Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:3078

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-04-2015
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
C/03/200177 / FA RK 14-4104
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Transseksualiteit; verzoek tot wijziging van de vermelding van het geslacht in de huwelijksakte niet gehonoreerd; beroep op schending art. 8 EVRM kan in het midden blijven; weliswaar behoort de genderidentiteit en het vastleggen van gegevens over die identiteit tot het privéleven en het familie- en gezinsleven als beschermd door art. 8 EVRM maar nu een wettelijke grondslag voor wijziging van de huwelijksakte ontbreekt gaat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten indien verzoeker de verzochte wijziging toch zou worden toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2015/4738
RFR 2015/91
PFR-Updates.nl 2015-0143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 14 april 2015

Zaaknummer: C/03/200177 / FA RK 14-4104

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

[voornamen nieuw] [verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: [verzoeker],
wonend te [woonplaats],

advocaat mr. E.H.J. Plass, kantoorhoudend te Horst.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[belanghebbende],
verder te noemen: [belanghebbende],
wonend te [woonplaats],
en
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade.

Wederom gezien de stukken, waaronder de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2014.

1 Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 7 januari 2015 door mr. E.H.J. Plass namens [verzoeker] ter griffie ingediende verzoekschrift met producties.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 maart 2015, waar zijn verschenen:

- [verzoeker] en zijn advocaat mr. Plass, vergezeld van mr. E.L.M. van Montfort-Hendriks van
DAS Rechtsbijstand,
- [belanghebbende],
- C.J.M. Wiertz, ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade (hierna:
de ambtenaar).

2. De feiten
[verzoeker] (destijds geheten: [voornamen oud] [verzoeker]) en [belanghebbende] zijn op
[1985] te [huwelijksplaats] als vrouw en man met elkaar gehuwd. De huwelijksakte komt voor in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade in het jaar 1985 onder aktenummer [aktenummer]. In de huwelijksakte is, voor zover hier van belang, vermeld:
‘de bruid is een dochter van’.

[verzoeker] heeft een behandeling ondergaan om een zo volledig mogelijke aanpassing aan het mannelijk geslacht te bewerkstelligen. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 juni 2013, zaaknummer C/03/181320 / FA RK 13-1152, is de wijziging gelast van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte van [verzoeker], in die zin dat daarin wordt vermeld dat [verzoeker] van het mannelijk geslacht is. Tevens is bij die beschikking de wijziging van de voornamen van [verzoeker] gelast van ‘[voornamen oud]’ in: ‘[voornamen nieuw]’.

Naar aanleiding van zijn transitie van vrouw naar man heeft [verzoeker] aan de gemeente Kerkrade verzocht de huwelijksakte daaraan aan te passen. Bij brief van 29 oktober 2014 heeft de ambtenaar meegedeeld aan dat verzoek geen gevolg te kunnen geven. De ambtenaar heeft, onder verwijzing naar artikel 1:20, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1:20a, eerste lid, van het BW meegedeeld dat in geval van een last tot wijziging van de vermelding van het geslacht die latere vermelding wordt toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon en dat geen melding daarvan wordt gemaakt in de huwelijksakte.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan
[verzoeker] heeft verzocht zijn geslacht in de huwelijksakte te (doen) wijzigen.
Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] het navolgende ten grondslag gelegd:
De vermelding van het ‘oude’ geslacht van [verzoeker] in de huwelijksakte doet geen recht aan de huidige feitelijke situatie, waarin [verzoeker] en [belanghebbende] met elkaar getrouwd willen blijven. Scheiden en opnieuw huwen is geen optie. Immers, grond voor de echtscheiding is de duurzame ontwrichting van het huwelijk, en daarvan is in dit geval geen sprake. De vermelding van het ‘oude’ geslacht van [verzoeker] in de huwelijksakte herinnert hem bovendien aan een zwarte periode uit zijn leven, waarin hij erg ongelukkig en depressief was. Met de nieuwe transgenderwet is het voor transgenders veel eenvoudiger geworden het geslacht te laten wijzigen in de geboorteakte. Die wijziging werkt vervolgens door in tal van documenten, zoals reisdocumenten en diploma’s. Ten aanzien van de huwelijksakte is sprake van een leemte in de wet. Vermoedelijk is de wetgever ervan uitgegaan dat paren, waarvan één echtgenoot zijn geslacht laat wijzigen, uit elkaar zullen gaan. Het niet kunnen aanpassen van een belangrijk document als een huwelijksakte is niet in lijn met de nieuwe transgenderwetgeving, zeker niet nu de wet huwelijken tussen partijen van het gelijke geslacht mogelijk heeft gemaakt. Die leemte in de wet zal moeten worden opgevuld. In de Memorie van Toelichting bij de nieuwe transgenderwet is vermeld dat het de bedoeling is dat historische gegevens definitief worden overschreven. Zo worden gegevens in diploma’s gewijzigd met ingang van het moment van ontvangst van die diploma’s. Gelet op die bedoeling van de wetgever en gelet ook op de gedachte achter de transgenderwetgeving (het versterken van de emancipatie en de positie van de transgender), moet aanpassing van de huwelijksakte mogelijk zijn. Van strijd met de Nederlandse openbare orde kan geen sprake zijn. In de Memorie van Toelichting bij de nieuwe transgenderwet wordt duidelijk gemaakt dat er bij de betrokkenen vaak sprake is van groot leed. Het is dan ook van groot belang dat dat leed kan worden verzacht door een aanpassing van de huwelijksakte. Een correcte registratie heeft grote emotionele waarde voor [verzoeker] en geeft blijkt van erkenning voor het echtpaar. Subsidiair heeft [verzoeker] gesteld dat de weigering om de huwelijksakte aan te passen in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 14 EVRM. Er is nu sprake van een huwelijk tussen twee mannen en dat moet op grond van artikel 8 EVRM gerespecteerd worden. De huwelijksakte moet daarmee in overeenstemming zijn. Nu dat niet het geval is, is sprake van een inmenging in het privé- en gezinsleven. Omdat het onmogelijk is op een andere manier recht te doen aan de huidige feitelijke situatie, wordt het gezinsleven niet beschermd en is sprake van discriminatie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij met zijn verzoek niet de toevoeging aan de huwelijksakte van een latere vermelding betreffende de wijziging van zijn geslacht beoogt, maar dat hij in de huwelijksakte zelf zijn geslacht gewijzigd wil zien.

4 Het standpunt van [belanghebbende]

heeft verklaard in te stemmen met toewijzing van het verzoek.

5 Het standpunt van de ambtenaar

De ambtenaar heeft aangevoerd dat op grond van de wet alleen aan de geboorteakte een latere vermelding betreffende de wijziging van de vermelding van het geslacht kan worden toegevoegd.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek dient te worden vooropgesteld dat de Nederlandse wet een gesloten stelsel kent van akten van de burgerlijke stand en latere vermeldingen. Artikel 1:20 van het BW regelt welke akten, besluiten of rechterlijke uitspraken de ambtenaar van de burgerlijke stand als latere vermelding aan de onder hem berustende akten van de burgerlijke stand toevoegt terwijl artikel 1:20a van het BW vervolgens regelt aan welke akte hij de latere vermelding toevoegt. In de mogelijkheid een wijziging van het geslacht als latere vermelding aan de huwelijksakte toe te voegen, voorziet de wet niet. Verder bepaalt artikel 1:24 van het BW, voor zover hier van belang, dat door de rechtbank, op verzoek van een belanghebbende, verbetering van een in de registers van de burgerlijke stand voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, kan worden gelast. Van een misslag ten aanzien van de aanduiding van [verzoeker] in de huwelijksakte als ‘bruid’ en ‘dochter van’ kan evenwel geen sprake zijn, nu [verzoeker] ten tijde van de huwelijkssluiting, in ieder geval naar de uiterlijke geslachtskenmerken, van het vrouwelijk geslacht was. Uit het voorgaande volgt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een wettelijke grondslag voor de door [verzoeker] verzochte wijziging van zijn geslacht in de huwelijksakte, hetzij door verbetering van de huwelijksakte zelf, hetzij door de toevoeging aan de huwelijksakte van een latere vermelding betreffende de wijziging van zijn geslacht, ontbreekt.

6.2.

Ter beantwoording van de vervolgens aan de orde komende vraag of sprake is van een leemte in de wet zoals [verzoeker] stelt, heeft als uitgangspunt te gelden dat de wet in de artikelen 1:28 en volgende van het BW voor gevallen van transseksualiteit een bijzondere en uitputtende regeling kent die het, sinds 1 augustus 1985, mogelijk maakt voor personen die lichamelijk onmiskenbaar man dan wel vrouw zijn maar de vaste overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in zijn of haar akte van geboorte, onder bepaalde voorwaarden, de vermelding van het geslacht in de geboorteakte te wijzigen. In het kader van de op 1 juli 2014 in werking getreden wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte (Stb. 2014, 1) heeft de wetgever geen aanleiding gezien de wet in die zin te wijzigen dat wijziging van de huwelijksakte zoals [verzoeker] wenst tot de mogelijkheden behoort. Wel is bij de voorbereiding van deze wet uitdrukkelijk aandacht geschonken aan de doorwerking van de wijziging van het geslacht in andere documenten dan de akte van geboorte. In de memorie van toelichting behorende bij de wet (TK 2011-2012, 33 351, nr. 3, blz. 5) is daarover het volgende overwogen:

4.2. Doorwerking van de wijziging van het geslacht in andere documenten dan de akte van geboorte

Wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte werkt door in allerlei overheidsadministraties en heeft betekenis voor de vermelding van het geslacht in officiële documenten, zoals het paspoort en andere reisdocumenten. Ook de bij ambtenaren in gebruik zijnde rijkspas maakt melding van het geslacht van de houder. In lijn met de desbetreffende Aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa R(2010)5 is het ten onzent ook mogelijk dat de vermelding van het geslacht wordt gewijzigd in documenten die niet van de overheid of overheidsinstellingen afkomstig zijn, zoals school- en universiteitsdiploma’s. Desgevraagd, en overeenkomstig het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling, nr. 2010/175, van 30 november 2010, dient ook de desbetreffende niet-overheidsonderwijsinstantie het document aan te passen. De beperkende bijzin in artikel 28c lid 1 («De wijziging van de vermelding van het geslacht heeft haar gevolgen, die uit dit boek voortvloeien, vanaf ….») betekent dat alleen de gevolgen die voortvloeien uit het gedeelte van het Burgerlijk Wetboek dat over het personen- en familierecht gaat, aan het ex nunc regime van artikel 28c zijn onderworpen. Het is ook daarom zeer wel mogelijk en ligt wel zo voor de hand dat desgevraagd op onderwijsdiploma’s de desbetreffende persoon alsnog met het gewenste geslacht en een daarmee overeenkomende voornaam per de datum van uitreiking ervan wordt vermeld. Mede naar aanleiding van een opmerking van de Commissie Gelijke Behandeling is nagegaan of wijziging van wetgeving in formele zin hiervoor nodig is. Dat is niet het geval.’

Voorts heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2011-2012, nr. 6, blz. 10) bij de behandeling van de wet in de Tweede Kamer opgemerkt:

‘Met de benadering waarbij geen terugwerkende kracht wordt verleend aan de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht voor zover het zaken betreft waarop Boek 1 BW ziet, stemt overeen met de bepaling van het huidige artikel 28c lid 2, eerste volzin. Daarvoor is destijds gekozen om reden van rechtszekerheid en omdat de belangen van derden, waaronder de kinderen van transgenders, zouden kunnen worden aangetast (zie de toelichting op het toenmalige ontwerpartikel 29d lid 2, Kamerstukken II, 1981/82, 17 297, nr. 3, blz. 25). Ik heb geen reden om daarover nu anders te denken.’

Niet onvermeld mag verder blijven dat, in verband met de gevolgen van de wijziging van het geslacht buiten het personen- en familierecht, de Nederlandse regering op 31 maart 2010 de aanbeveling van het Comité van Europese ministers heeft aangenomen. Eén daarvan stelt dat het voor een volledige juridische erkenning van een geslachtsverandering nodig is dat officiële sleuteldocumenten, zoals school- en werkdiploma’s, op een snelle, transparante en toegankelijke manier kunnen worden bijgesteld. De aanbeveling heeft, in het bijzonder op het terrein van school- en universiteitsdiploma’s, ertoe geleid dat de wetgever de totstandkoming van het Besluit van 18 januari 2013 tot wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO in verband met het verstrekken van een vervangend opleidingsdocument bij naams- en geslachtsverandering, heeft bewerkstelligd. Dit besluit regelt door middel van een wijziging van het Eindexamenbesluit VO en het Staatsexamenbesluit VO dat personen, zoals transgenders, die hun voornaam of achternaam (hun geslachtsnaam) hebben gewijzigd, een vervangend opleidingsdocument, zoals een diploma, certificaat of cijferlijst, kunnen aanvragen. Hiermee wordt het zowel voor transgenders van wie de voornamen op grond van artikel 1:28b, tweede lid, van het BW zijn gewijzigd, als voor personen die om andere redenen hun voornamen of geslachtsnaam hebben laten wijzigen, mogelijk om een vervangend opleidingsdocument te verkrijgen.

6.3.

In het licht van de hiervoor aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis moet worden vastgesteld dat de wetgever bij de totstandkoming van de wet uitdrukkelijk heeft stilgestaan bij de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte zowel op het terrein van het personen- en familierecht als daarbuiten. Daarbuiten, mede om tegemoet te komen aan internationale verplichtingen, heeft de wetgever een aantal wettelijke voorzieningen getroffen die het mogelijk maken ‘andere documenten’ in overeenstemming te brengen met de wijziging van het geslacht die heeft plaatsgevonden. Op het terrein van het personen- en familierecht heeft de onwenselijkheid van de gevolgen voor derden, de wetgever ertoe gebracht in artikel 1:28c, eerste lid, van het BW vast te leggen dat de gevolgen die voortvloeien uit het gedeelte van het Burgerlijk Wetboek dat over het personen- en familierecht gaat, geen terugwerkende kracht hebben. Dat betekent dat de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte in zoverre steeds haar gevolgen heeft vanaf de dag waarop de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van geboorte een latere vermelding van wijziging van het geslacht toevoegt. Weliswaar is in het hele wetgevingstraject niet uitdrukkelijk stilgestaan bij de wenselijkheid van een wettelijke voorziening voor die situaties waarin, na wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte, de huwelijkse band tussen de echtgenoten intact blijft maar in het licht van de doelbewuste en met argumenten omklede keuze van de wetgever aan de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte op het terrein van het personen- en familierecht terugwerkende kracht te onthouden, is die vaststelling onvoldoende voor de conclusie van [verzoeker] dat sprake is van een leemte in de wet.

6.4.

Daarmee ontbreekt voor [verzoeker], die in goed overleg met [belanghebbende] ervoor heeft gekozen na zijn transitie van vrouw naar man de huwelijkse band in stand te laten, de mogelijkheid (ook) de huwelijksakte in overeenstemming te brengen met de door hem actueel beleefde genderidentiteit. Aanwijzingen dat de wetgever binnen afzienbare tijd verruiming van de mogelijkheden overweegt, zijn er niet.

6.5.

[verzoeker] heeft nog een beroep gedaan op de bescherming van de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De onmogelijkheid de huwelijksakte te wijzigen, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [verzoeker], levert een ongeoorloofde inmenging op in zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven en daardoor is tevens sprake van een door artikel 14 verboden discriminatie van transgenders waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Een verdere uitwerking van zijn stellingen heeft [verzoeker] achterwege gelaten.

6.6.

De genderidentiteit en het vastleggen van gegevens over die identiteit dienen zonder twijfel te worden geschaard tot het privéleven en het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM. Daarmee vallen zij onder de bescherming van artikel 8, eerste lid, EVRM. In het midden kan evenwel blijven of het beroep van [verzoeker] op artikel 8 al dan niet in verbinding met artikel 14 van het EVRM slaagt. Ook namelijk indien zou moeten worden aangenomen dat de wens van [verzoeker] de huwelijksakte aan te passen aan en in overeenstemming te brengen met de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte, een verdergaande erkenning behoeft, met name ook in juridische zin, dan op grond van de huidige stand van de Nederlandse wetgeving mogelijk is, geldt dat de wijze waarop daarin moet worden voorzien in de allereerste plaats rechtspolitieke keuzes vergt.

Zo zal de principiële vraag moeten worden beantwoord of de mogelijkheid tot wijziging van de huwelijksakte — al dan niet met doorbreking van het gesloten stelsel van akten van de burgerlijke stand — wenselijk is, in het licht van het doel van de registers van de burgerlijke stand, de belangen en rechten van derden én het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen de aan een akte van geboorte en aan andere akten van de burgerlijke stand toekomende bewijskracht. De wetgever zal in dat kader onder ogen moeten zien dat de huwelijksakte overeenkomstig het bepaalde in artikel 157, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering dwingend bewijs oplevert van hetgeen de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard en dat een wijziging van de huwelijksakte zoals [verzoeker] dat verlangt afbreuk doet aan die bewijskracht. Bovendien brengt de mogelijkheid tot wijziging van de huwelijksakte mee dat de wetgever zal moeten afstappen van de door hem gemaakte keuze dat de gevolgen van de wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte op het terrein van het personen- en familierecht terugwerkende kracht dient te worden onthouden. Bezien tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot het oordeel dat het haar rechtsvormende taak als rechter in eerste aanleg ver te buiten zou gaan indien de rechtbank [verzoeker] zou toestaan, zonder enige wettelijke grondslag, en zonder enig aanknopingspunt te hebben voor een op handen zijnde wetswijziging, de huwelijksakte te wijzigen in de door hem verlangde zin.

6.7.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [verzoeker] zijn geslacht in de huwelijksakte te (doen) wijzigen, zal worden afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek van [verzoeker] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2015 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. J.A.J. Rings-Martens.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.