Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:333

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-01-2015
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
03/700274-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994: gevangenisstraf van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummer: 03/700274-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 januari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsvrouw is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 9 september 2014 en 6 januari 2015, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting van 9 september 2014 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer] op een voorrangsweg reed en dat verdachte hem blijkens de VerkeersOngevalAnalyse had moeten waarnemen en voorrang had moeten verlenen. Ook verkeerde de verdachte onder invloed van alcohol, waardoor volgens de deskundige zijn rijvaardigheid en beoordelingsvermogen nadelig zijn beïnvloed. Daarbij komt dat de verdachte zijn been in het gips had, hetgeen waarschijnlijk ook zijn reactiesnelheid heeft beïnvloed. Het feit dat [slachtoffer] (veel) te hard reed, sluit de strafbaarheid van de verdachte niet uit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen enkel is vast te stellen dat de verdachte [slachtoffer] niet heeft gezien. Dit levert geen schuld op zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor de vraag of schuld uit de bewijsmid-delen kan worden afgeleid, gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van bepaald verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Van een dergelijke schuld is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het enkele feit dat de verdachte ten tijde van de aanrijding onder invloed van alcohol verkeerde, of het feit dat [slachtoffer] de aanrijding niet heeft overleefd, is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring. Er zal meer moeten zijn.

In de optiek van de verdediging is dat meerdere er niet, nu niet kan worden geconstateerd dat het aan de schuld van verdachte te wijten is dat hij [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend. Hij heeft hem simpelweg niet gezien. Dit terwijl hij wel goed heeft gekeken. Waarschijnlijk heeft [slachtoffer] zo hard gereden dat verdachte hem niet tijdig heeft kunnen zien aankomen.

Het feit dat verdachte zijn linker been in het gips had heeft geen enkele invloed gehad op het ontstaan van het ongeval. Zijn alcoholconsumptie evenmin, nu het in casu niet gaat om de reactiesnelheid maar om de vraag of de verdachte [slachtoffer] had moeten zien aankomen. Er is hoe dan ook geen sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid, maar van een tragisch ongeluk, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De feiten

Op 16 april 2013 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de kruising van de Hoge Weerd en de Oeslingerbaan te Maastricht.

Verdachte reed, als bestuurder van een personenauto, over de Oeslingerbaan in de richting van de kruising Hoge Weerd/Limburglaan. In de uitmonding van de Oeslingerbaan kruist het verkeer eerst het tot de Hoge Weerd/Limburglaan behorende fietspad. Na dat fietspad is een opstelruimte beschikbaar, voordat de Oeslingerbaan aansluit op de doorgaande rijstrook van de Hoge Weerd/Limburglaan. Kort voor de uitmonding is de verplichting om voorrang te verlenen aan bestuurders op de kruisende weg de Hoge Weerd/Limburglaan aangeduid met het bord B6 en zijn haaientanden op het wegdek aangebracht.

Verdachte naderde de kruising Oeslingerbaan/Hoge Weerd. Hij wilde linksaf slaan. Hij is richting het opstelvlak in de middenberm van de kruising gereden. Op hetzelfde moment reed de bestuurder van een motor met een indicatieve snelheid van 97 km/u over de Hoge Weerd in de richting van die kruising. Doordat verdachte bij het oprijden van de als voorrangsweg aangeduide Hoge Weerd/Limburglaan geen voorrang verleende aan de voor hem van links naderende bestuurder van de motor, kwamen beide voertuigen met elkaar in botsing.

Blijkens de VerkeersOngevalAnalyse was het zicht van verdachte op het links van hem gelegen weggedeelte en de daarover naderende weggebruikers over tenminste 200 meter mogelijk.2

Uit de afgenomen ademanalyse is naar voren gekomen dat het alcoholgehalte van verdachtes adem 465 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was.3

Ten gevolge van het ongeval is de bestuurder van de motor overleden.4

De overwegingen

Voor de vraag of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In de onderhavige zaak spelen de volgende omstandigheden.

Vast staat dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt door geen voorrang te verlenen aan een zich op een voorrangsweg bevindende motorrijder.

Volgens verdachte is dat gekomen omdat hij de motorrijder, ondanks dat hij naar links heeft gekeken in de richting waar de motorrijder vandaan kwam, niet heeft gezien. De verklaring daarvoor is volgens verdachte gelegen in het feit dat de motorrijder veel te hard reed (97 km/u waar 50 km/u was toegestaan).5

De rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet opgaat. In de VerkeersOngevalAnalyse staat immers dat verdachte toen hij de Hoge Weerd/Limburglaan opreed over minimaal 200 meter vrij zicht naar links had. Uit de in de VerkeersOngevalAnalyse genoemde berekeningen met betrekking tot de snelheid, botsplaats en het zicht blijkt dat de motorrijder zich op het wegdek heeft bevonden dat verdachte kon overzien toen hij optrok.6 Verdachte heeft de bestuurder van de motor dus kunnen waarnemen alvorens hij de kruising opreed. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hoge snelheid van de motorrijder niet de oorzaak kan zijn geweest voor het niet opmerken van de motorrijder door de verdachte.

Die oorzaak is volgens de rechtbank wel gelegen in niet goed kijken door verdachte. In dat verband zijn twee omstandigheden van belang.

Verdachte heeft over de manier waarop hij heeft gekeken het volgende verklaard.7 Toen hij de kruising naderde heeft hij eerst naar links gekeken. Hij heeft toen geen motorrijder gezien. Vervolgens heeft hij naar rechts gekeken. Verdachte wilde in één vloeiende beweging de beide (door een middenberm gescheiden) rijstroken oversteken. Hij wilde niet tussen beide rijstroken “blijven steken”. Toen hij zag dat het rechts ook vrij was is hij langzaam opgetrokken. Verdachte wilde toen nog een tweede keer naar rechts kijken. Hier heeft hij echter geen kans meer toe gehad. Toen hij met zijn auto deels het opstelvlak (in de middenberm) bereikt had voelde hij de klap van de botsing.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte bij het oprijden van de kruising weliswaar één keer naar links heeft gekeken, maar dat hij vervolgens enkel gefocust is geweest op het verkeer van rechts, omdat hij die kruising in één vloeiende beweging wilde oversteken en niet op het opstelvlak in de middenberm wilde wachten. Die focus heeft verdachte er van weerhouden nog een tweede keer naar links te kijken om te zien of er in de tussentijd misschien toch verkeer van links aankwam. Door dit na te laten heeft verdachte een tweede verkeersfout gemaakt. Dat verdachte niet nog een tweede keer naar links gekeken heeft wordt overigens ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] die, eveneens op een motorfiets, vlak achter het slachtoffer reed. Zij heeft de auto de haaientanden zien naderen en daarna de weg op zien rijden zonder dat verdachte haar kant (en die van het slachtoffer) opkeek.8

Daarnaast heeft verdachte naar eigen zeggen voorafgaand aan het ongeval vier glazen port gedronken.9 Uit onderzoek blijkt dat zijn ademalcoholgehalte 465 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was. Dit levert de derde verkeersfout op. Het bloedalcoholgehalte van verdachte is op basis van dat ademalcoholgehalte berekend op 1,07 mg/ml. Het geschatte bloedalcoholgehalte op het tijdstip van de aanrijding (3,75 uur vóór de ademanalyse) was ten minste 1,4 mg/ml, aldus de deskundige van het NFI. Dit is bijna drie keer de toegestane hoeveelheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gebruik van alcoholhoudende drank het reactievermogen en het waarnemingsvermogen afnemen.

Verdachte heeft gesteld dat hij daar – als gewoontedrinker – geen last van heeft. Uit het door een deskundige van het NFI uitgebracht rapport blijkt echter dat deze stelling in de wetenschap – zeker bij hoeveelheden zoals waar het hier om gaat – is weerlegd. Bovendien blijkt uit dit rapport dat de kans op een ongeval toeneemt door het gebruik van alcohol, met name bij concentraties van alcohol in het bloed boven 1,0 mg/ml.10

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat de verdachte, rijdend onder invloed van alcohol, een kruising is opgereden, waarbij hij een van links komende motorrijder die voor hem zichtbaar moet zijn geweest, geen voorrang heeft verleend, omdat hij niet goed naar links heeft gekeken. Daarmee heeft de verdachte zich zodanig gedragen dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is.

Tot slot staat de rechtbank nog stil bij het feit dat de motorrijder de kruising naderde met een snelheid van ongeveer 97 km/uur, terwijl daar voor hem een snelheidslimiet gold van 50 km/uur. Doet deze (veel) te hoge snelheid af aan de schuld van de verdachte? De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Eventuele medeschuld aan de zijde van (in dit geval) de bestuurder van de motor heft in beginsel de schuld aan de zijde van verdachte niet op. In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn, maar de rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet. Immers, uit de VerkeersOn-gevalAnalyse komt naar voren dat de verdachte de motorrijder, ondanks diens te hoge snelheid, toch had kunnen en moeten waarnemen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan en de motorrijder is overleden. De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 16 april 2013 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Oeslingerbaan en gekomen bij het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de Hoge Weerd, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend - na gebruik van alcoholhoudende drank - genoemde kruising op te rijden en daarbij geen gevolg te geven aan een voor hem, verdachte, geldend bord B6 van Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de voor het betreffende kruispunt aangebrachte haaientanden, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links komende (bestuurder van een) motorfiets reeds zo dicht genaderd was, dat een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die motorfiets, waardoor [slachtoffer], zijnde de bestuurder van die motorfiets zodanig letsel had opgelopen mede waardoor hij is komen te overlijden, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van verdachtes adem, 465 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de eis van de officier van justitie niet passend is en heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat de verdachte psychische gevolgen van het ongeval ondervindt en in behandeling is bij een psychiater en het feit dat inmiddels bijna twee jaar zijn verstreken. Ook dient de rechtbank zich af te vragen of een ontzegging van de rijbevoegdheid in casu zinvol is, nu het rijbewijs van verdachte gedurende vijf jaar door het CBR is ingevorderd, omdat hij het alcoholslotprogramma niet kan betalen. Ook is onduidelijk wat verdachte na die vijfjarige invordering moet doen om zijn rijbewijs terug te krijgen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De categorie die de rechtbank in het onderhavige geval het meest vindt passen, is de categorie “grove verkeersfout bij een adem/alcoholgehalte van minder dan 570 ug/l, de dood ten gevolge hebbende”. Bij deze categorie hoort een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren. De vraag is of er in dit geval omstandigheden zijn die maken dat het passend is van dit vertrekpunt naar boven of naar beneden af te wijken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft op 16 april 2013 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door na het nuttigen van een aanmerkelijke hoeveelheid alcohol en na niet goed te kijken, met de door hem bestuurde auto een kruising op te rijden en daarbij geen voorrang te verlenen aan de hem van links naderende motorrijder [slachtoffer]. [slachtoffer] is als gevolg van deze aanrijding overleden. Het is zeer aannemelijk dat de genuttigde alcohol van invloed is geweest op het waarnemingsvermogen van verdachte. Verdachte is eerder met justitie in aanraking gekomen wegens rijden onder invloed van alcohol. Hoewel dit geruime tijd geleden was is hij toch de spreekwoordelijke “gewaarschuwde man”. Daarnaast is hij zich goed bewust van het feit dat hij een alcoholprobleem heeft. Verdachte is al jaren in therapie voor alcoholmisbruik, zij het (kennelijk) met onvoldoende resultaat. Onder die omstandigheden kan de rechtbank zich niet voorstellen hoe verdachte er toe komt om, na ruimschoots méér gedronken te hebben dan wettelijk is toegestaan, toch achter het stuur van zijn auto plaats te nemen en aan het verkeer te gaan deelnemen. Genoemde omstandigheden zijn voor de rechtbank in beginsel aanleiding om een zwaardere straf op te leggen dan volgens genoemde oriëntatiepunten passend zou zijn.

Anderzijds wil de rechtbank ook niet voorbij gaan aan het feit dat het slachtoffer bijna twee keer zo hard reed als de toegestane maximum snelheid. Volgens de VerkeersOngevalAnalyse zou het ongeval niet hebben plaatsgevonden als het slachtoffer zich aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid van 50 km/u had gehouden. En zelfs bij een aanzienlijke overschrijding - tot 70 km/u - zou er geen aanrijding hebben plaatsgevonden. Hoewel deze omstandigheid niet van invloed is op de schuldvraag speelt zij voor de rechtbank wel een (aanzienlijk) matigende rol bij het bepalen van de hoogte van de straf.

Een andere matigende factor ziet de rechtbank in het feit dat ook verdachte (evenals de nabestaanden) zwaar lijdt onder het ongeval. Uit het opgemaakte reclasseringsrapport blijkt bijvoorbeeld dat momenteel wordt overwogen om verdachte traumatherapie te geven ter verwerking van het ongeval. De rechtbank gelooft hem als hij zegt dat hij dit niet heeft gewild.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd die korter van duur is dan op grond van de oriëntatiepunten aangewezen zou zijn, maar dat er anderzijds niet kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf. Ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de duur zoals die door de officier van justitie is geëist acht de rechtbank in dit geval te laag. De rechtbank beschouwt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden onder de gegeven omstandigheden als passend en geboden.

Voorts zal de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van twee jaren. Met deze ontzegging wordt eveneens beoogd te voorkomen dat verdachte opnieuw op een dergelijke wijze aan het verkeer zal deelnemen. Door de raadsvrouw is er op gewezen dat verdachte zijn rijbewijs hoe dan ook vijf jaar kwijt is omdat hij het alcoholslotprogramma niet kan betalen. Dat roept de vraag op of de geëiste ontzegging wel zin heeft en of daardoor de totale duur van de feitelijke ontzegging niet veel te lang gaat duren. In dit verband nog het volgende.

Verdachte heeft aangegeven dat hij graag weer aan het verkeer wil deelnemen. Hoe eerder hoe liever, omdat hij zich voor het uitoefenen van zijn beroep moet kunnen verplaatsen. Het feit dat verdachte nu door geldgebrek wordt weerhouden een alcoholslot te laten plaatsen sluit niet uit dat hij dat binnenkort wel zou kunnen. De financiële status kan door veel meer factoren bepaald worden dan het inkomen uit eigen arbeid en is dus per definitie ongewis. Nu verdachte graag weer wil rijden en er bovendien nog steeds sprake is van alcoholproblematiek wil de rechtbank meer zekerheid met betrekking tot het moment waarop verdachte weer aan het verkeer kan deelnemen. Zij legt daarom toch de rijontzegging op.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Rijontzegging

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van twee jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.V. Pelsser, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en

mr. J.M.E. Kessels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 januari 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 april 2013 in de gemeente Maastricht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Oestlingerbaan en gekomen bij het kruispunt gevormd door voornoemde weg en de Hoge weerd, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na gebruik van alcoholhoudende drank en/of met zijn, verdachtes, linkeronderbeen in het gips - genoemde kruising op te rijden en/of daarbij geen gevolg te geven aan de vóór het fietspad – behorende en deel uitmakende van genoemde kruising – op het wegdek aangebrachte haaientanden en/of (vervolgens) geen gevolg te geven aan een/de voor hem, verdachte, geldend(e) bord (en) B6 van Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of de voor het betreffende kruispunt aangebrachte haaientanden, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links komende (bestuurder van een) motorfiets

reeds zo dicht genaderd was, dat een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die motorfiets

waardoor [slachtoffer], zijnde de bestuurder van die motorfiets zodanig letsel had opgelopen mede waardoor hij is komen te overlijden,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, adem, 465 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

a).

hij op of omstreeks 16 april 2013 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 465 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

b).

hij op of omstreeks 16 april 2013, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Oestlingerbaan en gekomen bij het kruispunt, gevormd door voornoemde weg en de Hoge Weerd,

- na gebruik van alcoholhoudende drank en/of met zijn, verdachtes, linkeronderbeen in het gips - genoemde kruising op is gereden en/of daarbij geen gevolg te geven aan de vóór het fietspad – behorende en deel uitmakende van genoemde kruising – op het wegdek aangebrachte haaientanden en/of (vervolgens) geen gevolg te geven aan een/de voor hem, verdachte, geldend(e) bord (en) B6 van Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of de voor het betreffende kruispunt aangebrachte haaientanden, op het moment dat een voor hem, verdachte, van links komende (bestuurder van een) motorfiets

reeds zo dicht genaderd was, dat een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die motorfiets,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders aangegeven, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het proces-verbaal relaas van de politie Limburg Zuid, leiding district Sittard, leiding basiseenheid Sittard, met proces-verbaalnummer PL2441-2013039509-9, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 214 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 Het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse, pagina 109-111, 121 en 125-126.

3 Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, pagina 45 en het formulier van Honac Nederland B.V., pagina 64.

4 Het geschrift, inhoudende een verslag betreffende niet-natuurlijke dood d.d. 17 april 2013, dat geen deel uitmaakt van de doornummering.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2015.

6 Het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse, pagina 126.

7 Het proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 29.

8 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige], pagina 85.

9 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2015.

10 Het geschrift, inhoudende een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 november 2014.