Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1938

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-03-2015
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
3845366 C VEXPL 15-1295
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

(financiële) afwikkeling van het dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/379
RAR 2015/91
AR-Updates.nl 2015-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: 3845366 CV EXPL 15-1295

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 9 maart 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende [adres 1],

[woonplaats 1],

eisende partij,

gemachtigde mr. B. Filippo,

tegen

[gedaagde], handelend onder de naam [naam 1],

wonende te [woonplaats 2], kantoorhoudende [adres 2], [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. Ph.W.A.M. van Roy.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de door [eiser] ingediende aanvullende producties

  • -

    de pleitnota van mr. Filippo

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 26 februari 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 18 november 2002 in dienst getreden van [gedaagde], aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en sinds 18 mei 2003 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, welke vervolgens met ingang van 12 augustus 2003 is aangepast. [eiser] vervulde laatstelijk de functie van relatiebeheerder. In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is in artikel 11 een geheimhoudingsbeding opgenomen.

2.2.

De arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is door opzegging van laatstgenoemde geëindigd op 31 december 2014.

2.3.

[eiser] heeft na beëindiging van zijn dienstverband met [gedaagde] een eigen onderneming opgestart ([naam 2]).

3 Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde] tot:

  1. afgifte van een deugdelijke eindafrekening,

  2. betaling van een bedrag van € 287,92 bruto ter zake de waarde van de pro rato dertiende maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% (€ 143,96 bruto) en de wettelijke rente vanaf 8 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening,

  3. betaling van een bedrag van € 8.081,72 bruto aan opgebouwde niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening, alsmede de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% (€ 4.040,86 bruto) en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 8 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening,

  4. betaling van een bedrag van € 14.110,44 bruto aan opgebouwde niet genoten tijd-voor-tijd-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening, alsmede de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% (€ 7.055,22 bruto) en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 8 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening,

  5. het verstrekken van een getuigschrift,

  6. het verstrekken van een afschrift van de onderzoeksrapportage van het door het bureau [naam 3] Financieel Advies verrichte onderzoek naar de pensioendiscussie binnen [gedaagde],

  7. het verbieden onjuiste uitspraken te doen over de reden van en de gang van zaken met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband met [eiser] alsook om onwaarheden dan wel negatieve uitlatingen over [eiser] te verkondigen tegenover derden,

  8. betaling van een bedrag van € 3.242,80 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten,

  9. betaling van een bedrag van € 8.155,40 inclusief btw aan advocaatkosten,

  10. tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke is om aan het gevorderde onder a en c tot en met g te voldoen,

  11. betaling van de proceskosten en nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu ter zitting is gebleken dat de door [gedaagde] ingediende conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie de wederpartij niet heeft bereikt, heeft de kantonrechter de eis in reconventie niet toegestaan. De behandeling heeft zich vervolgens toegespitst op het gevorderde in de dagvaarding en het gestelde in de conclusie van antwoord.

Spoedeisend belang

4.2.

De kantonrechter is van oordeel dat, anders dan [gedaagde] stelt, [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De vorderingen hebben betrekking op de (financiële) afwikkeling van het onderhavig dienstverband. Voorts is een loonvordering naar haar aard spoedeisend. Verder heeft [eiser] gesteld dat hij in de opstartende fase van zelfstandig ondernemer nauwelijks inkomsten geniet, terwijl zijn vaste lasten gelijk zijn gebleven en de inkomsten uit het onderhavig dienstverband nodig heeft voor zijn levensonderhoud. Ook uit die omstandigheden blijkt het spoedeisend belang van [eiser] bij de gevraagde voorzieningen. De kantonrechter verwerpt dan ook het verweer van [gedaagde] dat het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen ontbreekt. De zaak leent zich dus voor behandeling en een inhoudelijke beoordeling in kort geding.

4.3.

Het door [gedaagde] gestelde restitutierisico kan op zichzelf genomen niet tot de conclusie leiden dat, zoals hij stelt, [eiser] niet-ontvankelijk is ten aanzien van de door hem gevorderde betalingen. Wel kan dat risico betrokken worden bij de inhoudelijke beoordeling van de vraag of de gevorderde voorziening toewijsbaar is. De lat ligt overigens, ook wat dit betreft, bij een loonvordering niet hoog.

4.4.

Voorts dient beoordeeld te worden of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat gerechtvaardigd is daarop door het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder formele bewijslevering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.

Uitbetaling pro rato dertiende maand

4.5.

[eiser] stelt dat [gedaagde] de pro rato dertiende maand over de maand december 2014, een bedrag van € 287,92 bruto, nog niet heeft uitbetaald.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de eindejaarsuitkering in november uitbetaalt. Echter partijen verschillen van mening over de wijze van opbouw daarvan. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de door [gedaagde] in november 2014 uitgekeerde eindejaarsuitkering betrekking heeft op de opbouw van december 2013 tot en met november 2014, terwijl [gedaagde] stelt dat de opbouw plaatsvindt van januari 2014 tot en met december 2014.

4.7.

Gezien de uiteenlopende standpunten van partijen is de kantonrechter van oordeel dat dit deel van het geschil zich niet leent voor een behandeling in kort geding. Onderhavige procedure is niet geschikt voor het vergaren van nadere gegevens, waaronder eventuele bewijslevering door partijen. Een bodemprocedure is daarvoor de geëigende weg. Mitsdien is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. De kantonrechter zal om die reden de gevraagde voorlopige voorziening ter zake de uitbetaling van de pro rato dertiende maand over december 2014, alsmede de daarover gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente, weigeren.

Opgebouwde niet genoten vakantiedagen

4.8.

Op grond van artikel 7:641 lid 1 BW heeft een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantiedagen heeft, recht op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak. Het recht op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen bestaat ongeacht de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.9.

Op [gedaagde] als werkgever rust, gelet op artikel 7:641 lid 2 BW, de verplichting om gedurende de arbeidsovereenkomst de administratie van vakantiedagen bij te houden (HR 21 juni 1991, NJ 1991,743). Uit productie 20 blijkt dat [gedaagde] een dergelijke administratie heeft bijgehouden. [eiser] heeft een berekening van deze vergoeding gemaakt, daarbij uitgaande van het verlofsaldo zoals opgenomen in de administratie van [gedaagde]. Nu [gedaagde] de door [eiser] gemaakte berekening niet gemotiveerd heeft betwist, zal de gevorderde vergoeding van opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, een bedrag van € 8.081,72 bruto, worden toegewezen.

4.10.

De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over deze bedragen zullen eveneens worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen, nu de te late betaling valt toe te rekenen aan [gedaagde]. Immers niet gebleken is dat [gedaagde] terecht een beroep op verrekening dan wel opschorting heeft gedaan.

Tijd-voor-tijd-uren (tvt-uren)

4.11.

Voorts dient beoordeeld te worden of de vordering ter zake de opgebouwde doch niet genoten tijd-voor-tijd-uren (overwerkvergoeding) toewijsbaar is.

4.12.

Uit de administratie van [gedaagde] (productie 20) volgt dat het saldo tvt-uren van [eiser] op 17 november 2014 716 uren bedraagt. [eiser] gaat in zijn berekening uit van 708 tvt-uren. Tussen partijen is aldus niet in geschil dat er sprake is van een saldo aan tvt-uren. De stelling van [gedaagde] dat zij nooit tvt-uren heeft uitbetaald, kan in het licht bezien van de omschrijving op de als productie 19 in het geding gebrachte loonstrook “uitbetaling verlof/tvt-uren” en het ter zitting gestelde dat bij een eerder uitdiensttredende werknemer - weliswaar een gering aantal - tvt-uren zijn uitbetaald geen stand houden.

4.13.

De kantonrechter acht het op grond van het vorenstaande waarschijnlijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat [eiser] aanspraak kan maken op vergoeding van de opgebouwde doch niet genoten tvt-uren. Dit brengt met zich dat de kantonrechter de vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een vergoeding wegens opgebouwde doch niet genoten tijd-voor-tijd-uren zal toewijzen en deze vergoeding zal bepalen op een bedrag van € 14.110,44 bruto, gelet op de door [eiser] gegeven - en door [gedaagde] niet gemotiveerde betwiste - berekening van deze vergoeding.

4.14.

De wettelijke verhoging en de wettelijke rente over deze bedragen zullen eveneens worden toegewezen.

Eindafrekening

4.15.

De kantonrechter oordeelt dat de door [gedaagde] na dagvaarding, op 24 februari 2015, aan [eiser] verstrekte eindafrekening (productie 19) niet deugdelijk is. Daarop is een bedrag van € 7.501,25 bruto aan uitbetaling verlof/tvt-uren opgenomen, terwijl uit hetgeen zojuist hiervoor onder r.o. 4.9. en 4.13. is overwogen volgt dat [gedaagde] ter zake de door [eiser] opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen een bedrag van € 8.081,72 bruto aan [eiser] verschuldigd is en ter zake de tvt-uren een bedrag van € 14.110,44 bruto. De gevorderde afgifte van de eindafrekening zal dan ook worden toegewezen. De termijn zal gesteld worden op twee weken. De kantonrechter ziet geen aanleiding hieraan een dwangsom te verbinden.

Getuigschrift

4.16.

Ingevolge artikel 7:656 BW is de werkgever verplicht om op verzoek van de werknemer aan deze bij het einde van de dienstbetrekking een getuigschrift uit te reiken, hetwelk in ieder geval dient te vermelden de aard van de verrichte arbeid en de arbeidsduur per dag of per week, de begindatum en einddatum van het dienstverband. Slechts op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer mag het getuigschrift, naast beide bovengenoemde gegevens, ook bevatten, voor zover hier relevant, mededelingen over de wijze waarop de werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Een oordeel over de wijze waarop de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft uitgevoerd kan uiteraard subjectieve elementen bevatten, maar een zekere objectivering van dit oordeel is wel vereist.

4.17.

Het door [gedaagde] op 23 februari 2015 verstrekte getuigschrift (productie 18) voldoet niet aan de eisen van artikel 7:656 lid 1 en 2 BW. Het door [gedaagde] verstrekte getuigschrift vermeldt niet de arbeidsduur per dag of per week en de wijze waarop [gedaagde] zich heeft uitgelaten over het functioneren van [eiser] is niet neutraal althans vereist een zekere objectivering. De vordering ter zake het verstrekken van een getuigschrift dat voldoet aan artikel 7:656 BW zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] niet wil dat [gedaagde] zich uitlaat over zijn, Verhagens, functioneren (artikel 7:656 lid 2 sub c BW). De termijn zal worden gesteld op twee weken. De te verbeuren dwangsom zal vastgesteld worden op € 100,00 per dag en gemaximeerd worden op een totaalbedrag van € 1.000,00.

Onderzoeksrapportage [naam 3]

4.18.

Voor zover de gevorderde afgifte van het rapport van onderzoeksbureau [naam 3] Financieel Advies niet ter zitting is ingetrokken, ligt dit deel van de vordering bij gebreke van een belang voor afwijzing gereed nu niet gebleken is dat er reeds andere stukken voorhanden zijn dan hetgeen ter zitting is overhandigd.

Verbod

4.19.

Middels het overleggen van de producties 16 en 17, waarvan [gedaagde] de inhoud niet heeft weersproken, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich jegens derden negatief heeft uitgelaten over [eiser]. Het moge zo zijn dat de gang van zaken voor [gedaagde] onaangenaam is (geweest) en dat hij daarvan nadeel ondervindt (heeft ondervonden), maar [gedaagde] dient zich behoudens een rechtvaardigingsgrond die is gesteld noch gebleken jegens derden te onthouden van uitlatingen die schadelijk kunnen zijn voor [eiser]. Aldus heeft [eiser] belang bij toewijzing van het gevorderde verbod op het doen van onjuiste en / of schadelijke uitlatingen, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.20.

De kantonrechter hanteert bij de beoordeling van de buitengerechtelijke incassokosten de per 1 juli 2012 in werking getreden Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarbij behorende Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (verder: het Besluit). Slechts indien sprake is van bijzondere (incasso)werkzaamheden kan een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten worden toegewezen die het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt op grond van de wettelijke staffel te boven gaat. De door [eiser] omschreven werkzaamheden acht de kantonrechter onvoldoende om van de wettelijke staffel af te wijken, zodat hij de gevorderde buitengerechtelijke kosten matigt tot een bedrag van € 1.107,88.

Proceskosten

4.21.

[gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Voor de door [eiser] gevraagde vergoeding van de volledige proceskosten is geen aanleiding, zodat de gebruikelijke liquidatietarieven zullen worden gehanteerd. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,98
- griffierecht € 466,00
- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 1.165,98

4.22.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te betalen een bedrag van:

  1. € 8.081,72 bruto aan opgebouwde niet genoten vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening, alsmede de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50%, zijnde een bedrag van € 4.040,86 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening,

  2. € 14.110,44 bruto aan opgebouwde niet genoten tijd-voor-tijd-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening, alsmede de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50%, zijnde een bedrag van € 7.055,22 bruto en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 8 januari 2015 tot de dag van algehele voldoening,

  3. € 1.107,88 aan buitengerechtelijke kosten,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis te verstrekken:

  • -

    een deugdelijke eindafrekening,

  • -

    een getuigschrift dat voldoet aan artikel 7:656 BW, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in gebreke blijft daaraan te voldoen tot een maximum van € 1.000,00,

5.3.

verbiedt [gedaagde] onjuiste uitspraken te doen over de reden van en de gang van zaken met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband met [eiser] alsook om onwaarheden dan wel negatieve uitlatingen over [eiser] te verkondigen tegenover derden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in gebreke blijft daaraan te voldoen tot een maximum van € 10.000,00,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.165,98,

5.5.

veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens en in het openbaar uitgesproken.

Type: CJ