Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3770

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1867u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser, is een besluit dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Een volle, inhoudelijke toets van dat besluit is binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk. Daarbij komt dat de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling) wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat deze verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Verweerder heeft daardoor bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid, is erin gelegen dat verweerder bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Gelet hierop hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd.

Aangezien er in de onderhavige zaak geen sprake is van een onjuiste match voor wat betreft de indeling in het domein Uitvoering en het vakgebied Tactische Opsporing, vloeit het door eiser gestelde onjuiste matchingsresultaat direct voort uit de LFNP matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Nu deze keuzes de rechterlijke toets doorstaan en ook verweerder aan deze is gebonden, ziet de rechtbank in het kader van de voorliggende toets geen verdere ruimte om de onderhavige match kennelijk onhoudbaar te achten.

Voorts zijn de gevolgen van de matching niet dermate bijzonder dat verweerder op grond daarvan de hardheidsclausule redelijkerwijs had moeten toepassen. Het betoog van eiser dat zijn werkzaamheden niet overeenkomen met de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing, maar beter passen bij de functie van Operationeel Expert Tactische Opsporing, leidt ook in het kader van de hardheidsclausule niet tot een geslaagd beroep. Van een kennelijk onjuiste of onhoudbare match is – ook bij een inhoudelijke vergelijking van de korpsfunctiebeschrijving Senior Tactische Recherche met de beschrijving van de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing – geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 1867

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Heerlen, eiser

(gemachtigde: mr. M. Scheggetman),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Geraedts, mr. C.L.G.M. van de Walle en F.J.H. Gunther).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 functies in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) toegekend en bepaald dat eiser op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie ‘Senior Tactische Opsporing’, gewaardeerd in salarisschaal 8.

Bij besluit van 2 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W. Dieks, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser was vóór de overgang naar de LFNP-functie werkzaam als senior rechercheur bij de Dienst Regionale Recherche, afdeling Georganiseerde Criminaliteit/Euregionaal Opsporingsteam (thans binnen de afdeling Generiek), van het (voormalige) korps Limburg-Zuid. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Het bestaande systeem van duizenden verschillende regionale functies wordt vervangen door één stelsel van 92 landelijke functies, onderverdeeld naar domeinen en vakgebieden, inclusief de waardering, en de aan het gebouw verbonden en omschreven werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten, het LFNP genaamd. De invoering van het LFNP vindt plaats in meerdere stappen en wordt beschreven in de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling), vastgesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie (Minister) op 8 mei 2013 en gepubliceerd in de Staatscourant van 22 mei 2013, nr. 13141. Allereerst zijn de uitgangsposities van alle politieambtenaren in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 vastgesteld (zie artikel 2 van de Regeling). De uitgangspositie is omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de korpsfunctiebeschrijving(en) en de extra werkzaamheden, bijzondere situaties, afspraken, of specifieke werkzaamheden (taakaccenten) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011, zoals vastgelegd in een besluit. Bij het vaststellen van de uitgangsposities is aan iedere politieambtenaar de mogelijkheid tot functieonderhoud geboden. Vervolgens zijn de korpsfunctiebeschrijvingen organiek gematcht met functies uit het LFNP (zie artikel 3 van de Regeling). Hierbij zijn, conform de beleidsregel Instructie organieke matching (beleidsregel), ook de extra werkzaamheden en specifieke werkzaamheden, zoals deze in de uitgangspositie zijn vastgelegd, betrokken. De resultaten van deze matching zijn vastgelegd in een transponeringstabel, die als bijlage bij de Regeling is gevoegd en gelijktijdig is gepubliceerd. De bijlage is sindsdien een aantal keer vervangen door een gewijzigde transponeringstabel, welke wijzigingen eveneens zijn gepubliceerd in de Staatscourant. Ten slotte zijn op basis van de uitgangsposities en de transponeringstabel LFNP-functies toegekend aan alle politieambtenaren en zijn zij, met ingang van 1 januari 2012, overgegaan naar de LFNP-functie die overeenkomt met de match, behorend bij de uitgangspositie zoals die gold op de peildatum van 31 december 2011 (zie artikel 5 van de Regeling).

2. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft verweerder eisers uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie vastgesteld als de korpsfunctiebeschrijving ‘senior rechercheur’ (referentiefunctiebeschrijving ‘Senior tactische recherche’). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, maar heeft dit bezwaar weer ingetrokken na het treffen van de minnelijke regeling van 4 april 2012, waarin onder meer werd overeengekomen dat het taakaccent dossiervorming zwacri-onderzoeken onderdeel zou uitmaken van zijn uitgangspositie. Bij het aanvullend besluit uitgangspositie van 19 maart 2012 heeft verweerder besloten eisers uitgangspositie aan te vullen met de voor hem op 31 december 2011 geldende specifieke werkzaamheid ‘Voltijd dossiervormer in Zwacri en ondermijnende zaken’. Eiser heeft tegen dit laatste besluit geen rechtsmiddelen ingesteld.

3. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 14 mei 2013 aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt inzake zijn toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Hierin heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn de functie van eiser, zoals die gold op 31 december 2011, over te laten gaan naar de LFNP-functie ‘Senior Tactische Opsporing’. De door eiser op 19 mei 2013 ingediende bedenkingen hebben geen wijziging gebracht in het voornemen van verweerder.

4. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald welke LFNP-functies worden toegekend voor eisers uitgangsposities over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 en dat eiser op 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

6. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt daartoe het volgende.

Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen.

Voorts betoogt eiser dat de transponeringstabel niet valt aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift (avv), nu deze niet voldoet aan de daarvoor geldende criteria.

Om die reden dienen de door eiser aangevoerde gronden tegen de inpassing in de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing inhoudelijk te worden getoetst. Eisers korpsfunctie is het meest vergelijkbaar met de functie Operationeel Specialist A binnen het vakgebied Operationeel Specialismen, dan wel, binnen het vakgebied Tactische Opsporing, met de functie Operationeel Expert Tactische Opsporing. Gedurende de invoering van het LFNP bestond oorspronkelijk het voornemen bij verweerder dat matching zou geschieden op basis van een inhoudelijke vergelijking tussen de oude en nieuwe functies, maar dit is tijdens het matchingsproces gewijzigd. Op het moment dat er werd gekozen voor de matching op basis van schaal, zoals neergelegd in artikel 3, vierde lid, van de Regeling, was de matchingsprocedure reeds aangevangen, waren de uitgangsposities vastgesteld en was het aanvragen van functieonderhoud niet meer mogelijk. Eiser is hierdoor gematcht met een LFNP-functie met gelijk schaalniveau die qua inhoud afwijkt van zijn (voormalige) korpsfunctie en zijn taken en werkzaamheden. De wijziging van de functie heeft zijn weerslag op de rechtspositie van de politieambtenaren en heeft onder meer het gevolg dat eiser bij de komende reorganisatie aan de hand van de onjuiste functie een plek in de nieuwe organisatie toebedeeld zal krijgen, dan wel dat hij zal worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Dit levert uit het oogpunt van de rechtszekerheid een zodanig onzorgvuldig en onaanvaardbaar resultaat op dat verweerder artikel 3, vierde lid, van de Regeling en de transponeringstabel buiten toepassing had moeten laten.

Hieruit volgt dat alle (feitelijke) werkzaamheden en verantwoordelijkheden in de matching betrokken hadden moeten worden. Daarbij geldt in het geval van eiser dat hij meer werkzaamheden verricht en meer verantwoordelijkheden heeft dan in de korpsfunctiebeschrijving en in de uitgangspositie staan vermeld. Eiser is in zijn dagelijkse werkzaamheden fulltime bezig met de dossiervorming van complexe en ingewikkelde procesdossiers in langlopende onderzoeken met betrekking tot de bestrijding van zware internationale criminaliteit. Dit is zeer specialistisch werk en is niet vergelijkbaar met het vormen van dossiers bij de districtsrecherche of andere dienstonderdelen. Daarbij merkt eiser op dat hij in een onderzoek samenwerkt met een dossiervormer van de Landelijke Recherche. Deze collega doet precies hetzelfde werk als eiser, maar heeft de functie “Professioneel Dossiervormer”, die gewaardeerd wordt op schaal 9. Deze collega is thans gematcht met de functie Operationeel Specialist A. Eiser acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het niveau van functioneren van eiser blijkt verder uit het feit dat hij een verklaring van geen bezwaar heeft van de AIVD, hetgeen aangeeft dat hij een specialistische vertrouwelijke functie vervult (A-vertrouwensfunctie). Verder is eiser van mening dat de uitgangspositie meer inhoudt dan enkel de oorspronkelijke korpsfunctiebeschrijving, maar dat deze bedoeld is om ook aanvullende werkzaamheden, afspraken, bijzondere situaties en specifieke werkzaamheden te vermelden. Hierbij verwijst eiser naar bijlage 1, onderdeel c, punt 3, van de Beleidsregel Instructie organieke matching (Beleidsregel). Enkel een juiste en volledig beschreven uitgangspositie leidt tot een adequate matching. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de in eisers uitgangspositie vermeldde werkterreinen en aandachtsgebieden. Matching van deze werkzaamheden dient, zoals gezegd, te leiden tot toekenning van de LFNP-functie Operationeel Specialist A, dan wel de functie Operationeel Expert Tactische Opsporing. Eiser heeft er destijds voor gekozen geen functieonderhoud aan te vragen door de toezegging van verweerder dat er op inhoud gematcht zou worden en dat daarin alle feitelijke en extra werkzaamheden zouden worden betrokken. Eiser heeft hierop mogen vertrouwen. Dit geldt temeer nu er met eiser een minnelijke regeling overeen is gekomen waaruit blijkt dat de taak ‘dossiervorming zwacri-onderzoeken’ onderdeel zou uitmaken van zijn uitgangspositie.

Voorts doet eiser een beroep op de hardheidsclausule van artikel 5, vierde lid, van de Regeling. Het matchingsresultaat heeft voor eiser zeer nadelige gevolgen en leidt tot een onbillijke en bijzondere situatie. Deze gevolgen zijn onvoldoende in de besluitvorming betrokken.

Ten slotte doet eiser een beroep op verscheidene algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

7. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Zoals reeds overwogen in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:2133) lijden besluiten op bezwaar in procedures als de onderhavige, genomen door [naam], zijnde de directeur HRM, niet aan een bevoegdheidsgebrek. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, zoals overwogen in bovengenoemde uitspraak van 11 maart 2015, de transponeringstabel niet valt aan te merken als een avv. In hetgeen verweerder in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht, wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.

9. De rechtbank overweegt dat de transponeringstabelregel die van toepassing is op eiser een besluit is dat is genomen door een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan dan verweerder. Dit brengt met zich dat een volle, inhoudelijke toets van dat besluit binnen de grenzen van het onderhavige geding niet mogelijk is. Daarbij komt dat, hoewel de transponeringstabel geen avv is, de Regeling wel dient te worden aangemerkt als een avv en dat de Regeling door middel van het daarin neergelegde artikel 5, derde lid, verweerder aan de transponeringstabel bindt bij het nemen van besluiten betreffende de overgang van een individuele ambtenaar naar een LFNP functie. Gelet op deze regelgeving enerzijds en de hiërarchische verhoudingen tussen verweerder en de Minister anderzijds, heeft verweerder bij het nemen van zijn besluiten bijzonder weinig vrijheid gehad, hetgeen zich in het kader van de rechterlijke toetsing vertaalt in een (zeer) terughoudende toets van de juistheid van de uit de transponeringstabel (in combinatie met de uitgangspositie) voortvloeiende match, zoals die is overgenomen in verweerders besluitvorming. Dat er sprake is van enige toetsingsmogelijkheid binnen het onderhavige geding, is erin gelegen dat verweerder, zoals hij ook ter zitting heeft toegelicht, bij de totstandkoming van de transponeringstabel de mogelijkheid heeft gehad om hem vreemd of onduidelijk voorkomende (concept)matches opnieuw voor te leggen (als hermatch aan te bieden) aan de werkgroep matching, waarna opnieuw gekeken werd of de matchingssystematiek goed was toegepast. Het gaat hier om de zogeheten korpscheck. Ook had verweerder de mogelijkheid om naar aanleiding van ingediende bedenkingen of naar aanleiding van het bezwaarschrift de match opnieuw voor te leggen.

10. Gelet op het bovenstaande hanteert de rechtbank in zaken als de onderhavige de toets of verweerder zich in het individuele geval in redelijkheid heeft kunnen laten binden door de van toepassing zijnde transponeringsregel. Dit zal in beginsel slechts niet het geval zijn als er sprake is van een kennelijk en evident onjuiste en daardoor onhoudbare match. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er sprake kan zijn van een door de individuele ambtenaar onwenselijk geachte matchingsuitkomst die een direct gevolg is van de matchingsystematiek van het LFNP, zoals deze blijkt uit de van toepassing zijnde avv’s. Waar de gestelde onjuistheden in de matchingsuitkomst enkel een direct uitvloeisel zijn van de matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes, zal de rechtbank (en verweerder) die keuzes in beginsel moeten respecteren. De gevallen van een kennelijk onhoudbare match die overblijven, zullen die situaties zijn waarbij verweerder de match eigenlijk had moeten voordragen voor hermatching én niet valt in te zien waarom dat niet is gebeurd. Indien er geen sprake is van een kennelijk onhoudbare match, zoals hierboven bedoeld, zal de enkele omstandigheid dat de match onbillijke of zwaarwegende gevolgen heeft voor de individuele ambtenaar in beginsel niet voldoende zijn voor het oordeel dat verweerder zich niet gebonden heeft kunnen achten aan de toepasselijke transponeringstabelregel. Immers, hiervoor is reeds de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, in het leven geroepen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het hierboven beschreven toetsingskader, de match van de oorspronkelijke korpsfunctie van eiser met de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing niet kennelijk onhoudbaar.

12. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat, ingevolge artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Regeling, bij de matching wordt uitgegaan van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving en dat bij de laatste stap van de matching de bij deze korpsfunctiebeschrijving behorende salarisschaal bepalend is. Het enkele feit dat gedurende de invoering van het LFNP de wijze van matching is gewijzigd, van matching op inhoud naar matching (mede) op (basis van) schaal, maakt niet dat verweerder zich niet meer gebonden had moeten achten aan de van toepassing zijnde transponeringstabelregel. De Minister heeft er van meet af aan voor gekozen de formele (schriftelijke) korpsfunctiebeschrijving als uitgangspunt voor de matching te hanteren. Dit vindt bevestiging in de omstandigheid dat in het voortraject de mogelijkheid van functieonderhoud is opengesteld. Immers, indien feitelijke werkzaamheden het uitgangspunt zouden vormen bij de matching, was het vragen om functieonderhoud niet nodig geweest. Van matching op basis van feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden buiten de korpsfunctiebeschrijving om is aldus nooit sprake geweest. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat er op dit punt sprake is van zodanige ernstig feilen dat de afweging van de betrokken belangen door de materiële wetgever niet langer gerespecteerd hoefde te worden, volgt de rechtbank dit niet. Voorts is thans geen sprake van matchingssystematiek waarbij louter de salarisschaal een rol speelt. De inhoud van de korpsfunctiebeschrijving is immers bepalend voor de indeling in het toepasselijke domein en vakgebied. De LFNP matchingssystematiek is enkel gewijzigd voor wat betreft het vinden van de meest vergelijkbare functie binnen het vakgebied, omdat bleek dat matching op inhoud niet leidde tot consistentie van het totale matchingsproces, hetgeen bij de aanvang van de matching een uitdrukkelijke voorwaarde was. Deze wijziging van de LFNP matchingssystematiek leidt echter niet tot het oordeel dat aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van het algemeen verbindend voorschrift ernstige feilen kleven. De totstandkoming van de LFNP matchingssystematiek en de gehele procedure van matching heeft in samenspraak met, en onder (eind)verantwoordelijkheid van, het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP) plaatsgevonden. Ook de genoemde wijziging is geaccordeerd door het GOP en heeft uiteindelijk geleid tot het vaststellen van de Regeling (en de transponeringstabel). Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) is het inherent aan een overleg binnen het GOP dat over en weer sprake is van geven en nemen en kan de uitkomst daarvan niet met vrucht worden bestreden door enkel te wijzen op de voor de individuele ambtenaar nadelige gevolgen daarvan (zie de uitspraken van de Raad van 27 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:572) en 27 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1023). De door eiser gestelde negatieve gevolgen van de wijze van matching hebben voor verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zijn om niet langer uit te gaan van een (mede) op basis van artikel 3, vierde lid, van de Regeling tot stand gekomen match.

13. Voorts stelt eiser terecht dat taakaccenten, aanvullende en specifieke werkzaamheden deel uit (kunnen) maken van de uitgangspositie en dat deze bij de matching moeten worden betrokken. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat verweerder eisers functie voor een hermatch had moeten voordragen. Immers, deze werkzaamheden spelen, ingevolge de bij de matching gehanteerde Beleidsregel (stap 9 en stap 9a), geen rol in het kader van de bepaling van de relevante LFNP-functie, maar enkel bij het toekennen van een werkterrein, aandachtsgebied en specifieke functionaliteit, indien de betreffende LFNP-functie dat werkterrein, aandachtsgebied of specifieke functionaliteit kent. In het geval van het in de uitgangspositie van eiser neergelegde taakaccent en de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing is dat niet het geval. De rechtbank ziet geen aanleiding het gehanteerde beleid onredelijk of anderszins onjuist te achten. Voor zover eiser meent dat meer aanvullende werkzaamheden in zijn uitgangspositie betrokken hadden moeten worden, had hij het tegen het besluit uitgangspositie ingestelde bezwaar moeten handhaven. Thans staat zijn uitgangspositie in rechte vast. De rechtbank kan uit de minnelijke regeling niet opmaken dat verweerder eiser zou hebben toegezegd dat het toekennen van het taakaccent met betrekking tot de dossiervorming in het kader van de matching zou kunnen leiden tot het toekennen van een werkterrein of een ander vakgebied of functie.

14. Nu bij de matching uitgegaan is kunnen worden van de formele korpsfunctiebeschrijving, de daarbij horende salarisschaal en de in rechte vaststaande uitgangspositie met de daarin opgenomen taakaccenten, rest enkel de vraag of de op basis daarvan gemaakte match als zodanig houdbaar is.

15. De rechtbank is van oordeel dat de indeling van de korpsfunctie van eiser in het vakgebied Tactische Opsporing in plaats van het vakgebied Operationeel Specialismen niet onhoudbaar is. Eiser heeft zijn betoog in dit verband, hetgeen hoofdzakelijk neerkomt op een verwijzing naar de beschrijving van dit vakgebied in bijlage 3 van de Beleidsregel, onvoldoende onderbouwd. Ook het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel en zijn verwijzing naar zijn collega’s bij de Landelijke Recherche, kan niet slagen. Zoals hierboven reeds is overwogen vind matching plaats op basis van de korpsfunctiebeschrijving. Niet is gebleken dat de korpsfunctiebeschrijving van deze collega’s dermate vergelijkbaar is met die van eiser dat op grond daarvan geconcludeerd dient te worden dat ook eiser de functie Operationeel Specialist A toegekend had moeten worden. Reeds het verschil in salarisschaal is, gelet op de voorliggende toets, een rechtens relevant verschil. In dit verband merkt de rechtbank op dat met de, in overleg met het GOP, gekozen wijze van matchen bewust de mogelijkheid is aanvaard dat de in de oude korpsfunctiegebouwen bestaande verhoudingen tussen functies doorwerken in het LFNP. Ten slotte acht de rechtbank in dit verband van belang dat blijkens p. 33 van de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 geen sprake kan zijn van een match met de functie Operationeel Specialist A indien, zoals het geval is bij eiser, de korpsfunctiebeschrijving coördinatie als een van de hoofdbestanddelen vermeldt. Reeds hierom kan er geen sprake zijn van een indeling in het vakgebied Operationeel Specialismen.

16. Nu er geen sprake is van een onjuiste match voor wat betreft de indeling in het domein Uitvoering en het vakgebied Tactische Opsporing, vloeit het door eiser gestelde onjuiste matchingsresultaat, zijnde de toekenning van de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing (schaal 8) in plaats van Operationeel Expert Tactische Opsporing (schaal 9), direct voort uit de hierboven beschreven LFNP matchingssystematiek en de in dat verband door de materiële wetgever gemaakte keuzes. Nu deze keuzes de rechterlijke toets doorstaan en ook verweerder aan deze is gebonden, ziet de rechtbank in het kader van de voorliggende toets geen verdere ruimte om de onderhavige match kennelijk onhoudbaar te achten.

17. Ten aanzien van het beroep van eiser op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Regeling, overweegt de rechtbank als volgt.

18. Nu het gaat om een hardheidsclausule en, daarbij, om het afwijken van artikel 5, derde lid, van de Regeling en van een hem bindend besluit van een ander, hiërarchisch hoger geplaatst bestuursorgaan, is de rechtbank van oordeel dat de uitoefening van deze bevoegdheid door verweerder eveneens slechts terughoudend dient te worden getoetst.

19. De rechtbank stelt voorop dat de hardheidsclausule naar aard en bewoordingen ziet op onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen en op bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de toepasselijke regelgeving niet heeft voorzien. De hardheidsclausule is daarmee in beginsel niet bedoeld om wijzigingen in de uitgangspositie aan te brengen door (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor destijds functieonderhoud had kunnen worden gevraagd. Politieambtenaren zijn uitdrukkelijk gewezen op het belang van een juiste functiebeschrijving en uitgangspositie. Aan hen is de mogelijkheid geboden om functieonderhoud te vragen en rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluitvorming aangaande hun uitgangspositie. Dat op dat moment nog onduidelijk was dat voor de laatste stap in de matching de salarisschaal leidend zou zijn, maakt dit niet anders. Gelet hierop kan het betoog van eiser dat hij meer werkzaamheden heeft verricht en meer verantwoordelijkheden heeft dan in zijn korpsfunctiebeschrijving en uitgangspositie zijn neergelegd, ook in het kader van de hardheidsclausule niet slagen en komt het voor eigen rekening en risico dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om functieonderhoud te vragen. Eiser heeft, bij gebrek aan onderbouwing, niet aannemelijk gemaakt dat er onduidelijkheid zou zijn geweest op dit gebied, dan wel dat verweerder hem op het verkeerde been zou hebben gezet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

20. Voorts leidt het betoog van eiser dat zijn werkzaamheden niet overeenkomen met de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing, maar beter passen bij de functie van Operationeel Expert Tactische Opsporing, ook in het kader van de hardheidsclausule niet tot een geslaagd beroep. Van een kennelijk onjuiste of onhoudbare match is – ook bij een inhoudelijke vergelijking van de korpsfunctiebeschrijving Senior Tactische Recherche met de beschrijving van de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing – geen sprake.

21. Van verdere onbillijkheden van overwegende aard of bijzondere situaties is de rechtbank evenmin gebleken. In het betoog van eiser dat hij van de plaatsing in de functie Senior Tactische Opsporing nadeel zal ondervinden bij de aankomende reorganisatie ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep op de hardheidsclausule gegrond te achten. De positie van eiser in de op handen zijnde reorganisatie staat los van de thans voorliggende besluitvorming. In het kader van de reorganisatie zijn in artikel 55ob van het Barp specifieke waarborgen opgenomen voor de individuele politieambtenaar.

22. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van de Regeling en de transponeringstabel niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Het beroep van eiseres op het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur slaagt, gelet op hetgeen hierboven is overwogen en bij gebrek aan een verdere onderbouwing, niet.

23. Het beroep is ongegrond.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Oosterman (voorzitter), mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. A.W. Oosterman,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 mei 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.