Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:2447

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
3838856 AZ VERZ 15-22
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege verstoorde arbeidsverhoudingen met toekenning van vergoeding aan werknemer op basis van de kantonrechtersformule. Bij de vaststelling van de vergoeding is v.w.b. de a-factor uitgegaan van het wettelijk vermoeden van art. 7:610b BW, hetgeen in dezen leidt tot een loon behorende bij een arbeidsomvang van 30 uren per week in plaats van de door de werkgever gestelde 20 uren per week. Bovendien is rekening gehouden met de periode waarin werkneemster na ziekmelding thuis is gebleven, terwijl zij door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt was verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/540
AR-Updates.nl 2015-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3838856 AZ VERZ 15 - 22

Beschikking van de kantonrechter van 25 maart 2015

in de zaak

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MONDZORG TANDHEELKUNDE B.V.,

gevestigd te Beek,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. E. van Houweninge Graftdijk,

tegen

[verweerster] ,

wonend [adres],

[woonplaats],

verwerende partij,

gemachtigde mr. V. Nowak.

Partijen zullen hierna Mondzorg en [verweerster] worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de aantekeningen van de griffier van de op 17 maart 2015 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[verweerster] is - krachtens arbeidsovereenkomst d.d. 29 maart 2007 - op 1 april 2007 bij (de rechtsvoorganger van) Mondzorg in dienst getreden in de functie van baliemedewerkster / administratief medewerker. De overeengekomen arbeidsduur bedroeg 20 uur per week.

2.2.

Op 27 januari 2014 zijn partijen een wijziging van de arbeidsovereenkomst overeengekomen. [verweerster] heeft toen de functienaam back office medewerkster / baliemedewerkster / administratief medewerkster gekregen. De overeengekomen arbeidsduur bleef 20 uur per week.

3 Het geschil

3.1.

Mondzorg verzoekt de arbeidsovereenkomst van partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden zonder dat daarbij aan [verweerster] een vergoeding wordt toegekend.

3.2.

Mondzorg legt aan haar verzoek - kort en voor zover van belang - het volgende ten grondslag.

[verweerster] heeft in de loop der jaren steeds meer werkzaamheden naar zich toe getrokken - zij werd een soort ‘manusje van alles’ - en zij werkte naar eigen inzicht meer dan de overeengekomen 20 uur per week. Op een gegeven moment werkte [verweerster] zelfs 30 uur per week. Mondzorg heeft dat weliswaar toegestaan, maar ook steeds aangegeven dat het om een tijdelijke situatie ging en dat Mondzorg geen overeenkomst voor 30 uur aan [verweerster] zou aanbieden.

In 2013 heeft Mondzorg [verweerster] op de hoogte gesteld van haar voornemen haar organisatie te gaan herinrichten. Zij heeft toen ook aan [verweerster] medegedeeld dat de circa 10 extra uren van [verweerster] boven de contracturen dan niet meer nodig zijn.

Bij overeenkomst van 27 januari 2014 is de naam van de functie van [verweerster] gewijzigd. De werkzaamheden die [verweerster] inmiddels feitelijk verrichtte, zijn dezelfde gebleven. De overeengekomen arbeidsduur is gehandhaafd op 20 uur per week en niet bijgesteld naar de 30 uur per week die [verweerster] op dat moment feitelijk werkte.

Vervolgens heeft Mondzorg [verweerster] in augustus 2014 wederom een contract aangeboden met een bijna ongewijzigde functie, nu voor 22 uur per week. [verweerster] heeft dit niet geaccepteerd, hetgeen Mondzorg onterecht en onredelijk voorkomt. Op 2 september 2014 heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Zij heeft tot op heden niet hervat, hoewel [verweerster] volgens de bedrijfsarts wel arbeidsgeschikt is. Mondzorg heeft [verweerster] in de tussenliggende periode een vaststellingsovereenkomst aangeboden en er is twee keer een mediationtraject gestart, maar dat alles zonder succes.

Mondzorg stelt dat de arbeidsrelatie tussen partijen inmiddels ernstig en onherstelbaar verstoord is geraakt en dat zij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking met [verweerster] verloren is. In de optiek van Mondzorg is bedoelde verstoring voornamelijk ontstaan door de starre houding van [verweerster] en haar gedrag in reactie op een functiewijziging.

3.3.

[verweerster] heeft als verweer het volgende aangevoerd.

[verweerster] verrichtte al snel na haar indiensttreding de meest uiteenlopende werkzaamheden binnen de organisatie en zij ondersteunde daarnaast het management. [verweerster] heeft dit expliciet afgestemd met de heer [naam eigenaar], oprichter en eigenaar van Mondzorg. Vanaf 2011 werkte [verweerster] structureel 30 uren per week. Dat werd niet anders nadat [naam eigenaar] in 2013 - vanwege de gestage groei van de organisatie - een manager aanstelde. [verweerster] heeft sedert 2011 ook steeds salaris voor 30 uur per week ontvangen.

Partijen zijn inderdaad op 27 januari 2014 een wijziging van de arbeidsovereenkomst overeengekomen. De feitelijke situatie voor wat betreft het aantal arbeidsuren per week werd daarbij echter niet geformaliseerd, hoewel [verweerster] daar wel om had verzocht. Er is toen - en evenmin op enig ander moment - niet uitdrukkelijk gezegd dat de 10 bovencontractuele uren niet meer nodig zouden zijn. [verweerster] heeft in elk geval tot 18 juli 2014, zijnde de dag voor het begin van haar zomervakantie, ook steeds 30 uur per week gewerkt. Die dag kwam - als een donderslag bij heldere hemel - de mededeling dat zij na de vakantie nog maar voor 20 uur terug hoefde te komen. Na de vakantie bemerkte [verweerster] bovendien dat haar functie behoorlijk was uitgehold. Haar vaste werkzaamheden waren grotendeels overgedragen aan andere/nieuwe medewerkers. Over al deze wijzigingen heeft geen overleg met [verweerster] plaatsgevonden. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst die haar in augustus 2014 werd aangeboden, niet ondertekend omdat Mondzorg daarin eenzijdig de arbeidsduur van [verweerster] terugbracht van 30 naar 22 uur per week door taken bij haar weg te halen en toe te bedelen aan nieuwe medewerkers en de salariëring van [verweerster] daarop aan te passen. [verweerster] heeft dit ook met zoveel woorden gezegd, maar Mondzorg was niet bereid om daarover met haar van gedachten te wisselen.

[verweerster] stelt dat zij jarenlang met veel plezier bij Mondzorg heeft gewerkt en steeds een goede verhouding heeft gehad met haar collega’s en het management. Zij is van mening dat de onderlinge verhoudingen niet zodanig verstoord zijn dat die niet - middels een inhoudelijke mediation die nu niet heeft plaatsgevonden - zouden kunnen worden hersteld. Er is binnen Mondzorg ook nog meer dan voldoende werk voor haar voorhanden. [verweerster] concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de kantonrechter het verzoek wel honoreert, maakt [verweerster] aanspraak op een vergoeding van € 57.610,12 bruto, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 2.560,45 en een c-factor van 1,5 gelet op de verwijtbaarheid aan de zijde van Mondzorg.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met een bijzonder opzegverbod.

4.2.

De ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW is erop gericht dat de kantonrechter betrekkelijk snel en aan de hand van de beschikbare feiten dient te beoordelen of er gewichtige redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer op korte termijn te ontbinden.

Het is daarbij niet gebruikelijk dat getuigen worden gehoord of dat anderszins nader feitenonderzoek plaatsvindt, buiten hetgeen partijen voorafgaand aan en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ter zitting hebben aangevoerd.

4.3.

In de optiek van Mondzorg is de verhouding tussen partijen dusdanig verstoord geraakt, dat een ontbinding van de onderhavige arbeidsovereenkomst in de rede ligt. [verweerster] erkent de verstoring wel, maar zij is van mening dat partijen daar met een beetje goede wil met hulp van een mediator wel uit kunnen komen.

Gebleken is dat twee eerdere mediationpogingen op niets zijn uitgelopen. Volgens [verweerster] heeft daarbij echter geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. Mondzorg betwist dit weliswaar niet, maar zij stelt dat zij door die mislukkingen thans helemaal geen vertrouwen meer heeft in het herstel van de arbeidsrelatie en een vruchtbare samenwerking tussen partijen.

De kantonrechter overweegt dat uit hetgeen partijen in de stukken en ter zitting naar voren hebben gebracht, genoegzaam is gebleken dat de arbeidsverhouding inmiddels dusdanig verstoord is geraakt, dat een zinvolle samenwerking niet langer mogelijk is. Daarbij speelt ook een rol dat [verweerster] al vanaf begin september 2014 thuis is terwijl zij volgens de bedrijfsarts per 12 november 2014 en na een nieuwe ziekmelding op 9 januari 2015 per 27 januari 2015 arbeidsgeschikt is.

Geoordeeld wordt daarom, dat er sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden, dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De kantonrechter is dan ook voornemens de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2015 te ontbinden.

4.4.

Met het oog op de omstandigheden van het geval komt het de kantonrechter geraden voor om aan die voorgenomen ontbinding een vergoeding voor [verweerster] ten laste van Mondzorg te koppelen waarbij de kantonrechtersformule als uitgangspunt heeft te gelden. Bij de bepaling van de hoogte van die vergoeding zijn een aantal factoren van belang.

4.4.1.

Allereerst het loon van [verweerster] (a-factor).

Volgens Mondzorg is dat € 1.543,15 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag. Dit is gebaseerd op 20 uur per week. Volgens [verweerster] moet echter worden uitgegaan van 30 uur per week en een maandsalaris van € 2.370,79 bruto te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

Tussen partijen staat vast dat [verweerster] al vanaf 2011 structureel 30 uur per week werkt, hoewel partijen 20 uur per week zijn overeengekomen. In januari 2014 is de arbeidsovereenkomst gewijzigd. Beide partijen hebben deze gewijzigde overeenkomst ondertekend. Het urenaantal is daarbij wederom vastgesteld op 20 uur per week, maar ook daarna heeft [verweerster] nog geruime tijd - in elk geval meer dan drie maanden - structureel 30 uur per week gewerkt. Tussen partijen is daarna geen nieuwe arbeidsovereenkomst meer tot stand gekomen. [verweerster] heeft de haar in augustus 2014 aangeboden overeenkomst immers niet ondertekend. Dit betekent dat op grond van artikel 7:610b BW - welk artikel van dwingend recht is - het vermoeden is gerechtvaardigd dat de omvang van de arbeidsovereenkomst 30 uur per week bedraagt. De kantonrechter zal dit als uitgangspunt voor zijn berekening nemen. [verweerster] zal echter niet worden gevolgd voor wat betreft het door haar gestelde loonbedrag. Uit de door haar overgelegde salarisspecificaties blijkt namelijk dat het loon inclusief “sal. meeruren” vanaf februari 2014 tot en met september 2014 maandelijks € 2.112,94 bruto heeft bedragen. [verweerster] heeft zelf gesteld dat Mondzorg haar daadwerkelijk betaalde voor 30 uren per week, zodat laatstgenoemd bedrag als uitgangspunt zal worden genomen, te vermeerderen met vakantiebijslag.

4.4.2.

Vervolgens de mate van verwijtbaarheid (c-factor).

Uit hetgeen partijen hebben gesteld, leidt de kantonrechter af dat het breekpunt in de verhoudingen ligt op 18 juli 2014 toen aan [verweerster] werd medegedeeld dat zij na haar vakantie nog maar 20 uren werkzaam mocht zijn en de gebeurtenissen meteen na haar vakantie. Gesteld noch gebleken is dat reeds vóór die momenten sprake was een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerster] stelt dat de mededeling die op 18 juli 2014 werd gedaan voor haar kwam “als een donderslag bij heldere hemel”. Uit hetgeen zij zelf ter zitting heeft verklaard is echter gebleken, dat zij sinds eind 2013 / begin 2014 op de hoogte was van de ‘ins and out’ van de reorganisatie en dat zij daarbij ook werd betrokken. Het is daarom niet geloofwaardig dat dit voor haar als een volkomen verrassing kwam, mede gelet op het feit dat Mondzorg ook in januari 2014 blijkbaar niet genegen was haar meer uren te geven, hoewel [verweerster] feitelijk al geruime tijd meer uren dan de contractuele 20 uur werkte. Zij kon - uit hetgeen zij wist - begrijpen dat dit “aanbod” paste in de reorganisatie die gaande was. Op 2 september 2014 heeft [verweerster] zich ziek gemeld en is zij thuis gebleven, terwijl zij door de bedrijfsarts per 12 november 2014 en na een nieuwe ziekmelding op 9 januari 2015 per 27 januari 2015 arbeidsgeschikt is verklaard. Begrijpelijk is dat deze factoren bij Mondzorg niet goed zijn gevallen.

Van de andere kant zijn er echter ook factoren die Mondzorg aan te rekenen zijn. Zo heeft zij niet betwist dat een aantal functies die behoorden tot het takenpakket van [verweerster] aan anderen zijn overgedragen zonder dat tijdig met [verweerster] te overleggen, dat de wijziging van het urenaantal zonder nader overleg met [verweerster] is doorgevoerd en dat tijdens de vakantie van [verweerster] - zonder overleg met [verweerster] - een wijziging in het e-mailverkeer heeft plaatsgevonden dat normaliter via [verweerster] verliep.

Geoordeeld wordt daarom, dat niet is komen vast te staan dat de verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate aan één der partijen te verwijten valt, hetgeen tot de neutrale correctiefactor c=1 dient te leiden.

4.4.3.

Tot slot staat tussen partijen vast dat [verweerster] zich op 2 september 2014 ziek heeft gemeld en dat zij sindsdien met behoud van loon thuis zit, terwijl de bedrijfsarts haar wel per 12 november 2014 en, na een nieuwe ziekmelding, per 27 januari 2015 arbeidsgeschikt acht.

4.5.

Alle omstandigheden meewegend acht de kantonrechter daarom in dezen een vergoeding van € 22.000,00 bruto billijk.

4.6.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.7.

Mondzorg wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vrijdag 24 april 2015 te

17:00 uur haar verzoek in te trekken door schriftelijke mededeling hiervan aan de griffier. In dat geval acht de kantonrechter termen aanwezig Mondzorg tot betaling van de kosten van deze procedure te veroordelen.

5 Beslissing

De kantonrechter:

voor het geval Mondzorg haar verzoek niet uiterlijk 24 april 2015 te 17:00 uur heeft ingetrokken:

5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van

1 mei 2015;

5.2.

kent daarbij aan [verweerster] ten laste van Mondzorg een vergoeding toe van € 22.000,00 bruto;

5.3.

veroordeelt Mondzorg om dit bedrag tegen bewijs van kwijting aan [verweerster] of een door haar aan te wijzen derde te voldoen;

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af;

voor het geval Mondzorg haar verzoek uiterlijk 24 april 2015 te 17:00 uur heeft ingetrokken:

5.6.

veroordeelt Mondzorg tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] bepaald op een bedrag van € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.W. Huinen en is in het openbaar uitgesproken.

typ: AodK