienst de openstaande vorderingen zal gaan innen kan, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel leiden nu deze omstandigheid voor rekening en risico van [gedaagde] als beslaglegger komt.

4.5.4.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van i.Finion tot opheffing van het beslag althans tot veroordeling van [gedaagde] het beslag te doen opheffen, worden afgewezen.

4.6.

i.Finion zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 285,00

-- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.101,00

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt i.Finion in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.101,00,

5.3.

veroordeelt i.Finion in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat i.Finion niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.1

1 type: NLcoll: