Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3419

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
3341254 CV EXPL 14-9032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op alle onderdelen onvoldragen - en bij repliek niet ‘gerepareerde’ - vordering van Fitnesscentrum wegens veronderstelde achterstallige contributie met nevenvorderingen.

Sterke schijn van finale kwijting ter zake van betaling in december 2012 niet ontzenuwd. Schending van regels art. 21 en art. 111 lid 3 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3341254 CV EXPL 14-9032

Vonnis van de kantonrechter van 29 april 2015

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FITNESSCENTRUM HEERLEN B.V.

gevestigd te Den Haag en mede kantoorhoudend te Heerlen

eisende partij

gemachtigde: J.H. Vekemans, deurwaarder te Heerlen (‘GGN’)

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

gedaagde partij

gemachtigde: [naam], ‘thuisbegeleider’ te Maastricht (met algemene volmacht)

Partijen zullen hierna vooral als “FcH” respectievelijk “[gedaagde]” aangeduid worden.

De procedure

FcH heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 6 augustus 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding. Tegelijk daarmee is aan [gedaagde] slechts een instructieformulier van de gemachtigde van FcH over de gang van zaken in een gerechtelijke procedure, maar geen enkele productie betekend.

[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum, ter rolzitting van 27 augustus 2014, zowel mondeling als schriftelijk (doch zonder ondertekening van het ingediende geschrift) geantwoord.

Zij heeft via de gemachtigde bij die gelegenheid ook een reeks ongenummerde producties overgelegd.

Na herhaald uitstel heeft FcH op 29 oktober 2014 (per e-mail of telefax) van repliek gediend, wederom zonder zich op enige productie van eigen zijde te beroepen.

[gedaagde] en haar gemachtigde hebben voor de rolzitting van 10 december 2014 een dubbel ondertekende dupliek met wederom talrijke ongenummerde producties ingediend.

Hierna is vonnis bepaald, doch door administratief verzuim aan de zijde van de rechtbank en wegens het enige tijd in het ongerede raken van het procesdossier kan pas heden (dus na herhaald uitstel) uitspraak gedaan worden.

Het geschil

FcH vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 76,87, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2014 (de datum van dagvaarding) tot de voldoening, onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

FcH baseert haar vorderingen - samengevat - op een overeenkomst van ‘lidmaatschap ter beoefening van sport’, aangegaan voor bepaalde duur en onder de werking van ‘de algemene voorwaarden’, die [gedaagde] ten opzichte van FcH contributie-plichtig maakte.

FcH stelde bij exploot dat [gedaagde] ter zake van de overeenkomst een gefactureerd bedrag van € 209,50 aan haar verschuldigd was, maar de factuur of nota die kennelijk al van maart 2012 dateerde, is - ook bij repliek - door FcH niet in het geding gebracht. Hetzelfde geldt voor het contract en de toepasselijk geachte voorwaarden. Ondanks ‘(herhaalde) aanmaning en aanzegging van kostenverhogende incassomaatregelen’ van FcH en ‘meerdere sommaties van GGN’ (hieromtrent is evenmin enig stuk door FcH overgelegd) is [gedaagde] volgens FcH met betaling in gebreke gebleven. “Door de wanbetaling van gedaagde en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering, lijdt eiseres vermogensschade”, aldus het exploot. Deze schade bestaat onder meer uit de bestanddelen buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, die [gedaagde] volgens FcH gehouden is te vergoeden. De eerste post stelt FcH op € 40,00, de geclaimde rente bepaalt zij tot de datum van dagvaarding op € 5,02. Omdat [gedaagde] kennelijk tussentijds wel een of meer betalingen verrichtte dan wel in aanmerking komt voor een of meer verrekeningen, brengt FcH in totaal € 177,65 in mindering op de optelsom van drie posten: de in haar visie verschuldigde hoofdsom, kosten en vervallen rente tot een totaal van € 254,52. Aldus zegt FcH per datum dagvaarding nog € 76,87 te vorderen te hebben.

Zonder dit met zoveel woorden aan te voeren, rekent FcH de betaling(en) primair toe aan kosten en vervallen rente (art. 6:44 BW), want verdere rente is gevorderd over het gehele restantbedrag van € 76,86. Volgens FcH had [gedaagde] de vordering buiten rechte niet betwist. Mocht er in rechte alsnog betwisting volgen, dan spreekt zij haar sterke voorkeur uit voor schriftelijke voortzetting van de procedure.

Het bewijsaanbod bij exploot is volstrekt globaal naar onderwerp en bewijsmiddel (met haar repliek d.d. 29 oktober 2014 trad daar overigens in het geheel geen wijziging in op).

In voortgezet debat heeft FcH - in reactie op het verweer in rechte zijdens [gedaagde] - nog het volgende toegevoegd, weersproken en/of beaamd.

De overeenkomst dateert van 13 januari 2012 en is aangegaan voor een jaar. Slechts de eerste twee termijnen konden langs de weg van automatische incasso geïnd worden. FcH heeft zich genoodzaakt gezien ‘conform de algemene voorwaarden’ de overeenkomst per 13 januari 2013 te ‘beëindigen’. Pas op 12 december 2012 (toen de zaak al hoog en breed uit handen gegeven was aan ‘GGN’) heeft [gedaagde] € 177,65 voldaan. Waarop dit bedrag ‘gebaseerd’ is, ontgaat FcH. Het is ‘correct’ dat [gedaagde] ‘bezwaar gemaakt’ heeft, doch dit bezwaar is in november 2012 ‘schriftelijk afgewezen’. Een daaropvolgend telefonisch verzoek om opheldering van de partner van [gedaagde] leidde tot ‘uitleg aan hem’. Per telefoon heeft ook de schoonvader van [gedaagde] zich in december 2012 met bezwaren gemeld, waarna (door ‘GGN’) gevraagd is om ‘nadere gegeven om de gegevens van in dit geval [gedaagde] te traceren’, maar ‘GGN’ ontving niets. “Men is minnelijk niet tot een oplossing gekomen”, aldus de repliek, ondanks alle ‘uitleg’ die FcH / ‘GGN’ zegt te hebben gegeven. “Het is Fitnesscentrum niks bekend omtrent een bevestiging van de vestiging Heerlen dat de openstaande vordering zou zijn voldaan”, aldus de laatste feitelijke tegenwerping bij repliek.

Het verweer van [gedaagde] strekt ertoe te betogen dat [gedaagde] (net als haar partner [naam partner]) in 2012 correct het abonnement opgezegd heeft en dat ‘de vader’ later ‘om problemen te voorkomen’ de ‘achterstanden’ betaalde en ‘met de bedrijfsleider afgesproken heeft dat het zo in orde zou zijn en er verder geen actie’ meer ondernomen zou worden. Het kan dus niet zo zijn dat FcH in 2014 opeens weer op de zaak terugkomt (en van die toezegging of kwijting terugkomt). [gedaagde] acht het verder opvallend dat FcH alleen ten opzichte van [gedaagde] en niet van [naam partner] in 2014 juridische stappen is gaan ondernemen.

Met nadruk is geattendeerd op een handgeschreven notitie (in kopie bij antwoord verstrekt) in - volgens [gedaagde] - het handschrift van de bedrijfsleider van de FcH-vestiging Heerlen, waarin betalingen van € 153,05 voor [naam partner] en € 177,65 voor [gedaagde] weergegeven zijn en die aan het slot tweemaal de incomplete zin bevat: “Hiermee alles voldaan”.

De beoordeling

FcH biedt in haar twee procestukken een deels onware en anderdeels uitermate gebrekkige weergave van de feiten. Zij presenteert daarnaast ook de gepretendeerde vordering en de grondslagen daarvan dermate miserabel, dat haar eis slechts een afwijzing verdient.

Dit begint al in een exploot dat met tal van generalisaties en globale aanduidingen poogt een vordering te beschrijven die van allerlei relevant te achten feitelijke details ontdaan is en waaraan geen enkel onderbouwend document toegevoegd is. Zelfs acht FcH het niet nodig relevante passages uit onder haar berustende documentatie met betrekking tot dit geschil te lichten en in haar procestukken te beschrijven, terwijl zij ook niet adequaat ingaat op materiaal dat [gedaagde] nota bene tot haar verweer wel inbracht. Als klap op de vuurpijl achtte FcH het om onduidelijke redenen opportuun / gepast om in het slotgedeelte van het exploot uitdrukkelijk melding te maken van het buiten rechte onbetwist blijven van de vordering, terwijl zij nota bene in het tweede deel van haar repliek schrijft: “Zoals uit het bovenstaande blijkt is er diverse malen bezwaar gemaakt tegen de openstaande vordering zowel schriftelijk als mondeling.” Als dit al niet op (in aanvang) welbewust onwaarheid spreken neerkomt, kan er in ieder geval uit afgeleid worden dat de verhulling van de werkelijkheid in strijd met de eisen van de artikelen 21 een 111 lid 3 Rv misleiding van de rechter tot gevolg kan hebben. Of daaraan de misplaatste hoop op een verstek of minst genomen op het achterwege blijven van een spits verweer van een wel verschijnende gedaagde partij ten grondslag ligt, kan niet vastgesteld worden, maar de methodiek die FcH hanteert, is in ieder geval evident in strijd met de procesregels. Alleen hierom al zou FcH het verdienen in de procedure op achterstand gezet te worden, maar er is - als gezegd - meer.

Dat FcH recht kan doen gelden op een bedrag van € 209,50 in hoofdsom, kan nergens uit afgeleid worden, want een rekening is niet overgelegd, ten aanzien van de inhoud van toepasselijke voorwaarden en/of tarieven is niets bekend en zelfs is in het vage gebleven welke termijnen [gedaagde] vooralsnog onbetaald liet. Daarbij komt dat FcH wel (en uitsluitend in het exploot) een enkele keer het woord ‘betalingsverzuim’ of ‘verzuimdatum’ laat vallen maar nooit in de context van een concrete datum die aan een even concrete verzuimgrond gekoppeld is (op een wijze die spoort met de wettelijke regeling in de artikelen 6:81, 6:82 en 6:83 BW). Bijgevolg kan en mag niet aangenomen worden dat [gedaagde] ter zake van welk achterstallig bedrag dan ook in betalingsverzuim verkeerde toen haar vader of schoonvader op 7 december 2012 contant en ter vermijding van verdere ‘problemen’ een bedrag voldeed. Een bedrag van € 177,65 dat FcH zegt niet te kunnen plaatsen, maar dat kennelijk in de ogen van de bedrijfsleider van het fitnesscentrum in Heerlen afdoende was om aan het geschil een einde te maken. Dat FcH (de hoofdvestiging in Den Haag?) bij repliek beweerde er niet mee bekend te zijn waarop dit bedrag ‘gebaseerd’ was, is vreemd en berust kennelijk op een gebrek aan afstemming met haar Heerlense bedrijfsleider. In ieder geval betwist FcH in voortgezet debat niet met zoveel woorden dat de door [gedaagde] bij antwoord getoonde kwitantie van deze bedrijfsleider afkomstig is, noch dat deze verklaard heeft wat daar op papier staat. Het ‘niks bekend’ in haar repliek is wel een erg ontwijkende, maar zeker niet doeltreffende reactie op een stuk dat de sterke schijn wekt dat binnen haar bedrijf iemand met gezag definitief (en ook voor haar bindend) kwijting gaf voor een al dan niet of ten dele vermeende schuld van [gedaagde]. Door bijvoorbeeld van haar kant geen van die schijn afwijkende verklaring in het geding te brengen, noch anderszins de bewijskracht aan dit stuk te ontnemen of de betekenis ervan af te zwakken, moet FcH het ten volle tegen zich laten gelden. Temeer omdat zij het ook niet nodig geoordeeld heeft specifiek bewijs aan te bieden.

Het hiervoor gegeven oordeel over het ontbreken van klemmende aanwijzingen in de door FcH bij exploot en repliek ontvouwde stellingen voor het buiten rechte ingetreden zijn van verzuim aan de zijde van [gedaagde], maakt uiteraard ook dat FcH geen recht kan doen gelden op reeds voorafgaand aan de door / voor [gedaagde] verrichte betaling vervallen wettelijke rente noch op vergoeding van kosten die met daaraan voorafgaande pogingen tot incasso gemoeid waren. Als al aangetoond zou kunnen worden dat in die periode realiter inspanningen verricht zijn, dan waren die als prematuur aan te merken of als louter gericht op (latere) ingebrekestelling of op procesvoorbereiding. Een vergoeding is dan niet aan de orde.

Bedragen van € 40,00 en € 5,02 (of lagere bedragen als de oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom ten onrechte op € 209,50 gesteld was) komen dus hoe dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Zelfs als FcH in deze procedure had kunnen waarmaken dat haar na voldoening van € 177,65 nog een plukje hoofdsom zou toekomen, heeft zij slechts een primaire vordering voor een hoger bedrag ingesteld, zonder subsidiair een lager of door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag te vorderen. Als zij dus al niet gebonden zou zijn aan de op 7 december 2012 door haar bedrijfsleider te Heerlen verleende (finaal te achten) kwijting, komt haar ook om die reden geen enkel bedrag meer toe.

De integrale afwijzing van de vordering heeft uiteraard tevens tot gevolg dat FcH dient op te komen voor alle proceskosten. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] bepaald op een bedrag van € 60,00 aan salaris gemachtigde. Dit onderdeel van de uitspraak wordt, omdat daar niet om gevraagd is, niet uitvoerbaar verklaard bij voorraad. De kantonrechter vertrouwt erop dat FcH de heer [naam] binnen veertien dagen het hem toekomende zal voldoen.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel:

- De vordering van Fitnesscentrum Heerlen B.V. wordt afgewezen.

- Fitnesscentrum Heerlen B.V. wordt daarom veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis bepaald op een bedrag van € 60,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: HS