Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3599

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-04-2015
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
3936617 AZ VERZ 15-53
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft ten aanzien van zeven werknemers op bedrijfseconomische gronden ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Ten aanzien van twee van de verzoeken is de dag voor de mondelinge behandeling medegedeeld dat een andere oplossing gevonden was, zodat deze twee zaken niet dienden en ten aanzien van één een proceskostenveroordeling uitgesproken is. Bij vier van deze werknemers was ten tijde van indiening van de verzoeken sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van art. 7:670 lid 1 BW. Vier van de zeven betrokken werknemers waren op arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur werkzaam. Bedrijfseconomische noodzaak onvoldoende onderbouwd en ten aanzien van de arbeidsongeschikte werknemers kan niet uitgesloten geacht worden dat hun arbeidsongeschiktheid mede bepalend geweest is voor het verzoek tot beëindiging van hun arbeidsovereenkomst. De twee verzoeken van werkgever die mede gegrond zijn op dringende reden in de zin van art. 7:685 lid 2 juncto art. 7:678 BW (uitlatingen Facebook), kunnen ook op die extra grond niet toegewezen worden. Zie ook ECLI:NL:RBLIM:2015:3595, ECLI:NL:RBLIM:2015:3596, ECLI:NL:RBLIM:2015:3597, ECLI:NL:RBLIM:2015:3598, ECLI:NL:RBLIM:2015:3666

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2015/114
AR-Updates.nl 2015-0408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer: 3936617 AZ VERZ 15-53

Beschikking van 28 april 2015

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WASSERIJ EN STOMERIJ PARKSTAD B.V.

statutair gevestigd te Landgraaf en zaakdoend te (6372 CK) Landgraaf, aan de Voltastraat 13-17

verzoekende partij

gemachtigde: mr. E.G.M.G. Huntjens, medewerker ARAG Rechtsbijstand te Roermond

tegen

[verweerster]

wonend te [woonplaats], aan de [adres]

verwerende partij

gemachtigde: mr. S.K. Oskam, medewerkster Klaverblad Rechtsbijstand Stichting te Zoetermeer

Partijen zullen hierna WSP en [verweerster] genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Door partijen zijn de navolgende processtukken ingediend:

  • -

    een verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 9 maart 2015;

  • -

    een aanvullend verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 2 april 2015;

  • -

    een verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 3 april 2015;

  • -

    de door WSP op 2 en 9 april 2015 overgelegde aanvullende bijlagen;

  • -

    een aanvullend verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 april 2015.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 14 april 2015 in het bijzijn van de heer [naam directeur WSP], directeur van WSP, de heer [naam bedrijfsleider WSP], bedrijfsleider van WSP, de heer [naam finacieel adviseur], financieel adviseur, bijgestaan door mr. Huntjens voornoemd en [verweerster] in persoon, bijgestaan door mr. Oskam voornoemd. Ter zitting is door mr. Huntjens een pleitnota overgelegd, onderverdeeld in een algemeen deel en een deel dat speciaal op [verweerster] betrekking had. Behandeling ter zitting vond immers plaats tegelijk met de zaken van vier andere werknemers van WSP, omdat in maart 2015 tegelijkertijd ten aanzien van zeven werknemers van WSP verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend waren op dezelfde gronden van bedrijfseconomische aard (ten aanzien van twee van die verzoeken is de dag voor de mondelinge behandeling medegedeeld dat een andere oplossing gevonden was, zodat deze twee zaken niet dienden).

1.3.

Van het verhandelde ter (gecombineerde) zitting tussen 10:00 uur en 13:30 uur is door de griffier schriftelijk aantekening gehouden.

1.4.

Daarna is de beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De activiteiten van de besloten vennootschappen Wasserij De Mijnstreek B.V. (hierna te noemen: WDM, opgericht bij akte van 29 juni 1992 en op 12 november 2013 in staat van faillissement verklaard) en DLI Dry Cleaning and Laundry International B.V. (hierna te noemen: DLI, opgericht bij akte van 24 december 2002 en op 12 november 2013 in staat van faillissement verklaard) zijn met ingang van 16 december 2013 in het kader van een met de curator overeengekomen doorstart overgenomen en voortgezet door WSP. [naam directeur WSP], die reeds aandeelhouder en directeur van de gefailleerde ondernemingen WDM en DLI was, is directeur van WSP.

2.2.

WSP drijft een onderneming die zich richt op het reinigen, vervaardigen en herstellen van kleding en textielartikelen. De onderneming bestaat uit een wasserij en een stomerij.

2.3.

[verweerster], geboren op [geboortedatum], is van 1 september 1999 tot 1 maart 2011 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst geweest van DLI. Deze arbeidsovereenkomst is destijds geëindigd door de opzegging daarvan zijdens [verweerster]. Na korte tijd elders werkzaam te zijn geweest, is [verweerster] op verzoek van DLI per 14 november 2011 weer bij haar in dienst getreden in de functie van productieleidster. Op 12 november 2013 zijn DLI en WDM - als eerder opgemerkt - in staat van faillissement verklaard en per 16 december 2013 heeft een doorstart plaatsgevonden in de voor die gelegenheid opgerichte onderneming WSP. Een aantal werknemers van DLI, onder wie [verweerster], is op 16 december 2013 bij WSP in dezelfde functie als voorheen in dienst getreden en heeft dus feitelijk de werkzaamheden zoals die voorafgaand aan het faillissement verricht waren, voortgezet in een bedrijfsvoering die in grote trekken onveranderd bleef.

2.4.

[verweerster] is sedert 12 december 2014 wegens ziekte arbeidsongeschikt.

2.5.

Op 6 maart 2015 heeft de gemachtigde van WSP verzoekschriften op papier gesteld en ingezonden waarin ten aanzien van zeven werknemers van WSP de kantonrechter verzocht is op bedrijfseconomische gronden de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken. Bij vier van deze werknemers was ten tijde van indiening van de verzoeken sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van art. 7:670 lid 1 BW. Het merendeel van de betrokken werknemers was op arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur werkzaam (vier van de zeven). In ieder geval aan [verweerster] had WSP niet voorafgaand (zelf) mededeling gedaan van de intentie om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te geraken. Sommige andere werknemers waren summier in kennis gesteld.

2.6.

Eveneens op 6 maart 2015 heeft [verweerster] diverse uitlatingen op Facebook (een bijzondere verschijningsvorm van ‘social media’) geplaatst die op deze kwestie inhaakten en waaruit blijkt dat [verweerster] op dat moment bekend was met de bedoelingen van WSP:

“Na jarenlang klaar te hebben gestaan, voor een bedrijf (werkgever) word er nu voor mij ontslag aangevraagd via de kantonrechter! Op grond van economische redenen! Ja hoor ik zit ziek thuis, omdat ik geestelijk kapot gemaakt ben door zijn handlanger en zijn manier van bedrijfsvoering. Discriminatie! Pesterijtje! Psychologische oorlogsvoering! En de “baas” laat het allemaal toe. Met mensen omgaan of ze schaakstukken zijn.

Collega’s die niet ontslagen worden! Luister naar mij: zoek zo snel als mogelijk een andere baan! Voordat jullie ook in de kreukels zitten. O ja en wordt ook maar niet zwanger, want dan mogen ze je ook niet meer! … vol afschuw.”

(…)

Nee ik heb een andere baan gevonden in 2011 en komt hij me terug smeken. Om me vervolgens eruit te pesten!

(…)

Over de rug van mensen de zakkenvullen

(…)

het is geestelijke mishandeling, en ik heb altijd netjes mijn mond gehouden. Maar nu mag iedereen weten hoe ze daar werken. Misschien bel ik L1 ook wel.

(…)

Ze gaan toch failliet en zo krijgen wij wel alle centjes nog. En is het weer daaaaag 13 de maand. Wij gaan hier sterk uitkomen.”

3 Het geschil

3.1.

WSP verzoekt de tussen haar en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen bestaande in een ingrijpende verandering in de omstandigheden (bedrijfseconomisch van aard) dan wel in omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW opgeleverd zouden hebben indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn (althans die een bijkomende grond opleveren om te concluderen tot het bestaan van zo’n ingrijpende verandering in de omstandigheden), zodat de arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn dient te eindigen en wel zonder toekenning van een vergoeding.

3.2.

Ter staving van haar verzoek voert WSP - kort weergegeven - aan dat er sprake is van een door bedrijfseconomische omstandigheden ingegeven noodzaak tot kostenreductie, als gevolg waarvan een aantal arbeidsplaatsen, waaronder die van [verweerster], komt te vervallen. Ten gevolge van de economische crisis en de faillissementen van DLI en WDM heeft WSP een groot aantal klanten verloren en heeft zij te kampen met teruglopende omzet. Teneinde de continuïteit van haar onderneming te waarborgen, ziet WSP zich genoodzaakt om op korte termijn kostenbesparende maatregelen te treffen. Die maatregelen zoekt zij (vooralsnog) primair of uitsluitend in de personele sfeer en dan ook nog eens uitsluitend bij haar personeel in vaste dienst (dus niet bij ingeleende WSW-werknemers van de dienst OZL noch bij ingezette losse hulpkrachten). Verder voert WSP aan dat de uitlatingen van [verweerster] op Facebook grievend, beledigend en schadelijk voor haar reputatie zijn en de grenzen van het toelaatbare overschrijden, en dat de daaruit blijkende intentie een omstandigheid is die een dringende reden opgeleverd zou hebben indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn.

3.3.

[verweerster] voert verweer en heeft zich deels aangesloten bij hetgeen ter zitting aangevoerd is door (de gemachtigden van) de andere vier werknemers ten aanzien van wie WSP een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend en gehandhaafd heeft. Samengevat voert zij, voor zover van belang, het volgende verweer.

3.4.

[verweerster] ziet voor de kantonrechter geen aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zij stelt in de eerste plaats dat het in de rede had gelegen dat WSP de weg van art. 6 BBA (toestemmingsprocedure UWV) bewandeld had, omdat het hier voorgenomen ontslagen van meer werknemers betreft. Het heeft er nu de schijn van dat WSP de belangen van werknemers die door een UWV-procedure gewaarborgd worden, probeert te schaden. Verder beroept [verweerster] zich op (de reflexwerking van) het opzegverbod tijdens ziekte, zoals bedoeld in art. 7:670 lid 1 BW. Dat sprake is van doorslaggevende bedrijfseconomische redenen, is door WSP onvoldoende transparant uiteengezet en daardoor onvoldoende onderbouwd. Voor zover sprake is van bedrijfseconomische redenen, doet zij een beroep op het afspiegelingsbeginsel als bedoeld in art. 4.2 van het voor de UWV-toetsing geldende en ook door de kantonrechter toe te passen Ontslagbesluit. [verweerster] stelt zich op het standpunt dat WSP dit beginsel niet juist toegepast heeft bij de (nogal willekeurig te achten) keuze van werknemers die naar de visie van WSP voor ontslag in aanmerking komen. In het bijzonder voert zij aan dat in haar plaats mevrouw [naam] voor ontslag voorgedragen had dienen te worden. [verweerster] gebruikt in dit verband het argument dat zij tot haar zwangerschap een unieke functie vervulde, dat - sinds de splitsing in twee functies - haar functie onderling uitwisselbaar is met die van de veel korter in deze hoedanigheid opererende [naam]. Verder voert [verweerster] aan dat WSP opvolgend werkgever is ten opzichte van DLI, bij wie zij op de datum van het faillissement krachtens arbeidsovereenkomst in dienst was (WSP erkent dat voldaan is aan de criteria die de Hoge Raad daarvoor in met name het arrest Van Tuinen in 2012 formuleerde), en dat bij vaststelling van de anciënniteit daarmee rekening gehouden dient te worden. Indien voor de vaststelling van de anciënniteit slechts de datum 16 december 2013 bepalend is, hebben alle werknemers in beginsel dezelfde anciënniteit.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch ontbonden zou worden, verzoekt zij - mede in verband met de wijze waarop WSP te haren opzichte gehandeld heeft, maar ook met het oog op de gevolgen die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor haar zou meebrengen - om toekenning van een vergoeding en inachtneming van de fictieve opzegtermijn.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van art. 7:685 lid 1 BW dient de kantonrechter zich ervan te vergewissen of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod. Wanneer dit het geval is, dient de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst geweigerd te worden, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen die een gewichtige reden voor ontbinding vormen. Niet juist is de zienswijze dat ten aanzien van een (tijdelijk) arbeidsongeschikte werknemer slechts ruimte is voor reflexwerking van het opzegverbod indien de ontbinding verzocht wordt wegens ziekte/arbeidsongeschiktheid. Het opzegverbod van art. 7:670 lid 1 BW is een tijdens-verbod, dat ook geldt voor opzeggingen die geen verband houden met de ziekte. De strekking is onder meer de werknemer te vrijwaren van de psychische druk die een opzegging tijdens ziekte kan veroorzaken in relatie tot het gegeven dat de werknemer soms minder goed toegerust is om verweer te voeren tijdens ziekte. Het verbod komt daarnaast in ieder geval voort uit het besef dat een werknemer in die positie te kampen zal hebben met (extra) problemen bij het verwerven van andere arbeid in een periode waarin sprake is van fysieke en/of psychische belemmeringen in het functioneren. Voor toekenning van reflexwerking zou geen of minder aanleiding kunnen zijn indien thans duidelijk zou zijn dat de werknemer (in casu: [verweerster]) niet meer op enigerlei wijze werkzaam kan zijn voor de werkgever (WSP). Gesteld noch gebleken is echter dat daarvan sprake is.

4.2.

Nu [verweerster] op dit moment (nog) wegens ziekte arbeidsongeschikt is en in het onderhavige geval geen sprake is van een algehele bedrijfssluiting of sluiting van een onderdeel van de onderneming waar [verweerster] werkzaam is (in welk geval het opzegverbod niet geldt, art. 7:670b lid 2 BW), is er reden om onverkort het opzegverbod bij arbeidsongeschiktheid tijdens ziekte - via daaraan toe te kennen reflexwerking - als in beginsel onoverkomelijke belemmering aan te merken voor de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Beoordeeld dient dan ook te worden of er ten aanzien van

[verweerster] sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden, dat deze - ondanks haar arbeidsongeschiktheid - een ontbinding van de arbeidsovereenkomst van juist [verweerster] rechtvaardigen.

4.3.

WSP heeft haar verzoek gebaseerd op verschillende grondslagen, te weten een verandering in de omstandigheden en een dringende reden. Niet duidelijk is, ondanks een daarop gerichte specifieke vraag ter zitting, hoe deze gronden zich tot elkaar verhouden. Uit het aanvullende verzoekschrift blijkt dat de gronden nevenschikkend zijn en niet primair en subsidiair - dus hiërarchisch - gerangschikt zijn. Evenmin koos WSP er uitdrukkelijk voor om de aanvullende ontbindingsgrond onder te brengen in het complex van veranderingen in de omstandigheden. Dit brengt met zich dat de kantonrechter beide gronden afzonderlijk dient te beoordelen. Het verst strekkende verzoek komt alsdan wel het eerst voor beoordeling in aanmerking, ondanks het feit dat dit ziet op een pas later opgeworpen kwestie die min of meer juist een gevolg is van het oorspronkelijke ontbindingsverzoek. Het gaat dan met het oog op de daaraan verbonden gevolgen voor [verweerster], ook voor wat betreft de wettelijke uitsluiting van de mogelijkheid van een ontbindingsvergoeding, om de wens van WSP om de arbeidsovereenkomst te doen ontbinden wegens een dringende reden.

dringende reden: uitlatingen op Facebook

4.4.

Hoewel het begrijpelijk is dat de directeur van WSP zich de uitlatingen op Facebook aantrekt, is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een dringende reden in de zin van art. 7:685 lid 2 BW juncto art. 7:678 BW om de arbeidsovereenkomst (hier door ontbinding in plaats van onverwijlde opzegging) te (doen) beëindigen.

4.5.

Vaststaat dat er binnen WSP geen beleid is ten aanzien van omgang met en gebruik van ‘social media’ door het eigen personeel, laat staan gebruik in de privésfeer voor zover dit in enige relatie staat tot bedrijfsbelangen. De norm van goed werkgeverschap en goed werknemerschap (art. 7:611 BW) kan hier dus onder omstandigheden de enige (vrij globale) maatstaf opleveren voor de toetsing van gedrag.

4.6.

Relevant is verder dat de naam van de werkgever in de berichten en de daarop gegeven reacties niet genoemd wordt. Mede daaruit blijkt dat de berichten maar voor een kleine groep bestemd waren en mede daarom hebben de uitlatingen voor derden geen of slechts zeer vage betekenis. Daarbij komt dat het berichtenverkeer slechts een enkele dag toegankelijk was omdat alle uitlatingen op het eerste signaal van ongenoegen van Facebook verwijderd zijn, waardoor het bereik nog beperkter gebleven is dan de kleine belangstellingskring (vooral familie en vrienden/goede kennissen) die er toch al belangstelling voor had.

4.7.

Dat [verweerster] de tekst in emotie geschreven heeft, zoals zij stelt, is begrijpelijk. De bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie is voor de werknemers van WSP immers uit de lucht komen vallen, aangezien binnen WSP hierover niet of slechts uiterst spaarzaam (in een enkel geval) vooraf gecommuniceerd is. Verder is van de zijde van [verweerster] mede sprake van teleurstelling en wellicht frustratie als gevolg van het feit dat tijdens haar zwangerschaps-/ bevallingsverlof WSP in de tweede helft van 2014 besloten had - volgens [verweerster] zonder enige noodzaak - haar functie van productieleidster wasserij en stomerij te splitsen in twee functies, te weten die van productieleidster stomerij ([verweerster]) en die van productieleidster Witwas (mevrouw [naam]). [verweerster] had WSP slechts verzocht om een dag per week minder te gaan werken na dit verlof, maar WSP had het nodig geoordeeld haar tijdelijk vervangster [naam] in haar plaats naar voren te schuiven, waarbij [verweerster] aanvankelijk een rol ondergeschikt aan [naam] toebedacht was.

4.8.

Het vorenstaande brengt met zich dat het verzoek van WSP voor zover dit gegrond was op de dringende reden, afgewezen zal worden.

verandering in de omstandigheden: bedrijfseconomische redenen

4.9.

Vervolgens komt de vraag aan bod of sprake is van een verandering in de omstandigheden (bedrijfseconomisch van aard) die moet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek is, zoals reeds hiervoor vermeld, gebaseerd op een door bedrijfseconomische omstandigheden ingegeven wijziging van de bedrijfsvoering, waardoor de functie van een aantal werknemers, onder wie [verweerster], komt te vervallen.

4.10.

De kantonrechter heeft zich op basis van de door WSP gegeven informatie ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met een collectief ontslag als bedoeld in art. 3 van de Wet melding collectief ontslag (Wmco). Aan de getalsnorm van die wet is immers niet voldaan.

4.11.

Aan de werkgeefster komt een zekere mate van beleidsvrijheid toe ten aanzien van de bedrijfsvoering en de inrichting van haar organisatie. Dit betekent dat zij de beleidsmatige ruimte heeft om haar organisatie aan te passen aan de ontwikkelingen in de markt en dat dit tot gevolg kan hebben dat functies veranderen of zelfs komen te vervallen. Wel dient dit met de nodige zorg voor de betrokken werknemers gepaard te gaan.

4.12.

Bij de beoordeling van de vraag of zich een noodzaak voordoet voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst om een bedrijfseconomische reden, zoekt de kantonrechter aansluiting bij de toetsingsnormen die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) ten aanzien van toestemmingsverzoeken ex art. 6 BBA hanteert en die neergelegd zijn in het Ontslagbesluit en de Beleidsregels Ontslagtaak UWV. Dat betekent niet dat de kantonrechter hieraan zonder meer en onverkort gebonden is of daarvan niet zou kunnen afwijken, maar wel dat die normen mede tot uitgangspunt kunnen worden genomen bij de beoordeling omdat zij in het algemeen behoorlijke toetsingsmaatstaven opleveren en houvast bieden bij verschil van opvatting over nut en noodzaak van ontslag.

4.13.

De kantonrechter stelt vast dat WSP ter motivering van haar verzoek in feite volstaan heeft met het in het geding brengen van een (niet door de accountant gecontroleerd) concept van een winst- en verliesrekening over 2014 (bijlage 3 verzoekschrift), de eigenhandig door [naam directeur WSP] opgestelde prognose voor 2015 afgezet tegen het (niet definitief vastgestelde) resultaat van 2014 in ‘concept’ (bijlage 4 verzoekschrift), twee (summiere, allerminst sluitende en ten dele zelfs voor uitsluitend gebruik ten overstaan van het UWV bestemde) verklaringen van haar financieel adviseur de heer [naam finacieel adviseur] (bijlagen 5 en 13 verzoekschrift) en een (incompleet) personeelsoverzicht (bijlagen 14 en 15 verzoekschrift). Daarmee heeft WSP de richtlijnen die het Ontslagbesluit geeft, verre van opgevolgd en heeft zij haar ontbindingsverzoek(en), afgezet tegen de eisen die het UWV gesteld zou hebben aan een deugdelijk verzoek op bedrijfseconomische gronden, wel erg mager en onvoldoende met documenten én argumenten onderbouwd. Weliswaar blijkt uit de door WSP overgelegde financiële stukken dat haar bedrijfsresultaten nopen tot kostenreductie, maar zij is er niet in geslaagd voldoende te onderbouwen en aannemelijk te maken dat haar financiële situatie zodanig klemmend is, dat zij genoodzaakt is om bezuinigingsmaatregelen op personeel door te voeren en dat in dat kader juist deze vijf functies in het bestand van vast personeel, waaronder de functie van [verweerster], dienen te vervallen.

4.14.

De overgelegde stukken geven onvoldoende inzicht in de ontwikkelingen binnen de onderneming van WSP. Om te beginnen ontbreekt een evenwichtig / samenhangend reorganisatieplan dat inzicht verschaft: in de actuele bedrijfsorganisatie als zodanig en het perspectief waarop gekoerst wordt; in de omvang en samenstelling van het huidige personeelsbestand met inbegrip van losse en ingeleende arbeidskrachten / hulpkrachten; in nagestreefde bezuinigingen; in de wegen waarlangs WSP die bezuinigingen wil realiseren (in materieel en personeel opzicht); in de omvang en samenstelling van het personeelsbestand nadat een reorganisatie doorgevoerd zal zijn; in de functies die komen te vervallen en in de manier / de motieven waarop gekozen is voor handhaving van de een en vertrek van de ander. Evenmin is inzicht gegeven in de ontwikkelingen van het order- en klantenbestand. WSP heeft geen gegevens in het geding gebracht waaruit is af te leiden dat de orders significant teruglopen of dat op dat vlak perspectief op betere en meer omzet ontbreekt. Het had op de weg gelegen van WSP concrete feiten en omstandigheden te benoemen waaruit de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag van nu uitsluitend vijf leden van het vaste personeel blijkt en waaruit afgeleid had kunnen worden welke andere kostenbesparende maatregelen genomen zijn of worden (bijvoorbeeld Romatex en Duits personeel, faciliteiten en/of gebouwen). Ook had WSP behoren toe te lichten wat haar ertoe bracht te besluiten tot (acute) vermindering van de (of juist deze) arbeidsinzet (met gevolgen voor haar productie). Zo blijft onduidelijk of het hier gaat om een structurele ingreep en of er enige relatie is tussen veronderstelde vermindering van werkaanbod en het vervallen van deze of gene functie. Zonder een goed onderbouwd reorganisatieplan blijven zulke vragen bestaan en lijkt de keuze om (in dit geval) van [verweerster] afscheid te nemen, betrekkelijk willekeurig genomen te zijn en is de schijn gewekt dat een zekere voorkeurselectie plaatsgevonden heeft (de arbeidsongeschikten dienen het af te leggen tegen de arbeidsgeschikten). WSP heeft immers onverbloemd erkend dat de ‘grond’ voor ontslag weliswaar gelegen is in bedrijfseconomische omstandigheden, maar dat - waar zij zelf een keus kon maken - in ‘de ontslagvoordracht’ het ‘ziekzijn’ bij het maken van de selectie ‘meegenomen’ is. Aldus kan niet uitgesloten geacht worden dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] uiteindelijk bepalend geweest is voor het verzoek tot beëindiging van juist haar arbeidsovereenkomst.

4.15.

WSP heeft nagelaten een personeelslijst over te leggen met namen, functies, leeftijden, data indiensttreding en omvang van de dienstverbanden van alle betrokken werknemers (inclusief de WSW-werknemers, gedetacheerde OZL-werknemers etc.) op een bepaalde peildatum. Daardoor heeft WSP geen inzicht verschaft in de onderlinge verhouding van het aantal werknemers in elk van de leeftijdsgroepen binnen de categorieën uitwisselbare functies en beschikt de kantonrechter niet over voldoende informatie om vast te kunnen stellen of de afspiegeling juist is toegepast. Bovendien is onduidelijk gebleven hoeveel werknemers een contract voor bepaalde tijd hebben dat binnen korte tijd zal aflopen, en wat voor invloed dit heeft op het aantal voor ontslag voorgedragen werknemers. Ook dit had in een personeelsoverzicht opgenomen moeten worden. Daarbij komt dat uit de twee door WSP als ‘ingetrokken’ aangemerkte zaken afgeleid moet worden dat ervoor gekozen is de daarbij betrokken werknemers tot medio oktober 2015 hun overeenkomst voor bepaalde duur te laten uitdienen. Een ander - ook voor bepaalde tijd in dienst - wordt die kans niet geboden, wat een nieuw element van willekeur althans onnavolgbaarheid in de ontslagselectie introduceert. Nu aldus (ook met de broksgewijze zijdens WSP nader ingediende stukken) te weinig inzicht in omvang en samenstelling van personeel in alle hoedanigheden / kosten / middelen / baten / perspectieven e.d. gegeven is om een zorgvuldige afweging mogelijk te maken, kan de kantonrechter slechts concluderen dat WSP ook op bedrijfseconomische gronden (vooralsnog) niet kon besluiten [verweerster] voor ontslag / ontbinding van haar overeenkomst voor te dragen.

4.16.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het verzoek tot ontbinding afgewezen dient te worden.

4.17.

WSP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. Die kosten worden aan de zijde van [verweerster] bepaald op een bedrag van € 400,00 aan salaris voor haar gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

Wijst het verzoek af.

5.2.

Veroordeelt WSP tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] bepaald op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: CJ