Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2015:1791

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
C/03/190094 / HA ZA 14-204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident in een procedure betreffende vergoeding van kartelschade. Rechtbank op grond van artikel 6 EEX-Vo bevoegd ten aanzien van niet in Nederland gevestigde gedaagden; beroep op verjaring en vorderingen tot niet-ontvankelijkheidverklaring lenen zich hier niet voor afdoening in incident; afwijzing vordering tot overlegging van bescheiden; toewijzing oproeping in vrijwaring van overige karteldeelnemers; afwijzing vordering tot openstellen tussentijds hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/190094 / HA ZA 14-204

Vonnis in incident van 25 februari 2015

in de zaak van

de rechtspersonen naar Duits recht

1. DEUTSCHE BAHN AG,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),

2. DB NETZ AG,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

3. DB BAHNBAUGRUPPE GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),

4. DB PROJEKTBAU GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),

5. DB REGIONETZ INFRASTRUKTUR GMBH,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

6. DB FAHRWEGDIENSTE GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),

7. DB STATION & SERVICE AG,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in de incidenten,

hierna: DB c.s.,

advocaat: mr. M. Deckers,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRI SPANSTAAL B.V.,

gevestigd te Blerick,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIT GROEP B.V.,

gevestigd te Haarlem,

3. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,

gevestigd te Hamm (Duitsland),

4. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,

gevestigd te Hamm (Duitsland),

5. de rechtspersoon naar Duits recht PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KG,

gevestigd te Iserlohn (Duitsland),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in de incidenten tot i) oproeping in vrijwaring, ii) niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing wegens verjaring en iii) overlegging van bescheiden,

hierna: Nedri c.s.,

advocaat: mr. D.J. Beenders;

6 de rechtspersoon naar Spaans recht ARCELORMITTAL ESPANA SA,

gevestigd te Luanco, Asturias (Spanje),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten tot i) niet-ontvankelijkverklaring, ii) overlegging van bescheiden en iii) oproeping in vrijwaring,

hierna (met 11. en 12.): Arcelormittal c.s.,

advocaat: mr. W. Heemskerk;

7 de rechtspersoon naar Spaans recht EMESA-TRÉFILERIA SA,

gevestigd te Arteixo La Corunya (Spanje),

gedaagde,

niet verschenen;

8 de rechtspersoon naar Spaans recht INDUSTRIAS GALYCAS SA,

gevestigd te Vitoria/Gazteiz Araba (Spanje),

gedaagde,

niet verschenen;

9 de rechtspersoon naar Duits recht DWK DRAHTWERK KOLN GMBH,

gevestigd te Keulen (Duitsland),

10. de rechtspersoon naar Duits recht SAARSTAHL AG,

gevestigd te Völklingen (Duitsland),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in de incidenten tot i) onbevoegdverklaring en ii) oproeping in vrijwaring,

hierna: DWK en Saarstahl,

advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap;

11 de rechtspersoon naar Frans recht ARCELORMITTAL WIRE FRANCE SA,

gevestigd te Bourg-en-Besse (Frankrijk),

12. de rechtspersoon naar Luxemburgs recht ARCELORMITTAL SA,

gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in de incidenten tot i) niet-ontvankelijkverklaring, ii) overlegging van bescheiden en iii) oproeping in vrijwaring,

hierna (met 6.): Arcelormittal c.s.,

advocaat: mr. W. Heemskerk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de incidentele conclusie van Nedri c.s. (Hit Groep B.V. uitgezonderd) van 9 juli 2014,

  • -

    de incidentele conclusie van Hit Groep B.V. van 9 juli 2014,

  • -

    de incidentele conclusie van Arcelormittal c.s. van 9 juli 2014,

  • -

    de incidentele conclusie van Saarstahl van 9 juli 2014,

  • -

    de rolbeslissing tot verwijzing van de locatie Roermond naar de locatie Maastricht,

  • -

    de incidentele conclusie van DWK van 20 augustus 2014,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van DB c.s. van 20 augustus 2014,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van DB c.s. van 10 september 2014,

  • -

    de ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties van DB c.s. (t/m 17),

  • -

    de ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties van Nedri c.s. (t/m 16),

  • -

    de ten behoeve van het pleidooi overgelegde productie van Arcelormittal c.s. (21),

  • -

    de bij het pleidooi van 16 januari 2015 overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

Deze zaak betreft een kartelschadeactie. DB c.s. stelt zich op het standpunt dat zij als (indirect) afnemer van spanstaal schade heeft geleden als gevolg van het kartel voor spanstaal zoals dat vanaf 1984 tot en met 2002 in Europa actief was. Zij stelt voorts dat de schadevergoedingsvorderingen van een aantal andere afnemers en van de Duitse staat aan haar zijn gecedeerd. Volgens DB c.s. hebben gedaagden als deelnemers aan dit kartel in strijd gehandeld met art. 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en art. 33 lid 3 van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen en zijn zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor door DB c.s. (en haar cedenten) geleden schade en de daarover te berekenen wettelijke rente. DB c.s. vordert, samengevat, daartoe strekkende verklaringen voor recht, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot schadevergoeding en betaling van rente, op te maken bij staat.

2.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen verwijst DB c.s. in het bijzonder naar het Besluit van de Europese Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.344 – Spanstaal), hierna: “het Besluit”. De Samenvatting (PB C 339 van 19.11.2011) van het Besluit luidt onder meer als volgt:

“(1) Dit besluit is gericht tot 36 rechtspersonen die onderdeel vormen van 17 spanstaalondernemingen, omdat zij hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 van het VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zij hebben deelgenomen aan de vaststelling van prijzen en volumes, de verdeling van klanten en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie in het kader van een kartel in de sector spanstaal (de producten „speciale strengen” en „draagkabels” uitgezonderd). Het kartel duurde van januari 1984 tot september 2002 en bestreek alle landen die in die periode de EU15 vormden, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Griekenland. Ook Noorwegen was bij het kartel betrokken. Het kartel staakte zijn activiteiten in 2002, toen de onderneming DWK/Saarstahl het bestaan ervan bekendmaakte op grond van de in datzelfde jaar ingevoerde clementieregeling van de Commissie (..).

(…)

(9) Deze zaak betreft een inbreuk op artikel 101 van het VWEU en, vanaf 1 januari 1994, op artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels. Spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en -strengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van funderingen, balkons of bruggen alsook bij ondergrondse bouwwerken en in de bruggenbouw.

(10) De betrokken leveranciers stelden prijzen en volumes vast, verdeelden klanten en wisselden commercieel gevoelige informatie uit in het kader van een kartel dat meer dan 18 jaar duurde, van tenminste 1 januari 1984 tot 19 september 2002. Daarnaast controleerden zij de afspraken op het gebied van prijzen, afnemers en volumes door middel van een systeem van nationale coördinatoren en bilaterale contacten. Sommige leveranciers waren tevens betrokken bij een speciale vorm van klantentoewijzing met betrekking tot een grote Scandinavische afnemer. De inbreuk vormt door zijn aard een van de ernstigste schendingen van artikel 101 van het VWEU.

(11) Het kartel betrof een geheel van pan-Europese regelingen en werd aanvankelijk aangeduid als „Club Zürich”, naar de stad in Zwitserland waar de eerste kartelbijeenkomsten werden gehouden, en later als „Club Europa”. Maar er waren ook twee regionale afdelingen, een in Italië („Club Italia”) en een in Spanje/Portugal („Club España”). De verschillende regelingen in het kader van het kartel vormden één enkele, complexe en voortdurende inbreuk omdat zij onderling verbonden waren door overlappingen van grondgebied, lidmaatschap en periode. Verder hadden zij hetzelfde doel en maakten zij gebruik van soortgelijke mechanismen. Immers, het doel van het kartel was de marktaandelen van de leveranciers te stabiliseren om prijsdalingen te voorkomen en prijsverhogingen te vergemakkelijken. Dit gebeurde door afspraken te maken over volumes, prijzen en/of de verdeling van klanten. Deze afspraken werden gecontroleerd en er werden compensatiemechanismen in het leven geroepen. Bovendien waren de deelnemers aan de verschillende regelingen op de hoogte van elkaars inspanningen om de marktaandelen/prijzen te stabiliseren en werden er pogingen ondernomen om overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk evenwicht en om gezamenlijk prijzen vast te stellen.

(12) De betrokken ondernemingen ontmoetten elkaar doorgaans in de wandelgangen van officiële branchebijeenkomsten in hotels in heel Europa. De Commissie bezit bewijsmateriaal met betrekking tot meer dan 550 kartelbijeenkomsten.

(…)

Besluit

(20) De volgende geldboeten werden opgelegd ingevolge artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003:

1.

45 705 600 EUR

Voor ArcelorMittal Wire France SA en ArcelorMittal Fontaine SA, waarbij

ArcelorMittal Verderio Srl hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 32 353 600 EUR, en waarbij

ArcelorMittal SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 31 680 000 EUR.

2.

36 720 000 EUR

voor ArcelorMittal España SA, waarbij

ArcelorMittal SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 8 256 000 EUR, en

Emesa — Trefilería SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 2 576 400 EUR, en

Industrias Galycas SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 868 300 EUR.

3.

54 389 000 EUR

voor Global Steel Wire SA en Moreda-Riviere Trefilerías SA, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld, waarbij

Trenzas y Cables de Acero PSC, SL hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 40 000 000 EUR, en

Trefilerías Quijano SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 4 190 000 EUR.

4.

12 590 000 EUR

voor Companhia Previdente — Sociedade de Controle de Participações Financeiras SA en SOCITREL — Sociedade Industrial de Trefilaria SA, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.

5.

22 000 000 EUR

voor voestalpine AG en voestalpine Austria Draht GmbH, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.

6.

8 874 000 EUR

voor Fapricela — Indústria de Trefilaria SA

7.

482 250 EUR

voor Proderac Productos Derivados del Acero SA

8.

46 550 000 EUR

voor Westfälische Drahtindustrie GmbH, waarbij

Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft GmbH & Co. KG hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 38 855 000 EUR, en

Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co. KG hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 15 485 000 EUR.

9.

6 934 000 EUR

voor HIT Groep BV, waarbij

Nedri Spanstaal BV hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 5 056 500 EUR.

10.

0 EUR

voor Saarstahl AG en DWK Drahtwerk Köln GmbH, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.

11.

4 300 000 EUR

voor Rautaruukki Oyj en Ovako Bright Bar AB, welke ondernemingen beide aansprakelijk worden gesteld, waarbij

Ovako Hjulsbro AB hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 1 808 000 EUR, en

Ovako Dalwire Oy Ab hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 554 000 EUR.

12.

2 386 000 EUR

voor Italcables SpA, waarbij

Antonini SpA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 22 500 EUR.

13.

6 341 000 EUR

voor Redaelli Tecna SpA

14.

2 552 500 EUR

voor CB Trafilati Acciai SpA

15.

843 000 EUR

Voor I.T.A.S. — Industria Trafileria Applicazioni Speciali — SpA

16.

15 956 000 EUR

voor Siderurgica Latina Martin SpA,waarbij

ORI Martin SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 14 000 000 EUR.

17.

3 249 000 EUR

voor Emme Holding SpA

3 De beoordeling in de incidenten

3.1.

De bij de hiervoor onder 1.1. genoemde incidentele conclusies ingestelde incidentele vorderingen zullen zoveel mogelijk tezamen worden beoordeeld.

Bevoegdheid

3.2.

DWK en Saarstahl stellen zich op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van de door DB c.s. tegen hen ingestelde vorderingen. Dit standpunt moet worden verworpen.

3.3.

Nedri Spanstaal B.V. en Hit Groep B.V. zijn gevestigd in Nederland (en eerstgenoemde binnen het arrondissement van deze rechtbank). Ten aanzien van hen volgt derhalve uit de hoofdregel van art. 2 van de EG-verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - zoals van kracht tot 15 januari 2015, hierna: EEX-Vo (oud) - dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Ten aanzien van de overige gedaagden in de hoofdzaak geldt de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 6 lid 1 EEX-Vo (oud), op grond waarvan een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen, indien er sprake is van meer verweerders, voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Op basis van hetgeen partijen tot dusver hebben aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke nauwe band sprake. Volgens het Besluit waarop DB c.s. haar ten aanzien van alle gedaagden gelijkluidende vorderingen baseert, ging het bij de deelname aan het spanstaalkartel door onder meer gedaagden om “één enkele voortdurende inbreuk” en vormden “de verschillende regelingen in het kader van het kartel […] één enkele, complexe en voortdurende inbreuk omdat zij onderling verbonden waren door overlappingen van grondgebied, lidmaatschap en periode” en “hadden zij hetzelfde doel”. Het gaat bij het spanstaalkartel volgens het Besluit derhalve niet om afzonderlijke inbreuken die op het niveau van verschillende nationale rechtstelsels zijn gepleegd.

3.4.

DWK en Saarstahl kennen in verband met de bevoegdheid nog betekenis toe aan de bijzondere positie die zij stellen in te nemen ten opzichte van de overige karteldeelnemers en ten opzichte van de afnemers, omdat zij degenen zijn geweest die het bestaan van het kartel hebben bekendgemaakt. Zij stellen dat zij op die grond slechts door hun eigen afnemers kunnen worden aangesproken en jegens andere benadeelde partijen slechts aansprakelijk zijn indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk betrokken ondernemingen. Daargelaten de betwisting door DB c.s. dat ten aanzien van DWK en Saarstahl sprake is van een dergelijke subsidiaire aansprakelijkheid, neemt de door DWK en Saarstahl gestelde bijzondere positie - waarover in de hoofdzaak zal kunnen worden geoordeeld - de nauwe band en het risico van onverenigbare beslissingen als bedoeld in art. 6 lid 1 EEX-Vo (oud) niet weg.

3.5.

De rechtbank verwerpt voorts de stelling van DWK en Saarstahl dat DB c.s. misbruik van recht maakt door zich ten aanzien van hen te beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 6 EEX-Vo (oud) en hen zo van hun eigen (Duitse) rechter af te houden. DWK en Saarstahl konden als deelnemers aan het spanstaalkartel redelijkerwijs voorzien dat op enig moment - en zeker nadat de Europese Commissie haar Besluit had genomen - een civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding tegen (een aantal van) de gezamenlijke inbreukmakers zou worden ingesteld bij de rechter van het rechtsgebied waarin een van hen was gevestigd. Onweersproken is dat de in Nederland gevestigde ‘ankergedaagde’ Nedri Spanstaal B.V. rechtstreeks heeft deelgenomen aan het kartel en dat diverse kartelbijeenkomsten in Nederland werden gehouden. Gelet daarop was het ook voorzienbaar dat een kartelschadevordering bij de Nederlandse rechter zou worden ingesteld. Aan het in punt 11 van de considerans van de EEX-Vo (oud) gestelde vereiste van voorspelbaarheid van de bevoegdheid is derhalve voldaan. Dat de zaak veel, of zelfs overwegend, aanknopingspunten heeft met de Duitse rechtssfeer en DB c.s. zich ook tot die rechter had kunnen wenden, doet aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de bevoegdheid van DB c.s. om de zaak aan de Nederlandse rechter voor te leggen niet af. Dit ongeacht of, zoals DWK en Saarstahl stellen, een feit van algemene bekendheid is dat Nederland, onder meer omdat hier voor een verklaring voor recht slechts de mogelijkheid van schade aannemelijk moet worden gemaakt, een aantrekkelijke jurisdictie is om schadevorderingen in verband met internationale kartels in te stellen.

3.6.

Subsidiair hebben DWK en Saarstahl verzocht de beslissing over de bevoegdheid aan te houden totdat is beslist op de door het gerecht te Dortmund, Duitsland, aan het Europees Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen in een vergelijkbare bevoegdheidskwestie (zaak C-352/13, CDC). DB c.s. heeft zich tegen dit verzoek verzet. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding haar beslissing aan te houden, nu in de Nederlandse rechtspraak in vergelijkbare zaken bevoegdheid pleegt te worden aangenomen, welke rechtspraak steun vindt in de Painer-uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 1 december 2011 en in de door de Advocaat-Generaal bij het Europees Hof genomen conclusie van 11 december 2014 naar aanleiding van de door DWK en Saarstahl bedoelde prejudiciële vragen.

Ontvankelijkheid

3.7.

Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. stellen dat de vordering in de hoofdzaak is verjaard en dat om die reden tot niet-ontvankelijkverklaring van DB c.s., althans de afwijzing van haar vorderingen moet worden beslist. Zij beroepen zich daarbij onder meer op art. 199 Bürgerliches Gezetsbuch (BGB) en verwijzen naar de door hen overgelegde rechtskundige adviezen. DB c.s. bestrijdt dat de vordering verjaard is, stellende dat de verjaringstermijn naar Duits recht eerst begint te lopen vanaf de datum van het Besluit. Ook DB c.s. verwijst daarbij naar door haar overgelegde rechtskundige adviezen.

3.8.

Naar het oordeel van de rechtbank leent het beroep op verjaring zich in de onderhavige zaak niet voor een beoordeling in het incident. Daargelaten dat een beroep op verjaring als een materieel verweer moet worden aangemerkt, geldt dat de goede procesorde zich er in de onderhavige zaak tegen verzet dat het beroep op verjaring in het incident wordt afgedaan. Van belang is daarbij dat zich hier niet de situatie voordoet dat alle partijen een dergelijke afdoening in het incident verlangen. DB c.s. verzet zich hier immers gemotiveerd tegen, terwijl gedaagden in de hoofzaak sub 7 en 8 (nog) niet in het geding zijn verschenen en DWK en Saarstahl uitdrukkelijk stellen ervoor te hebben gekozen het door hen te voeren verjaringsverweer te reserveren voor de hoofdzaak. Indien zou worden tegemoetgekomen aan de wens van Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. om het debat en de beslissing omtrent de verjaring ten aanzien van hen uit de hoofdzaak te lichten, zou, hoe die beslissing ook zou luiden, een niet te verwaarlozen en onwenselijk risico ontstaan op versnippering en/of vertraging van het geding en/of onverenigbare beslissingen.

3.9.

Arcelormittal c.s. heeft voorts aangevoerd dat eiseressen in de hoofdzaak sub 1, 3, 5 en 6 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat in de dagvaarding niet wordt gesteld dat (ook) zij een vordering hebben. Ook dit betreft een verweer dat in de hoofdzaak kan worden gevoerd en dan aldaar dient te worden beoordeeld.

Overlegging van bescheiden

3.10.

Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. vorderen op de voet van art. 843a Rv de overlegging door DB c.s. van bescheiden. Het betreft onder meer de volledige cessiedocumentatie waarmee de gestelde vorderingen van afnemers en de Duitse staat volgens DB c.s. aan haar zijn overgedragen, facturen die gedurende het kartel door bedoelde afnemers en door DB c.s. zijn ontvangen voor dwarsliggers, spanstaal, spanstaalproducten en cement, alsmede bescheiden betreffende de certificering van leveranciers van spanstaalproducten.

3.11.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen in de incidenten in de huidige stand van de procedure geen rechtmatig belang bij de verlangde overlegging van bescheiden en moeten hun verzoeken reeds op die grond worden afgewezen. In de hoofdzaak is nog geen verweer gevoerd. Het is in de hoofdzaak aan DB c.s. om de stellingen waarop haar vorderingen berusten, indien betwist, te onderbouwen en aannemelijk te maken. De verweren die Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. in deze incidenten reeds opwerpen ten aanzien van de cessies en daarmee ten aanzien van de vorderingsgerechtigdheid van DB c.s., kunnen zij desgewenst in de hoofdzaak voeren. Dat geldt ook voor hetgeen zij in deze incidenten naar voren hebben gebracht over de (on)mogelijkheid dat DB c.s. als gevolg van het kartel schade heeft geleden. Mede gelet op de aard van de hoofdzaak - de vaststelling van aansprakelijkheid terzake deelname aan een internationaal kartel - en de aard en omvang van de thans verlangde bescheiden, acht de rechtbank die verzoeken, nog voordat in de hoofdzaak is geantwoord, prematuur, niet in het belang van een doelmatige procesvoering en niet noodzakelijk voor een behoorlijke rechtsbedeling. Daarbij komt dat namens DB c.s. bij gelegenheid van het pleidooi in de incidenten het voornemen is uitgesproken het inmiddels door haar ontvangen schaderapport van Oxera in de hoofdzaak bij akte in het geding te brengen, voorafgaand aan de door gedaagden in de hoofdzaak te nemen conclusies van antwoord.

Oproeping in vrijwaring

3.12.

Alle eiseressen in de incidenten verzoeken toestemming (een aantal van) de overige rechtspersonen tot wie het Besluit zich richt in vrijwaring op te roepen. Aan de voorwaarde van bevoegdheid van deze rechtbank die DWK en Saarstahl aan dat verzoek verbinden is, zoals hiervoor is gebleken, voldaan. Alle eiseressen in de incidenten stellen dat, indien zij in de hoofdzaak aansprakelijk worden gehouden, de overige karteldeelnemers in hun verhouding jegens hen (naar Duits recht) draagplichtig zijn.

3.13.

Nedri c.s. verzoekt voorts toestemming de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zuiderhoofd B.V. te Goes in vrijwaring op te roepen, stellende dat deze vennootschap op grond van een door haar afgegeven garantie verplicht is alle schade te vergoeden die Nedri Spanstaal B.V. lijdt als gevolg van de mededingingsinbreuk.

3.14.

Hetgeen eiseressen in de incidenten aan hun verzoeken tot oproeping in vrijwaring ten grondslag hebben gelegd, kan die verzoeken - waartegen DB c.s. zich niet heeft verzet - dragen. Die verzoeken zullen dan ook worden toegewezen. De daarbij door eiseressen in de incidenten voorgestelde termijn van zes maanden is ruim, maar komt de rechtbank, mede gelet op het aantal van de op te roepen rechtspersonen en hun diverse vestigingsplaatsen, in deze zaak passend voor.

De kosten van de incidenten

3.15.

De kosten van de vrijwaringsincidenten zullen, gelet op de referte door DB c.s. en het feit dat deze incidentele vorderingen bij dezelfde conclusies zijn ingesteld als de overige incidentele vorderingen, worden gecompenseerd.

3.16.

Ten aanzien van de overige incidenten zullen eiseressen in de incidenten worden veroordeeld in de aan de zijde van DB c.s. gerezen kosten, begroot volgens het liquidatietarief op basis van tarief II (onbepaalde waarde), anderhalf punt per incident.

Geen tussentijds hoger beroep

3.17.

De rechtbank zal het verzoek van Nedri c.s., DWK en Saarstahl om tussentijds hoger beroep open te stellen, waartegen DB c.s. zich heeft verweerd, niet toestaan. Het onderhavige vonnis is een tussenvonnis als bedoeld in art. 232 Rv. Ingevolge de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv staat tegen tussenvonnissen geen hoger beroep open. De rechtbank ziet geen aanleiding van deze hoofdregel af te wijken. Ten aanzien van de beslissing op het door DWK en Saarstahl opgeworpen bevoegdheidsincident overweegt de rechtbank daarbij dat het hier naar haar oordeel geen controversiële aangelegenheid betreft. Ten aanzien van de beslissingen op de overige incidentele vorderingen komt het openstellen van afzonderlijk hoger beroep de rechtbank niet doelmatig voor.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord zijdens gedaagden.

4.2.

De rechtbank verzoekt partijen de door hen in de incidenten ingenomen stellingen en overgelegde producties, indien en voor zover gehandhaafd, in de hoofdzaak opnieuw in te brengen. Dit met het oog op de overzichtelijkheid van de procedure en daarmee de goede procesorde. Bij de verdere beoordeling in de hoofdzaak zal tot uitgangspunt worden genomen dat het in de incidenten gevoerde debat verder buiten beschouwing zal blijven.

5 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

5.1.

staat ieder van de eiseressen toe de andere van de 36 rechtspersonen tot wie het Besluit zich richt op te roepen in vrijwaring door die andere rechtspersonen te dagvaarden tegen de rolzitting van 26 augustus 2015,

5.2.

staat Nedri c.s. toe de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zuiderhoofd B.V. te Goes op te roepen in vrijwaring door haar te dagvaarden tegen de rolzitting van 26 augustus 2015,

5.3.

wijst de overige incidentele vorderingen van eiseressen af,

5.4.

veroordeelt eiseressen in de aan de zijde van DB c.s. gerezen proceskosten en bepaalt dat terzake dient te worden betaald door Nedri c.s. (uitgezonderd Hit Groep B.V.) € 1.356,-, door Hit Groep B.V. € 1.356,-, door Arcelormittal c.s. € 1.356,-, door DWK € 678,- en door Saarstahl € 678,-, en compenseert de kosten van de incidenten voor het overige aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 augustus 2015 voor conclusie van antwoord zijdens alle in het geding verschenen gedaagden,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.E. de Kort, B.R.M. de Bruijn en G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.