Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:2795

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-04-2015
Datum publicatie
07-04-2015
Zaaknummer
3897844 CV EXPL 15-1909
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding: Voorlopig oordeel kantonrechter ontslag op staande voet wegens -kort gezegd- disfunctioneren houdt niet stand/niet onverwijld medegedeeld.

Vordering doorbetaling van loon toegewezen evenals wettelijke verhoging en wettelijke rente alsook verstrekken van loonspecificaties.

Doorbetaling tot einde dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/597
AR-Updates.nl 2015-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3897844 CV EXPL 15-1909

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 3 april 2015

in de zaak van:

1 [eiser sub 1],

wonend te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2]

wonend te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. Y.L.S. Schipper,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GRANDCAFÉ IN DE MORIAAN B.V.,

(statutair) gevestigd te Maastricht, Stokstraat 12,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M. Super.

Partijen zullen hierna [eisers], respectievelijk [eiser sub 1] of [eiseres sub 2] en In de Moriaan genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een exploot van dagvaarding met producties 1 t/m 11;

- het schrijven van mr. Schipper met daarbij gevoegd de producties 11a t/m 13;

- het schrijven van mr. Super met daarbij gevoegd de producties 1a t/m 10;

- het schrijven van mr. Schipper met daarbij gevoegd de producties 14-16;

- de pleitnota van mr. Schipper;

- de pleitnota van mr. Super;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 19 maart 2015.

Aanvankelijk zou ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 19 maart 2015 tevens worden behandeld het door In de Moriaan ingediende voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser sub 1] wegens gewichtige redenen ex art. 7:685 BW. Vanwege het gegeven dat de arbeidsovereenkomst van [eiser sub 1] eindigt met ingang van 1 april 2015, is dit verzoek is echter ingetrokken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast.

2.2.

[eiser sub 1] is met ingang van 1 april 2014 op basis van een nulurencontract voor bepaalde tijd in dienst getreden bij In de Moriaan in de functie van medewerker bediening. Zijn laatstelijk bruto loon bedroeg € 12,- per uur, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst is op 1 april 2015 van rechtswege geëindigd.

[eiser sub 1] werkte gemiddeld 35 uren per week.

2.3.

[eiseres sub 2] is met ingang van 27 januari 2014 op basis van een nulurencontract voor bepaalde tijd in dienst getreden bij In de Moriaan in de functie van medewerker bediening. Haar laatstelijk bruto loon bedroeg € 12,- per uur, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst is op 22 februari 2015 van rechtswege geëindigd.

[eiseres sub 2] werkte gemiddeld 30 uren per week.

2.4.

Per brief van 20 januari 2015 is zowel [eiser sub 1] als [eiseres sub 2] namens In de Moriaan meegedeeld dat zij op staande voet werden ontslagen. Bij brief van 21 januari 2015 heeft de gemachtigde van [eisers] namens deze de nietigheid ingeroepen van de gegeven ontslagen en gemeld dat zowel [eiser sub 1] als [eiseres sub 2] bereid en beschikbaar zijn om gedurende 40 uren per week hun werkzaamheden te verrichten. Ook is bij niet tijdige betaling van het loon aanspraak gemaakt op de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.

2.5.

[eiseres sub 2] heeft na het ontslag op staande voet elders gewerkt en daaruit inkomsten gegenereerd.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om In de Moriaan – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen:

1. om binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 1] te voldoen, het hem toekomende loon vanaf 20 januari 2015 ten bedrage van € 2.080,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente tot op het moment dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zal zijn gekomen;

2. om binnen twee dagen na het in deze te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 2] te voldoen, het haar toekomende loon vanaf 20 januari 2015 ten bedrage van € 2.080,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente tot op het moment dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zal zijn gekomen;

3. om [eiser sub 1] toe te laten tot zijn werk en hem in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden te verrichten binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat In de Moriaan nalatig zal zijn om aan deze veroordeling te voldoen;

4. om [eiseres sub 2] toe te laten tot haar werk en hem in de gelegenheid te stellen de werkzaamheden te verrichten binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat In de Moriaan nalatig zal zijn om aan deze veroordeling te voldoen;

5. om ten aanzien van de onder 1 en 2 genoemde bedragen uit hoofde van achterstallig loon binnen twee dagen na heden (de kantonrechter leest na het in deze te wijzen vonnis) een deugdelijke bruto-netto specificatie over te leggen op verbeurte van een dwangsom van

€ 500,- per dag voor elke dag In de Moriaan nalatig zal zijn om aan deze veroordeling te voldoen;

4. in de kosten van dit geding.

3.2.

De grondslagen van de vorderingen van [eisers] vloeien voort uit de hiervoor onder 2.2. en 2.3. vermelden feiten en de onder 3.1. weergegeven vorderingen.

3.3.

Voor zover In de Moriaan verweer heeft gevoerd zal daarop hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eisers] tot betaling van het achterstallige loon (inclusief de daarmee samenhangende nevenvorderingen) zijn naar hun aard spoedeisend.

4.2.

Ter zitting heeft In de Moriaan de stellingen van [eisers], zoals verwoord in het exploot van dagvaarding, weersproken. Het loon van [eisers] is vanaf 20 januari 2015 niet betaald als gevolg van het aan beide gegeven ontslag op staande voet, aldus .

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, moet van tevoren worden vastgesteld of er een reële kans bestaat dat [eisers] het gelijk aan hun zijde zullen krijgen als één van de partijen een bodemprocedure begint. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in deze procedure in beginsel niet plaatsvindt.

4.3.1.

Dat [eisers] ten aanzien van het voortgezet zijn van hun beider arbeidsovereenkomst met na 20 januari 2015 in een bodemprocedure het gelijk aan hun zijde zullen krijgen, moet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter worden aangenomen.

Voorop wordt gesteld dat het ontslag op staande voet - nog afgezien van de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven - slechts stand kan houden indien alle daaraan blijkens de brief van 20 januari 2015 ten grondslag gelegde feitelijke stellingen komen vast te staan. Ter zitting heeft expliciet gesteld dat al die stellingen in samenhang beschouwd zouden moeten leiden tot de conclusie dat er sprake was van een dringende reden, hetgeen bevestigt dat de beperkte uitzondering op de regel, dat het als reden voor ontslag medegedeelde feitencomplex moet komen vast te staan, in deze zaak niet aan de orde is.

De in de brief van 20 januari 2015 vermelde redenen zijn, kort gezegd:

a. a) het diverse malen in het kassasysteem te zijn ingelogd terwijl zij

niet aanwezig waren,

b) het feit dat zij, in samenspanning met collega’s, het plan hebben opgevat het cafébedrijf over te nemen door de huidige directie ‘eruit te werken, in welk kader [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] bijzonderheden met betrekking tot het café bekend hebben gemaakt aan derden.

Deze punten zijn door [eisers] ook in de inleidende dagvaarding besproken, waarbij de stellingen van gemotiveerd zijn weersproken en is gewezen op het ontbreken van een verdere onderbouwing zijdens . Tijdens de mondelinge behandeling zijn de standpunten van herhaald, maar een nadere onderbouwing is niet verstrekt. Expliciet daarnaar door de kantonrechter gevraagd, hebben [eisers] nader toegelicht dat de enige personen die kassahandelingen verrichten [naam] en [eiseres sub 2] waren en dat men om kassahandelingen te kunnen doen, ingelogd dient te zijn. Vaak gebeurde het inklokken (lees: inloggen), zeker als het druk was, te laat. Dat het druk was, is te zien aan de gemaakte omzet. De uren werden telkens in het voordeel van In de Moriaan afgerond. [eiser sub 1] werkte in het restaurantgedeelte. Bij betalingen verwees hij de klanten naar [naam] en [eiseres sub 2].

Geconcludeerd moet worden dat haar stellingen in het licht van de gemotiveerde stellingname van [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd, in die zin dat de aan hen gemaakte verwijten blijven steken in blote stellingen. Dit alleen betekent al dat ervan moet worden uitgegaan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, waarbij nog niet is toegekomen aan de beoordeling en weging van de aangevoerde verwijten. Daarbij komt nog dat van een aantal verwijten vast staat dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten al geruime tijd voorafgaand aan 20 januari 2015 bekend waren en van de andere verwijten niet is gesteld wanneer met de onderliggende feiten bekend is geworden. Dat betekent dat er tevens vanuit moet worden gegaan dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is medegedeeld, hetgeen een afzonderlijke reden is om aan te nemen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.

4.3.2.

Uit het vorenstaande volgt dat het er voorshands voor wordt gehouden dat de arbeidsovereenkomst op 20 januari 2015 nog niet rechtsgeldig was geëindigd. [eisers] hebben immers bij brief van 21 januari 2015 de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Omdat zij zich tevens beschikbaar hebben gesteld om hun werkzaamheden te verrichten, leidt dit tot de conclusie dat de loonvordering van zowel [eiser sub 1] als van [eiseres sub 2] dient te worden toegewezen en wel vanaf 20 januari 2015, vermeerderd met de wettelijke rente, tot einde dienstverband. In het geval van [eiser sub 1] is dit tot 1 april 2015 en in het geval van [eiseres sub 2] tot 22 februari 2015. Bij de berekening van het loon wordt ten aanzien van [eiser sub 1] uitgegaan van een 35-urige werkweek en ten aanzien van [eiseres sub 2] van een 30-urige werkweek.

4.3.3.

Ten aanzien van de vordering van [eiser sub 1] tot toewijzing van de wettelijke verhoging zal afwijzend worden beslist voor wat betreft de maand maart 2015, aangezien de vordering op het moment van dagvaarden nog niet opeisbaar was.

4.3.4.

Ten aanzien van de vordering van [eiseres sub 2] tot toewijzing van de wettelijke verhoging zal eveneens afwijzend worden beslist. De wettelijke verhoging is bedoeld als een prikkel voor de werkgever om het loon tijdig uit te betalen. Als het loon niet uiterlijk op de derde werkdag nadat betaald had moeten worden is voldaan, ontstaat dit recht. Dit mede ter voorkoming dat de werknemer niet in financiële problemen raakt.

[eiseres sub 2] heeft echter in de periode na het aan haar gegeven ontslag op staande voet inkomen gegenereerd.

4.3.5.

Een werkgever dient deugdelijke loonspecificaties aan zijn werknemers te verstrekken. De vordering dienaangaande, die overigens ook niet door In de Mondriaan is weersproken, ligt voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de kantonrechter de medegevorderde dwangsom zal matigen tot een bedrag van € 25,-- per dag met een maximum van € 500,-.

4.3.6.

Rest de beoordeling van de vordering tot wedertewerkstelling. Nu beide arbeidsovereenkomsten inmiddels van rechtswege zijn geëindigd, kan een verdere beoordeling van de vorderingen tot wedertewerkstelling achterwege blijven, althans zullen deze vorderingen worden afgewezen.

4.3.7.

In de Moriaan zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze worden aan de zijde van [eisers] begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht € 78,-

- salaris gemachtigde € 400,--

Totaal € 572,19

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt In de Moriaan

5.1.1.

om aan [eiser sub 1] tegen bewijs van kwijting te betalen:

a. het loon ten bedrage van € 1.820,- bruto per maand, vanaf 20 januari 2015 tot 1 april 2015,

b. de wettelijke verhoging van maximaal 50 % ex artikel 7:625 BW over het toegewezen loon over de periode 20 januari 2015 tot en met 31 maart 2015,

c. de wettelijke rente over voornoemde bedragen, voor wat betreft de bedragen waarvan het verzuim al is ingetreden met ingang van het tijdstip van dagvaarden, en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zullen worden vanaf het tijdstip waarop het verzuim is ingetreden, tot de dag der voldoening,

om aan [eiser sub 1] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te verstrekken

d. een deugdelijke bruto-netto specificatie van het achterstallig loon, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 25,- per dag dat In de Moriaan hierin nalatig is met een maximum van € 500,--.

5.1.2.

om aan [eiseres sub 2] tegen bewijs van kwijting te betalen:

a. het loon ten bedrage van € 1.560,- bruto per maand, vanaf 20 januari 2015 tot 22 februari 2015,

b. de wettelijke rente over voornoemde bedragen, voor wat betreft de bedragen waarvan het verzuim al is ingetreden met ingang van het tijdstip van dagvaarden tot de dag der voldoening,

om aan [eiseres sub 2] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te verstrekken

c. een deugdelijke bruto-netto specificatie van het achterstallig loon, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 25,- per dag dat In de Moriaan hierin nalatig is met een maximum van € 500,--.

5.2.

veroordeelt In de Moriaan in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] begroot op

€ 725,45, te voldoen binnen veertien dagen na dit vonnis,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en is in het openbaar uitgesproken.

Type: JS