Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:2

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-01-2015
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
3550367 CV EXPL 14-11593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektekostenverzekeraar CZ gaat te laconiek om met een premievordering op een particulier (consument) die zowel privé als zakelijk in problemen geraakt was.

Geen kenbare, laat staan redelijke reactie op noodsignaal van einde juni 2014 en zelfs geen (uit processtukken kenbare) mededeling vooraf dat tot dagvaarding overgegaan zou worden.

Sterker nog: het exploot zwijgt geheel over dit intermezzo inclusief de opvatting van CZ daarover.

Op basis van op diverse punten tekortschietend exploot en het summiere verweer doet kantonrechter terstond einduitspraak om verder oplopende kosten te voorkomen.

Geen gericht bewijsaanbod. Klaarblijkelijk (uit beschikbare stukken af te leiden) is er rauwelijks gedagvaard.

Hoofdvordering wel toewijsbaar, maar nevenvorderingen afgewezen; proceskosten geheel gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/58

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 3550367 CV EXPL 14-11593

Vonnis van de kantonrechter van 7 januari 2015

in de zaak

ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ

CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.

gevestigd en kantoorhoudend te Tilburg

eisende partij

gemachtigde: J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg (“GGN”)

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

gedaagde partij

in persoon procederend

Partijen zullen hierna aangeduid worden als “CZ” respectievelijk “[gedaagde]”.

De procedure

CZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 27 oktober 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee ten behoeve van [gedaagde] een niet gewaarmerkte of genummerde kopie van een onvolledige brief (in het exploot aangeduid als ‘productie 1’) en een eveneens aan het exploot gehechte schriftelijke toelichting van de gemachtigde van CZ op procedurele aspecten van de zaak betekend zijn.

[gedaagde] heeft ter eerst dienende datum, 19 november 2014, een niet ondertekend schriftelijk antwoord met drie producties ingediend dat later alsnog in ondertekende vorm en met een toegevoegde vierde productie (plus toelichting) ingebracht is.

In verband met aard en inhoud van eis en verweer en ter besparing van proceseconomisch niet verantwoord te achten verdere kosten heeft de kantonrechter aanstonds (eind)vonnis bepaald, zodat heden uitspraak gedaan kan worden.

De vordering (inclusief de wijze van presentatie) en het daartegen gerichte deelverweer

CZ vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 894,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 763,61 vanaf 27 oktober 2014 (de datum van dagvaarding) tot de datum van volledige voldoening, alsmede tot betaling van de aan haar zijde te liquideren proceskosten. CZ baseert haar hoofdvordering van € 763,61 op ‘één of meerdere’ overeenkomst(en) van verzekering tegen ziektekosten (‘zorgverzekering’), zonder duidelijk te maken of hier sprake is van zowel de verzekering van een basispakket conform de Zorgverzekeringswet als een aanvullende verzekering. Aan de opsomming van hetgeen uit die overeenkomst(en) onbetaald gebleven is (opgeteld € 763,61), valt echter te ontlenen dat beide typen verzekering bij CZ ondergebracht zijn en dat de door [gedaagde] niet voldane en thans van hem gevorderde bedragen zien op een combinatie van basispremie en aanvullende premie over het tijdvak 1 november 2013 tot 1 juni 2014 (november tot en met mei).

Er zijn geen afzonderlijke facturen ingebracht, doch daar staat tegenover dat [gedaagde] het verschuldigde bedrag van in totaal € 763,61 ook niet betwist heeft. Weliswaar stelt CZ verder in een algemeen geformuleerde passage van het exploot dat (in de regel) ‘direct’ verzuim intreedt omdat de premie voorafgaand aan een premieperiode ‘verschuldigd’ is, maar zij adstrueert noch concretiseert dit ten aanzien van [gedaagde]. Zelfs de datering van (eventueel) aan [gedaagde] gezonden (en al dan niet door hem ontvangen) facturen of nota’s is niet vermeld. De inhoudelijk zonder toelichting gebleven productie bij exploot, een kopie van een gehalveerde brief / een concept van 22 mei 2014 van ‘Debiteurenbeheer’ (zonder verdere naamsvermelding) te Tilburg aan ‘De heer/mevrouw [gedaagde]’, zou volgens CZ beantwoorden aan de eisen van een zogeheten ‘veertiendagenbrief’ (zie art. 6:96 lid 5/6 BW). Het exploot stelt echter niet de ontvangst van die van CZ - en dus niet van de incassogemachtigde - afkomstige ‘aanmaning’ door [gedaagde] voorop, doch volstaat ermee op te merken dat dit stuk (aan hem) ‘verstuurd’ of ‘gestuurd’ is, net als dit bij andere in deze zaak aan de orde zijnde wilsverklaringen van of namens CZ het geval is.

CZ stelt uit de overeenkomst of overeenkomsten met [gedaagde] een bedrag van € 763,61 ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen’ te hebben. Ondanks (herhaalde) aanmaning, zo poneert zij verder, heeft zij ‘geen betaling van voormeld verschuldigd (totaal)bedrag kunnen verkrijgen’. Op basis hiervan constateert CZ dat op een ongenoemd gebleven moment en op een niet geëxpliciteerde grond sprake was van ‘betalingsverzuim’, kennelijk ter zake van alle veertien (nagenoeg zeker niet op hetzelfde moment gedeclareerde) posten. Zij heeft zich ‘genoodzaakt gezien haar vordering op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’. Het moment van overdracht aan ‘GGN’ is vermeld noch van documentatie voorzien en voor concrete acties die de incassogemachtigde ondernomen heeft, geldt hetzelfde. ‘Door de wanbetaling van gedaagde (hier handelend als consument) en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering’, zo vervolgt het exploot, lijdt CZ vermogensschade. Die schade is samengesteld uit ‘de buitengerechtelijke incassokosten (berekend als overeengekomen dan wel conform gebruikelijk en billijk tarief)’ enerzijds en ‘de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum’ anderzijds.

Volgens CZ komt dit erop neer dat zij naast de hoofdsom recht kan doen gelden op bedragen van € 114,54 aan (vergoeding van) buitengerechtelijke incassokosten met inbegrip van omzetbelasting (btw) en op € 16,63 aan ‘rente tot vandaag’ (d.w.z. tot de datum van dagvaarding). Onder de tussenkop ‘Verweer’ is door CZ in het geheel geen melding gemaakt van e-mailcorrespondentie van en met [gedaagde] (en diens echtgenote) die blijkens de bij het antwoord gevoegde stukken in juni/juli/augustus 2014, dus voorafgaand aan dagvaarding, plaatsvond en waarin mededeling gedaan is van betalingsnood en schuldhulpverlening. Volstaan is met de mededeling van CZ dat buiten rechte geen betwisting van de vordering plaatsvond, naast de door / namens haar uitgesproken wens tot schriftelijke voortzetting van de procedure als [gedaagde] zich alsnog in rechte mocht verweren.

Het verweer van [gedaagde] is niet tegen de oorspronkelijke hoofdsom gericht, doch impliciet wel tegen het in rekening brengen van kosten en rente. [gedaagde] wijst immers op zijn persoonlijke situatie (ziekte en medische complicaties, met als gevolg dat hij in zwaar weer terechtkwam met zijn ‘eenmanszaak’, beslag van schuldeiser(s) op de eigen woning van het echtpaar en noodzakelijk beroep op schuldhulpverlening) en op contacten die hij daarover met CZ gehad heeft. De eenmanszaak is inmiddels uitgeschreven uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel, de schuldhulpverlening is op gang gekomen en de kantonrechter te Maastricht heeft bij beschikking d.d. 27 november 2014 beschermingsbewind ingesteld over alle goederen van [gedaagde] met ingang van 16 december 2014 en daartoe is tegelijkertijd een bewindvoerder benoemd. Impliciet vraagt [gedaagde] de kantonrechter derhalve in het licht van deze uitgangspositie de gegrondheid van de diverse onderdelen van de vordering van CZ te toetsen aan maatstaven van rechtmatigheid, redelijkheid en rechtvaardigheid.

De beoordeling

CZ heeft door de gekozen inrichting van het exploot van dagvaarding zowel wezenlijke informatie aan de kantonrechter onthouden als nagelaten onderdelen van haar vordering van een behoorlijke feitelijke grondslag te voorzien. Het mag dan zo zijn dat [gedaagde] buiten rechte de hoofdvordering niet betwist heeft, dat wil niet zeggen dat hetgeen zijnerzijds in die fase ter kennis van CZ gebracht is, irrelevant geacht mag worden voor de beoordeling van de rest van het thans gevorderde en zelfs voor het instellen van een vordering in rechte als zodanig. CZ had ondubbelzinnig vanaf eind juni 2014 weet van de problematische financiële situatie waarin [gedaagde], zijn echtgenote én hun gezamenlijke bedrijf verkeerden, doch heeft ervoor gekozen een en ander compleet te negeren. Daarvan getuigt immers enerzijds het e-mailbericht van 27 augustus 2014 waarin CZ aan [vrouw gedaagde] berichtte de informatie over een ‘afspraak voor WSNP’ in het dossier op te nemen ‘ter informatie’ en anderzijds het ontbreken van enig stuk als productie bij het exploot (of in het exploot geciteerd), waaruit af te leiden valt dat hier vervolgens serieus op ingegaan is. Van contact van CZ met de door [gedaagde] genoemde schuldhulpverlener blijkt in het geheel niet. Zelfs een mededeling over een intern bij CZ genomen beslissing om tot invordering in rechte over te gaan, ontbreekt. Ervan uitgaand, nu [gedaagde] formeel geen betalingsuitstel verleend was en dat dus het in hoofdsom gevorderde bedrag per datum dagvaarding wel opeisbaar was, leidt dit weliswaar niet tot niet-ontvankelijkheid van CZ in haar vordering, maar moet wel geconcludeerd worden dat [gedaagde] rauwelijks gedagvaard is met alle gevolgen van dien voor de toedeling van de met zulk procederen gemoeide kosten.

Waar het dus wel zo is dat CZ in haar vordering kan worden ontvangen en te gelden heeft dat [gedaagde] haar in ieder geval het bedrag van € 763,61 schuldig is, zal nader bepaald moeten worden of en - zo ja - in welke omvang een of meer nevenvorderingen van CZ zich eveneens voor toewijzing leent / lenen. Het antwoord op die vraag moet ontkennend luiden, althans voor zover die extra claims van CZ verder gaan dan de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van dagvaarding als onherroepelijk verzuimmoment (in verband met de daarin besloten liggende functie van ingebrekestelling). Dit wordt hierna uitgewerkt.

De wijze waarop [gedaagde] zich verweert, heeft immers tot gevolg dat de kantonrechter ambtshalve dient na te gaan of naast de onbetwist gelaten hoofdverplichting van [gedaagde] tot betaling van achterstallige premie ook bedragen aan incassokosten en vervallen rente voor toewijzing in aanmerking komen op basis van de voorliggende feitelijke stellingen van CZ.

Dat CZ in dit geval op basis van de bij exploot ontwikkelde stellingen geen recht kan doen gelden op vervallen rente en op vergoeding van incassokosten, is direct terug te voeren op haar bij herhaling door deze rechtbank gelaakte wijze van procederen. Ten aanzien van de inrichting van het exploot van dagvaarding en de wijze waarop CZ omspringt met de verplichting tot verbijzondering van algemene betogen en tot verklaring van de betekenis die zij aan niet voor zichzelf sprekende producties wenst toe te kennen, laat CZ in deze zaak wederom steken vallen. Inzichtelijkheid en volledigheid zijn ver te zoeken en dat is CZ als ‘repeatplayer’ zonder meer euvel te duiden. Inhoud en opbouw van het exploot doen (ook) in deze zaak onvoldoende recht aan de bedoelingen van de wetgever met de regels in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (artikelen 21, 111 lid 3 en 85 Rv). Door essentiële stellingen en informatie in haar toelichting en onderbouwing van de (neven)vorderingen achterwege te laten en de noodzaak van verbindende schakels te verwaarlozen, doet CZ afbreuk aan de plicht efficiënt en correct te procederen. Delen van de vordering die niet of onvoldoende van een feitelijke grondslag voorzien zijn, komen in beginsel niet voor toewijzing in aanmerking. Dit is zelfs het geval als de gedaagde partij zich te dien aanzien tot een referte beperkt of louter vragen opwerpt, althans zich - zoals hier - beperkt tot summier verweer (vooral door zich te beroepen op financieel onvermogen). Dit tekortschieten van CZ wordt verergerd door het kennelijk welbewust (althans laakbaar) verzwijgen van ontwikkelingen na het e-mailbericht van 30 juni 2014 van de echtelieden [gedaagde] aan haar.

Voor zover de voorgeschiedenis van de vordering in het exploot al aangestipt is, gebeurde dit in algemene termen of bij genoemde bedragen en vermelde data zonder de bijbehorende stukken en zelfs zonder inhoudelijke beschrijving van de informatie die zulke stukken zouden (kunnen) bevatten. Hier en daar rept CZ van (verzending van) aanschrijvingen, herinneringen of aanmaningen, maar zij laat na die van een passende toelichting te voorzien en met zoveel woorden te stellen dat stukken die eventueel ‘verzonden’ of ‘gezonden’ zijn, ook (alle) door [gedaagde] ontvangen werden. Toch is de ontvangst en niet de verzending van kennelijk beoogde wilsverklaringen bepalend voor het rechtseffect (art. 3:37 lid 3 BW).

Nu de argumentatie van [gedaagde] ruimte laat voor de mogelijkheid dat hij zich niet (of onvoldoende) realiseerde dat het dringend noodzakelijk was een concrete achterstand aan te zuiveren, dan wel er van meende te mogen uitgaan dat CZ (verder) betalingsuitstel gaf (zodat er een recht op - verdere - opschorting gold, althans in afwachting van een Wsnp-procedure niet gedagvaard zou worden), ware het aan CZ geweest om in rechte te expliciteren waarom en sinds wanneer zij [gedaagde] desondanks in verzuim acht. Pas dan had kunnen blijken of / in welke mate incassohandelingen en zelfs procederen in rechte redelijkerwijs noodzakelijk waren. CZ laat na daartoe het minimaal noodzakelijke te stellen ,Zij vond het zelfs niet nodig melding te maken van het alleszins relevante beroep op betalingsnood en een daarin vervat te achten verzoek om uitstel. Hoewel CZ formeel niet gehouden is met minder dan algehele betaling van een opeisbare schuld genoegen te nemen (art. 6:29 BW), dwingen de regels van de redelijkheid en billijkheid die haar rechtsverhouding met [gedaagde] mede bepalen, haar tot een redelijke reactie op een sociale noodsituatie als de onderhavige. Reeds het uitblijven van zo’n reactie (daaromtrent is immers niets gesteld) zou aan het intreden van verzuim eerder dan 27 oktober 2014 in de weg kunnen staan. Er is echter meer dat tot die conclusie dwingt.

De incidentele vermelding van het woord (betalings)verzuim in het exploot, zonder concretisering en zonder referentie aan een dag en een oorzaak, kan niet verhelpen dat CZ vermeend buitengerechtelijk betalingsverzuim van [gedaagde] van een onvoldoende feitelijke basis voorziet. De koppeling immers van verzuim aan een reeks concrete facturen, maakt het noodzakelijk dat op zijn minst de datum van de afzonderlijke facturen bekendgemaakt wordt, terwijl het globale karakter van de aanduiding ‘verzuim’ ook verder vragen openlaat over de toepassing op de situatie van [gedaagde] en op een concrete toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Per factuur had CZ de datum en de weg waarlangs volgens haar verzuim bewerkstelligd is, moeten duiden. Dit tekort in de stelplicht, nog versterkt door het ontbreken van een gericht bewijsaanbod, raakt - zoals hierna nader gemotiveerd wordt - beide nevenvorderingen, die bij gebrek aan feitelijke grondslag afgewezen worden.

In het exploot van dagvaarding laat CZ als gezegd de van haar te verlangen concrete en toereikende verzuimredenering achterwege. Er is per factuur niet uitdrukkelijk gesteld en evenmin is uit de wel gedebiteerde stellingen rechtstreeks af te leiden dat op een concrete datum / op veertien althans zeven (7 x 2) concrete data voorafgaand aan dagvaarding (dus buiten rechte) om een welomschreven reden betalingsverzuim aan de zijde van [gedaagde] voor de twee gevorderde posten ‘basispremie’ en ‘aanvullende premie’ ingetreden is. Betalingsverzuim aan de zijde van de verzekerde consument kan dus in ieder geval niet voorafgaand aan dagvaarding ontstaan zijn. Daarmee ontvalt CZ het recht om tot 27 oktober 2014 (i.e. ‘vandaag’ in het exploot) vervallen geachte rente en/of buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen. Hier doet onvoldoende aan af dat CZ in diverse van de concrete casus geabstraheerde (standaard)passages in de exploottekst de geïsoleerde termen ‘verzuim’, ‘betalingsverzuim’ en ‘verzuimdatum’ gebruikt (maar niet verder verklaart). Evenmin maakt het iets uit dat CZ zes alinea’s van het exploot onder het kopje ‘Vermogensschade’ besteedt aan een abstracte beschrijving van de twee daarvan deel uitmakende posten (in hoofdzaak de post incassokosten), in een poging de gevorderde vergoeding daarvan te rechtvaardigen.

Zonder concreet geduid verzuim van de debiteur komt de zelfs in het geheel niet toegelichte vertragingsrente vanaf een ongenoemd gelaten dag tot en met de dagvaardingsdatum niet voor toewijzing in aanmerking. Gelet op de reeks abstracte alinea’s over inspanningen tot invordering (met als enige ‘concrete’ uitzondering de verwijzing naar ‘productie 1’, een onvolledig en onduidelijk stuk dat zelfs geen nummer droeg), lijkt CZ te miskennen dat de kantonrechter pas bij voldoende geadstrueerd / geconcretiseerd betalingsverzuim aan honorering van een ‘veertiendagenbrief’ via de prejudiciële uitspraak van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1405) zou kunnen toekomen. Daarvoor moet natuurlijk wel vaststaan dat de brief waarop CZ zich beroept, de bestemming bereikt heeft of dat het om andere redenen daarvoor gehouden zou moeten worden. Zelfs ten aanzien van dit laatste verzaakt CZ haar stelplicht. Aldus valt te concluderen dat eventueel aan incasso bestede werkzaamheden en daarop betrekking hebbende kosten prematuur of slechts ter instructie van de in rechte op te brengen zaak aangewend zijn. De kosten waarvoor verhaal gezocht is, zijn dan geheel als proceskosten aan te merken (art. 241 Rv).

Omdat aan CZ dus geen bedragen van € 114,54 en € 16,63 toegewezen kunnen worden en omdat zij bovendien geacht wordt [gedaagde] rauwelijks in rechte betrokken te hebben, zullen de proceskosten in het geheel gecompenseerd worden, zodat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De kantonrechter meent ervan uit te mogen gaan dat (de gemachtigde van) CZ ernaar zal streven op korte termijn contact top te nemen met de inmiddels ten behoeve van het schuldenbeheer (en vooruitlopend op een Wsnp-beslissing) aan de zijde van [gedaagde] benoemde bewindvoerder teneinde tot een bevredigende aflossingsregeling te geraken.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt veroordeeld om aan CZ tegen behoorlijk bewijs van kwijting (en in het bestek van een te treffen regeling alsdan in nader overeen te komen termijnen) een bedrag van in totaal € 763,31 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2014 tot de datum van algehele voldoening.

- De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: hs